er ed tet er
1b, Se nn a iero CN
ent ft and rape CL
heter PALI erat iet mite era vara if
IA
I TT
ht
I A Aa BC
rennende ne sorbet pent Be
roses
Pres
er +
Poe ear as
referred Catania not
iede 2
Fra ra
DAT rare
pipers
oh enone
=
ci RE Eye en ER
HARVARD UNIVERSITY
LIBRARY
MUSEUM OF COMPARATIVE ZOÖLOGY
MUS. COMP. ZOOL
LIBRARY =
AUG deg
HARVARD
UNIVERSITY
_ Tijdschr voor itomologie
à SRE _ UITGEGEVEN DOOR
De Nederlandsche En ee
ONDER REDACTIE VAN
J. B. CORPORAAL, DR. K. W. DAMMERMAN,
G. L. VAN EYNDHOVEN, B. J. LEMPKE
EN J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL |
_ NEGENTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1946 (1949) |
(Gepubliceerd 1 Juli 1949)
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
De contributie voor het lidmaatschap bedraagt f 10.—
per jaar. Ook kunnen Natuurlijke Personen, tegen het stor-
ten van f 150.— in eens, levenslang lid worden.
Natuurlijke Personen, niet ingezetenen van het Rijk in
Europa. Azië of Amerika, kunnen tegen betaling van f 69.—
lid worden voor het leven.
Begunstigers betalen jaarlijks minstens f 10.— of (alleen
_ voor Natuurlijke Personen) f 100.— in eens.
De leden ontvangen gratis de Entomologische Berichten
(6 nummers per jaar; prijs voor niet-leden f 0.50 per num-
mer), en de Verslagen der Vergaderingen (2 à 3 per jaar -
prijs voor niet-leden f 0.60 per stuk).
De leden kunnen zich voor f 6.— per jaar abonneeren op het
Tijdschrift voor Entomologie (prijs voor niet-leden f 12.—
per jaar). 2 .
De oudere publicaties der vereeniging zijn: voor de leden
voor verminderde prijzen verkrijgbaar.
Aan den boekhandel wordt op de prijzen voor niet-leden
geene reductie toegestaan.
rm) WO
UITGEGEVEN DOOR
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging
ONDER REDACTIE VAN
J. B. CORPORAAL, DR. K. W. DAMMERMAN,
G. L. VAN EYNDHOVEN, B. J. LEMPKE
EN J. J. DE VOS TOT NEDERVEEN CAPPEL
MUS. COMP. ZOOL.
LIBRARY
UG 12 1949
_ HARVARD
UNIVERSITY
NEGENTIGSTE DEEL.
JAARGANG 1946 (1949)
(Gepubliceerd 1 Juli 1949)
SP a hap. Ani ENS
Per | le VODIDON £1600, EUR
MUS. COMP. ZOOL.
LIBRARY
AUG 12 1949
HARVARD
UNIVERSITY
INHOUD VAN HET NEGENTIGSTE DEEL
Verslag van de negen-en-zeventigste Wintervergadering
Verslag van de honderdtweede Zomervergadering
Verslag van de zevende Herfstvergadering .
Barendrecht, Dr. G. en |
Kruseman Jr, Dr. G. |
Bentinck, G. A. Graaf |
|
Geijskes, D. C. en
Doeksen, J. |
Lempke, B. J.
Louwerens, C. J.
Obraztsov, N.
Smit, F. G. A. M.
ann Erich
Bladz.
I—XXIV
XXV—LXI
LXII—LXXXVI
In memoriam Prof. Dr. J. C. H. de Meijere 1— 15
Paltodora cytisella Curt. - griseocapitella,
MON WEI o 0 o È : 43— 44
| Nieuwe gegevens over de insectenfauna
van Terschelling 16— 34
Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera 61—197
Some notes on the Carabidae, collected by
Mr. P. H. van Doesburg in the Malay
Archipelago with descriptions of new
species 3 45— 53
. | Three new species of Ceryx Wallgr. from
| Java and Sumatra . OE 57— 60
| Monstrosities in Siphonaptera . 35— 42
Puppe und Larve von Callispa duodecimma-
culata Chapuis 54— 56
Register . 198—2 7
Corrigendum 5 Oly
VERSLAG
EN WETENSCHAPPELIKE MEDEDEELINGEN')
VAN DE
NEGEN-EN-ZEVENTIGSTE WINTERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HET JAARBEURSRESTAURANT TE UTRECHT
OP ZONDAG 2 MAART 1947, DES MORGENS TE 11 UUR.
Voorzitter : de heer J. B. Corporaal.
Aanwezig de gewone Leden : G. Bank Jr, Dr G. Barendrecht, Ir G. A.
Graaf Bentinck, Dr J. G. Betrem, W. C. Boelens, S. de Boer, W. F.
Breurken, E B. Corporaal, P. Chrysanthus, Dr A. Diakonoff, H. C. L.
van Eldik, M. J. Evers, G. L. van Eyndhoven, Dr H. J. de Fluiter,
Br. dl: F. de Graaf, W. H. Gravestein, Ir M. Hardonk, D.
Hille Ris Lambers, Dr J. G. ten Houten tevens vertegenwoordiger van
het Laboratorium der N.V. De Bataafsche een TE ij,
A. Kaijadoe, Dr P. Korringa, Dr G. Kruseman Jr, F. J. Kuiper, bis
Leefmans, B. J. Lempke, M. À. Lieftinck, J. P. van Lith, N. Loggen, È
J. Louwerens, G. S. A. van der Meulen, S. Nieuwenhuizen, M. de Nijs,
D. Piet, Dr A. Reclaire, Dr A. Reyne, Prof. Dr W. Roepke, G. van
Rossem tevens vertegenwoordiger van den Plantenziektenkundigen
Dienst, J. Slot Jr, F. G. A. M. Smit, Dr J. van der Vecht, P. M. F. Ver-
hoeff, N. C. van der Vliet, J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, R. Wes-
terneng, Dr J. Wilcke, J. de Wilde, Ir T. H. van Wisselingh.
Geïntroduceerd : Mevr. Chr. A. Diakonoff-Tonnis.
Afwezig met kennisgeving : Het Eerelid en Lid van Verdienste Prof.
Dr J. C. H. de Meijere, het Lid van Verdienste Dr D. Mac Gillavry, en
de gewone Leden: Chr. Berger, A. J. Besseling, H. W. Botzen, H.
Coldewey, Dr K. W. Dammerman, Prof. Dr W, M. Docters van Leeu-
wen, C. Doets, F. C. J. Fischer, H. W. Herwarth von Bittenfeld, S. van
Heijnsbergen, B. de Jong, R. A. Polak, Dr D. L. Uyttenboogaart, Dr A.
D. Voûte, P. van der Wiel.
De Voorzitter opent de vergadering en deelt mede, dat zoowel de
President, Dr D. L. Uyttenboogaart, als de Vice-President, Dr
K. W. Dammerman, door ziekte zijn verhinderd aanwezig te zijn.
Daar de ziekte van den President ernstig is, spreekt hij de beste wenschen
voor diens algeheel herstel uit.
Aan de orde is eerst het vaststellen van de plaats, waar de volgende
Wintervergadering zal worden gehouden. Verreweg de meeste aanwe-
zigen spreken zich uit voor Amsterdam, zoodat hiertoe wordt besloten.
Hierna volgen de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDEELINGEN
Nieuwe en zeldzame Lepidoptera in 1946.
De heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende :
I. Wat zijn eigen vangsten betreft :
a. Een & Pachytelia unicolor Hufn. met zak, e. 1. 6.V11.'46 te Ame-
rongen gevonden en gekweekt ;
Vele exx. van Marasmarche phaeodactyla Hb. als imago gevangen
en el. gekweekt op Ononis spinosa in Juni en Juli 1946 te Bemelen ;
1) Afzonderlijk gepubliceerd 15 Mei 1948.
II VERSLAG.
c. Een ex. van Nephopteryx hostilis Stph. op 5.VIII. 46 te Amerongen
gevangen ;
d. Een zeer donker, ongeteekend ex. van Gelechia velocella Dup. op
24.VII. 46 te Amerongen gevangen ;
e. Een ex. van Borkhausenia Jormosella S.V. op 5.VIII.' 46 te Ameron-
gen gevangen, welke soort spr. jaren geleden te Meerssen als nieuw
voor de Nederlandsche fauna ontdekte ;
f. 7 exx. van Khinosia sordidella Hb. op 19 en 23 Juni 46 te Bemelen
gevangen, nieuw voor de Nederlandsche fauna ;
g. Bee ex. van Argyresthia glaucinella Z. op 26.VI.46 te Bemelen
gevangen ;
h. Twee exx. van de zeer zeldzame Scythris disparella Tgstr. op 20 en
23.VI.'46 te Bemelen gesleept ;
i. Een ex. van Bucculatrix nigricomella Z. op 23.VII. 46 te Amerongen
op licht gevangen ;
j. De heer V ári onderzocht onlangs eenige twijfelachtige Nepticula's
uit Spr.'s collectie naar de genitaliën en vond daaronder 2 exx. van N.
samiatella H.S., die hij (Vari) kort geleden als nieuw voor onze fauna
ontdekt had; en één ex. van N. lusatica Schütze, thans nieuw voor de
Nederl. fauna. Alle drie zijn uit Zandvoort en Overveen van 1934 tot
1938,
II. Namens Majoor J. C. Rijk:
5 exx. van Bryophila raptricula Hb. op 7.VIII'46 te Meerssen op licht
gevangen. Een ex. gaat hier mede rond, hetwelk hij welwillend aan Spr.
schonk. Tot op heden waren slechts 2 inlandsche exx. van deze soort be-
e waarvan een kort geleden gevangen, en een twijfelachtig dier jaren
geleden.
III. Namens den heer A. J. Labouchère te Zeist:
In tegenstelling met de geruchten dat Lycaena (Heodes, Chrysopha-
nus) dispar Hw. door verwaarloozing der vliegterreinen gedurende den
oorlog alweer uit Engeland verdwenen zou zijn, schrijft zijn Engelsche
neef op 9 Aug. j.l.: „Chrys. dispar is flourishing here and if your ento-
mological Soc. wants some to put down anywhere, I think there would be
little difficulty in supplying their need.”
IV. Op verzoek van den heer C. Doets:
a. 13 exx. van Pelosia obtusa H. S. in Juni en Juli 46 te Kortenhoef
op licht gevangen, waar in '39 de eerste en tot nu toe eenige Nederl. exx.
van deze soort werden gevangen ;
b. 12 exx. van Nonagria dissoluta Tr. in Juli 46 te Kortenhoef op licht
gevangen, waar de soort niet zeldzaam was;
c. Eenige exx. van Meliana [lammea Curt. in Mei ‘46 te Kortenhoef op
licht gevangen ;
d. 4 exx. van Santa maritima Touch. in Juni en Juli '46 te Kortenhoef
gevangen, waaronder var. bipunctata Hw. en wismeriensis Schmidt ;
e. Twee exx. van Herminia cribrumalis Hb. in Juni te Kortenhoef op
licht gevangen ;
8 exx. van Tholomiges turfosalis Wck. van 25 Mei tot 3 Aug. 46
te Kortenhoef op licht gevangen ; de late exx. vermoedelijk van een 2e
generatie ; È
g. Verscheidene exx. van Phragmataecia castaneae Hb. reeds vanaf
25 Juni te Kortenhoef gevangen ;
h. Eenige exx. van de zoo zeldzame Chilo cicatricellus Hb. eind Juli
te Kortenhoef op licht gevangen ; rups leeft in Scirpus lacustris ;
i. Een & en 2 © 2 van Schoenobius gigantellus Schiff. in Juli en Aug.
'46 te Holl. Rading en Kortenhoef op licht gevangen. Het 4 wijkt zoo-
= a in teekening, dat het moeilijkheden bij het determineeren op-
everde ;
VERSLAG. III
j. Vele exx. van Donacaula mucronellus Schiff. in Juni en Juli ‘46 te
Holl. Rading en Kortenhoef op licht gevangen; de 2 9 kwamen weinig
op licht af;
k. 7 exx. van Xystophora palustrella Dgl. in Juli '46 te Holl. Rading
en Kortenhoef op licht gevangen ; hiervoor slechts bekend uit Friesland
(Albarda), Amsterdam (Diakonoff) en Holl. Rading (Doets);
rups leeft in wortel en stengel van Rumex crispus ;
1. 20 exx. van Xystophora divisella Dgl. van eind Juni tot begin Aug.
‘46 te Kortenhoef op licht gevangen. Voor 45 jaar ontdekt door Ter
Haar in Friesland, die deze determineerde als palustrella Dal. Mr.
Brandts ontdekte de fout en heeft de rups en imago zeer goed afge-
beeld in Sepp. Dit is de 2e vindplaats, doch de soort zal Selen wel op
meerdere plaatsen, waar veel Iris Pseudacorus groeit, voorkomen ;
m. Een ex. van Xystophora lutulentella Z. op 22.VII.'46 te Holl. Ra-
ding op licht gevangen ; 2e Nederl. ex. ; ca 8 jaar geleden ving hij aldaar
het le Nederl. ex., doch dit was geheel bruin zwart, een algemeen voor-
komende ab.; dit @ heeft echter de lichte grondkleur van de type;
n. 9 & & van de hoogst zeldzame Afremaea lonchoptera Strg. in Juli
‘46 te Kortenhoef op licht gevangen. In 1939 werd aldaar het eerste en tot
nu toe het eenige Ned. ex. van deze soort gevangen, een ?. Van de biolo-
gie is nog niets bekend. Wel wordt vermoed, dat zij in den stengel van
Typha leeft. Het ® dat veel grooter is dan het ¢ gaat hierbij ;
o. Twee exx. van Elachista paludum Frey. te Kortenhoef in April en
Mei 46 gekweekt uit mijnen in Carex riparia. Zeldzaam en uitsluitend
aan planten onder wilgen ;
p. Een 4 en 4 2 2 van Zimmermannia heringiella Doets begin Aug.
‘46 te Holl. Rading gekweekt. De rups mineert in Juni in gladde schors
van jonge eikentakken. De beschrijving van deze geheel nieuwe soort
voor de Wereldfauna zal dit jaar in den Feestbundel 1) verschijnen.
De heer B. J. Lempke merkt op, dat Lycaena dispar batavus Obthr. het
eerst uitgezet is in het Wood Walton Fen (1927). Deze overplaatsing
werd zoon groot succes, dat eenige jaren een aantal halfvolwassen rup-
sen overgebracht werd naar het bekende Wicken Fen. Ook hier ont-
stond een bloeiende kolonie, die op het oogenblik echter geheel uitge-
roeid schijnt te zijn. G. Tozer deelt in Ent. Record, 59: 10, 1947, mee,
dat in 1946 geen enkel ex. in Wicken Fen werd gezien en dat het hoofd-
terrein van de kolonie in den oorlog omgeploegd werd.
De heer Bentinck deelt verder nog mede, dat de Poolsche heer Ch.
S. Adamczewski zwaar door den oorlog is gedupeerd. Hij bestu-
deert speciaal de Microlepidoptera en zoekt contact met col-
lega's. Correspondentie in het Engelsch. Zijn adres is tijdelijk c/o Dept.
of Entomology, British Museum (Natural History), Cromwell Road,
London S.W. 7.
Ptinus tectus Boield als darmparasiet (Col).
Daar de heer D. Mac Gillavry verhinderd is de vergadering bij
te wonen, leest de heer G. L. van Eyndhoven namens hem onderstaande
mededeeling voor.
In het (British) Pharmaceutical Journal van 25 Jan. 1947 komt op
p. 60 een artikeltje voor, waarin een geval wordt vermeld van myiasis
bij een patiënt, veroorzaakt door de larven van Ptinus tectus Boield. Dit
artikel werd geschreven om apothekers te waarschuwen opgeslagen voor-
raden van simplicia, waarin deze kever kan voorkomen, geregeld op in-
fectie na te zien. Bij geringe infectie onmiddellijk de kevers vernietigen
door middel van wat chloroform, tetrachloorkoolstof of CS etc. en
zorgen voor goedsluitende bussen. Bij sterke infectie alles verbranden.
1) Tv. E. 88, 1945 (publ. 1.X.1947), p. 504— 506, f. 1—5.
IV VERSLAG.
Het ziektegeval wordt vermeld in het British Medical Journal, Jan. 11,
1947, p. 54. De patient had 2 weken buikpijn, afwisselend diarrhee en
constipatie en raakte per rectum bloed kwijt. In de ontlasting werden
larven gevonden, die tot Ptinus tectus Boield. bleken te behooren. Be-
handeling gedurende een week met vloeibare paraffine gaf beterschap.
Daar Ptinus tectus, ook bij ons, steeds meer voorkomt in allerlei waren,
zooals vijgen, boonen, maïs, cacaoboonen en verschillende simplicia, wordt
ondersteld, dat met een dezer voedingsmiddelen de kevereieren zijn in-
geslikt. Zelfs als ze in simplicia waren, die voor infuus gebruikt zijn, zou-
den de eieren levend in den darmtractus gekomen kunnen zijn, als hier-
voor alleen warm water was gebruikt en er niet gekookt was. Onder-
steld wordt, dat de eieren door de chitine beschutting de maag onge-
deerd gepasseerd zijn en pas in den darm, met meer alkalischen inhoud,
zullen zijn uitgekomen. Vermoedelijk konden ze zich door hun klauwen
en kaken aan de villi vasthouden en zoo niet te snel door de peristaltiek
worden meegesleurd.
Nog wordt gewezen op een artikel in The (British) Pharmaceutical
Journal for June 5, 1937, p. 577, waar de verschillen tusschen Ptinus fur
L. en Pt. tectus uiteengezet worden en waar teekeningen van Ptinus tectus
voorkomen. De larve is zeer harig, vuilwit, zij wordt 4 mm. lang en is
gekromd. De eieren zijn 1 mm. lang, ovoid en wit.
De heer G. Kruseman Jr zegt, dat volgens Prof. Dr S. L. Brug dit
het eerste geval zou zijn, indien het waar is. Hij maant tot voorzichtig-
heid; dergelijke gevallen zijn practisch onmogelijk en zijn wel steeds
terug te brengen tot een toevalligen samenloop van omstandigheden.
De heer G. L. van Eyndhoven voegt hieraan toe, dat het voorkomen
van levende acari in darm en urinewegen ook reeds lang een strijdvraag
is; slechts zeer enkele gevallen zijn bekend, waarbij het onomstootelijk
schijnt vast te staan.
De heer W. Roepke acht dergelijke gevallen zeer twijfelachtig, daar
het milieu zeer zuurstofarm is.
De heer A. Diakonoff merkt op, dat het toeval een groote rol speelt.
Zoo vermeldt Hering de vondst van een harige vlinderrups in de men-
schelijke vagina.
Mededeelingen omtrent Plusia gamma.
De heer S. Leefmans vermeldt het volgende inzake Plusia gamma,
die in 1946 epidemisch is opgetreden.
Daar zij een trekvlinder is, moet de plaag door binnengevlogen vlinders
veroorzaakt zijn. Over den trek van deze soort zal de heer Lempke
iets mededeelen, daar hij de trekwaarnemingen organiseert van de jaar-
lijksche immigranten.
Zelf zag ik de eerste exemplaren — en wel verscheidene — op 24 Mei
1946, die in de schemering op bloemen kwamen zuigen te Baarland op
Zen Dr P. Korringa zag de eerste al 10 Mei en vele op
ei.
Later werden geregeld waarnemingen gedaan, nadat men in land- en
tuinbouwkringen was opgeschrikt door het op verschillende plaatsen ver-
nielend optreden der rupsen, aan allerlei gewassen.
Den 5en Juli werd mij door den Directeur van den Tuinbouw opge-
dragen naar de Wieringermeer te gaan, waar de rupsen aan verschil
lende gewassen ernstige schade aanrichtten.
Periodiek schadelijk optreden dezer soort is bekend. Voorbeelden zijn :
1735 bij Parijs, 1816 in N. Frankrijk, 1828 in Pruisen, 1829 in Holland,
1831 in Beieren, 1871 in Duitschland en Oostenrijk, 1879 West Europa,
1900 in Engeland en 1928 aan aardappelen in ons land.
De vreterij in de Wieringermeer was meest randvreterij, maar op som-
VERSLAG. V
mige plaatsen waren vrij groote oppervlakten geheel of gedeeltelijk kaal-
gevreten.
Bieten waren sterk aangevreten, doch hebben zich hersteld, tuin-
boonen waren op verscheidene plaatsen en over een vrij groot opper-
vlak totaal opgevreten, spinazie was vrij sterk aangetast, maar van blauw
maanzaad waren weer flinke lappen totaal vernield. De rupsen begonnen
bij de bladeren, vraten vervolgens de bloemen en ook de zaaddoozen.
Gewone boonen waren soms geheel kaalgevreten, klaver totaal vernield,
kool beviel ze blijkbaar niet; ze zaten er wel op. maar de vreterij was
gering. Was een stuk door rupsen geheel kaalgevreten, dan trokken ze
over den grond naar een ander stuk. Van de wilde planten genoot vooral
melde (Chenopodium album) de voorkeur.
_ Aan de plaag kwam een plotseling en onverwacht einde door infectie-
ziekten, waardoor de rupsen bij millioenen omkwamen. Reeds 6 Juli za
ik hier en daar exemplaren, die door een Empusa (plusiae 7)
“aangetast waren: de sporulatie was karakteristiek. Daarnaast trad een
andere schimmel op, die nog niet nader gedetermineerd kon worden en
verder een vermoedelijke polyederziekte.
Door kweek uit op het veld verzamelde gezonde poppen was op te
maken, dat het 9 Augustus weer tijd was om te controleeren. Trouwens
op het veld was daarvoor ook een ‚„waak’ dienst georganiseerd. Op dien
datum kon nog maar sporadisch een enkele rups gevonden worden.
De op 6 Juli medegenomen poppen waren gezond, maar kort na 13 Juli
kon men in het veld geen gezonde pop meer vinden.
De duur der verschillende stadia hier te lande is maar voor een enkel
stadium bekend (Sepp). Ook is er geen goede detailbeschrijving van de
rupsen. Ik heb hiervan dus werk gemaakt en hoop daar later over te
publiceeren. De rupsen zijn variabel; tenminste 2 typen zijn te onder-
scheiden.
De wijfjes uit de gezonde poppen waren weinig fertiel. Terwijl de
literatuur van 1400 eieren per wijfje gewaagt, was het maximum dat ik
verkreeg maar 121 van 1 wijfje.
De rupsen werden bij verschillende temperaturen gekweekt, waarbij
een gedeelte werd gekweekt door ons lid N. C. van der Vliet.
Bij 12—20° C bedroeg de duur van de ontwikkeling 38—43 dagen.
Bij e C in een open kweekhuisje 58— 60 dagen, (voedsel op
water).
Bij 3—26° C idem maar met geplukt blad ? dagen. 1)
De eiduur was 6 à 7 dagen bij temperaturen van 12--20° C. De buiten-
landsche literatuur vermeldt hiervoor 12 dagen.
De popduur bedroeg bij 20° C slechts 8 dagen.
Later bleek de plaag ook op het eveneens geïnundeerd geweest zijnde
gebied van Walcheren sterk opgetreden te zijn. Dit deed de vraag rijzen,
of hier sprake kon zijn van geringe weerstand van het biologisch milieu
(vernietiging parasieten door het water). Maar ik vond de rupsen ook
zeer talrijk te Nootdorp en Dr W.J. Maan vond ze ook bij Groningen,
eveneens in niet geïnundeerd gebied, zoodat de aangeduide mogelijke
oorzaak tenminste niet de eenige factor kan zijn. Trouwens ook zonder
inundatie is het optreden der rupsen uit diverse jaren van vele streken
bekend.
Ik kweekte slechts enkele Ichneumoniden waarbij een Pimpline uit de
meerdere honderden poppen, die werden meegenomen uit de Wieringer-
meer. 2) Op mijn erf parasiteerde een Trichogramma bijna alle eieren.
1) Na 90 dagen (20 Oct.) nog geen poppen uit.
2) Dr J. G. Betrem was zoo vriendelijk de drie parasietwespen voor mij te
determineeren. De namen zijn : Ifoplectis maculata (F. 1775) = I. scanica (Grav. 1829),
Pimpla instigator F. 1775 en Stenichneumon culpator (Schr. 1802).
VI VERSLAG.
Drs. J. de Wilde bracht bericht mee uit Frankrijk, dat de soort
bij Bethune ook schadelijk opgetreden is. Verder zijn er berichten uit
Denemarken en naar ik zijdelings vernam, ook uit Zweden.
P. Bovien et al. hebben in 1946 eveneens schadelijk optreden op
verschillende plaatsen in Denemarken waargenomen. Zij achten het waar-
schijnlijk, dat de zwermen vlinders in Juni aldaar zijn aangekomen.
Voor Nederland acht ik dit te zijn geweest de laatste week van Mei
en de eerste van Juni, maar wij zitten ook zuidelijker.
Zij hebben ook waarnemingen gedaan omtrent de wijze van trekken
etc. De vlinders trekken 5--20 meter boven den grond en in de richting
van den wind. Men zie hiervoor verder in , Nature Nov. 2, 1946, p. 628.
In verband met de opgetreden ziekten onder de rupsen wijst spr. op
de wenschelijkheid te onzent meer aandacht te besteden aan de patholo-
gie der insecten. In Berkeley, Californië ontmoette Spr. Dr E. A. Stein-
haus, die lecturer is voor dit onderdeel. Er is nu ook een boek van ge-
noemden schrijver hierover verschenen.
Ten slotte deelt Spr. nog mede, dat ook Plutella maculipennis Curt. in
1946 epidemisch opgetreden is op kool e.a. Cruciferen.
Bij deze soort waren, ook op geïnundeerd gebied, vrij wat parasieten
opgetreden. Ook bij deze soort waren de volgende generaties van geen
beteekenis meer.
In zake de oorzaak van zulke verrassend optredende en vernietigende
ziekten bij Plusia gamma wordt als inleidende oorzaak „koel, vochtig
weer’ opgegeven. Dit was omstreeks 10—13 Juli niet het geval. De tem-
peratuur was gedurende die dagen juist vrij hoog en de voorafgegane
periode was ook droog. In die periode traden de schimmelziekten bij de
rupsen toch sterk op.
Spr. laat verder nog circuleeren eenige bijzonderheden omtrent het lot .
van entomologische verzamelingen en wetenschappelijke werkers in de
vroeger vijandelijke landen. Bijzonderheden over Japan zijn voor de be-
langstellenden te vinden in ‘Science van 28 Juni 1946 en over Duitsch-
land in , Nature” van 25 Januari 1947, p. 140.
Behalve de vlinders zijn de Berlijnsche collecties er goed afgekomen.
De Deutsche Entomologische Gesellschaft is nog niet door de Engel-
sche bezetting gemachtigd haar werk voort te zetten, wat te meer on-
billijk lijkt, omdat deze vereeniging niet in de Nazi-politiek betrokken
is geweest en zelfs geweigerd heeft haar Joodsche leden te schrappen.
e heer B, J. Lempke geeft een korte aanvulling op de mededeeling
van den vorigen spreker naar aanleiding van de binnengekomen trekwaar-
nemingen. Deze gegevens zullen in de Entomologische Berichten uit-
voerig worden gepubliceerd!)
De heer T. H. van Wisselingh zegt, dat hij vaak in Augustus dwerg-
exemplaren heeft waargenomen, doch zij treden niet ieder jaar op.
De heer D. Hille Ris Lambers merkt op, dat bij de bietenwants Piesma
quadrata Fieb. door een Poolsche onderzoekster bestrijdingsproeven zijn
genomen met de schimimel Beauveriabassiana. ES, succes was
groot, met bestuiving van sporensuspensies. Later bleek, dat in normale
omstandigheden iedere wants, ook van andere soorten, reeds besmet is
en na ouderdomszwakte sterft onder het produceeren van Beauveria-
mycelium. De schimmel is dus reeds overal aanwezig en krijgt alleen dan
een kans insecten snel op te ruimen, als de natuur dit wil. Bestrijding
met deze schimmel schijnt dus niet bruikbaar.
: Ook over Empusa muscae Cohn, de vliegenschimmel, heeft men
in den oorlog 1914— 1918 van allerlei onderzocht. Ook hier blijkt weer,
dat de schimmel overal aanwezig is, maar pas lethaal wordt, als de uit-
1) EB. XII, No. 281, 1.V.1948, p. 237.
D vee
en
VERSLAG. VII
wendige omstandigheden dit mogelijk maken. Vooral vochtigheid schijnt
van belang en in dit verband vraagt Spr., of ook op zandgrond vernieti-
ging van Plusia door schimmel plaats vond. Het microklimaat in het ge-
was en speciaal de relatieve luchtvochtigheid van gewassen op zand,
wijkt sterk af van dat op kleigrond.
De heer Leefmans antwoordt den heer Hille Ris Lambers, dat
inderdaad met schimmels practisch nog weinig is bereikt, doch dat wil
niet zeggen, dat zulks in de toekomst zoo zal blijven. Immers, met bac-
teriën was dit ook zoo, maar nu heeft men in de U.S.A. goede resultaten
met eenige bacteriën tegen engerlingen van Popillia japonica, de "Milky
disease”. Hij acht onderzoek in deze richting toch wel gewenscht.
De heer J. G. ten Houten merkt op, dat het microklimaat ook in hoogere
gewassen, die niet bodembedekkend zijn, zeker van belang is, zooals hem
o.a. bleek door metingen van de relatieve luchtvochtigheid in roselle-
aanplant op Java, waar deze luchtvochtigheid steeds belangrijk hooger
was dan daarbuiten.
Ten opzichte van den invloed van de temperatuur op de uitbreiding
van schimmel-epidemieën op insecten zegt Spr., dat het niet uitgesloten
is, dat de door andere onderzoekers waargenomen invloed van koud
weer op het optreden van een schimmel-epidemie op rupsen wordt ver-
oorzaakt door een versneld wegslingeren van de sporen van de Ento-
mophthora spec, die als parasiet op de rupsen voorkwam, terwijl in Ne-
derland in 1946 de Empusa-epidemie in den zomer juist bij warm weer
werd waargenomen. Men kan zich voorstellen, dat deze Empusa boven-
genoemde reactie niet vertoont. Een en ander zal nog nader moeten
worden onderzocht, maar het is wel heel waarschijnlijk, dat een hooge
luchtvochtigheid bij warm weer een schimmel-epidemie in de hand werkt,
want deze omstandigheden zijn optimaal voor de ontwikkeling van vele
schimmels.
Handleiding voor microscopie.
De heer G. L. van Eyndhoven laat rondgaan het zoojuist verschenen
boekje: Ce quil faut savoir du monde microscopique, door L. J.
Baponte.!)
Deze handleiding geeft een prettig overzicht van een aantal onder-
werpen, die op de microscopie betrekking hebben. Ongeveer 100 pagina's
zijn gewijd aan de algemeene prepareermethode, chemicaliën, etc. Daarna
volgen omstreeks 100 bladzijden over de flora en een 75-tal over de
fauna. Daarin hebben de insecten een apart hoofdstuk gekregen van
ca. 25 pagina's, waarin meer speciale aanwijzingen worden gegeven.
Besloten wordt met eenige speciale toepassingen.
Uit den aard der zaak is dit boekje hoofdzakelijk voor beginnenden en
liefhebbers bedoeld. Meer gespecialiseerde biologen hebben ieder hun
eigen, aan de praktijk getoetste prepareermethoden en gewoonten. Die
alle te vermelden zou zeer zeker buiten het bestek van dit boekje vallen.
Esperanto.
Verder wijdt Spr. nog enkele woorden aan het gebruik van Esperanto
in de wetenschap, zulks naar aanleiding van een kort tevoren verschenen
brochure : Esperanto, de taal der wetenschap, door Dr H. A. A. van
der Lek en Drs. G. F. Makkink. Hij wil het gebruik van deze
hulptaal gaarne aanbevelen. Overigens mag worden verwezen naar zijn
publicatie in de Entomologische Berichten 2) omtrent dit onderwerp.
1) Savoir en Hist. Nat. XVI, Paul Lechevalier, Paris. 1946, p. 1—312, f. 1—300,
Pl. I-XXIV.
2) EB. XII, No. 274, 15.IV.1947, p. 136.
VIII VERSLAG.
Over het kweeken van Araschnia levana L. en over
bijzondere vangsten in de duinen.
De heer T. H. van Wisselingh doet de volgende mededeeling :
In het jubileumnummer van het Tijdschrift voor Entomologie, dat dit
jaar zal verschijnen, schreef ik een artikel over een kweek van Araschnia
levana L. Ik wil U hier, zonder op dit artikel dieper in te gaan, de resul-
taten van de verrichte kweekproeven toonen. In het kort kwamen de
proeven op het volgende neer. Ik verdeelde ongeveer 250 rupsen van de
voorjaarsgeneratie in drie groepen ; de poppen van de eerste groep plaat-
ste ik in het voorjaar in mijn kamer voor het raam op het oosten, dus
's morgens in de zon, de tweede groep bleef op een balcon op het westen
buiten de zon en de derde groep plaatste ik op hetzelfde balcon in
schemerdonker.
De resultaten waren, dat de vlinders uit de eerste groep ongeveer 10
dagen eerder verschenen dan die uit de tweede en deze weer 10 dagen
eerder dan die uit de derde.
De vlinders uit de eerste groep waren belangrijk kleiner dan die uit de
andere groepen, terwijl de vlinders uit de eerste groep het donkerst
waren, daarna volgden die uit groep II en vervolgens die uit groep III.
In den zomer deed ik een tweede kweekproef met rupsen uit de voor-
jaarsgeneratie, welke einde Juli de zomergeneratie prorsa L. leverden.
hans verdeelde ik + 100 rupsen in twee groepen. De poppen van de
eerste groep bleven op het balcon, die van de tweede groep plaatste ik
in den kelder in het donker. Ook thans kwamen de in gunstiger om-
standigheden verkeerende poppen, dus die op het balcon, eerder uit en
ook thans waren de later uitgekomen vlinders (uit den kelder) gemiddeld
grooter en lichter gekleurd.
Voor verdere bijzonderheden verwijs ik naar bovengenoemd artikel.
Het jaar 1946 is, wat het weer betreft, ongunstig geweest; toch heb
ik den indruk, dat het ten opzichte van het voorkomen van vele vlinder-
soorten niet ongunstig was. Ik ben nog nimmer in een jaar zooveel soor-
ten tegengekomen als in het afgeloopen jaar ; het aantal exemplaren was
echter, behoudens gedurende korte perioden met goed weer, gering.
Door verhuizing naar Aerdenhout was ik in de gelegenheid geregeld
op een gunstige plaats aan den duinrand op licht te vangen. Als geheel
waren de resultaten van deze lichtvangst zeer gunstig ; zij leverde een
groot aantal soorten op, welke uit de Noordhollandsche duinstreek niet
bekend of daar uiterst zeldzaam waren.
De belangrijkste vangsten waren :
Roeselia (N
vermeld.
Agrotis cinerea Hb. wordt gewoonlijk slechts in een enkel exemplaar ge-
vangen. Op 18 Mei kwamen er zes op de lamp, daarna nog
eenige.
Actinotia (Chloanta) polyodon C. L. alleen vermeld van enkele plaatsen
uit Limburg, Gelderland en Utrecht, verscheen op 3 en 4 Aug.
Tholera (Eupineuronia) cespitis F., uit de duinstreek nog niet vermeld,
ving ik op 30 Augustus 1946.
Laconobia (Mamestra) genistae Bkh. verscheen 21 en 29 Mei.
Leucania albipuncta F., niet bekend uit de duinstreek, ving ik op 1 Juli
en op 12 Augustus.
Omphaloscelis (Anchoscelis) lunosa Hw., uit de duinstreek bekend uit
Domburg, ‘s-Gravenhage en Wassenaar, kwam op 16 en 19
September op de stroop.
Cirrhia (Xanthia) ocellaris Bkh., benoorden de groote rivieren slechts
ola) strigula Schiff.; in de duinstreek eenmaal uit Haarlem
et RES erin pn PAT VA
tte A5
VERSLAG. — IX
eenmaal vermeld uit Twello en eens uit Ruurlo, verscheen in
meerdere exemplaren op de stroop in de tweede helft van Sep-
tember.
Xylena (Calocampa) exsoleta L., in de duinstreek alleen gevonden in
1941 te Wassenaar, kwam op 20 October op de stroop.
Graptolitha (Xylina) ornitopus op stroop 25.1X. 46.
Cucullia chamomillae Schiff. op licht 26.1V.'46.
Meganephria (Miselia) oxyacanthae L., volgens Cat. Lempke niet in
de duinstreek gevangen, vond ik daar reeds in 1927 en 1928
te Overveen ; op 12.V.46 kwam een exemplaar op stroop te
Aerdenhout.
Chylodes (Senta) maritima Tauscher op licht 31.VII.'46 is ook uit de
duinstreek nog niet vermeld.
Charanyca (Caradrina) selini B. 3.VII.'46 op licht.
Laphygna (Caradrina) exigua Hb. 6.1X.'46 op licht, een trekker, welke
slechts in enkele jaren in ons land wordt aangetroffen en dan
vaak op meerdere plaatsen (1868, 1937 en 1938).
Anaitis plagiata L. benoorden de groote rivieren nog niet waargenomen,
vloog in aantal in Mei 1946 ; de tweede generatie in Augustus
verscheen slechts in enkele exemplaren.
Orthonama (Larentia) obstipata F. (fluviata Hb.) 1.1X.46 op licht.
Ecliptopera (Larentia) silaceata Hb., uit het westen nog niet vermeld,
9.VI.1946 op licht.
Itame (Thamnonoma) julvaria Vill. (brunneata Thnbg) in het Westen
door mij in 1940 alleen bij Wassenaar gevangen, kwam op
9.VI.'46 op de lamp.
Verder verschenen nog de uit het Westen niet bekende soorten :
Lithina (Phasiane) chlorosata Scop. (petraria Hb.) 19.V.46, en
Chiasma (Phasiane) clathrata L. 1.V 111.46.
Zuid Limburg, waar ik in Juni, in Juli en einde Augustus was, leverde
dit jaar niet veel op. Ik vermeld slechts: .
Leucania L. album L. 24.VI.'46 te Geulhem.
Callimorpha quadripunctaria Poda op 20.VIII.'46 te Gronsveld en een
drietal exemplaren van Perizoma (Larentia) blandiata Schiff.
op licht bij Epen in einde Juli.
Ten slotte laat ik U nog twee interessante afwijkingen zien nl. een
exemplaar van Spilosoma menthastri Esp. met langsstrepen van den
_ wortel tot het midden der voorvleugels (ab. godarti Oberthür), gevangen
op licht 16.VI.46 te Aerdenhout; en Semiothisa liturata Cl. gevonden
29.VII.'46 te Epen. Bij dit exemplaar zijn alle vleugels geheel effen
zwartbruin met een roodbruinen band binnen de golflijn.
Over de levenswijze van Dysphaea dimidiata Selys.
De heer M. A. Lieftinck spreekt over waarnemingen, die hij in Neder-
landsch-Indië aan Odonata verrichtte.
Gedurende de laatste 3 jaar die aan den Japanschen inval vooraf gingen,
heeft Spr. zich op zijn geregelde jacht-excursies in het Bantamsche (W.
Java) onledig gehouden met het fotografeeren van insecten in
de vrije natuur. Hoewel heel wat fotos en negatieven tijdens de zgn.
vredesperiode verloren zijn gegaan, heeft hij gelukkig nog keuze genoeg
overgehouden om daarvan aan anderen iets te toonen. Als Odonaten-
specialist heeft hij uiteraard vooral aan deze groep speciale aandacht ge-
wijd, niet in t minst uit een sportief oogpunt, omdat vele tropische soor-
ten moeilijk te benaderen zijn en van hun levenswijze nog maar heel wei-
nig bekend is.
Voor deze bijeenkomst heeft hij een soort uitgekozen die, geheel on-
verwacht, 80 jaar na haar ontdekking op Java, is teruggevonden en die
x VERSLAG.
sedertdien vele jaren achtereen telkens weer langs hetzelfde riviertje was
aan te treffen. Het is een soort uit de verwantschap van onze Holland-
sche Calopteryx, maar tot een andere familie behoorend, nl. tot de in
tropisch-Azië voorkomende Euphaeidae, waarvan de mannetjes vooral
opvallen door hun schitterend gekleurde vleugels. Het genus Dysphaea
staat met zijn 4 of 5 soorten een weinig apart en vertoont ook in zijn
gedragingen en levenswijze opmerkelijke verschillen met zijn verwanten.
Alle soorten komen slechts zéér lokaal voor, zijn buitengewoon schuw
en strikt gebonden aan rivieren en beken. De mannetjes zijn merkwaar-
dig door I geheel zwarte lichaamskleur en diep zwart gepigmenteerde
vleugels. De wijfjes daarentegen zijn geel- of groenachtig-bruin met half-
doorschijnende, geelachtige vleugelmembraan en dus al heel weinig in
't oog vallend. Men heeft slechts kans ze te vinden door de mannetjes
nauwkeurig gade te slaan en er niet tegen op te zien urenlang in de beek-
bedding scherp op te letten totdat zich een paartje vertoont, dat eieren
gaat leggen. De vrouwtjes hebben nl. de gewoonte zich steeds hoog in
het geboomte schuil te houden en slechts in den paartijd in het beekdal
af te dalen. Daartoe ondernemen de mannetjes, wat men zou kunnen
definieeren als een „lange afstandsvlucht”, geheel verschillend van de
korte duikvluchten, die zij op de wijze van muschvalk of ander roofvogel-
tje uitvoeren, wanneer zij op voedsel uit zijn en de voorbijvliegende prooi
trachten te vangen. Deze vluchten over een grooten afstand van de beek
hebben blijkbaar ten doel de aandacht van de andere sexe te trekken en
zijn als een inleiding te beschouwen tot een ingewikkelde serie van ge-
beurtenissen, die aan de eigenlijke paring voorafgaan ; een herkennings-
teeken is de eigenaardige, fladderende wijze van vliegen, welke veel aan
die eener Hesperiide doet denken. De verborgen wijfjes reageeren bij
het langsvliegen van een mannetje door slechts héél even van haar rust-
plaats op te vliegen, en dit is voldoende voor haar partner om haar on-
middellijk met de appendices anales bij den prothorax vast te grijpen,
waarna de paring tot stand kan komen. Spr. vertelt deze bijzonderheden
slechts om even de aandacht te vestigen op het milieu, dat ter ver-
zekering van de instandhouding der soort bij insecten, veelal zoon bij-
zonder gewichtige rol speelt en waarmede, bij de beoordeeling van de
geschiktheid van de habitat eener soort, terdege rekening gehouden
moet worden. In dit bijzondere geval is de aanwezigheid van uitstekende
dorre takken boven het water (uitkijkposten voor het mannetje bij de
jacht) van even essentieel belang als het voorkomen van veel overhangend
struikgewas en hoog geboomte boven het beekdal, die behalve als schuil-
plaats des nachts en bij betrokken weer voor beide sexen, ook tijdens de
paringsvlucht en als refugium voor het wijfje noodzakelijke voorwaarden
zijn, wil de soort zich in de biocoenose kunnen handhaven. Ontbreken
deze voorwaarden, dan zal men Dysphaea tevergeefs zoeken.
Op de rondgaande fotobladen heeft Spr. getracht een indruk te geven
van het & in diverse rusthoudingen, zittend op zijn uitkijkpost, en van
de beide sexen op de huwelijksreis, zooals men ze in een zeer gunstig en
zeldzaam geval wel eens kan aantreffen. Het dal van het riviertje en
het omgevende terrein, de woonplaats dezer soort, kan Spr. helaas niet
laten zien, daar alle desbetreffende foto's verloren zijn gegaan, maar het
terrein is zoo ongeveer te vergelijken met de Slinge of Aaltensche beek bij
Winterswijk, of de Dinkel bij Denekamp, terwijl de beekbedding met
grintbanken en groote steenen bezaaid is. Dergelijke beken zijn op Java
heel weinig te vinden, vooral op geringe hoogte boven zee, waar zij in
vlak terrein stroomen en dus weinig verval bezitten ; doch in kleine, ge-
spaard gebleven boschcomplexen — die al even zeldzaam zijn — is een
‘rijke en afwisselende zoetwaterfauna aan te treffen in dgl. stroompjes, en
ne is alleen daar dat de oorspronkelijke fauna zich nog staande kan hou-
en.
Staats «
VERSLAG. XI
Aangezien Spr. een uitvoerig relaas over de paringsbiologie van onze
Dysphaea hoopt te publiceeren, wil hij thans volstaan met enkele toe-
lichtende opmerkingen bij de foto's.
Vrijwel onmiddellijk nadat de copulatie heeft plaatsgevonden, welke
geruimen tijd in beslag neemt, wordt de karakteristieke prae- of in dit
geval post-copula positie van het paartje weer ingenomen, d.w.z. beide
exemplaren begeven zich gekoppeld, dus ‘per collum’ weer in het stroom-
bed, dat thans met het mannetje als leider, over een zeer grooten afstand
wordt bevlogen, op zoek naar een geschikte plek om de eieren af te
zetten. Met groote snelheid neemt het & zijn partner op sleeptouw, na
iedere 10 tot 20 m zich neerzettend op stukken drijfhout, vermolmde
boomstompen of takken, welke aan den oever, of tusschen rotsblokken in
de eigenlijke bedding, beklemd geraakt zijn. .
Tijdens de vlucht is het wijfje geheel passief, hangt zwaar aan de tan-
gen van het mannetje en klapt slechts zoo nu en dan stumperig met de
vleugels om haar evenwicht te bewaren, b.v. als het mannetje plotseling
moet uitwijken voor obstakels waardoor veelal hevig slingerende bewe-
gingen veroorzaakt worden. Eenmaal zag ik zoo'n manoeuvre bij het
ontwijken van een door mijzelf ia ijsvogel. Zoodra het man-
netje zich heeft neergezet — en het is m.i. zeker dat hij de eerste keuze
heeft bij t kiezen van de legplaats — neemt het © de leiding over, ter-
wijl de ander zich, direct vóór haar, neerzet. De sexen blijven gekoppeld
tot t © met haar legapparaat de omgeving naar voldoening heeft ge-
inspecteerd. Op een zeker moment maakt zij een snelle, wringende bewe-
ging waarop het & de tangvormige appendices opent en het vrouwtje
loslaat. Laatstgenoemde beweegt zich nu achterwaarts over het substraat,
tastend met de styli en valven en verdwijnt tenslotte, steeds achteruit
loopend, geheel onder water. De foto's waarop dit proces is vastgelegd,
zijn verloren gegaan, anders had Spr. kunnen toonen hoe het & zich
omdraait en met gesloten vleugels op het stuk rottende boomstam ge-
duldig blijft wachten totdat het 2 eindelijk weer boven water verschijnt.
De eitjes worden één voor één, zeer onregelmatig, in de schors van het
hout ingeboord en bij één observatie bleef het ruim drie kwartier onder
water, zonder dat het 4 inmiddels van plaats veranderd was.
De circuleerende foto's geven verschillende rusthoudingen weer van
een Dysphaea-echtpaar ; zooals uit de bijschriften blijkt, kan zoo'n kop-
pel zich blijkbaar zeer op zijn gemak gevoelen en is er tijd te over zich zoo
nu en dan door de zon te laten koesteren, een interessante bijkomstig-
heid, die men slechts zelden te zien krijgt en alleen dan, indien de die-
ren volledig met rust worden gelaten. De bundels zonnestralen opvan-
gend, die door het bladerdak op 't water vallen, klapt het & na ver-
loop van tijd soms de zwak glanzende gitzwarte vleugels langzaam open,
daarin soms door het © nagevolgd, hetgeen een prachtig schouwspel op-
levert, en zoo kan het paartje geruimen tijd blijven rusten.
De onaanzienlijke larve van Dysphaea werd nog niet beschreven, maar
gelijkt veel op die van het verwante genus Euphaea; zij mist echter de
zeer merkwaardige uitwendige trachee-buisjes aan weerszijden van de
achterlijfssegmenten, waaraan Euphaea-larven te herkennen zijn.
Een opgezet volwassen mannetje van Dysphaea dimidiata limbata Sel,
de Sumatraansche subspecies van de Javaansche soort, afkomstig uit de
collectie van het Leidsch Museum, gaat ter kennismaking mede rond.
XII VERSLAG.
Revisie van de familie Ceracidae
(Superfam. Tortricoidea, Lepid.)
De heer A. Diakonoff bespreekt de familie der Ceracidae.
De opvallend bont gekleurde groote motten van deze groep, die een
natuurlijke, nogal geïsoleerde eenheid vormen, gaven aan verschillende
oudere auteurs nog al eens moeilijkheden met betrekking tot de plaats
dezer vlinders in het systeem. Zoo werden de vertegenwoordigers van
het genus Cerace door Walker (1863) en Moore (1887) voor Tor-
tricidae aangezien, door Snellen (1903) voor Tineidae, terwijl M e y-
rick ze oorspronkelijk voor Plutellidae hield (1907), later een aparte
familie Ceracidae voor hen oprichtte (1908), om ten slotte deze familie
wederom in te trekken en Cerace, welk genus hij ten onrechte met Pen-
tacitrotus vereenigde, onder Tortricidae in te deelen (1912). Het ge-
slacht Pentacitrotus was inmiddels door Butler (1881) beschreven als
macro's, behoorend tot de familie Lithosiidae. Warren (1888) was
dezelfde meening toegedaan. Nog later werd het geslacht Eurydoxa door
Filipjev (1930) aan de familie Tortricidae toegevoegd, waarvan
Ceraceopsis Matsumura (1931) een nieuw synoniem is.
Een tijd lang heeft Spr. zelf Cerace en Pentacitrotus als Tortricidae
beschouwd (1939), doch kwam op den duur tot de conclusie, dat deze
opvatting niet langer is vol te houden. Jammer genoeg is de biologie van
deze vlinders zoo goed als onbekend, met uitzondering van één enkele
soort van Java, nl. Bathypluta triphaenella (Snell.), waarvan de rups
schadelijk op thee en kina optreedt. Van de rups werd eenig materiaal
door het Instituut van Plantenziekten te Buitenzorg verzameld, doch zij
is nooit beschreven en op dit oogenblik is het Spr. niet mogelijk, iets van
dat materiaal in handen te krijgen. Pentacitrotus quercivora nov. spec.
werd in de Himalaya van Quercus semicarpifolia gekweekt, doch de rups
is onbekend gebleven. Eenige kennis van de taxonomie van de rups ont-
breekt ons dus ten eenen male, wat erg jammer is, aangezien deze kennis
een belangrijke aanwijzing zou kunnen opleveren bij de keuze van de
plaats voor deze familie in het systeem.
Afgaande op de eigenschappen van de imago komt Spr. tot de con-
clusie, dat deze groep onmiskenbaar in de groote superfamilie van Tor-
tricoidea of Bladrollerachtige Motten behoort, doch aan den anderen kant
zoowel van de typische familie Torfricidae als ook van de overige ver-
wante families (met name Eucosmidae, Phaloniidae, Chlidanotidae, en
Melanalophidae) zeer duidelijk gescheiden is en derhalve ten volle ver-
dient, als een aparte familie te worden aangemerkt, waarvoor Spr. den
ouden naam van Meyrick: Ceracidae, in eere herstelt.
De kenmerken zijn in het kort de volgende: kop glad beschubd, een
gladde dichte kuif op de kruin, platgedrukt tusschen de basaalleden van
de antennae en deze bijna geheel omhullende. Antennae dicht bij elkaar
gelegen boven op de kruin. Oogen sterk puilend. Palpen, lichaam en ner-
vatuur der vleugels als bij Tortriciden, thorax echter altijd glad, voor-
vleugel altijd zonder omslag bij het mannetje, langwerpig, top vaak merk-
waardig en typisch uitgerand op ader 7, en achterrand sterk convex. De
genitalia zijn vrij constant en eenvoudig van bouw, doch vertoonen naast
de andere kenmerken een niet al te uitgesproken en toch zeer typische
specialisatie. Deze ,,gesimplificeerde” specialisatie doet sterk denken aan
de eigenschappen van de verwante groote groep van Glyphipterygoidea,
die ook door haar bonte kleuren van beide voor- en achtervleugel aan
Ceracidae herinnert. De familie Ceracidae vereenigt in zich derhalve
de grondkenmerken van Tortriciden met de archaeische kenmerken van
een problematieken voorouder van Tortriciden en Glyphipterygiden bei-
den, naast de kenmerken, ontstaan als gevolg van vergevorderde eigen
specialisatie.
VERSLAG. XIII
Dank zij het feit, dat Spr. al het vrij omvangrijke materiaal van het
Britsche Museum tot zijn beschikking gekregen heeft en het kon aan-
vullen met het materiaal uit het Museum te Parijs en uit het Leidsche
Museum, alsmede uit zijn eigen verzameling, evenals met zijn aanteeke-
ningen over het materiaal in het Museum te Berlijn, was het hem moge-
lijk deze groep aan een grondige revisie te onderwerpen. Hij is in staat
te vermelden in totaal 4 genera, waarvan | nieuw en | nieuw synoniem,
verdeeld in 23 soorten, waarvan 11 nieuw, terwijl 1 soortnaam is ge-
rehabiliteerd, 1 andere verworpen. Bovendien kon hij in totaal 13 nieuwe
variëteiten van eenige soorten onderscheiden. Vooral genus Cerace heeft
neiging tot de vorming van duidelijke regionale variëteiten.
De familie Ceracidae heeft een vrij scherp omgrensde verspreiding en
is typisch voor Centraal Zuid-Azië, dat ook de bakermat van deze groep
moet zijn. De soorten komen voornamelijk in Britisch-Indië (Khasias,
Assam, Himalaya), China en Japan voor, tot in het Ussuri-gebied in het
Noorden en Java in het Zuiden (waar 1 soort uit West-Java en 1 uit
Oost-Java bekend is). Cerace-soorten zijn voorts uit Burma, Indo-China,
Borneo en Formosa beschreven. Zeer waarschijnlijk zullen zij ook op
Sumatra en Malakka gevonden worden, doch ook uit China verwacht
Spr. veel meer soorten dan thans bekend.
Drie soorten, nl. Cerace loxodes Meyr. 1912, C. mesoclasta Meyr.
1908 en Eurydoxa advena Fil. 1930 kon Spr. niet in handen krijgen. De
unieke exemplaren worden vermoedelijk in het Indian Museum te Cal-
cutta en in het Museum te Leningrad bewaard. à
De hier vermelde resultaten zullen t.z.t. in Novitates Zoologicae wor-
den gepubliceerd.
Spr. is voldaan aan de Vergadering een zoo omvangrijk materiaal van
deze fraaie en merkwaardige insecten, waarvan in Nederlandsche Musea
slechts enkele exemplaren aanwezig zijn, te kunnen toonen.
Entomologie in de U.S.A.
De heer J. van der Vecht deelt het volgende mede :
Gedurende de laatste maanden van het vorig jaar heb ik het voor-
recht gehad een studiereis door de Ver. Staten te maken om mij op de
hoogte te stellen van de ontwikkeling van de landbouw-entomologie al-
daar. Daar ik op de eerstvolgende vergadering van de Afd. voor Toe-
gepaste Entomologie een kort overzicht van mijn indrukken op het terrein
van deze afdeeling hoop te kunnen geven, zou ik deze gelegenheid gaarne
benutten om enkele opmerkingen te maken over het entomologisch onder-
zoek in Amerika in het algemeen, en meer in het bijzonder’ over het werk
op het gebied van de insectensystematiek, waarvan ik door bezoeken aan
eenige Universiteiten en Musea een indruk heb kunnen verkrijgen.
Dat het entomologisch onderzoek in de V.S. op een hoog peil staat,
is in eerste instantie te danken aan de geweldige ontwikkeling van wat
men daar ‘economic entomology’ noemt: de toegepaste entomologie ;
amateur-entomologen zijn in Amerika altijd veel zeldzamer geweest dan
in Europa en hebben er in veel mindere mate tot den groei van dezen
tak van wetenschap bijgedragen. Om U eenig denkbeeld van de betee-
kenis van de insectenbestrijding in de V.S. te geven, vermeld ik slechts,
dat de ledenlijst van de "American Association of Economic Entomolo-
gists’ over de 3000 namen telt. De werkkring dezer menschen ligt in de
meeste gevallen op het gebied van onderzoek en bestrijding van de scha-
delijke insecten van land-, tuin- en boschbouw, doch daarnaast wordt er
veel aandacht besteed aan de insecten, die uit medisch of veterinair oog-
punt van beteekenis zijn, aan huishoud- en voorraadsinsecten, terwijl
hier tenslotte ook de bijenteelt moet worden genoemd.
XIV VERSLAG.
In hoofdzaak is de entomologie echter gegroeid onder invloed van de
eischen, welke werden gesteld door den landbouw (in ruimeren zin). In
de Agricultural Colleges van de universiteiten, waar de meeste entomo-
logen hun opleiding ontvangen, wordt reeds sinds langen tijd aan de en-
tomologie een belangrijke plaats toebedeeld. Vrije en toegepaste entomo-
logie hebben zich hier gezamenlijk ontwikkeld, omdat de tweede niet
buiten de eerste kan bestaan. Men vindt aan deze Colleges docenten in
morphologie, systematiek, physiologie en oecologie van insecten, even
goed als degenen wier werkgebied direct en volledig op het terrein der
toegepaste entomologie ligt. Velen daarvan vinden naast hun onderwijs-
beslommeringen tijd voor ee op hun speciale gebied en
diverse belangrijke werken op het gebied van de insecten-morphologie en
systematiek : handboeken, detonate merken monografieën, etc. zijn
ontstaan op de Universiteiten.
De Musea, voorzoover deze niet direct aan de Universiteiten verbon-
den zijn, zijn in dit opzicht van geringere beteekenis. Aan het American
Museum of Natural History te New York is een vrij belang aantal
entomologen verbonden, naar ik meen acht, doch de overige Musea zijn
in de eerste plaats ‘show’ -collecties van hoogere dieren, waar men vaak
wel uitgebreide insectenverzamelingen vindt, doch veel te weinig entomo-
logen om deze behoorlijk te bestudeeren. Als zoodanig zijn bijv. de Musea
in Philadelphia en San Francisco te vermelden.
Aan de directe behoeften van de toegepaste entomologie, d.w.z. een
vlotte determinatie van alle insecten, waarmee men bij dit werk te ma-
ken krijgt, kon noch door de Universiteiten, noch door de Musea worden
voldaan. Het federale Departement van Landbouw heeft zich daarom
genoodzaakt gezien, aan het Bureau of Entomology and Plant Quarentine
een speciale voor dit doel bestemde afdeeling : de Divison of Insect Iden-
tification te verbinden. Deze beschikt over een 25-tal specialisten, welke
hun werk verrichten in het U.S. National Museum te Washington, waar
zij samenwerken met de twee tot den vasten staf van dit Museum be-
hoorende entomologen. Gezamenlijk krijgen deze specialisten per jaar
ongeveer 60.000 insecten te determineeren, waarvan bijna 1/3 deel is
ingezonden door de ambtenaren van den Plantenkeuringsdienst en be-
staat uit exemplaren, welke werden aangetroffen in goederen, schepen,
treinen en vliegtuigen, afkomstig uit het buitenland. Vooral de deter-
minatie van laatstbedoeld materiaal is vaak zeer tijdroovend, zoodat het
duidelijk is dat deze menschen minder tijd kunnen besteden aan op-
bouwend systematisch werk dan zij zelf gaarne zouden willen.
Ofschoon aldus een belangrijk: aantal entomologen in de V.S. op het
gebied van de systematiek werkzaam is, zijn velen toch van meening, dat
de waarde van dit onderdeel voor het geheele gebied der entomologie en
voor dat van de toegepaste entomologie in het bijzonder, belangrijk wordt
onderschat. Op een in 1941 te S. Francisco gehouden bijeenkomst van
deskundigen van eenige Universiteiten en van het Departement van
Landbouw, waar het vraagstuk van de insecten-systematiek van diverse
zijden werd belicht en waarvan ik U het in het Journal of Economic En-
tomology (vol. 35, no. 5, 1942) gepubliceerde verslag zeer ter lezing
kan aanbevelen, heeft Prof. E. O. Essig een krachtig pleidooi gehou-
den voor intensiveering en uitbreiding van het systematisch onderzoek
ten behoeve van de toegepaste entomologie. Meer specialisten in de
Musea, meer ruimte voor entomologen en collecties, behoorlijk uitgeruste
laboratoria voor de bestudeering van het levende dier, meer secretarissen,
teekenaars en fotografen om den specialist van het routine-werk te ont-
lasten, meer gelegenheid voor veldwerk, goede bibliotheken en grooter
mogelijkheden voor publicatie, aldus de wenschen, die hij daarbij naar
voren bracht en die zeker niet alleen voor Amerika behoeven te gelden.
SU Be a ee
VERSLAG. XV
Op enkele aspecten van het Amerikaansche werk omtrent de insecten-
systematiek zou ik thans nog wat nader willen ingaan.
De Amerikaansche entomologen houden zich uiteraard in de eerste
plaats bezig met de fauna van hun eigen land, welke uitermate gevarieerd
en vooral wat de Zuidwestelijke staten betreft, nog slechts zeer onvol-
ledig bekend is. Daarnaast bestaat er groote belangstelling voor de fauna
van Midden- en Zuid-Amerika; door het nauwe contact met de aldaar
werkende entomologen en door de vele expedities zijn deze gebieden in
de collecties in de V.S. in het algemeen goed vertegenwoordigd. Interesse
voor de Europeesche fauna is minder algemeen ; het berust vooral op de
omstandigheid, dat men de schadelijke soorten, die men nog niet heeft
ed: zoo goed mogelijk wil weren en anderzijds de nuttige para-
sieten en vijanden van de reeds ingevoerde soorten mede wil importeeren ;
verder op het feit, dat vele nomenclatuurpuzzles slechts met behulp van
Europeesch materiaal kunnen worden opgelost. Vooral om deze laatste
reden zouden diverse entomologen gaarne ruilconnecties met collega's in
Europa aanknoopen. De belangstelling voor de fauna van den Zuid-
West Pacific is in belangrijke mate gestimuleerd door den oorlog. Tien-
tallen entomologen zijn gedurende den oorlog bij de in dat gebied ope-
reerende leger-eenheden ingedeeld geweest (speciaal voor de bestrijding
van ziekte-overbrengende insecten, in de eerste plaats malaria-muskieten )
en hebben kans gezien insecten te verzamelen op Nieuw-Guinea, de
Solomons-eilanden, etc. Tot nu toe waren slechts de Philippijnen in som- —
mige Amerikaansche collecties behoorlijk vertegenwoordigd. Mede in ver-
band met de plannen om in den Z.W. Pacific biologische stations op te
richten, mag verwacht worden dat deze toegenomen belangstelling van
blijvenden aard zal zijn.
Aan grondig onderzoek van de insectenmorphologie wordt veel aan-
dacht besteed. De klassieke studies van Snodgrass zijn in dit op-
zicht welbekend. Van een andere uiting op dit gebied kan ik U hierbij
een voorbeeld demonstreeren, nl. het onderzoek omtrent de morphologie
der bijen van Ch. D. Michener!) Schr. heeft eerst een minutieus
onderzoek naar den bouw van een soort van het genus Anthophora in-
gesteld, vergelijkt daarna deze soort met vertegenwoordigers van vele
andere geslachten en geeft dan, op grond hiervan, een overzicht van de
verwantschappen der diverse genera en een herziene indeeling, waarbij
ook aan phylogenetische beschouwingen en aan correlaties van biono-
mische met morphologische gegevens aandacht wordt besteed. De hier
toegepaste werkmethode is ongetwijfeld aantrekkelijk en voor navolging
in andere groepen vatbaar.
Ten slotte een enkel woord over de netelige nomenclatuurkwestie. Het
probleem is U allen bekend. Daar is eenerzijds de ontzaglijke vormen-
rijkdom der insecten ; de vooral door vele vroegere auteurs zoo vaak on-
derschatte moeilijkheid om een soort zoodanig te beschrijven, dat zij op
grond van die beschrijving met zekerheid kan worden herkend en voorts
het feit, dat er op dit gebied veel slordig en slecht werk is geleverd,
waarbij de voorafgaande literatuur onvoldoende is geraadpleegd. Aan den
anderen kant het prioriteitsprincipe, hetwelk eischt dat de oudste naam
als geldig wordt beschouwd. Voeg daarbij, dat er altijd oneenigheid is
geweest over de interpretatie van de op dit principe berustende regels,
en dan hebben we enkele van de voornaamste factoren, die verantwoor-
delijk zijn voor den onbevredigenden, vaak chaotischen toestand, waarin
de insectensystematiek zich op nomenclatorisch gebied bevindt.
1) Charles D. Michener, Comparative External Morphology, Phylogeny, and a
Classification of the Bees (Hymenoptera). Bull. amer. Mus. nat. Hist. 82, art. 6, New
York, 1944.
XVI VERSLAG.
Hoe staat de practische Amerikaan hier tegenover ? Ook hij ziet geen
andere oplossing dan de. prioriteitsregel; het handhaven van de eerst
gegeven naam is in het algemeen logisch en juist. Zijn streven is er in
het algemeen op gericht, deze regel te maken tot het kernpunt van een
mechanisch systeem, dat subjectieve inzichten uitsluit en daardoor de
meeste kans op stabiliseering zal geven. Ook ziet hij in, dat de prioriteits-
regel een middel moet blijven en geen doel op zichzelf mag worden:
hij gaat er dus mee accoord, dat een Internationale Commissie de regels
opzij zet voor die gevallen, waarin strikte toepassing meer verwarring
dan uniformiteit zou veroorzaken. Over de vraag, hoever men hiermee
mag gaan, bestaat echter belangrijk verschil van inzicht. Niet-systematici
zijn in het algemeen geneigd, een conservatief standpunt in te nemen ;
zij vinden iedere verandering hinderlijk en zien vaak zelfs niet in, dat bij
den groei van de wetenschap een zeker aantal veranderingen onvermij-
delijk is. De systematici zijn geneigd de regels strenger toe te passen
en streven meer naar een stabilisatie in de toekomst door grondige be-
studeering van bepaalde insectengroepen en verwerking van alle daar-
over verschenen literatuur, teneinde de kans, dat latere opgravingen”
weer allerlei veranderingen zullen brengen, zooveel mogelijk uit te sluiten.
Een van de middelen, die zij daartoe gebruiken, is het vastleggen van
de type-soorten voor de diverse genera; op dit gebied is den laatsten
tijd in Amerika — en ook in Engeland — zeer degelijk werk verricht.
Ik wil U hiervan enkele voorbeelden laten zien op een mij bekend ter-
rein, nl. een overzicht van de type-soorten van de bijengeslachten ?) en
een van die der Psammocharidae of spinnendooders.?) De auteur van
laatstgenoemd artikel publiceerde enkele jaren voor den oorlog ook reeds
een soortgelijke lijst voor de graafwespen of Sphecoidea.4) Velen zullen
deze lijsten met gemengde gevoelens begroeten, want zij laten nog weer
eens op pijnlijke wijze zien, hoe verward de huidige toestand is. Een
dergelijke kritische verwerking van de literatuur brengt onvermijdelijk een
aantal veranderingen in korter of langer in gebruik zijnde benamingen
met zich mede. Om een voorbeeld te geven : van de door Dr Wilcke
in zijn overzicht van de Nederlandsche Pompilidae gebruikte genusnamen
moet niet alleen de helft worden gewijzigd, doch bovendien moet vol-
gens Pate de naam Pompilus ten rechte worden gebruikt voor het graaf-
wespengeslacht, dat in den loop der laatste decennia o.a. met de namen
Ammophila, Psammophila en Podalonia is betiteld! In hoeverre deze
wijzigingen nog door internationaal te acepteeren voorstellen voor buiten
werking stellen van de regels zullen kunnen worden voorkomen, moet
nog worden afgewacht. Het is van groot belang te voorkomen, dat zich
in Amerika en Europa verschillende nomenclatuurstelsels ontwikkelen,
die men op grond van langdurig gebruik niet gaarne meer wil loslaten.
Dit kan slechts geschieden door internationaal overleg, waarvoor de om-
standigheden echter helaas reeds langen tijd niet gunstig meer zijn
geweest.
Spr. licht zijn voordracht toe door demonstratie van een aantal recente
publicaties, w.o. het Amerikaanse biologen-adresboek : The Naturalist's
Directory.
De heer Kruseman zegt, dat de laatste jaargang van The Naturalist’s
Directory aanwezig is in de bibliotheek der Afdeling voor Entomologie
van het Zoölogisch Museum te Amsterdam.
2) Grace A. Sandhouse, The Species of the Genera and Subgenera of Bees.
Proc. un. States nat. Mus. 92: 519-619, 1943.
3) V. S. L. Pate, The Generic Names of the Spider Wasps (Psammocharidae olim
Pompilidae) and their Type Species. Trans. am. ent. Soc. 72: 65—137, Oct. 1946.
4) V. S. L. Pate, The Generic Names of the Sphecoid Wasps and their Type Spe-
cies. Mem. am. ent. Soc. no. 9: 1—103, July 1937.
RE an ee Er
VERSLAG. XVII
Bestrijding van onkruid met behulp van insecten.
De heer W. Roepke zegt het volgende :
Het is bekend, dat al sedert een reeks van jaren in verschillende lan-
den pogingen worden gedaan om ongewenschte onkruiden te bestrijden
met behulp van bepaalde insecten. Herinnerd moge worden aan de uit
Mexico afkomstige lantana, een struik, die zich zoodanig in den geheelen
tropengordel heeft uitgebreid, dat men tracht op enkele Oceanische
eilanden er een eind aan te maken door den invoer van bepaalde insecten.
Van meer recenten datum is de bestrijding van het Jacobs kruiskruid
Senecio en Sint Janskruid Hypericum in Nieuw Zeeland resp. Australië,
waarbij ten opzichte van het laatstgenoemde opmerkelijk succes moet zijn
verkregen, en wel met behulp van 1—2 uit Zuid-Europa ingevoerde
Buprestiden. Het klassieke geval echter betreft de uitroeüng van de
Opuntia-plaag in Australië en elders, vnl. door middel van een uit Cen-
traal Zuid-Amerika afkomstige Pyralide (Phycitine). Cacfoblastis cacto-
rum Berg. Enkele jaren voor den oorlog verschafte ik mij van dit insect
levend en geconserveerd materiaal uit Uruguay. Levend kwam het mate-
riaal toen niet al te best over; van het geconserveerde materiaal kan
hier het een en ander worden gedemonstreerd. De vlinders kwamen mij
al dadelijk eenigszins bekend voor, en toen ik in de oude jaargangen van
ons Tijdschrift aan het snuffelen ging, vond ik zoowaar in bd, XXX
(1886— 87) op pl. 5, fig. 5, een treffende afbeelding van dit insect, be-
hoorende bij een verhandeling van Snellen in genoemd Tijdschrift,
p. 9— 66, getiteld : Bijdrage tot de kennis der Lepidoptera van het eiland
Curacao &c. Hij noemt het insect l.c. Zophodia bollii Zell. : Verh. zool.-
bomGesmWaenml 8725 p. 550, pls 3, 8. 21a, bs; id. ib. 1874, p. 446. Sn eil-
len bericht verder, dat hij 10 exx. van deze groote Phycitine in zijn
collectie had en dat deze soort derhalve op Curacao niet zeldzaam schijnt
te zijn. Van de levenswijze zegt hij, dat deze soort, volgens Zeller,
in de Zuidelijke staten van Noord-Amerika mineert in de bladeren van
agave (sisal). Nu krijgen we te doen met de volgende kwestie. Of de
determinatie van Snellen is juist, en dan moet het betreffende insect
voortaan anders heeten. Verder is dan zijn geografische verspreiding
grooter dan tot nog toe werd aangenomen, en ten slotte leeft het dan niet
alleen op Opuntia, maar ook op Sisal. Hiermede krijgt de zaak tevens
een economisch aspect, immers mocht het juist zijn, dat het insect ook op
sisal leeft, dan mag het nimmer voor invoer in den zg. Grooten Oost in
aanmerking komen. Of de determinatie van Snellen is onjuist, dan
hebben wij inderdaad met twee verschillende soorten te doen, die een
opvallend groote onderlinge gelijkenis vertoonen. Ik heb getracht deze
puzzle met behulp van literatuurstudie op te lossen, ben er echter nog
niet in geslaagd. Zeker is alleen, dat naar mijn gevoelen, het generieke
verschil tusschen Zophodia en Cactoblastis, indien het al bestaat, gering
is. In verband met deze onzekerheid heb ik al eenigen tijd geleden naar
Amerika geschreven, doch mocht tot heden nog geen antwoord ontvan-
gen. Ik hoop hierop later nog eens terug te komen.
In aansluiting hierop zegt de heer J. van der Vecht, dat in de Paloe-
vallei op N.W.-Celebes Opuntia eveneens schadelijk is opgetreden. Be-
strijding met behulp van de schildluis Dactylopius tomentosus is daar
een volledig succes geworden (zie Dr P. van der Goot in „Land-
bouw). Het was opvallend, dat Dactylopius op Celebes niet door para-
sieten of vijanden werd aangetast.
De beide Chrysomelina-soorten zijn tijdens den oorlog met behulp van
een bommenwerper van Australië naar Californië overgebracht, ter be-
strijding van het in N.-California op schapenweiden zeer schadelijk op-
tredende onkruid Hypericum.
XVIII VERSLAG.
De heer S. Leefmans merkt hierbij op, dat hij het parasietenlaborato-
rium te Gilt Track heeft bezocht en daar vernam, dat Hypericum als
een giftig onkruid wordt beschouwd, speciaal voor witte schapen. Ver-
der zijn de Chrysomelina's wel uit Australië overgebracht, maar de soor-
ten zijn afkomstig uit Europa en wel uit Frankrijk. Zij komen trouwens
ook in Zuid-Limburg voor in verschillende soorten, o.a. hyperici en
geminata.
De heer A. Reclaire bevestigt de giftigheid van Hypericum voor vee.
De heer W. Roepke zegt nog, dat Cacfoblastis tezamen met een Coc-
cide een voortreffelijke bestrijding geven.
De heer J. Slot Jr geeft mede namens den heer S. de Boer de volgende
bijdragen omtrent
Zeldzame en afwijkende Macro-lepidoptera uit het polderland
benoorden het IJ.
Een oogenblik wilde ik de aandacht vragen voor enkele mededeelingen
over de Macrolepidoptera, door mij en den heer S. de Boer verzameld
in het Noord-Hollandsche polderland boven het IJ. Dit polderland is zeer
gecultiveerd en steeds moet dan ook naar een goede vliegplaats, vooral
van dagvlinders, gezocht worden. Het zijn uitsluitend dijken en weg-
bermen, die hiervoor in aanmerking komen en een enkel seizoen eens
een klaverveld, dat in den Purmer wordt aangelegd om voor paardenvoer
te dienen.
1. Ten eerste willen wij toonen enkele ab. van Maniola jurtina L.,
waaronder een zeer bleek ¢, dat De Boer aan den Purmerringdijk
buitmaakte op 6 Aug. 44. Jammer genoeg is het dier niet geheel gaaf.
2. In den nazomer 1945 verzochten wij door middel van een publicatie
in een streekblaadje de aardappelrooiers in de nabijliggende kleipolders
goed te letten op het opgraven van poppen van Acherontia atropos L.
Door deze actie werden ons 6 van deze poppen toegestuurd, waarvan
echter slechts 1 imago werd verkregen. Deze kwam uit op 7 Oct. 45 in
een verwarmde kamer. Toevallig was dit een ex, dat door het verschil
in teekening van de linker- en rechtervleugelhelften onze aandacht trok.
Daar op de laatstgehouden vergadering van de afd. Noord-Holland en
Utrecht in Krasnapolsky te Amsterdam over dit verschijnsel van gedach-
ten werd gewisseld, leek het ons aardig dezen vlinder mede te nemen
en rond te laten gaan. Wij hebben hier te doen met de ab. imperfecta,
echter vloeit bij dit ex. het zwart van den buitensten rand der achter-
vleugels tot halfweg de avls. naar binnen. Of de aardappelrooiers, of
althans zij, die ons in 1945 ter wille waren, hier in den herfst van 1946
niet op gelet hebben, is ons niet bekend, in ieder geval ontvingen wij
den afgeloopen herfst geen poppen. Is het echter niet mogelijk, dat de
rupsen van A. afropos door de intensieve bespuiting van de aardappel-
planten tegen den coloradokever in 1946, hieraan het hoofd niet hebben
kunnen bieden en daardoor dus een groot gedeelte van deze rupsen ver-
nietigd is? Gaarne hierover het oordeel van terzake kundigen !
3. In verband met de opmerking van den heer Vander Vliet in
de laatste vergadering van de afd. Noord-Holland en Utrecht, betref-
fende het bleeke ex. van Smerinfhus ocellata L., kunnen wij U mede-
deelen, dat wij een & hiervan zullen laten rondgaan, hetwelk nog be-
duidend bleeker is dan dat van den heer v. d. Vliet. Deze vlinder
werd uit een kweek verkregen door den heer De Boer.
4. Dicranura vinula L. Ook van deze soort vertoonen we enkele
vreemde afwijkingen, nl. zeer donkere 9 9. De teekening der voorvls.
is zeer scherp en de achtervls. zijn zwart ; ook het lichaam is zeer don-
ker. De dieren komen het meest overeen met No. 1 van plaat 10 in
onp enn re se
zee
VERSLAG. XIX
Svenska Fjarilar. Deze afwijking is bij ons niet zeldzaam, maar komt
voor zoover wij weten alleen bij © ? voor. Gaarne zouden wij van
andere verzamelaars hierover eens iets vernemen. In den catalogus van
Lempke wordt deze afwijking niet beschreven.
5. Cosmotriche potatoria L. ab. extrema Tutt. Bij tamelijk groote
kweek uit de rups, verzameld op het Zwet bij Jisp, kwam 1 & van deze
ab. uit, die volgens den cat. van Lempke nog niet van het Westelijk
ras bekend is.
6. Nonagria dissoluta Tr. Dit nog weinig gevangen dier ving De
Boer op licht, 19 Juli 46 te Middelie.
7. Meliana flammea Curtis werd door mij eveneens op licht gevangen
en wel 17 Mei 46 te Middelie.
8. Leucania L-album. Dit ex. ving De Boer op smeer te Middelie
op 7 Sept. 46. Ook dit is geen alledaagsche vangst volgens Lemp kes
catalogus.
9. Op 8 Juni 46 werden op Heemst groene spanrupsen door De
Boer gevonden, die hij niet kon determineeren. Deze werden voorspoe-
dig opgekweekt en leverden de 2e helft van Sept. de vlinders. Na deter-
minatie door den heer Lempke bleek, dat we hier te doen hadden met
Larentia clavaria Hw, die haast als uitgestorven werd beschouwd. Hier-
van laten wij ook enkele exx. rondgaan. Daar heemst toch vrij veelvul-
dig in het lage polderland voorkomt, lijkt het ons niet uitgesloten, dat
deze vlinder meer moet voorkomen dan gedacht wordt. Een grondig
onderzoek zou misschien meer klaarheid t.o.v. deze soort kunnen brengen.
10. Ten slotte kunnen we nog mededeelen, dat wij op 14 Febr. 1947
een ex. van Charanyca clavipalpis Scop. (quadripunctata F.) vingen,
dat binnenshuis rondvloog te Middelie. Daar de laatste datum volgens
catalogus Lempke 24 Dec. en de vroegste 3 April is, vonden wij dit
wel vermeldenswaard. Wij gelooven, dat dit wel een bewijs is, dat deze
soort in ons land ook als imago overwintert.
Zoo zien wij dus, dat een gebied als het onze, al is het niet zoo aan-
trekkelijk, toch nog aardige dingen geeft op entomologisch gebied.
Zeldzame aberraties van Macrolepidoptera.
De heer G. S. A. van der Meulen vermeldt en laat ter bezichtiging
rondgaan eenige bijzondere afwijkingen van Macrolepidoptera : :
1. Een geelgekleurd 9 van Pieris napi L., gevangen aan den straatweg
van Loenen naar Beekbergen 20.VII.1943. Dit is de ab. flavicans Müller,
niet te verwarren met de ab. flava ter Haar van Pieris rapae L., die veel
meer voorkomt. Volgens cat. Lempke is slechts 1 ex. van deze af-
wijking bekend, nl. een £ in coll. Ceton.
DA La 2 ex. van Polyommatus icarus Rott., gevangen te Eperheide
17.VI.1946 op blauwe knoop. Bij dit dier zijn de vleugels eenkleurig
blauw met een zwarte middenstip en de rij oranje vlekjes, hoewel deze
op de voorvleugels ontbreken. Volgens cat. Lempke is deze vorm,
vooral in typische exx. zeldzaam. Bekend is hiervan een ® in de coll.
i ittpen, maar dan zonder de oranjevlekjes. Het is de ab. mariscolore
ane.
3. Een ® ex. van Acherontia atropos L. met teekening zonder doods-
hoofd. Dit dier is gekweekt door den heer Knoop uit een rups, ge-
vonden te Almelo, waaruit 23.V.1941 de vlinder verscheen. Deze aber-
ratie is, voor zoover Spr. bekend, nieuw.
4. Een & van Drepana cultraria F. ab. flava Lpk. Grondkleur der
vleugels geel in plaats van bruin. Dit dier is gevangen te Lage Vuursche
5.V.1946. Lempke vermeldt slechts 2 exx. van deze aberratie in zijn
catalogus.
XX VERSLAG.
5. Van den heer Knoop ontving Spr. een zeldzame afwijking van
Zygaena trifolii Esp., waarbij al het rood op voor- en achtervleugels
veranderd is in geel. Dit ex. is gekweekt door den heer H. Bosma te
Almelo 11.VI.1943- en is afkomstig uit Agelo, waar de rups werd ge-
vonden. Het behoort tot de ab. lutescens ckl. Volgens cat. Lempke
is slechts één ex. bekend in coll. Lempke.
6. Een effen blauwgrijze vorm van Acronicta tridens Schiff. gevan-
gen 9.VII.1944 te Groesbeek. Dit dier zat aan een boomstam aan den
weg naar Nijmegen en viel Spr. op door zijn vreemde kleur, waarom het
meegenomen werd. De heer Lempke was zoo bereidwillig een genita-
lien-preparaat te vervaardigen, waaruit bleek, dat het een fridens is .
Van de vlekken en dwarslijnen is niet veel te zien, uitgezonderd de
tweede dwarslijn, die duidelijk afsteekt. De vorm is nog onbeschreven.
7. Een ex. van Orthosia gracilis F. f. rosea-sparsus Tutt. De vleugels
zijn licht roodachtig gekleurd met zwarte bestuiving. Dit dier werd ge-
vangen door den heer Knoop 3.1V.1946 te Albergen, op katjes.
| De heer G. Barendrecht bespreekt
Voor de fauna nieuwe en zeldzame Dolerus-soorten.
De laatste gepubliceerde naamlijst van Nederlandsche bladwespen is
die van Oudemans van 1894. Sindsdien zijn nog slechts een aantal
verspreide opgaven van nieuwe vondsten gedaan, vooral door Koor n-
neef, Uit den aard der zaak geeft een vergelijking van de resultaten
der revisie van de bladwespencollectie van het Zoöl. Museum te Am-
sterdam, waarmede ik mij reeds geruimen tijd bezig houd, met de lijst
van O udemans ruimschoots stof tot opmerkingen, hetzij van faunis-
tischen, hetzij van zuiver nomenclatorischen aard.
Wat betreft het geslacht Dolerus kan ik de volgende aanvullingen en
verbeteringen geven.
Dolerus tristis F. uit de lijst van Oudemans heet thans
bimaculatus Geoffr.
io dubius Kl., uit de lijst van O. en ook uit het bekende werk
van Enslin, moet thans volgens Benson en Malaise,
die de typen van Linné bestudeerd hebben,
pratensis L. heeten. |
Van deze soort zijn thans de volgende variëteiten als inlandsch
bekend :
var. desertus Kl. Koornneef E. B. 6, p. 359.
, timidus KI. in de coll. te A'dam van Nieuwersluis, Naar-
dermeer, Hilversum.
afratus Ensl. In coll. te Amsterdam van Venlo en Hoog-
Soeren.
pratensis van Oudemans en andere auteurs heet thans,
zoowel volgens Benson en Malaise als op
andere gronden volgens Benson 1934:
germanicus F.
Van deze soort bevinden zich in de coll. te A'dam de vol-
gende variëteiten :
Var. mediater Ensl.
terminater Ensl.
nigripes Knw.
à triplicatus Kl. komt merkwaardigerwijze niet voor in de lijst
van Oudemans, terwijl toch reeds in 1876
Snellen v. Vollenhoven deze soort
vermeldde en nog wel met opgave der beide
exx. : 1 © 21 April Rhoon en 12 1 Mei
ne ee
MEAG EE
VERSLAG. XXI
Rhoon, beide leg. Schepman. Beide exx.
zijn nog te Leiden aanwezig. In de coll. te
A'dam bevindt zich 1 @ van Numansdorp.
uliginosus Kl. komt evenmin voor bj Oudemans, hoewel
ook hiervan S. v. V. een 1 April 1872 door
Schepman te Rhoon gevangen exemplaar
vermeldt, dat eveneens thans nog aanwezig is.
Hiervan in coll. A'dam 1 2 van Breda.
anticus Kl. werd reeds door Koornneef als nieuw voor
de fauna opgegeven. (Versl. 52e Winterverg.)
In de collectie te A'dam bevindt zich behalve
een der door K. van Heenvliet vermeldde exx.
nog een ® van Putten, in 1893 door Oud e-
mans zelf verzameld.
ij thomsoni Lep. uit de lijst van Oudemans heet thans
jerrugatus Lep.
schulthessi Knw. Hiervan in coll. A'dam 1 2 van Venlo.
Enslin beschouwt dit als een var. van anticus
KI, wat het echter stellig niet is. Volgens
Morice en ook volgens Perkins 1933 is
het waarschijnlijk een variëteit van madidus Kl.
,, liogaster C. G. Thoms. Hiervan bevindt zich in coll. A'dam
1 9 van de
var. rufonotatus Ensl. van Hilversum.
DE coruscans Knw. uit de lijst van Oudemans heet thans
nitens Zadd.
anthracinus Kl. Hiervan in coll. A'dam 1 ¢ van Roermond
en 2 & & van Hilversum.
haematodes Schrnk. Hiervan vermeldde Koornneef in
Verslag 68e Winterverg. reeds de
var. muliebris Ensl. en
„ rufatus Ensl., waarvan de laatste in de coll. A'dam goed
vertegenwoordigd is, met overigens op zichzelf
alweer zeer uiteenloopende exx.
i megapterus Cam. Hiervan in coll. A'dam 1 ® van Venlo.
% thoracicus Fall. werd reeds door Oude mans zelf vermeld.
(Versl. 64e Zomerverg.)
de oblongus Cam. werd door Teunissen vermeld in Natuur-
hist. Maandbl. Limburg 30, p. 39.
Met betrekking tot de drie laatstgenoemde soorten kan nog worden
opgemerkt, dat zij met carbonarius Zadd. en gibbosus Htg. tot in details
denzelfden bouw van zaag vertoonen. Er zijn dan ook auteurs (Enslin,
Malaise 1932), die neiging hebben deze vormen, met uitzondering
van thoracicus, tot één soort te rekenen, een handelwijze, die mij, gezien
de duidelijke verschillen, die in andere opzichten tusschen deze soorten
bestaan, niet toelaatbaar lijkt.
Lepidoptera aangelokt door gistende bessen van Prunus serotina!).
De heer P. Korringa zegt het volgende:
In de zachte dagen van einde September 1946 boekte ik in een terrein
met gevarieerde begroeiing nabij Bergen op Zoom met kunstmatige lok-
middelen zeer onbevredigende vangsten van nachtvlinders. Concurrentie
van bloeiende heide of linde kon in dit deel van het jaar niet als oorzaak
van de slechte opkomst aangewezen worden. Bij nauwkeurige inspectie
van de omgeving bleek mij, dat een zeer rijke en gevarieerde samen-
scholing van insecten plaats had bij een aantal struiken van Prunus
1) Zie ook „De Levende Natuur’, 50, afl. 2/3, Mrt. 1947, p. 26-29, 2 fig.
XXII VERSLAG.
serotina, De insecten werden aangelokt door de gistende bessen
van deze struik en deden zich daaraan te goed. Nachtvlinders en twee-
vleugeligen bleken sterk in de meerderheid te zijn, zoowel wat betreft
het aantal soorten als het aantal individuen.
Een negental avonden bezocht ik deze struiken tusschen 25 Septem-
ber en 20 November, daarbij zooveel mogelijk zachte avonden met wei-
nig wind uitkiezende. Bij dit bezoek verzamelde ik quantitatieve ge-
gevens over de bezoekende Lepidoptera, waarbij een aantal van de
minder algemeene soorten werd verzameld. Tusschen 2 en 7 October
werden bijna alle bessen — waarschijnlijk door vogels — weggeplukt.
De weinige resterende ingeschrompelde bessen bleken toch nog aan-
trekkingskracht uit te oefenen, zooals uit bijgaande tabel kan worden
opgemaakt. Einde October (24—26 Oct.) viel een aantal vorstdagen,
Daarna was het bezoek zeer mager.
De verzamelde gegevens zijn in bijgaande tabel opgenomen. Hieruit
kan de relatieve frequentie van de bezoekers worden opgemaakt, terwijl
tevens blijkt, dat de diverse soorten hun hoogtepunt niet gelijktijdig be-
reikten en b.v, de Orrhodia's pas op het tooneel verschenen, nadat de
groote massa van de bessen was verdwenen en het geheele bezoek reeds
in belangrijke mate was afgenomen.
Soorten (Nomenclatuur Ter Haar) 25/9 27,9. 289 2/10 7/10 17/10 21/10 4/11 20/11
Agrotis C-nigrum L. ..... RENNER. — — I
Agrotis xanthographa F. ............ 1 — —
Agrotisttalarcosa Bsp. ee 2
IManestra@brassica lua a sees — =— | =
Diryobotanprotearbkhr... 2... I ee al
Brotelomia meticulosay le 2... KR RK OKI
@Orthostanlotar CIN PRT Re EE ie
O©rthosialmacılenta db a KK NR FIA ee es
Orthosiacircellarissbiuinie EA KINK KKK KAAR
@rthostamheld olan ane ee ee Noe SOx ee = —
RCA TOME AE EURE AT ee — 2 2 — — — —
Pani Chia tea Strona he == 2 cpe= — — — —
ManthraNaloagon wenn ey RERO 1 1 1 — — — — — —
Xanthiatocellaris BA eee eee 3 1 co = — — — —
@Orahodiamdaccin MONA = Pe yp INS
@Orshodiamligulan Espen a eee — — — ——— 1 — —
Orrhodialrubiginea BR... 1 — — —
|
|
|
Scopelosoma satellitia L. ............ —
ylina semibzunealklw non. _
Nalinaonnitopuse Rott en I
Scplioptervoanlibatsin an —
Hypena proboscidalis L. ............... XX
Varentialgariataischfi mn RER
2
XX
5
Panentiastruneataihluinu ne
Marentiajiniata (AIA
Sarnrotnripus revayana Sch...
x meer dan 10
xx vrij talrijk, circa 25 stuks
XXX talrijk, 50— 100 stuks
XXXX zeer talrijk, meer dan 100 stuks.
Broeder Gennardus merkt op, dat ook vliegen des nachts op kunst-
matige lokmiddelen afkomen.
De heer Leefmans zegt, dat er — behalve de Culicidae — inderdaad
Diptera bestaan, die in plaats van een diurne, een nocturne leefwijze
hebben. In Indië (op Banka) komt een parasietvlieg voor, vermoedelijk
een Dexine (Tachinidae), die blijkens gevonden materiaal haar eieren
|
VERSLAG. XXIII
onder de dekschilden van een bladsprietigen kever deponeert, zoodat ze
op den rug van den kever (Holotrichia bidentata) komen te liggen. De
larven leven in den kever. Daar Holotrichia pas gaat vliegen nadat de
duisternis is ingevallen, moet Spr. aannemen, dat de dieren des nachts
worden geinfecteerd, wanneer zij vliegen.
De heer Wilcke zegt, dat iets dergelijks ook bij wantsen voorkomt ;
een speciale tang kan dan de dekschilden oplichten.
De heer Van der Vecht deelt ter aanvulling mede, dat in 1935 de
Tachinide-parasiet van Holotrichia bidentata in groot aantal op Banka
door W. Jepson werd verzameld en verzonden naar Mauritius ter
bestrijding van Phytalus smithii (engerlingen, schadelijk aan suikerriet).
Het verslag hieromtrent zal vermoedelijk zijn te vinden in de verslagen
van het Department of Agriculture op Mauritius en/of in The Review
of Applied Entomology.
De heer Roepke wijst er nog op, dat in Nederland de kever
Galerucella eveneens door vliegen wordt aangetast.
Crossocerus imitans Kohl in Nederland.
De heer G. van Rossem maakt melding van de vangst van een &
van Crossocerus imitans Kohl 1915 (f.n.sp.) (Hym., Crabronidae). Het
exemplaar werd 11 Aug. 1946 op Vlieland buit gemaakt door den heer
C. F. van de Bund. De soort werd in 1915 door Kohl in zijn be-
kende monographie van de Palaearctische Crabronen gebaseerd op een
& uit Mecklenburg.
Het © werd in 1932 door Harttig in Deutsch. ent. Zeitschr. p. 95 —
. 96 beschreven. Het hem ter beschikking staande materiaal was afkomstig
‘van het Duitsche Noordzee-eiland Memmert, zuidwestelijk van het eiland
Juist gelegen. Dit materiaal was aldaar van 28 tot 31 Juli 1918 door
Alfken gevangen en door dezen auteur onder den naam Crossocerus
wesmaeli van der Lind. gepubliceerd in „Die Insekten des Memmert”, zie
Abh. nat. Ver. Bremen, p. 246, 1924.
(Bij het ter perse gaan van dit verslag kan nog worden toegevoegd,
dat de heer P. M. F. Verhoeff (den Dolder) op 20.VII.1947 drie
2 © van deze soort op het eiland Terschelling (Hoorn-duin) ving.)
De heer D. Hille Ris Lambers doet eenige mededeelingen omtrent
Het maken van vangtrechters door onze Nederlandsche Mierenleeuwen
en
Het voorkomen en transport van speciale, ais honing-reservoir
dienende arbeidsters bij de Roode Boschmier
Daar het Spr.s bedoeling is hieraan een artikel te wijden in de En-
tomologische berichten, wordt hier met deze korte aanduiding volstaan.
Naar aanleiding van het medegedeelde inzake den Mierenleeuw wijst
de heer Leefmans er op, dat er ook een vliegenlarve bestaat, die derge-
lijke valkuilen maakt, n.1. een Vermileo-soort (Leptidae). Het zou inte-
ressant zijn te weten, hoe deze de kuilen maakt. Spr. meent, dat het geen
Europeesche soort is.
De i Roepke is van meening, dat het een Mediterrane soort be-
treft!
Naar aanleiding van de merkwaardige waarneming van den heer Hil-
le Ris Lambers inzake het vervoer van volgezogen mieren door
andere, merkt de heer Leefmans op, dat hij transport van nestgenooten
bij de Roode Boschmier vaak heeft gezien. Dat is dus een phase in de
ontwikkeling : transport van volgezogen mieren gaat weer wat
verder.
1) Het blijkt, dat beide Sprekers gelijk hadden. De Europeesche soort is Vermileo
vermileo L., de Amerikaansche V. comstocki Wheeler. Ook de wijze van kuilvorming
is bekend, zie C. P. Claussen, Entomophagous Insects. (opg. Leefmans).
XXIV VERSLAG.
E. B. Ford, Butterflies.
De heer M. Hardonk laat circuleeren het in 1945 verschenen boek
E. B. Ford, Butterflies, uitgave Collins, London. Dit boek bevat goede
afbeeldingen van alle Engelsche "butterflies’, dus alle dagvlinders, op
56 gekleurde en 24 zwarte platen, alsmede 32 verspreidingskaartjes met
betrekking tot Engeland, en behandelt biologie en genetica.
Aromia moschata eet kruisspinnen.
Daar de heer H. W. Herwarth von Bittenfeld plotseling verhinderd
was ter vergadering aanwezig te zijn, wordt namens hem een mede-
deeling voorgelezen met betrekking tot het eten van jonge kruisspin-
nen (Epeira Walck.) door den kever Aromia moschata L. Deze mede-
deeling zal ook in de Entomologische Berichten verschijnen!)
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door den
Voorzitter, onder dankzegging aan de sprekers, gesloten.
Rectificatie Verslag 6e Herfstvergadering.
De heer W. J. Maan merkt naar aanleiding van dit verslag het vol-
gende op :
Op blz. LXXIV van het Verslag van de zesde Herfstvergadering
der Nederlandsche Entomologische Vereeniging (23 Nov. 1946, publ.
1.111.1948) is sprake van beschadiging door Ceuthorrhynchus-larven in
bloemkoolplanten. Daarbij wordt een door mij verricht onderzoek naar,
den veroorzaker der schade in twijfel getrokken door te veronderstellen,
dat de Ceuthorrhynchus-larven als zoodanig zouden zijn gedetermineerd
en niet tot imagines zouden zijn opgekweekt.
Deze veronderstelling is echter onjuist en zeker niet af te leiden uit de
geciteerde publicatie in het blad Groenten en Fruit, waarin juist door
mij wordt gezegd, dat men niet op larve-determinaties mag afgaan.
In Groenten en Fruit werd niet op de kweektechniek ingegaan. Een
tuindersblad is daar immers de plaats niet voor. Aangezien Van Ros-
sem echter mededeelde, dat het opkweeken van Ceuthorrhynchus-larven
„niet zoo eenvoudig is als men zich over het algemeen voorstelt , lijkt het
= goed hier in het kort de door mij gevolgde kweektechniek mede te
eelen.
De Ceuthorrhynchus uit de basale bladstelen en stengels der bloem-
koolplanten (verzameld 16 Mei ‘46 te Uithoorn) werden in glazen
doozen met plat deksel opgekweekt. In deze doozen was een laagje
aarde gebracht. Op deze aarde lag een stevige kartonnen schijf van een
iets kleineren diameter dan die van de glazen doos. Op deze kartonnen
schijf werd een hoopje zeer fijn gesneden bloemkoolbladsteelweefsel ge-
bracht, waarin de larven werden gelegd.
Minstens één, vaak twee maal per dag werd het voedsel ververscht.
Het kweeken ging op deze wijze gemakkelijk. De larven konden zoodra
zii volgroeid waren — dit is door ons moeilijk te beoordeelen — het
voedsel-milieu verlaten en zich tusschen den rand van het karton en het
glas doorwurmen om zich in de aarde te verpoppen. Op 27 Juni en 2
Juli verschenen hieruit de imagines, die alle bleken te behooren tot de
soort Ceut'iorrhynchus quadridens Panz. (det. Dr. Uyttenboo-
alata)
9 Uit het hier medegedeelde is thans voldoende gebleken dat de ,,Boor-
snuitkevers’ in bloemkool door mij wel tot imago zijn opgekweekt
en als zoodanig werden gedetermineerd. Van Rossem had het geven
van foutieve inlichtingen kunnen voorkomen door vooraf even naar de
juiste toedracht van het onderzoek te informeeren.
1) Ent. Ber. III, No. 280, 1.111.1948, p. 232.
VERSLAG
EN WETENSCHAPPELIJKE MEDEDELINGEN')
VAN DE
HONDERDTWEEDE ZOMERVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HET RAADHUIS DER GEMEENTE OOTMARSUM
OP ZATERDAG 21 JUNI 1947, DES MORGENS TE 9.30 UUR
Voorzitter: de Vice-President, Dr K. W. Dammerman.
Aanwezig: het Lid van Verdienste, Dr D. Mac Gillavry en de ge-
wone leden : Prof. Dr G. P. Baerends, Ir G. A. Graaf Bentinck, A. J.
Besseling, Dr J. G. Betrem, W. L. Blom, W. C. Boelens, J. Bolland,
H. W. Botzen, P. J. Brakman, H. Coldewe dt B. Corporaal, Dr K. W.
Dammerman, P. H. van Doesburg Jr, H. ri venhuis, G. L. van Eynd-
hoven, F. C. J. Fischer, Dr H. J. de Fluiter, Dr D. C. Geijskes, W. H.
Gravestein, D. Hille Ris Lambers, B. de Jong, Dr C. de jong: Tavan
Kregten, Dr G. Kruseman Jr, Dr D. J. Kuenen, Dr S. Leefmans, M. A.
Lieftinck, de Nederlandsche Heidemaatschappij vertegenwoordigd door
W. E. Meijerinck, Dr A. or J. de Vos tot Nederveen Cappel, P.
van der Wiel, Dr J. Wilcke, Ir T. H. van Wisselingh.
Afwezig met kennisgeving : Het Lid van Verdienste en Erelid Prof.
Dr J. C. H. de Meijere en de gewone leden : P. H. van Doesburg Sr,
Ir M. Hardonk, J. A. Janse, H. J. Mac Gillavry, Mej. M. Mac Gillavry,
D. Piet, G. van Rossem, W. Specht Grijp, Dr A. D. Voûte.
De Voorzitter opent de vergadering met een hartelijk welkom aan de
aanwezigen. Spr. bedankt B. en W. der Gemeente Ootmarsum voor de
bereidwilligheid, waarmede de Vereniging in staat is gesteld om haar
vergadering in de Raadszaal te houden, die voor ons doel een betere
accommodatie biedt dan de ruimte, die het Hotel de la Poste ter beschik-
king staat.
De President is helaas door ernstige ziekte verhinderd aanwezig te
zijn en de Voorzitter begint dan ook met de hoop uit te spreken, dat
Dr Uyttenboogaart spoedig genezing moge vinden en geheel
hersteld weer in ons midden zal terugkeren. Besloten wordt hem een
brief te zenden met de handtekening van alle aanwezigen.
De Voorzitter vervolgt dan :
Onze President heeft tevens den wens te kennen gegeven dit jaar
uit het Bestuur te treden en het spijt hem ten zeerste, dat hij thans niet
persoonlijk in de gelegenheid is als voorzitter afscheid te nemen. Natuur-
lijk doet het ook ons zeer veel leed, dat wij hem niet hier ter plaatse
kunnen toespreken en bedanken voor al hetgeen hij voor de Vereniging
heeft gedaan.
Ruim dertig jaar was Dr Uyttenboogaart lid van het Bestuur
en hij heeft daarin bijna alle belangrijke functies vervuld. Van 1916—1926
ws hij lid zonder functie, na het overlijden van Van der Hoop in
1925 nam hij het penningmeesterschap waar, tot 1934 was hij penning-
meester, daarna tot 1939 bibliothecaris, vervolgens tot 1945 vice-president
en nu de laatste twee jaar president. U ziet, een eerbiedwaardige staat
van dienst en al deze functies vervulde hij steeds met toewijding en
grote nauwgezetheid. Hij was een enthousiast entomoloog, die zich veel
moeite gaf voor onze vereniging. Steeds ook stond hij op de bres om
1) Afzonderlijk gepubliceerd 1 September 1948.
XXVI VERSLAG
de entomologie te verdedigen, niet alleen als wetenschappelijk vak, maar
ook om de betekenis ervan voor de praktijk. Hij was een vraagbaak
voor velen, vooral op het gebied van de Coleopterologie, en uitgebreid
waren zijn adviezen aan de Plantenziektenkundigen Dienst. Ook op
internationaal terrein heeft hij niet nagelaten de banden met onze vereni-
ging aan te halen.
et Bestuur heeft gemeend U het voorstel te moeten doen den heer
Uyttenboogaart bij zijn aftreden als bestuurslid te benoemen tot
erelid der Vereniging. Zijn wetenschappelijk werk, in het bijzonder dat
met betrekking tot de keverfauna der Cominieche Eilanden, stempelt hem
tot een entomoloog van internationaal formaat.
(Dit voorstel wordt met zeer veel instemming begroet ; de Secretaris
stelt den heer Uyttenboogaart telegrafisch in kennis van zijn
benoeming en reeds des middags is er een telegram, waarmede de Pre-
sident zijn dank uitspreekt voor de hem betoonde eer.)
Over het wetenschappelijk werk van Dr Uyttenboogaart wil
ik hier thans niet verder uitwijden, daar wij innig hopen, dat dit nog
niet is afgesloten en dat het hem gegeven moge zijn de krachten te her-
winnen om zijn werk voort te zetten. Moge hij spoedig weer in staat
zijn in goede gezondheid en met de oude geestdrift onze bijeenkomsten
bij te wonen.
Het zal U bekend zijn, dat onze President in December vorig jaar
een zeer gevoelig verlies leed door het overlijden van ‘zijn echtgenote
Mevrouw E. D. Uyttenboogaart-Eliasen, begunstigster van
onze vereniging. Het Bestuur gaf blijk van zijn deelneming door bijna
voltallig aanwezig te zijn tijdens de crematie te Westerveld. Een ‚In
Memoriam” van de hand van onzen Secretaris vindt U in de Entomolo-
gische Berichten van Februari 1947. Mede hebben wij het verlies te be-
treuren van ons lid Prof. Dr S. L. Brug, die 31 December 1946 te
Amsterdam overleed. Ook deze verdienstelijke onderzoeker werd door
den heer Van Eyndhoven herdacht in hetzelfde zo juist genoemde
tijdschrift-nummer. Brug bestudeerde voornamelijk parasitaire ziekten
bij den mens, en de insecten en andere arthropoden die deze ziekten over-
brengen. Van zijn entomologisch werk dient in de eerste plaats genoemd
te worden : „De voornaamste Nederlandsch-Indische Culicinen . Ik wil
hier nog de woorden aanhalen, waarmede Prof. Swellengrebel
hem tekent in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde (91, No.
2, Jan. 1947) : „Een zeer nauwkeurig, zeer voorzichtig, hoogst critisch
werker, met een eindeloos geduld, een onbegrensd vermogen om zich
moeite te geven en voor anderen met zijn hulp en rijke ervaring klaar
te staan.”
Tenslotte moeten wij nog het overlijden vermelden van ons correspon-
derend lid A. dOrchymont op 9 Februari 1947 te Brussel. Hij
was geboren te Antwerpen in 1881 en laatstelijk honorair conservator
van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum te Brussel. Hij heeft vooral
naam gemaakt als specialist op het gebied der Hydrophilidae. Een bij-
drage van zijn hand „Over de Nederlandsche en Belgische Laccobius-
soorten’ zal in den feestbundel van ons Tijdschrift verschijnen.
Bedankt hebben de volgende leden :
Mevrouw C. M. Bouwman-Buis
Dr W. J. Kabos
B. H. Klynstra
. Walhout
h. H. van Westen
C. J. W. Westhoff.
VERSLAG XXVII
Tegenover deze verliezen kunnen wij gelukkig ook melding maken
van meer verheugend nieuws.
Zo werd S. A. Neave te Essex tot erelid benoemd, terwijl als be-
gunstiger toetrad de heer S. Stemerding te Amerongen. Verheu-
gend is ook het grote aantal nieuwe leden, 18 in getal, waarmede onze
| vereniging werd verrijkt, nl. :
G. Bank Jr, Zaandam
R. Batten, Middelburg
C. P. A. Bruyning, Leiden.
Curt Eisner, ‘s-Gravenhage
Dr J. P. van Erp, ‘s-Hertogenbosch
Broeder Gennardus (L. F. Balvers), Eindhoven
MV. Gerris, Hooydonck bij ‘s-Hertogenbosch
F, de Graaf, Arnhem
I. A. Kaijadoe, Oegstgeest
Mej. Dr Caroline H. Klinkenberg, Wageningen
H. C. Loots, Zaandam
S. Nieuwenhuizen, Amsterdam
K. N. Nieuwland, Amsterdam
H. Prakke, Apeldoorn
W. Specht Grijp, Heemstede
P. Terpstra, Deventer
N. van Tiel, Amsterdam
C. Vinken, Tilburg. i i
Voorts is Ir Th. L. J. Vreugde van buitenlands lid gewoon lid
geworden.
Mogen al deze nieuwe leden in onze vereniging vinden wat zij ervan
verwachten en mogen omgekeerd zij bijdragen tot den bloei van onze
vereniging.
Samenvattend komen wij tot den volgenden stand :
Leden van verdienste ...............
Ereleden eed rn 6
Bequnstigers Senne 13
Corresponderende leden _......... 7%
Buitenlandse leden Anns. 13
Gewonesledeng venne 231
272
Daar Prof. De Meijere onder drie en Dr Mac Gillavry onder
twee rubrieken is vermeld, is het totaal feitelijk 269.
Personalia.
Ons lid Dr G. P. Baerends werd benoemd tot hoogleraar in de
zoölogie te Groningen, Dr N. Tinbergen aanvaardde het ambt van
hoogleraar in de experimentele dierkunde te Leiden, terwijl Prof. De
_ Meijere erelid werd van de Société Entomologique de Belgique. Dr
D. van der Heijde ontving de medal of freedom wegens zijn
gedurende de bezetting verleende Bal aan Amerikaanse piloten. Aan
al deze leden onze hartelijke gelukwensen. Mevrouw Wibaut-Ise-
bree Moens legde haar betrekking neer bij den Gemeentelijken
Geneeskundigen en Gezondheidsdienst te Amsterdam. Van haar weten-
schappelijk werk, op het gebied van de hydrobiologie en het zoetwater-
plankton, hoopt zij evenwel nog geen afscheid te nemen.
Uit Indië keerden wederom enkele leden terug: A. C. V. van Be m-
mwelsMı Ar Wieftinek en DPr1L.G. E alshoven. Andere
Indische entomologen bleven hier in Holland, Dr H. J. de Fluiter
werd aangesteld als entomoloog bij het Laboratorium voor Entomologie
XXVIII VERSLAG.
te Wageningen, Dr J. G. Betrem werd leraar aan de Middelbare
Koloniale Landbouwschool te Deventer. De volgende leden van onze
vereniging hebben de terugreis naar Indië weer aanvaard: Dr C. J. H.
Franssen is thans ee aan het Algemeen Proefstation voor
den Landbouw te Makassar; Dr J. van der Vechten Dr A. Dia
konoff keerden terug naar Buitenzorg, eerstgenoemde werd wederom
eplaatst aan het Instituut voor Plantenziekten, de laatste aan het Zoö-
ogisch Museum. De heer H. A. Bakker is naar Indië vertrokken
als chef van een geneeskundig laboratorium, terwijl J. Walhout in
militairen dienst naar Indië ging. Dr D. C. Geijskes keerde uit Para-
maribo (Suriname) naar Nederland terug. :
De heer P. F. Baron van Heerdt promoveerde op een proefschrift,
getiteld : Eenige physiologische en oecologische problemen bij Forficula
auricularia ; Prof. Dr W. M. Docters van Leeuwen publiceerde
tezamen met Han Alta: Gallenboek, Nederlandse Zoöcecidiën, door
dieren veroorzaakte gallen. In Noorduyn's Wetenschappelijke Reeks ver-
scheen „Inleiding tot de Diersociologie” van de hand van Prof. Dr N.
Tinbergen.
Niet zonder vermelding mogen wij voorbijgaan aan het heugelijk feit,
dat de heer J. J. de Vos tot Nederveen Cappel dit jaar 45
jaar lid is van onze Vereniging, terwijl de heer C. J. M. Willemse
35 jaar ons trouw bleef. Voorts vieren thans de heren G. A. Bentinck,
Koornneef en Dr A. Reyne hun 30-jarig jubileum. Wij bie-
den dezen leden onze hartelijke gelukwensen aan en hopen, dat zij nog
Ne jaren voor onze vereniging en de entomologie behouden mogen
ijven. |
Vergaderingen.
De zomervergadering in Juni 1946, gehouden te Geulhem in Zuid-
Limburg, den eersten zomer na de bevrijding, waarin wij weer eens vrij
waren in de keuze van de plaats van bijeenkomst, was een groot succes,
althans wat opkomst en onderling verkeer betreft. Het minder gunstige
weer evenwel was oorzaak, dat het verzamelen in deze zo geliefde om-
geving over het geheel tegenviel.
De herfstvergadering te Amsterdam op 23 November 1946 was zoals
gebruikelijk gewijd aan onderwerpen op toegepast entomologisch gebied,
vooral de Indische entomologen deelden veel wetenswaardigs mede om-
trent hun werk in de afgelopen jaren verricht. De wintervergadering dit
jaar, op 2 Maart 1947 te Utrecht gehouden, was goed bezocht en stond
onder leiding van den heer J. B. Corporaal, daar zowel de presi-
dent als de vice-president door ziekte verhinderd waren.
Afdelingen.
Wat de Afdeling voor Toegepaste Entomologie betreft, laat ik hier
het verslag volgen, hetwelk de secretaris, de heer F. E. Loosjes, mij
deed toekomen.
De Afdeling mag zich in een toenemende belangstelling verheugen.
Telde deze een jaar geleden ruim 60 leden, op den Isten Juni van dit
jaar was het aantal de 80 reeds gepasseerd, niet in het minst door de
aanmelding van de uit Indié terugkerende entomologen. Niet alleen het
groeiende aantal leden, ook het bezoek aan de bijeenkomsten, hetzij
excursies of vergaderingen, is een duidelijke demonstratie hiervan.
Van 21 tot 24 Augustus 1946 werd een driedaagse excursie naar Zee-
land georganiseerd, in hoofdzaak gewijd aan de fruitteelt-entomologie,
doch waarbij ook een bezoek aan Walcheren, ter bestudering van den
invloed van inundatie en ontzilting op. fauna en flora, werd gebracht.
Overdag trok men er op uit onder deskundige leiding, terwijl s avonds
lezingen werden gehouden over ffuitieolipcoblewen en over de keuring
‚ VERSLAG. XXIX
van bestrijdingsmiddelen. Tijdens deze excursie trad de voorzitter, Dr
A. D. Voûte als zodanig af; hij droeg zijn functie over aan Dr D.
J. Kuenen. Dr C. J. Briejér trad op zijn verzoek uit het bestuur ;
zijn plaats werd ingenomen door den heer F. E. Loosjes, die tevens
het secretariaat op zich nam.
Het Bestuur is thans als volgt samengesteld :
Dr D. J. Kuenen, Voorzitter, F. E. Loosjes, Secretaris, leden :
Dr B. J. Krijgsman, Ir P. H. van de Pol en Dr À. D. Voûte.
Na de Zeeuwse excursie vergaderde de Afdeling op 12 December te
‘s-Hertogenbosch met als onderwerp de problemen, waarvoor de bijen-
teelt den toepassenden entomoloog stelt.
Op 7 Maart van dit jaar kwamen de leden te Utrecht bijeen voor
een bijeenkomst, gewijd aan enige problemen waarvoor in het bijzonder
de praktijk-entomoloog in Indië zich geplaatst ziet. De bijeenkomst werd
besloten met een causerie van een der leden van de Afdeling over zijn
reisindrukken op het terrein der toegepaste entomologie in Amerika.
Op 29 Maart had eindelijk de door vele leden gewenste vergadering
plaats over DDT, deze werd wederom te Utrecht gehouden. Van vele
zijden werd dit insectenbestrijdingsmiddel, dat den laatsten tijd zoveel
van zich doet spreken, belicht. 49 leden en introducés bezochten de
nl
et het Hoofdbestuur van N.E. V. werd overeengekomen de convo-
caties van de Afdeling ook aan alle leden van de Vereniging te zenden,
opdat de leden, die dit wensen, door het bestuur van de afdeling kunnen
worden geintroduceerd.
Het doet ons groot genoegen te kunnen melden dat de Afdeling
Noord-Holland & Utrecht in de periode 1946/47 wederom bijeenkomsten
hield, die goed waren bezocht. Er werd driemaal vergaderd en wel in
October 1946 en in Januari en Maart 1947, alle drie keer te Amsterdam.
Het aantal leden, dat vöör den oorlog ongeveer 25 bedroeg, slonk tijdens
de bezetting tot 20, maar thans is gelukkig het oude peil weer bereikt.
Excursies werden nog niet gehouden, het ligt evenwel in de bedoeling
met het a.s. seizoen ook deze te hervatten.
In December 1946 had de Afdeling het genoegen om f 100.— uit de
kas over te kunnen maken aan onzen Penningmeester, als bijdrage voor
het feestnummer. Een woord van hartelijken dank voor deze zeer ge-
waardeerde vrijgevigheid is hier zeker op zijn plaats.
ineplaatsevan Or DPD. Mae Gillawvry werd! je By Corperaal
tot voorzitter gekozen, vice-voorzitter is Dr G. Barendrecht, ter-
wijl de heer P. van der Wiel als secretaris-penningmeester fungeert.
Wat de Afdeling Zuid-Holland aangaat, zo is deze na den oorlog
nog niet weder bijeengekomen, het voornemen bestaat om ook deze af-
deling a.s. herfst tot nieuw leven te doen komen.
Commissies en Fondsen.
Ik laat hier thans het verslag volgen, ontvangen van den Secretaris
der Commissie voor de Nomenclatuur.
Van de door de Nederlandsche Entomologische Vereeniging inge-
stelde Commissie voor de Nomenclatuur waren enige jaren geleden als
leden nog overgebleven Dr D. Mac Gillavry, Prof. Dr J. C. H.
de Meijere en Dr A. C. Oudemans. De twee laatstgenoemden
gaven indertijd te kennen dat zij niet langer lid van de Commissie wens-
ten te blijven. Op verzoek van Dr Mac Gillavry verklaarde Prof.
Dr H. Boschma zich bereid tot de Commissie toe te treden en het
secretariaat op zich te nemen. Verder gaven Dr K. W. Dammer-
manen D. Hille Ris Lambers gevolg aan het verzoek om als
XXX VERSLAG.
lid deel te nemen aan de werkzaamheden van de Commissie, waarvan
Dr Mac Gillavry het voorzitterschap aanvaardde.
De Commissie hield op 22 November 1943 te Amsterdam een verga-
dering, waarin de Voorzitter de nieuwe leden installeerde en waarin
het werkprogramma werd besproken. Vastgesteld werd dat in principe
elk entomoloog lid kan worden van de Commissie, ook niet-leden van
de Vereniging. Besloten werd verder, dat voorstellen van nomenclato-
rischen aard, in te brengen bij de Internationale Commissie voor de Zoö-
logische Nomenclatuur om de kans op succes te verhogen bij voorkeur
zullen uitgaan van de Commissie en niet van individuele leden.
Aan den Secretaris van de Internationale Commissie voor de Zoölo-
gische Nomenclatuur zond de Commissie de volgende voorstellen.
Voorstel tot plaatsing in de Officiële Lijst van Genusnamen : Cyrto-
laelaps Berlese, 1887 en Veigaia Oudemans, 1905 (Acari), bij de Com-
missie ingediend door G. L. van Eyndhoven.
Voorstel tot plaatsing in de Officiële Lijst van Genusnamen : Machilis
Latreille, 1802 (Thysanura), bij de Commissie ingediend door Dr G.
Kruseman Jr.
Voorstel om den naam Bombus muscorum Linné, 1758 (Hymenoptera)
vast te leggen op de wijze van Fabricius en andere auteurs, bij de
Commissie ingediend door Dr G. Kruseman Jr.
Enkele voorstellen van het lid van de Commissie Hille Ris Lam-
bers zijn nog niet voldoende uitgewerkt om namens de Commissie
te kunnen worden verzonden.
De Secretaris voerde enige correspondentie met verschillende leden
van de Vereniging over zaken van nomenclatorischen aard.
De Commissie werd om advies gevraagd over een voorstel van de
Internationale Commissie om een vacature in deze laatste te doen ver-
vullen door een Nederlands zoöloog. Mede op grond van dit advies
werd de Secretaris van de Commissie als zodanig benoemd.
De Secretaris stelde een overzicht samen over de werkzaamheden van
de Internationale Commissie, in het bijzonder gedurende de jaren
1939-1945 ; dit overzicht werd gepubliceerd in Entomologische Berich-
ten deel 12, pp. 40—51.
In 1947 werd de Nederlandse Commissie voor de Nomenclatuur uit-
gebreid met Dr H. C. Blöte en Dr G. Kruseman Jr als leden.
Over de fondsen vallen hier geen bijzonderheden te vermelden, af-
gezien van het financieel verslag, dat de Penningmeester zal uitbrengen.
Publicaties.
Deel 87 (Jaargang 1944) van het Tijdschrift voor Entomologie werd
verzonden in Juli 1946. Voor het als feestbundel ter herdenking van het
100-jarig bestaan van de Vereniging uit te geven Deel 88 (Jaargang
1945) werd eindelijk in Mei van dit jaar het benodigde houtvrije papier
afgeleverd. Er is nu alle hoop, dat uiterlijk over een of twee maanden
deze voor onze Vereniging zo belangrijke publicatie van de pers zal
komen en verspreid = kunnen worden. Het werk zal afgezien van
voorwoord, inhoudopgave en register, 552 bladzijden tekst omvatten,
terwijl de oplaag 570 exemplaren zal bedragen. Het ligt in de bedoeling
ook aan enkele openbare bibliotheken een exemplaar aan te bieden, het-
geen er toe moge bijdragen de algemene belangstelling in het werk van
onze Vereniging en haar leden te bevorderen.
De omvang van de eerstkomende verdere delen zal beperkt worden
teneinde den door den oorlog ontstanen achterstand te kunnen inhalen,
zodat wederom zoals vroeger iedere jaargang ook inderdaad in het over-
eenkomstige jaar zal verschijnen.
VERSLAG. XXXI
Nog gedrukt moeten worden de Verslagen der Zomervergaderingen
vanaf de 10le, die der Wintervergaderingen vanaf de 78e, der Herfst-
vergaderingen vanaf de 6e, en die der Afdeling voor Toegepaste En-
tomologie eveneens vanaf de 6e. Er is voorts voldoende copie in porte-
feuille of toegezegd om minstens twee delen van het Tijdschrift te vullen.
Tot grote voldoening stemt het, dat de Minister van Onderwijs, Kun-
sten en Wetenschappen, tezamen met zijn ambtgenoten van Landbouw,
Visserij en Voedselvoorziening en van Sociale Zaken, op ons verzoek
de subsidie voor het Tijdschrift heeft verhoogd van f 225.— tot f 1000.—.
Niettemin zal de vraag onder ogen moeten worden gezien, of het Tijd-
schrift nog steeds tegen den ouden prijs aan de leden kan worden ver-
strekt, nu de drukkosten zo enorm zijn opgelopen.
De Entomologische Berichten konden in het verslagjaar gelukkig
regelmatiger verschijnen, al werd ook hier nog niet bereikt, dat elke
twee maanden een nummer kon uitkomen. Verzonden werden van Deel
12 de nummers 269— 274, Augustus 1946— April 1947.
Het voornemen bestaat den Secretaris, die tot nu toe met de redactie
van de Entomologische Berichten belast was, van deze taak te ontheffen
en de commissie van redactie zo nodig met een of meer leden uit te
breiden.
Bibliotheek.
Aangezien de President verhinderd was het voorgeschreven bezoek
aan de bibliotheek te brengen, werd deze taak door mij overgenomen.
Helaas was bij mijn bezoek de Bibliothecaris met vacantie, maar de
heer Piet was zo welwillend mij alle gevraagde inlichtingen te ver-
schaffen.
Over het geheel bevindt onze boekerij zich in goeden toestand, al
blijven er enige desiderata. Zo is er nog steeds een grote achterstand
in bindwerk, terwijl ook de wijze van opbergen van separaten en kleine
brochures niet bevredigend is. Deze zijn thans los op de rekken volgens
auteur geplaatst, hetgeen het opzoeken niet gemakkelijk maakt, terwijl
dit ook voor het behoud van deze dunne Be soms slechts één
of een paar bladzijden omvattend, weinig doelmatig is.
Wat de boekerij van Dr Mac Gillavry betreft, zo zijn alle
boeken op entomologisch gebied, die in onze bibliotheek ontbreken,
thans uitgezocht. Het uitzoeken en catalogiseren van alle publicaties,
die ons werden toevertrouwd, zal echter nog zeer veel tijd vereisen,
als men bedenkt dat de verzameling sinds October 1945 onder ons
beheer is en wij nu na bijna twee jaar nog niet voor de helft met het
uitzoeken gereed zijn gekomen. Ofschoon wij alle lof mogen hebben
voor hetgeen tot nu toe verricht is met de weinige middelen en hulp
die ter beschikking stonden, zullen wij ons toch moeten bezinnen op
een vluggere 2 ete van deze zaak, dit zijn wij niet alleen ver-
plicht tegenover Dr Mac Gillavry, maar ook is dit ten zeerste
in het belang van onze bibliotheek.
Reeds op de zomervergadering van 1944 werd aangedrongen op een
spoedige uitgave van een vierde supplement op den catalogus, moge deze
thans niet lang meer op zich laten wachten.
Hierna krijgt de heer Bentinck het woord tot het uitbrengen van het
Verslag van den Penningmeester over het Boekjaar 1946.
je Heren,
ierbij vermeld ik de Balans en de Verlies- en Winstrekening met de
nodige toelichtingen :
XXXII VERSLAG.
BALANS, Debetzide :
De koersen der Fondsen in vollen eigendom zijn naar de laatste beurs-
waarde van Dec. 1946 berekend.
BALANS, Creditzijde :
Reserve voor koersverlies : De totale koersdaling der effecten in vollen
eigendom bedraagt f 112.50. Deze Reserve wordt hierdoor verminderd
tot f 1525,20
Fonds Leden voor het Leven: Dit Fonds steeg met f 390.— tot
f 4990 — door inschrijvingen van 3 nieuwe leden, waarvan een over-
geschreven werd van Buitenlands lid tot lid voor het leven door een
supplementair bedrag te storten.
Crediteuren : Het op deze rekening vermelde bedrag was nog te be-
talen voor Omzetbelasting 1946.
Ajd. Toegepaste Entomologie: Deze afdeling ontving f 125 — aan
contributies, terwijl haar saldo ad f 447.99, na aftrek van onkosten voor
zaalhuur, porti, enz. op de rekening T.v.E. werd overgeschreven ter
vergoeding van haar publicaties.
Kapitaal : Deze rekening steeg met f 1083.53 door bijboeking van het
saldo over 1945.
BALANS BOEKJAAR 1946.
Activa :
Effecten in bloten eigendom . . . 2.2.2 a) ee Molen
Biblistheearis. ge ee vee Va ey on) oe ey ee 22203
Amsterdamse Bank: 2. un nee En
Postrekening . enne le dette SO
Debiteuten niet Leden. EEE
Leden Debiteuren . . ee RSS
Effecten in vollen eigendom ; EEE ol
Inschrijving Grootb. N.S. in vollen eigendom A OE
Inschrijving Grootb. N.S. in bloten FE Raat ee os i SANS =
INadeliggiSaldoml94Gy 72 x RENEE te OOAD
125325558
Passiva :
Fonds Van Eyndhoven . + NRA
Ver. tot Fin. v. h. a bestaan der N.E.V.. . . „ 868.76
Neda nd Ent Verse» ER Rn 25 266
Leden Crediteuren» sonor veeleer ER Ria
Crediteuren . . RE TaN. Re 85.07
Fonds Hacke:Oudemans 7282 2 1.0.0. -. “> ee
Kapitaal . . Dr dig Er 150056
[Dye jf Tn. Oudemans- Stichting . SOUPER Ter a 8
Legaat Dr Reuvens . . vr NR SOE
Nalatenschap Dr Veth ne hefet rente EER GORE
Fonds Leden voor het Leven’, | ....... De
Mac Gillavry 27 5°." RON REO GD
Reserve voor Koersverlies . . en LS RSM
Fonds Hartogh Heys v. d. Lier i. 2000, Soe
f 53235.58
VERSLAG. XXXIII
VERLIES EN WINST. BOEKJAAR 1946.
Verlies :
EutomelogisehesBeriehten tab MN EE SE 01006819
ijdschriitavoor Entomologier. 1. urn. Mee IR 1358,35
Bifoliodheelk Sauren: RN PE 1.02
O otel dA Lt votre andes mbr 22034175
ResemenDübieuseDebiteurenss denk o bn tes 90.—
f 5900.31
Winst :
Comtrlanlies = mre A ae n te ee oly. Tp he Cp En
Rente D ern e an ee RE UT 361.95
Boekenhond stam en Tid a In Mai? TRR ENT 124039630
Nadeligmsaldonl 46m an... mbr etn walls belen 713221206
f 5900.31
VERLIES- EN WINSTREKENING, Debetzijde :
Entomologische Berichten : De drukkosten van het Register Deel 11
en van de Nos 267/270, inclusief Redactiekosten, bedroegen f 1085,89.
De opbrengst van Overdrukken enz. bedroeg f 79,70. Het nadelig saldo
werd door de hoge drukkosten f 1006,19 of ruim het dubbele van het
vorige jaar.
Tijdschr. v. Entom.: De totale drukkosten voor deel 87 en voor een
gedeelte van deel 89 bedroegen f 2837,95. Hiervan kon in mindering
gebracht worden: de Rijkssubsidie (nog niet ontvangen), de abonne-
mentsgelden, het bedrag der verkochte exx. en overdrukken, een bij-
drage van f25.— van Prof. Dr Roepke en een voornoemde over-
schrijving van f 447,99 van de Afd. Toeg. Ent. Het nadelige saldo voor
het Tijdschrift werd eveneens door hoge drukkosten, ondanks het grote
bedrag dat in mindering kon gebracht worden, f 1358,35.
Bibliotheek : Voor aankoop van boeken en vervolgwerken werd
f 151,35 uitgegeven. Het salaris der assistenten bedroeg f 462,25. De
onderhoudskosten, porti, enz. bedroegen f 213,35. Deze werden gedeel-
telijk gedekt door de daarvoor bestaande rente uit het Fonds Hartogh
Heys f 302,64 en Porti restitutie f 14,29 ; vandaar een nadelig saldo van
£511,02, ca f 185.— hoger dan het vorige jaar.
Onkosten : Dit zijn alle onkosten, zoals : porti, drukwerken, contribu-
ties aan andere Verenigingen, omzetbelasting, enz., maar vooral molest-
verzekering (f 2401,21). Dit laatste werd evenwel verminderd door een
bijdrage van £ 25.— van een onzer leden, die onbekend wenst te blijven.
Vooral door deze molestverzekering boekt „Onkosten een nadelig saldo
van f 2934,75,
Reserve Dubieuze Contributies: O.a. door sterfgeval werd f 54.—
oninbaar, en werd f 36.—, door 't opgeven als lid voor 't leven, kwijt-
gescholden.
VERLIES- EN WINSTREKENING, Creditzijde :
Nadelig Saldo: 1946 laat een nadelig saldo zien van f 3221,06. Dit
is vooral te wijten aan het grote bedrag betaald aan molestverzekering,
waardoor het geblokkeerde Giro-saldo geheel verdween; en indien het
T.v.E. niet den genoemden steun had genoten van de Afd. Toeg. Ent.,
dan was dit saldo nog veel nadeliger geweest.
Voor 1947 durf ik alsnog geen globale begroting te maken. De om-
standigheden zijn nog te onzeker, vooral wat de publicaties en de kosten
XXXIV VERSLAG.
daarvan betreft. Een batig saldo durf ik, vooral wat de zeer hoge druk-
kosten betreft, niet te voorspellen.
De Dr Oudemans-Stichting verkreeg door de bekende Rente-toevoe-
ging een rentesaldo van f 573,43.
De kas der Vereniging tot het Financieren der Viering van het 100-
jarig Bestaan der NEV, werd door de slotcontributies, rente en door
een gift van f 100.— van de Afd. Noord-Holland en Utrecht, en van
f 100.— van Dr Mac Gillavry, en door overschrijving van f 768,76
Feestbundel opbrengst (netto, zonder O.B., w.o. een extra gift van
f100— van Dr D. L. Uyttenboogaart) vergroot van f 851,66
tot f 1861,70, welk bedrag ten slotte bestemd zal zijn voor onzen Feest-
bundel T.v.E. DI. 88.
De heer Mac Gillavry vraagt of het in verband met de hoge druk-
kosten niet aanbeveling verdient te trachten een goedkoperen drukker
te zoeken. Na enige discussie wordt besloten niet van drukker te ver-
anderen, maar de financiële situatie noodzaakt ons dit punt scherp in
het oog te houden.
De heer Fischer wekt de leden op om door een extra bijdrage althans
enige verlichting te brengen in de financiën.
Het Bestuur doet de toezegging de gehele situatie nog eens ernstig
te bestuderen.
De heren Van Wisselingh en Boelens hebben het financieel beheer
des Penningmeesters over 1946 gecontroleerd. Zij hebben alles in orde
bevonden en spreken hun waardering uit voor de zorgvuldige wijze,
waarop de heer Bentinck het beheer heeft gevoerd. Zij stellen daarom
voor den Penningmeester te dechargeren voor het door hem gevoerde
beheer. De vergadering verklaart zich daarmede unaniem accoord en
de Voorzitter bedankt den heer Bentinck voor de vele moeite, die hij
zich in 1946 wederom heeft getroost.
De heer Van Wisselingh merkt voorts op, dat z.i. de leden der Com-
missie tot het nazien der rekening en verantwoording van den Pen-
ningmeester niet steeds competent mogen worden geacht om onze om-
vangrijke boekhouding vakkundig en tot in de finesses te controleren.
Hij vraagt of het niet aanbeveling zou verdienen zulks door een accoun-
tant te laten geschieden. Dit brengt natuurlijk kosten mede.
De heer Mac Gillavry meent, dat deze kosten verantwoord zijn. Be-
sloten wordt echter dit punt nog aan te houden, aangezien de heren
C J. Fischeren P. van der Wiel bereid zijn de contrôle over
het boekjaar 1947 op zich te nemen en met name de heer Fischer
bekend is met de praktijk van het accountants-onderzoek.
Thans brengt de heer Kruseman uit het
Verslag van den Bibliothecaris over 1946.
De bibliothecaris heeft in het afgelopen jaar niet dat bereikt, wat hij
zich bij zijn optreden, een jaar geleden had voorgenomen.
Nog steeds zijn niet alle ruil-verbindingen hersteld, hoewel reeds een
groot aantal tijdschriften regelmatig wordt ontvangen.
Het is ook nog niet gelukt alle ontbrekende delen van reeds herstelde
relaties te verwerven.
Ook het binden der boeken is nog niet hervat, zodat ook hier een
grote achterstand valt in te halen.
Enige nieuwe ruil-relaties konden worden aangegaan.
Het belangrijkste geschenk was de collectie Separata, welke de
Vereniging van Dr S. Leef mans ten geschenke ontving ; nogmaals
VERSLAG. XXXV
van deze plaats betuigen wij Dr Leef mans onzen oprechten dank.
Geschenken werden voorts ontvangen van : Prof. Dr H. Boschma, H.
W. Botzen, Dr K. W. Dammerman, Prof. Dr W. M. Docters van Leeu-
wen, Dr Ir J. È Fransen, D. Hille Ris Lambers, Indisch Museum
(Amsterdam), Instituut voor Tropische Hygiéne (Amsterdam), Inter-
nationaal Bureau voor Natuurbescherming, De G. Kruseman Jr, F. E.
Loosjes, Dr D. Mac Gillavry, Prof. K. Mansour (Caïro), J. C. van der
Meer Mohr, Prof. Dr J. C. H. de Meijere, A. Middelhoek, M. Pic (Mou-
lins), Plantenziektenkundige Dienst (Wageningen), Dr A. Reyne, F.
Silvestri (Portici), T. N. O. (Den ll Université Laval (Quebec,
Canada), Dr D. L. Uyttenboogaart, P. M. F. Verhoeff.
De uitleendienst functioneerde op normale wijze.
Hierna is aan de orde het vaststellen van de plaats, waar de volgende
zomervergadering zal worden gehouden. Verschillende leden bevelen
Terschelling of Ter Apel aan. De heer Botzen noemt West-Brabant,
de heer Brakman Laag Soeren, de heer Van Wisselingh
Norg. Bij de stemming krijgen zowel Norg als Terschelling 13 stemmen.
Besloten wordt tot eerstgenoemde plaats; tijdstip omstreeks 2e helft
Juni, afhankelijk van den stand der maan.
Hierop volgt de verkiezing van een bestuurslid in de plaats van den
heer D. L. ti yttenboogaart, die den wens te kennen heeft ge-
geven in verband met zijn leeftijd en zijn gezondheid uit het Bestuur
te treden. De uitslag der stemming is als volgt: de heren Barendrecht
1, Betrem 1, Dammerman 1, De Fluiter 3, Kuenen 19, Leefmans 1, als-
mede blanco 2 stemmen, zodat dus de heer D. J. Kuenen is gekozen.
Het Bestuur besluit, dat de heer Dammerman thans de functie
van President op zich zal nemen en de heer Corporaal die van
Vice-President, terwijl de heer Kuenen bestuurslid zonder toegewe-
zen functie zal zijn.
Voor de hierop volgende verkiezing van 2 leden in de Commissie van
Redactie voor de Publicaties zijn door het Bestuur de volgende dubbel-
tallen opgesteld: D. L. Uyttenboogaart—C. de Jong, B. J. Lempke—
D. Piet. De heer Uyttenboogaart heeft den wens te kennen gegeven
na zijn aftreden als president in de Commissie, waarvan hij qualitate qua
lid was, werkzaam te blijven, terwijl bovendien verdere uitbreiding met
nog een lid wenselijk is. Bi opening der stembriefjes blijken de stemmen
als volgt verdeeld : Uyttenboogaart 19, De Jong 5, Lempke 23, Piet 1,
blanco 2, ongeldig 6, zodat de heren D. L. Uyttenboogaart en
B. J]. Lempke zijn gekozen.
Als achtste punt van behandeling zijn thans aan de orde de Wets-
wijzigingen, voorgesteld door het Bestuur. De hieronder volgende tekst
wordt, behoudens de daarbij vermelde wijzigingen, onveranderd goed-
gekeurd, terwijl omtrent enkele voorstellen wordt gediscussieerd.
Art. 1, 2e lid, ,Onychop(h)oren" te wijzigen in „Peripatiden’.
Art. 2, sub 4, wijzigen als volgt: „het geldelijk en wetenschappelijk ondersteunen
van werken en onderzoekingen, betrekking hebbende op de Entomologie, in
de eerste plaats van het Koninkrijk in en buiten Europa."
Daarachter de volgende alinea: „Op voorstel van het Bestuur kunnen com-
missies worden ingesteld voor bepaalde doeleinden; zo nodig worden de
werkzaamheden en bevoegdheden van deze commissies bij afzonderlijk regle-
ment vastgesteld.”
Daarachter de volgende alinea: „Van alle commissies en afdelingen wordt op
de zomervergadering verslag uitgebracht.”
2e lid, het woord ,,zomervergadering’” aanvullen als volgt: „zomervergadering,
of in bijzondere gevallen op een buitengewone vergadering als bedoeld in
Evan 460
laatste lid, „13 en 57” wijzigen in: „13, 57 en 58”.
Art. 3, le lid, achter het woord „aangeduid” inlassen „als … begunstigers” en’.
XXXVI VERSLAG.
Art. 4, le lid, de woorden „Rijk of van zijne Koloniën of bezittingen’ wijzigen in:
„Koninkrijk in of buiten Europa’.
4e lid, het woord „Rijk wijzigen in „Koninkrijk .
Art. 5, Het woord ‚Rijk” wijzigen in „Koninkrijk.
De woorden „behoudens de bepaling van Art. 45” vervallen.
Art. 8, 2e lid de woorden „buitenlandsche leden’ vallen weg; de woorden „een
vereenigingsjaar wijzigen in: „gehele verenigingsjaren . à
4e lid, toevoegen: „zij kunnen slechts wederom lid worden, nadat zij hun
schuld aan de Vereniging volledig hebben aangezuiverd.”
Daarachter de volgende alinea: „het Bestuur kan voorts voorstellen leden of
begunstigers wegens wangedrag te royeren ; tot royement wordt slechts over-
gegaan, wanneer op een huishoudelijke vergadering met tenminste tweederden
der uitgebrachte stemmen hiertoe wordt besloten. Hierbij wordt tevens vast-
gesteld, hoe lang de uitsluiting van het lidmaatschap zal gelden. Na afloop
van dezen termijn kan de geroyeerde opnieuw voor het lidmaatschap worden
voorgedragen.
Daarachter de volgende alinea: „Bij wangedrag of indien de betalingen meer
dan een jaar ten achter zijn, wordt begonnen met opschorting van het toezenden
der publicaties en van het uitlenen van boekwerken uit de bibliotheek.”
5e lid, wordt 7e lid.
Daarachter de volgende alinea: „Nieuw toetredende gewone leden zijn ver-
plicht zich den catalogus der Bibliotheek aan te schaffen tegen betaling van
den daarvoor vastgestelden prijs.
6e lid, wordt 9e lid, toevoegen: „Voor hen gelden dezelfde bepalingen als
vastgelegd in het 2e, 3e, 4e, 5e, 6e, en Ze lid van dit artikel.”
In antwoord op een desbetreffende vraag zegt de heer Kruseman ter
toelichting, dat de bibliothecaris vele aanvragen krijgt van leden, die
den catalogus niet bezitten en daardoor òf onvolledige opgaven doen,
òf boeken vragen, die de Vereniging niet bezit. Dit veroorzaakt veel
nodeloos tijdverlies, zodat het Bestuur meent het aanschaffen van den
catalogus verplicht te mogen stellen. Aldus zal deze beter kunnen be-
antwoorden aan het doel, waarvoor zoveel kosten en moeite zijn besteed.
Art. 9, Het woord „buitenlands wijzigen in: „woonachtig buiten het Koninkrijk in
Europa’.
Art. 12, 3e lid, de tweede zin inzake Stemrecht komt te vervallen.
5e lid, le zin, de punt achter het woord „Afdeeling wijzigen in een komma
met daarachter de woorden: „doch kunnen door het Bestuur worden geintro-
duceerd op de ledenvergaderingen; allen ontvangen de convocaties der
ledenvergaderingen. ’
5e lid, 2e zin, het gedeelte na het woord ,,deelnemen” laten vervallen en
wijzigen in: ” ; zij ontvangen wel de convocaties.”
Art. 13, le, 2e en 3e lid worden vervangen door den volgenden tekst: „Het Bestuur
der Vereeniging bestaat uit een President met 5 andere leden, die onder elkaar
de volgende betrekkingen verdelen:
1. Vice-President,
2. Secretaris,
3. Penningmeester,
4. Bibliothecaris,
5. Zesde lid, zonder aangegeven functie.
Van de regeling hunner betrekkingen wordt ten spoedigste aan de leden
kennis gegeven.
De bestuursleden worden op een zomervergadering gekozen met volstrekte
meerderheid van stemmen, behoudens de in art. 14 bepaalde uitzondering.
De President wordt als zodanig door de leden gekozen.
Nieuwbenoemde bestuursleden treden dadelijk na hun benoeming in functie.
Bij tussentijdse vacatures kan het Bestuur zich desgewenst voorlopig zelf
aanvullen.”
Het 4e, 5e, 6e en 7e lid van dit artikel worden het 6e, 7e, 8e en Qe lid.
Art. 14, vervangen door den onderstaanden tekst:
VERSLAG. XXXVII
„Bestuursleden worden benoemd voor den tijd van zes jaren. Een lid tussen-
tijds benoemd heeft zolang zitting als het lid, in wiens plaats hij is gekozen,
zou hebben gehad.
Van het Bestuur treedt ieder jaar één lid af volgens een door het Bestuur op
te maken rooster. Aftredende bestuursleden zijn niet dadelijk herkiesbaar, uit-
gezonderd een lid tussentijds gekozen em bestuursleden, die als Secretaris en
als Penningmeester fungeren ; deze kunnen worden herkozen voor een termijn
van zes jaren. De Secretaris en de Penningmeester moeten echter uit het
Bestuur treden, indien zij tussentijds de functie, waarin zij zijn herkozen, neer-
leggen.
Wordt een bestuurslid tot President gekozen, dan telt de voorafgaande zittings-
tijd niet mede woor de nieuwe zittingsperiode.
Het Bestuur heeft het recht voor elke vacature een of meer candidaten voor
te dragen. Elke tien leden hebben eveneens het recht voor elke vacature een
candidaat te stellen; de voorgestelde candidaten moeten schriftelijk aan den
Secretaris worden bekend gemaakt, uiterlijk zes weken vóór de vergadering.
waarin de verkiezing zal plaatsvinden.
De namen der candidaten worden op de agenda der zomervergadering vermeld.
Vacatures in het Bestuur worden bekend gemaakt minstens 10 weken vóór de
vergadering, waarop de verkiezing zal plaats vinden.
De heer Mac Gillavry vraagt, of het niet wenselijk is, dat ook de
Bibliothecaris eenmaal kan worden herkozen. De heer Kruseman ant-
woordt, dat nu de overeenkomst met de Gemeente Amsterdam een be-
hoorlijke behandeling door de op het Museum dienstdoende personen
waarborgt, er geen overwegend belang is, dat de Bibliothecaris der
Vereniging op het Museum zetelt, of voor langer dan 6 jaar achtereen
die functie waarneemt.
De heer Leefmans zou vastgesteld willen zien, dat door ieder lid, of
door althans minder dan 10 leden een candidaat kan worden gesteld.
Zijn daartoe strekkend voorstel wordt echter niet aangenomen.
Het laatste lid, dat in het Bestuursvoorstel was opgenomen als:
„Vacatures in het Bestuur worden minstens 10 weken tevoren aange-
kondigd”, wordt in verband met een opmerking van den heer Van
Wi sselingh als bovenstaand gewijzigd.
Art. 22, Aan het slot een nieuwe alinea, luidende: „Een dergelijke lijst van de leden
der Afdeling voor Toegepaste Entomologie wordt er aan toegevoegd, met ver-
melding hunner entomologische functies. Zij, die in deze lijst voorkomen en
tevens lid zijn van de Vereeniging, worden van een kenteken voorzien.”
Art. 23, 2e zin, wijzigen als volgt: „Hij bewaart de binnenkomende brieven en houdt
copie van de uitgaande.”
Art. 25, achter het woord ,uitgaan” aanvullen met: „doch kan in overleg met den
Penningmeester en den Bibliothecaris aan hen de verzending overlaten van de
stukken, die in het bijzonder hun functie betreffen.”
wijzigen als volgt: „De Secretaris bewaart het lopende archief der Vereniging ;
het oude archief berust op de Bibliotheek.
Art. 28, le lid, 2e zin wijzigen als volgt: ‚alle lopende stukken betreffende het gelde-
lijk beheer blijven onder zijn berusting ; het oude archief berust op de Biblio-
theek.”
2e lid, toevoegen achter het woord „talons” : „voor zover deze niet, inge-
volge art. 16, bij de bank berusten.”
Art. 30, de zinsnede „waarvoor de gewone leden en begunstigers hunne jaarlijksche
contributie kunnen afkoopen” te wijzigen in: „voor eens te voldoen door ge-
wone leden en begunstigers”.
Art. 32, 2e lid, le zin, wijzigen als volgt: „Aan deze commissie legt hij minstens veer-
tien dagen vóór de zomervergadering alle desbetreffende bescheiden voor ;
verzending van bescheiden moet worden vermeden, doch geschiedt zo nodig
uitsluitend aangetekend.”
Art. 33, le lid, le zin, wijzigen als volgt: , De Bibliothecaris is belast met de zorg
Art. 27
XXXVIII VERSLAG.
Art. 34.
Art. 36
Art. 38,
Art. 39
Alte SY)
Art. 40
Art. 43,
Art. 44,
Art. 54,
Art. 55,
Art. 56,
Art. 57,
Art. 58,
Art. 59
Art. 59
Art. 61,
voor de Bibliotheek en het oude archief, en beheert het boekenfonds.”
le lid, 2e zin, het woord „deze te vervangen door „de Bibliotheek’.
wijzigen als volgt: „Hij ziet toe, dat al de boeken der Bibliotheek worden
voorzien van het stempel der Vereniging.
de woorden „onderlinge mededeeling van waarnemingen wijzigen in: „onder-
linge mededelingen”
aanvullen met een nieuwe alinea, luidende : „In een vergadering mogen slechts
besluiten worden genomen inzake voorstellen, die op de agenda voorkomen.
Voorstellen, die tijdens de vergadering worden ingediend. worden op de agenda
van de eerstvolgende vergadering geplaatst, tenzij het Bestuur de voorstellen
overneemt of met een tweederde meerderheid der uitgebrachte stemmen wordt
besloten de voorstellen op dezelfde vergadering in behandeling te nemen.’
2e lid, de woorden „Op de vergaderingen’ wijzigen in: „op de zomer- en
wintervergaderingen .
en 40 omwisselen.
(nieuw), wijzigen als volgt:
„Bij alle stemmingen, voor zover bij deze wet niet anders wordt bepaald,
beslist de meerderheid der aanwezige leden.
Bij staking van stemmen over zakelijke onderwerpen wordt het voorstel ge-
rekend te zijn verworpen.
(nieuw), toevoegen een nieuwe alinea, luidende: „Indien bij stemming over
meer dan twee candidaten geen der candidaten de vereiste meerderheid van
stemmen op zich verenigt, vindt herstemming plaats tussen de twee candidaten,
die bij de eerste stemming de hoogste aantallen stemmen verkregen. Bij staking
van stemmen heeft herstemming plaats; bij hernieuwde staking beslist het lot.”
3e lid, de woorden „Art. 43, laatste lid” wijzigen in: „Art. 43, tweede lid”.
le lid, 2e zin, te wijzigen in: „Het Bestuur is tevens verplicht binnen één
maand een zodanige vergadering te beleggen, wanneer tenminste tien leden
het verlangen daartoe schriftelijk en met opgaaf van redenen aan het Bestuur
te kennen geven’.
het woord „archief” te wijzigen in „lopende archief”.
toevoegen: „3. de „Verslagen der Vergaderingen
le lid, vervangen door den volgenden tekst: „De redactie van de in art. 55
genoemde publicaties, met inachtneming van het bepaalde in art. 22, is opge-
dragen aan een commissie bestaande uit tenminste 3 leden; de President der
Vereniging fungeert in deze commissie als voorzitter. De overige leden worden
op een zomervergadering benoemd voor den tijd van drie jaren uit door het
Bestuur voor te dragen dubbeltallen.
3e lid, vervangen door den volgenden tekst: „De commissie regelt zelf onder-
ling de redactie-werkzaamheden, voor zover een en ander niet is vastgelegd
bij afzonderlijk reglement ; bepaalt op welke wijze de inzending der bijdragen
moet geschieden, en beslist over de opname der ingezonden artikelen, zomede
over de volgorde. Geweigerde bijdragen worden teruggezonden.”
Nieuwe alinea: „De President als voorzitter van de redactiecommissie brengt
op de zomervergadering verslag uit van haar werkzaamheden.”
laatste zin, komt te vervallen.
wijzigen. als volgt:
„De prijzen, waarvoor de publicaties verkrijgbaar worden gesteld, worden
door de ledenvergadering bepaald.
Elk lid en elke begunstiger heeft recht op één exemplaar van elk deel van
het Tijdschrift en op meerdere exemplaren van de „Entomologische Be-
richten’ tegen betaling van gereduceerde prijzen.
Niet-leden kunnen de laatste tien jaargangen van het Tijdschrift uitsluitend
via den boekhandel betrekken; den boekhandel wordt de vastgestelde prijs
berekend.
Leden der Afdeling voor Toegepaste Entomologie hebben het recht het Tijd-
schrift rechtstreeks bij de Vereniging te bestellen tegen den aan den boekhandel
berekenden prijs.
en 60 omwisselen.
(nieuw), de laatste zin komt te vervallen.
wijzigen als volgt :
„Voorstellen tot wetswijziging kunnen uitgaan van het Bestuur, terwijl ook elke
tien leden voorstellen daartoe schriftelijk bij den Secretaris kunnen indienen
uiterlijk twee maanden vóór de vergadering, waarin zij zullen worden be-
VERSLAG. XXXIX
handeld. De voorstellen moeten volledig worden opgenomen onder de punten
van de agenda der vergadering, waarin zij zullen worden behandeld. Voor
iedere wetswijziging wordt een meerderheid vereist van tweederden der uitge-
brachte stemmen.
Wetswijzigingen treden eerst in werking na beëindiging van de vergadering,
waarin zij werden aangenomen.
De zittingsperiode der bestuursleden vóór het in werking treden dezer wijzi-
gingen wordt niet medegerekend.
In buitengewone gevallen kan het Bestuur voorstellen om van de bepalingen
dezer wet af te wijken. Het desbetreffende voorstel moet voorkomen op de
agenda van de vergadering, waarin het zal worden behandeld, terwijl voor
de goedkeuring daarvan een meerderheid van drievierden der uitgebrachte
stemmen wordt vereist.
In alle gevallen, waarin deze Wet niet voorziet, beslist het Bestuur.”
De woorden „der bestuursleden’ in het derde lid worden in verband
met een opmerking van den heer Fischer ingelast.
Art. 62, de woorden ‚door den Secretaris’ komen te vervallen.
Art. 63, den datum te wijzigen in: „21 Juni 1947”.
Bij de rondvraag vraagt de heer M, A. Lieftinck het woord en zegt
het volgende:
In mijn functie van Voorzitter der Ned.-Indische Entomologische
Vereeniging acht ik mij gelukkig uit naam van alle thans in Indië ver-
toevende leden onzer Ve Sang een kort woord tot U te mogen
richten. Hoe gaarne had ik deze gelegenheid aangegrepen om U te
kunnen vertellen, dat onze N.I.E.V. weder in bloeienden welstand ver-
keert en dat met haar ook alle leden thans weer een werkzaam aandeel
nemen in den wederopbouw van het land en den bloei van onze weten-
schap. Helaas, het heeft niet zo mogen zijn. Toen ons medelid J. van
der Vecht U vorig jaar het een en ander omtrent de lotgevallen
van onze leden en de N.I.E.V. kon vertellen, dacht vrijwel iedereen,
dat spoedig het contact weer geheel hersteld zou zijn. In gevangenschap
hebben wij echter geleerd geduld te oefenen, en een jaar of wat wachten
betekent voor ons minder, dan een tijdsduur van luttele maanden in de
gezegende periode vöör het uitbreken van den oorlog. Hoe cynisch dit
ook moge klinken, de ervaring opgedaan tijdens de afgelopen jaren geeft
toch reden tot verheugenis, want het: zal ieder daardoor gemakkelijker
vallen den huidigen tijd door te worstelen en straks zullen wij de moei-
lijkheden stellig te boven komen !
Wat nu de verstandhouding tussen onze Verenigingen betreft, wel,
ik heb met grote blijdschap gemerkt, dat de kleine schare Nederlandse
entomologen, die wij onder onze leden mochten tellen, ons gedurende
de moeilijke oorlogsjaren en de nog zwaardere jaren daarna, trouw zijn
gebleven en ik kan niet beter doen dan hiervoor onze grote dankbaar-
heid uit te spreken. Dit kan echter niet steeds zo doorgaan. Onze Vereni-
ging bestaat op het ogenblik slechts in naam ; zij zal eigenlijk opnieuw
opgericht moeten worden. Niet dat wij geen leden zouden kunnen wer-
ven, maar de publicatie-mogelijkheden voor onze ,,Mededeelingen” zullen
voorlopig zeer gering en bovendien uiterst kostbaar zijn. Toch zullen
wij nog dit jaar trachten een weg uit deze impasse te vinden en naar
ik hoop iets van ons kunnen laten horen.
Toen in 1940 het contact met Nederland plotseling werd verbroken,
achtten wij het een voorrecht te proberen voor de belangen der Neder-
landse Verenigingen op natuurwetenschappelijk gebied op te komen, en
te voorkomen, dat de in Indié gevestigde leden het lidmaatschap van
die organisaties zouden prijsgeven. Op grond van die overweging heb
ik mij, samen met een aantal anderen, en in navolging van de gedrags-
XL VERSLAG.
lijn die door de botanici was gevolgd, tot de Commissie van Rechtsverkeer
in Oorlogstijd gewend met het verzoek onze afgevaardigden te machtigen
als Bestuur dier verenigingen op te treden. Bij plechtig Besluit van ge-
noemde Commissie werd eindelijk, voor elk dier verenigingen afzonder-
lijk, toestemming verleend een vertegenwoordigende bestuursfunctie te
vervullen, hetgeen tot gevolg had dat ieder der afgevaardigden de be-
langen van één der verenigingen kreeg te behartigen. Zoals echter wel
meer voorkomt, werd ook ditmaal geen rekening gehouden met het
eigenlijke doel van ons streven, nl. om met een minimum aan onkosten
en rompslomp een maximum bedrag aan contributies te innen, want met
het heffen van een aanzienlijk bedrag aan zegelrechten voor de Besluiten
hield elke belangstelling op.
Aan onze activiteit kwam helaas spoedig een einde, doordat het vol-
gend jaar velen in militairen dienst overgingen of om andere redenen
onbereikbaar werden, en in begin 1942 was uiteraard alles afgelopen.
Na den inval in Nederland hebben wij met voldoening geconstateerd,
dat velen met ons streven sympathiseerden en ons lieten weten, dat zij
lid der Nederlandsche Entomologische Vereeniging wensten te blijven.
Voor onze Nederlandse leden liggen in Buitenzorg overdrukjes gereed
van alle zoölogische artikelen, welke in de jaren 1940 tot begin 1942
in diverse Indische tijdschriften zijn gepubliceerd. Dit was vrijwel het
enige wat wij konden doen als tegenprestatie.
Ik wil onze leden echter voorstellen het lidmaatschap van onze N.I.E.V.
met ingang van 1943 als geëindigd te beschouwen, daar de laatste af-
levering van ons eigen tijdschrift eind 1941 het licht zag en de uitgave
van andere organen op zoölogisch terrein in den loop van het daarop-
volgend jaar moest worden gestaakt. Daar van tijdschriften zoals Treu-
bia, De Tropische Natuur en het Natuurwetenschappelijk Tijdschrift
voor Ned.-Indië overdrukken gereed liggen, en met het oog op onze
uiterst geringe inkomsten, meen ik een beroep op onze Nederlandse leden
te mogen doen het oorlogsjaar 1942 nog als verenigingsjaar te willen
beschouwen. De contributie over de volgende 5 jaren, voorzover reeds
voldaan, zullen worden gerestitueerd.
Hoe dit ook moge toegaan: ik spreek de overtuiging uit, dat alles
zich geleidelijk wel weer ten goede zal keren, en dank U nogmaals voor
U aller steun, niet het minst Uwen actieven Penningmeester, die onze
belangen zo uitmuntend heeft behartigd ! Gelukkig hebben van de Indi-
sche leden der N.E.V. in den loop der jaren naar mijn weten slechts
3 leden voor het lidmaatschap bedankt.
De heer Mac Gillavry wekt naar aanleiding van hetgeen de heer
Lieftinck heeft gezegd, de leden op om vooral lid te worden van
de Nederlandsch-Indische Entomologische Vereeniging.
De heer Brakman vraagt, of het niet mogelijk is van tijd tot tijd een
opgave te verstrekken van hetgeen in de buitenlandse tijdschriften ver-
schijnt. Dit zou vooral van veel belang zijn voor de leden, die in ver-
band met hun verafgelegen woonplaats slechts zeer zelden de bibliotheek
kunnen bezoeken. De heer Kruseman antwoordt, dat het aantal arti-
kelen zo groot is, dat zulks onmogelijk is, doch verwijst naar de Zoo-
logical Records, die worden uitgegeven door de Zoological Society of
London en die o.a. een zeer uitgebreid overzicht geven van alles wat
jaarlijks op entomologisch gebied verschijnt. De heer Fischer voegt
hieraan toe, dat een abonnement hierop omstreeks 15/-d per jaar kost.
De heer Boelens zou gaarne zien, dat in de Entomologische Berichten
eens een korte uiteenzetting werd gegeven van hetgeen de Zoological
Records brengen.
De heer Fischer doet nog eens een beroep op de leden om hem een
opgave te verstrekken van de entomologische geschriften, die zij per-
VERSLAG. XLI
soonlijk bezitten en die de Vereniging niet heeft, opdat hij deze kan
noteren in zijn kaartsysteem. Dit kan voor leden, die een of ander boek
niet uit bibliotheken kunnen krijgen, van groot nut zijn.
Hierop zijn aan de orde de
WETENSCHAPPELIJKE MEDEDELINGEN
Vespa Crabro L. in 1946 (Hym.)
De heer D. Mac Gillavry deelt mede:
Voor de talrijkheid van wespen bij ons in bepaalde jaren zijn nog
allerlei vraagstukken op te lossen. Zoo maakt H. Aedes Vi ols LOL
Nederveen Cappel (Ent. Ber. No. 57, dl. III, 1 Jan. 1911) de
opmerking, dat er in het voorjaar 1910 veel wespenkoninginnen waren
en toch werd het geen wespenjaar. Zelf constateerde ik meermalen, dat
het vinden van veel overwinterende wespen binnenshuis niet toelaat
een wespenjaar te voorspellen ; soms komt het uit, soms niet. Dit was
wel het geval voor het jaar 1944 (Ent. Ber. No. 259, dl. XI, 21 Juni 1944,
p. 207). Nu heb ik nooit een overwinterende Vespa crabro L. binnens-
huis aangetroffen, vermoedelijk moet men ze zoeken in de oude nesten.
Hoe dit ook zij, in Amerongen wemelde het in het voorjaar 1946 van
crabro-koninginnen en het hele jaar 46 waren crabro-wespen talrijk,
zelfs talrijker dan gewone wespen. Dit schijnt in Twente (Coldewey)
eveneens het geval geweest te zijn. Over nesten kon ik echter geen in-
lichtingen krijgen. Wel zag ik in het Natuurhist. Maandblad Limburg
de vondst van een nest vermeld.
Het doorwerken van wespen ‘savonds is bekend. Crabro doet dit in
groten getale. Daarbij kon ik nog de opmerking maken, dat terwijl de
crabro's ook overdag veel naar binnenkwamen, dit 's avonds pas het geval
was, nadat het al flink donker was en het kunstlicht allang brandde. Er
moet dus al een sterk contrast zijn, voor de attractie van kunstlicht zich
doet gelden. Daarbij bleek dan ook tot zeer laat de nachtelijke activiteit.
Ditzelfde feit werd mij bevestigd door Bentinck, die bij zijn licht-
vangst op vlinders opmerkte, dat de crabro's pas op zijn sterke lamp
afkwamen als het goed donker was en niet in het schemerlicht.
Dit voorjaar zag ik nog geen crabro's en trouwens slechts weinig
andere wespen. Mijn vrouw zag een crabro op een zwetenden eik. Inder-
tijd waren op het landgoed De Bunte te Nunspeet de crabro's talrijk. Zij
nestelden daar in vele kolonies in de spechtegaten in vrij dunne eiken.
Ook was daar steeds een nest in een wilg op den Zeeweg.
De heer Bentinck heeft dit jaar weinig last van deze wespen gehad ;
hij zag er slechts één.
De heer Kruseman merkt op, dat Vespa crabro reeds vroeg in den
ochtend begint te vliegen.
De heer C. de Jong voegt hieraan toe, dat hij deze dieren ook menig-
maal tegen den avond heeft waargenomen.
De heer Coldewey zegt, dat deze wespen vorig najaar (1946) zeer
talrijk waren. Ze kwamen vaak des nachts binnenvliegen, wanneer
hij met de vangst van vlinders op licht bezig was.
De heer Lieftinck zag in Houthem (L.) op klaarlichten dag een
koningin.
De heer Van der Wiel nam 4 koninginnen waar te Bemelen in 1946.
De heer Wilcke zegt, dat de soort in 1947 te Bennekom zeer alge-
meen is.
De heer Besseling zag Vespa crabro nabij Haren (N.B.).
XLII VERSLAG.
De heer Botzen zag een bijna massaal optreden te Geulhem (L.) in
1946.
Nieuwe Trichoptera voor Nederland
De heer F. C. J. Fischer vertoont enige merendeels nieuwe Trichoptera
voor de Nederlandse fauna. Een volledige opsomming van alle nieuwe
soorten zal verschijnen in het Natuurhistorisch Maandblad (Limburg). De
publicatie laat echter zo lang op zich wachten, dat de belangrijkste thans
hier bekend gemaakt worden.
1) Holocentropus insignis Mart. : Deze kleine soort werd in 1924
door Martynov beschreven uit de omgeving van Leningrad. In-
middels is zij ook bekend geworden uit Finland, Noorwegen, Zweden,
Polen en Mecklenburg. De vindplaats in Nederland is het plasje Df 7
in de buurt van Wijster (Dr.), waar Dr Beyerinck en Spr. op 16 Aug.
1944 één exemplaar vingen.
Toen bij de determinatie in Dr Beyerinck's laboratorium gebleken
was, dat de vangst iets bijzonders was, werd twee dagen later opnieuw
een excursie naar het plasje gemaakt. Daar de dieren zeer moeilijk te
vangen zijn, werden er slechts 4 buit gemaakt. Spr. veronderstelt, dat
de soort ook wel in andere plassen op de Drentse heide zal worden aan-
getroffen. De Nederlandse vindplaats is de meest Westelijke en Zuide-
lijke van het tot nu toe bekende verspreidingsgebied.
2) Caborius dubius Steph.: De heer Coldewey verblijdde Spr.
met een tweede exemplaar van deze soort (Twello, 26.1X.1946 ; even-
als het eerste een © ). De veel donkerder kleur en het belangrijke ver-
schil in grootte met Oost-Europese exemplaren waren aanleiding het
dier met het type in het British Museum, dat Spr. enkele weken ge-
leden bezocht, te vergelijken. Het type is een 4 en het enige Engelse
exemplaar in de collectie. Het Oost-Europeese materiaal van het British
Museum is identiek met het hier vertoonde, terwijl het type-exemplaar
veel groter en donkerder is, ongeveer het midden houdende tussen de
hier vertoonde twee vormen. In aanmerking nemende, dat Trichoptera
in de collecties langzamerhand lichter worden (het type van Stephens
is meer dan 100 jaar oud) en het 9 meestal groter is dan het 4, meent
Spr. wel te mogen concluderen, dat de Engelse en Nederlandse dieren
deel uitmaken van eenzelfde ras, terwijl de Oost-Europeese tot een lichter
en kleiner ras behoren. Meer materiaal, vooral ¢ 4, wordt met spanning
uit Twello verwacht. |
3) Halesus digitatus Schrank: Van deze soort bestonden geen in-
landse exemplaren, zoals Spr. in 1934 mededeelde. Wel zouden er larven
gevonden zijn, maar wanneer deze niet tot imago of minstens tot het
popstadium doorgekweekt worden, is een determinatie der larven altijd
onzeker. In 1946 is nu echter te Epen L. (18.X) op licht een imago ( & )
gevangen door den heer Landsman, zodat de indigeniteit dezer soort
thans wel vaststaat.
4) Chaetopteryx major McLach. : Deze in Centraal- en Z.O.-Europa
thuisbehorende soort komt in Duitsland voor in Sachsen, en in Frank-
rijk alleen in Haute Savoie en de Vogezen. Wel werd in 1908 door
Gehrs een vangst te Hannover gemeld, maar deze mededeling werd
in latere werken door Ulmer steeds genegeerd.
Op 10 en 11 October 1946 werden door den heer Landsman te
Kerkrade 2 & 3 op smeer gevangen. De juistheid van de opgave uit
Hannover wint nu wel zeer aan waarschijnlijkheid en het ligt voor
de hand, dat de soort nog in vele andere streken in N.W. Europa
zoals b.v. Ardennen en Harz zal kunnen worden gevangen.
Verder laat Spr. een tweetal in den oorlog verschenen werken over
VERSLAG. XLIII
Trichoptera rondgaan, die enig idee geven van den vooruitgang op dit
gebied. Het werk van Mosely behandelt uitsluitend de Britse fauna
en geeft uitstekende beschrijvingen en tekeningen van iedere soort. Het
zijn er 184, terwijl er uit ons land thans 167 bekend zijn, waarvan er
31 niet in Mosely's boek behandeld worden. Dit zijn over het alge-
meen de zeldzaamste soorten, zodat het boek ook door Nederlandse
entomologen wel als determineerwerk gebruikt kan worden.
Het boek van Ross over de Trichoptera van Illinois geeft een indruk
van den geweldigen rijkdom aan Trichoptera van Noord-Amerika, die
eerst in den laatsten tijd, nu zich een aantal entomologen met het syste-
matisch verzamelen van deze groep bezig houdt, beter bekend wordt.
Zo waren er in 1934 nog slechts 37 soorten uit Illinois bekend, terwijl
Ross er 10 jaar later 183 kon vermelden. Er komen er in dezen staat
zonder twijfel nog veel meer voor.
Op de vele wijzigingen in de nomenclatuur, die in dit en andere Noord-
Amerikaanse boeken worden voorgesteld, hoopt Spr. in een speciaal
hieraan te wijden artikel terug te komen.
De heer Mac Gillavry vraagt, of Halesus digitatus afkomstig was van
een terrein met overhangende takken en Bee plekken.
De heer Fischer antwoordt, dat hem dit onbekend is, aangezien de
soort op licht werd gevangen.
De heer Geijskes zegt, dat deze soort ook op open terrein voorkomt.
Bijzondere vangsten van Lepidoptera.
De heer Bentinck vermeldt en vertoont het volgende:
I. Wat zijn eigen vangsten betreft:
a. Na de eerste week in Mei '47, toen de lange, strenge winter einde-
lijk verdween en een korte hittegolf volgde, verschenen vrij spoedig vele
vroege voorjaarsvlinders. Hoewel de vangst des nachts erg gestoord
al door een zwerm meikevers, kan Spr. toch nog enkele vrij goede
vangsten melden, zoals enkele exx, van Drymonia chaonia Hb. en van
Dasychira pudibunda L. var. concolor Stgr. en één ex. van Fucosmia
certata Hb., alle op 12 en 14 Mei te Amerongen gevangen.
b. Een ex. van Evergestis limbata L. op 6.VI.47. te Meerssen ge-
vangen. |
c. Een ex. van Elachista poae Stt. op 8.V.'47 te Holl. Rading ge-
vangen.
Il. Op verzoek van den heer C. Doets:
a. Vele exx. van Mamestra (Destaraxia) splendens Hb., algemeen
op smeer en licht in Juni en Aug. '46 te Kortenhoef en Hilversum. Zeker
wel 2 generaties.
b. Twee exx. van Lithocolletis padella Glitz. uit mijnen op Prunus
Padus te Hilversum, steeds klein in aantal. Deze soort is nieuw voor de
Nederlandse fauna; werd vroeger steeds voor synoniem van Lith. sorbi
Frey gehouden, doch Peterson heeft bewezen, dat er tussen de ©
genitaliën van beide soorten een duidelijk verschil bestaat.
c. Twee exx. van Gracilaria elongella L. en 2 exx. van Gracilaria be-
tulicola Hering. Hering heeft deze twee soorten gescheiden en de
berkensoort betulicola genoemd, terwijl de op Alnus voorkomende soort
elongella blijft heeten. (Zie: Zeitschrift für angew. Entomologie Bd.
xl 1927, p. 168). Benander beschrijft de soorten in „Opuscula
Entomologica” Bd. IX, Haft 3—4, p. 83, geeft afbeeldingen van 3 en
Q genitaliën ; er is zeer weinig verschil tussen de imagines. Hij zegt o.a. :
„Eine Verschiedenheit habe ich in der Farbe der Hinterhüften gefunden.
Deren Spitze is bei betulicola weisslich, bei elongella aber dunkel. Wenn
XLIV VERSLAG.
sie, wie es bisweilen vorkommt, hell ist, so ist sie gelblich, nicht weiss.”
De rupsen van elongella vond Doets talrijk aan Alnus glutinosa bij de
Holl. Rading, en betulicola komt overal voor. Daar de laatste zeker wel
het meest opgemerkt werd en de eerste wellicht in alle collecties ontbreekt,
moet men eigenlijk elongella als de nieuwe soort voor de Nederlandse
fauna beschouwen.
d. Twee exx. van Coleophora artemisicolella Brd. De rupsen leven in
Sept. aan zaden van Artemisia vulgaris en zijn om Hilversum zeer alge-
meen. De zakken worden van zaadjes gemaakt en zijn daarvan zeer
moeilijk te onderscheiden. Het beste is de zaden te verzamelen en uit te
spreiden op een tafel ; na enige minuten ziet men de rupsen met hun zak
wegkruipen.
De heer Van Wisselingh zegt, dat er-dit jaar (1947) vrij veel
Dasychira pudibunda var. concolor is.
De heer Coldewey vraagt of de heer Van Wisselingh ook den
grijsachtigen tussenvorm heeft waargenomen, hetgeen deze bevestigend
beantwoordt.
Zeldzame Nederlandse Odonata.
De heer M. A. Lieftinck maakt melding van de vondst van twee zeer
zeldzame Odonaten, die door hem gedurende zijn verlof in Nederland
werden teruggevonden tijdens een week-excursie in Midden- en Zuid-
Limburg.
Op 13 Juni 1947 werd aan den rand van het Onderste Bosch onder
Epen een & van Cordulegaster boltonii Donov. (— annulatus Latr.)
waargenomen, een soort, die tot dusverre alleen uit het bronnengebied bij
Belfeld (Midden-Limburg) en uit de omgeving van Breda (laatstelijk
1907) bekend was.
Voorts ving Spr. op 17 Juni 1947 een sub-adult 4 van den te onzent
uiterst zeldzamen Onychogomphus forcipatus L., een Gomphide, die se-
dert ca 1880 (een of twee & bij Maastricht, leg. van den Brandt
en Maurissen) nimmer meer was gevonden. De nieuwe vindplaats
dezer soort, waarvan Spr. het exemplaar laat rondgaan, ligt tussen Elsloo
en Stein, aan het Julianakanaal, dicht bij de Maas. Het dier vloog in ge-
zelschap van Gomphus pulchellus Selys, die daar zéér talrijk voorkwam,
en was het enige exemplaar dat werd waargenomen. Het is practisch ze-
ker, dat beide soorten uit het Julianakanaal en niet uit de Maas tot ont-
wikkeling komen, daar eierleggende 2 © van G. pulchellus herhaaldelijk
werden waargenomen. Aan de Maas zelf werd vergeefs gezocht naar
Ophiogomphus cecilia Fourcr. (= serpentinus Chap.). Voor deze soort
was het vermoedelijk nog iets te vroeg in het jaar.
Wat het voorkomen van Onychogomphus forcipatus in Nederland
betreft, heeft Spr. nog twee twijfelachtige opgaven in zijn aantekeningen
bewaard, nl. een & bij Zuidlaren (Dr.) en een 4 bij Zeegse (Dr.), beide
omstreeks 1917 (zie Odon. Neerl. II, 1926, p. 181). Deze exemplaren
zijn echter afkomstig uit schoolcollecties ; daar vele scholen destijds in-
secten van de firma Staudinger betrokken, blijft de vindplaats onbe-
trouwbaar.
Op een vraag van een der aanwezige leden hoe het staat met het
orgaan van de Nederl. Indische Natuurhistorische Vereeniging, het tijd-
schrift „De Tropische Natuur’, antwoordt Spr. dat de gehele oplaag als-
mede alle cliché's tijdens den Japanschen inval vernietigd zijn. Wegens
de enorme stijging der prijzen zal het nog wel enige jaren duren, voordat
dit tijdschrift weder zal kunnen worden voortgezet.
VERSLAG. XLV
Merkwaardige copula bij Lepidoptera.
De heer H. Coldewey maakt melding van een ongewone copula — of
liever : poging tot copulatie — tussen twee vlinders uit verschillende fa-
milies, door hem waargenomen op 5 Aug. 1946. Den avond tevoren had
hij met sterk licht gevangen en meer dan 300 macro's naar binnen gelokt ;
. het aantal micro s was nog veel groter. Er waren vooral veel exemplaren
uit het genus Herculia Wlk. Bij het staken van de vangst sloot hij het
raam, zodat de dieren niet uit het vangvertrek konden ontsnappen. Daar
vond hij den volgenden ochtend een zonderling paartje tegen het boven-
raam, nl. een — afgevlogen — & van Sterrha (Acidalia) aversata L. en
een ex. van Herculia (Pyralis) glaucinalis L., dat, naar de sprieten te
oordelen, ook een ¢ was. In dit geval zouden wij dan bovendien te doem
hebben met een „copula inter mares’, waarvan Hering (Biologie der
Schmetterlinge, 1926, p. 166) zegt, dat ze „in gevangenschap niet zeld-
zaam is. Het paartje bleef overdag bijna bewegingloos; alleen toen hij
de dieren even stoorde, trachtte de Pyralide zich met een ruk om te wer-
pen en vrij te maken, zonder dat dit gelukte. In de avondschemering
begon de spanner snel rond te lopen, de micro, die waarschijnlijk al dood
was, achter zich aanslepend. Bij de bedwelming bleven de dieren, evenals
te voren, verenigd. Opmerkelijk is nog een vrij lange, zilverachtige
draad, doorschijnend als glas en komende uit het abdomen van één der
vlinders.
Het vreemde paartje wordt ter bezichtiging rondgegeven en daarna af-
gestaan aan het Zoölogisch Museum te Amsterdam.
Aanwinsten der Nederlandse Coleopteren-fauna.
De heer P. van der Wiel deelt het volgende mede :
Dr A. Reclaire maakte Spr. opmerkzaam op een nieuwe — uit
Engeland beschreven — Bledius-soort, nl. B. limicola Tottenham in Ent.
Monthly Magazine.
Tussen het Nederlandse materiaal van B. spectabilis Kr. blijken inder-
daad twee vormen te schuilen, nl. de door Kraatz beschreven nomi-
naatvorm en de subsp. germanicus Wagn. Na onderzoek van Neder-
lands en buitenlands materiaal uit zijn collectie vermoedt Spr. dat B.
limicola Tott. tot de subsp. germanicus zal behoren. Den nominaatvorm zag
Spr. van Bergen op Zoom, Sas van Goes (Z. Beveland), Wieringen en
N. & St. Joosland (Z.) ; de subsp. germanicus Wagn. van Camperduin
N.H., Wieringen en Callantsoog.
Te Bemelen L. vonden Dr Berger en Spr. in een nest van Lasius
brunneus in een gevelden, hollen appelboom twee exx. van Scydmaenus
perrisi Reitt., f.n.sp., in gezelschap van Bafrisus formicarius Aubé, B
venustus Reitt., B. delaportei Aubé en Euryusa obtabilis Heer ; uit mede-
genomen molm kweekte Spr. bovendien een drie tal exx. van Plegaderus
dissectus Er., f.n.sp.
Fen mooie aanwinst voor onze fauna is ook Platyrrhinus resinosus
Scop., door den heer W. Wasser in een tweetal exx. te Deurne N.Br.
Juni 1944 gevonden ; thans bevindt zich 1 ex. in de collectie van den heer
Bergeren l ex. in Spr.'s collectie. Door Dr Everts werd deze soort
voor onze fauna geschrapt, aangezien de vindplaats twijfelachtig was,
thans blijkt de soort toch in ons land voor te komen.
Van den heer Croockewit ontving Spr. een ex. van Carabus aura-
tus L., gevangen te Wijlre L., waarbij de ribben bijna geheel verdwenen
zijn ; dit zou dan de a. auratoides Reitt. moeten zijn, welke een overgang
vormt tot de a. Labittei Clément, waar de primaire ribben volledig ver-
dwenen zijn.
XLVI VERSLAG.
Als verdere aanwinsten kan Spr. nog vermelden Latargus balteatus
Lec., in aantal door Dr Kruseman en Spr. in beschimmelde Malta-
aardappelen aangetroffen, Amsterdam, Nov. 1936 : Xyloterus signatus F.,
twee exx. door Spr. Sept. 1941 te Winterswijk gevangen ; Scolytus car-
pini Ratz., één ex. door Spr. bij Swalmen L., Juni 1937 gevonden ; Cryp-
turgus cinereus Hrbst., één ex. door Spr. bij Beetsterzwaag, Juli 1938 ge-
vangen onder dennenschors en vijf exx. uit meegebrachte popjes gekweekt; .
één ex. van Amara indivisa Putz. (of subsp. van Amara brunnea Gyll.) door
Spr. te Terborg Gld. Aug. 1943 gevonden en ten slotte nog een koolzwart
ex. van Apion aeneum F. a, obscurum Gabr., door Spr. gevonden te
Wijlre L., Sept. 1943.
De heer D. J. Kuenen vertoont enige kledingstoffen uit Overzande
(Z. Beveland), aangevreten door larven van de meeltor (Tenebrio molitor
L.). Hij vraagt, of dit meer wordt waargenomen.
De heer Kruseman merkt op, dat hij meelwormen ook meermalen in
vogelnesten heeft aangetroffen.
De heer C. de Jong zegt, dat hij een dergelijk geval nooit heeft gezien,
maar dat het verschijnsel op zichzelf niet zo verwonderlijk is. Bij den
kweek van meelwormen worden vaak oude lappen gebruikt en deze wor-
den veelvuldig aangevreten.
De heer Mac Gillavry vraagt, of een en ander wellicht verband houdt
met de verpopping der larven.
De heer Keen zegt nog, dat meeltorren vrij vaak binnenshuis wor-
den aangetroffen en hij vermoedt, dat de larven daarvan o.a. leven in de
nesten van gierzwaluwen (Apus apus apus).
Niets meer aan de orde zijnde, wordt de vergadering door den Voor-
zitter gesloten.
VERSLAG. XLVI
De contributie voor de Nederlandsche Entomologische Vereeniging be-
draagt per jaar f 10.—, voor leden in het Rijk buiten Europa f 6.—. Te-
gen storting van een bedrag van f 150.— in eens, of, voor personen in
het buitenland, van f 60.—, kan men levenslang lid worden. De leden
ontvangen gratis de Verslagen der Vergaderingen (3 per jaar) en de
Entomologische Berichten (6 nummers per jaar). De leden kunnen zich
abonneren op het Tijdschrift voor Entomologie voor f 6.— per jaar.
Voor niet-leden bedraagt de prijs van het T'ijdschrift voor Entomologie
per jaargang f 12.—, netto ; de laatste 10 jaargangen kunnen echter uit-
sluitend via den boekhandel worden betrokken, waarbij den boekhandel
f 12.— wordt berekend. De prijs der Entomologische Berichten voor niet-
leden bedraagt f 0.50 per nummer.
The subscription to the Netherlands Entomological Society is fixed at
fl. 10. per annum, Life-membership can be obtained by paying the
amount of fl. 150.— (for foreigners fl. 60.—). The Reports of the Mee-
tings (3 per year) and the Entomologische Berichten (6 numbers per
year) are sent to all members. The subscription to the Tijdschrift voor
Entomologie amounts, for members, to fl. 6 — per annum.
For others the price of the Tijdschrift voor Entomologie is fl. 12 — per
volume, net; the last 10 volumes, however, can only be ordered via the
book-trade, which will pay fl. 12.— per year. The price of the Entomolo-
gische Berichten for such persons is fl. 0.50 per number.
La cotisation annuelle de la Société Entomologique Neerlandaise est
fixée à fl. 10.—. Contre un versement de fl. 150 — (pour les étrangers
fl. 60.—) on peut être nommé membre à vie. Les membres reçoivent les
Procès-verbaux des séances (3 par année) et les Entomologische Berich-
ten (6 numéros par année). L'abonnement au Tijdschrift voor Entomolo-
gie est, pour les membres. fixé à fl. 6 — par année.
Le prix du Tijdschrift voor Entomologie pour les personnes, qui ne sont
pas membres de notre société, est fixé à fl. 12 — par volume, net; les 10
derniers volumes, cependant, ne peuvent être achetés que par la librairie,
laquelle payera fl. 12.— par an. Le prix des Entomologische Berichten
pour de telles personnes est fl. 0.50 le numéro.
Der Mitgliedsbeitrag für die Niederländische Entomologische Gesell-
schaft beträgt fl. 10.— proJahr. Lebenslängliche Mitgliedschaft kann
erworben werden gegen Zahlung von fl. 150.— (für Ausländer fl. 60.—).
Die Sitzungsberichte (3 pro Jahr) und die Entomologische Berichten (6
. Nummern pro Jahr) werden allen Mitgliedern zugesandt. Mitglieder kön-
nen auf die Tijdschrift voor Entomologie abonnieren zum Vorzugspreise
von fl. 6.— pro Jahr.
Für Nichtmitglieder beträgt der Preis der Tijdschrift voor Entomologie
fl. 12.— pro Band, netto ; die letzten 10 Jahrgänge können aber nur durch
die Buchhandlung bestellt werden, welche fl. 12.— pro Jahr bezahlt. Der
Preis der Entomologische Berichten für Nichtmitglieder beträgt fl. 0.50
pro Nummer.
XLVIII VERSLAG.
Voor leden der Nederlandsche Entomologische Vereeniging zijn verkrijgbaar bij de
Bibliotheek, Zeeburgerdijk 21, Amsterdam (O.), voor zover de voorraad strekt:
Tijdschrift voor Entomologie, per deel. . . . .. (f12—)
(behalve vele complete delen zijn er ook miele TOSSE afleveringen 3-4
van deel LXXX, waarin Catalogus Lempke II) . MR
Entomologische Berichten, per nummer Ä eh (f 0.50)
Verslagen van de Vergaderingen der After Neasskndseh Oost-Indie van
de Nederlandsche Entomologische Vereeniging, per nummer . . (f 0.50)
Handelingen der Nederlandsche Palme logisehe Versenioige: van 1846—1858,
met Repertorium . . . (122510)
Verslagen der Vergaderingen . . me en OCT)
Handleiding voor het verzamelen, bewaren en i verzenden van uitlandsche Do
(f 0.50
Repertorium betreffende deel I—VIII van het Tijdschrift voor Entomologie .
Repertorium betreffende deel IX—XVI id. > RNC Oe eso: 0
Repertorium betreffende deel XVII-XXIV id. E TER
Catalogus der Bibliotheek met supplementen I en II, 4e ciare 1938 (f5—)
Idem, Supplement III, 1939 . . . 10 (1050)
Oude catalogus der Bibliotheek, belangrijk omdat de Doeken systematisch zijn
gerangschikt SURE
P. C. T. Snellen, De Viinders van Nede. Mecca na. met 4 platea.
J. Th. Oudemans & Snijder, Naamlijst van Nederlandsche Macrolepido-
ptera.
la Jo Jbyvelsllame a N ije “tk DI Naamlijst van ek INC vence Mage
pidoptera . . i RARE CNET)
Idem, Aanteekeningen 19211900 SARA SRE NS)
Idem, Aanteekeningen 1929 . . . . (fl)
F. M. van der W ulp, Catalogue of the descxbed Dion from Seni Asia
ee)
F. M. van der Wulp en Dr J. = H. de Meijere, Nieuwe Naamlijst
Nederl. Diptera . . (f2—)
Pro IDye Ji; (Cy la ele Mie Here Naamlijst van Wedsilbadsdie Dip afge-
sloten 1 April 1939 . . (FA)
Mr S. C. Snellen van Vollenhoven Bijdragen tot de Fa van Ne-
derland ; Naamlijst van Nederlandsche Schildvleugelige Insecten (f 0.50)
Jhr rrd B EWS, Lijst der in Nederland en het a re voor-
komende Coleoptera | 7
M. A. Lieftinck, Odonata Hermes i & In var deal. (5 —)
Prof. Dr J. C. H. de Meijere. Die Larven der AGRO Aan, I, 1925 (FO)
Dr L. J. Toxopeus, De soort als functie van plaats en tijd, getoetst aan de
Lycaenidae van het Australaziatisch gebied (alleen voor leden) . Ber
Dr H. Schmitz S. J., In Memoriam P. Erich Wasmann S. J., met portret
en lijst zijner geschriften (450 titels) . e VE (1 2:50)
De AS Nerli INesmiliisy Nemi \V/antsen e eo (=)
Dr A. Reclaire, id, Suppl. 1932 . À ik PA nn Chou (il)
Dr Au INeellatıee, seh. Soya NEWS 5 5. 6 (f 1.—)
Feestnummer ter eere van Dr J. Th. Oudemans 1932 (Serplemene Ties
deel 75) . . . (f10—)
Dr en: Due ne Te Memoriam Jhr Dr Ed. i G ‘Everts, met portret
en lijst zijner geschriften (326 titels) . . en (2150)
Dr G. Kruseman Jr, Tabellen tot het bepalen - van de Nederlandsche soor-
ten der Genera Bombus Latr. en Psithyrus Lep. . . . . . (f 1.50)
De prijzen tussen haakjes ( ) gelden voor niet-leden der Vereniging.
POSE
LE
» 0.20
„0.20
i 125
„0.25
0:75
XLIX
LIJST VAN DE LEDEN
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 JUNI 1948,
MET OPGAVE VAN HET JAAR HUNNER
TOETREDING, ENZ.
(De Leden, die het Tijdschrift voor Entomologie ontvangen, zijn
met een ”, de leden voor het leven met een §, de Leden der
Afdeling voor Toegepaste Entomologie met een + aangeduid).
LID VAN VERDIENSTE,
Dr D. Mac Gillavry, Rusthuis ,,Charlois”, Amerongen. 1946.
ERELEDEN.
“Dr L. O. Howard, Principal Entomologist, Bureau of Entomology,
Washington, D.C., U.S.A. 1929.
“Prof. Dr R. Jeannel, p/a Museum National d'Histoire Naturelle,
45bis, Rue de Buffon, Paris (Ve). 1936.
“Prof. A. D. Imms, M.A., Sc.D., F.R.S., Faldonside, Tipton St. John
nr. Sidmouth (En land). 1938.
* Prof Dr F. Silvestri, R. Istituto Superiore Agraria, Portici pr. Napoli,
Italië. 1938.
r S. A. Neave, C.M.G., O.B.E. Mill Green Park, Ingatestone,
Essex (England). 1946.
“Dr D. L. Uyttenboogaart, Heemstede. 1947. — + 2.VIII.1947.
BEGUNSTIGERS.
$*Het Koninklijk 2 ae Genootschap ‚Natura Artis Magistra”,
Amsterdam (C.). 1879.
$De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, Haarlem. 1884.
$Mevrouw de Wed. J. P. Veth, geb. v. Vlaanderen, ‘s-Gravenhage.
1899.
Mevrouw P. J. K. = ae geb. v. Dam, Churchilllaan 17411,
Ra (Zu):
Mevrouw J. S. M. ne geb. Hacke, Putten (Veluwe). 1922.
$Mevrouw J. L Hacke, geb. Oudemans, Prinses Mariannelaan 24,
Voorburg. 1
$C. A. Oudemans, “Oude Delft 212, Delft. 1929.
$Mevrouw J. S. Oudemans, geb. Hoeksma, Arts, Oude Delft 212,
Deljt. 1929.
$Dr Ir A. H. W. Hacke, Prinses Mariannelaan 24, Voorburg. 1929.
SNO: a C. Oudemans, Frederik Hendriklaan 38, ‘s-Gravenhage.
LIJST DER LEDEN ENZ.
$Mevrouw C. A. H. Lycklama à Nijeholt, geb. Tabingh Suermondt,
Twaalf Apostelenweg 75, Nijmegen. 1933.
S. Stemerding, Rusthuis „Charlois, Amerongen. 1946,
CORRESPONDERENDE LEDEN.
Dr L. Zehntner, Reigoldswil, Baselland (Zwitserland), 1897.
Dr P. Speiser, Medicinalrat, Kaiserstrasse 12, Königsberg i. Pr. 1906.
Dr H. Schmitz S.J., Aloisius College, Bad Godesberg 22A, Nord-
heim, Brit. Zone (Deutschl.). 1921.
*Dr K. Jordan, Zoological Museum, Tring, Herts., Engeland. 1928.
J. D. Alfken, Delmestrasse 18, Bremen. 1929.
À. d'Orchymont, Houba de Strooperlaan 132, Brussel II. 1929.
H. St. John Donisthorpe, c/o Department of Entomology, British
Museum (Natural History), Cromwell Road, London S.W. 7,
Engeland. 1931.
Prof. Dr G. D. Hale Carpenter, M. B. E., D. M., Penguelle, Hid's
Copse Road, Cumnor Hill, Oxford, Engeland. 1933. _
BUITENLANDSE LEDEN.
Dr H. Schouteden, Directeur van het Museum van Belgisch Congo,
Tervuren, België. — (1906-07).
Corn. J. Swierstra, Directeur van het Transvaal-Museum, Pretoria.
— (1908-09).
deme E. Collin, ,,Rayland”, Newmarket, Engeland. — (1913—14).
ibliotheek der R. Universiteit, Lund, Zweden. — (1915—16).
Prof. Dr Felix Rüschkamp, Hochschulprofessor, Koselstrasse 15,
Frankfurt aM. — Coleoptera (1919—20).
*Dr A. Clerc, 7, Rue de Montchanin, Paris (XVIIe), Frankrijk. —
Coleoptera, vooral Curculionidae orb. terr. (1926—27).
*Dr A. Avinoff, Director, Carnegie Museum, Pittsburg, Pa., U.S.A.
— Lepidoptera (1928—29).
Prof. N. Bogdanov—Katjkov, Instituut voor toegepaste Zoölogie en
Phytopathologie, Troizkj str., 9, apt. 8, Leningrad. U. S. S. R. —
Oeconomische Entomologie en Tenebrionidae (1928-29).
“John D. Sherman Jr. 132, Primrose Ave, Mount Vernon, N.Y.,
U. S. A. — Bibliographie. (1930-31).
“Dr Marc André, Muséum national d'Histoire naturelle, 67, Rue de
Buffon, Paris (Ve), — Acari (1933). .
*F. J. Spruyt, „Traprock Farm’, Deerfield, Mass, U.S.A. — (1933).
Miss Th. Clay, 18, Kensington Park Gardens, London W.ll. —
Ectoparasieten (1938).
*C. Koch, p/a Georg Frey sche wissenschaftliche Käfer-Sammlung,
Pienzenauerstrasse 18, München 27. — (1939).
GEWONE LEDEN.
[Es ci ee ae Aartsen, Esschenlaan 28, Halfweg N.H. — Lepidoptera
1946).
*A. Amir, Prins Hendriklaan 27, Zeist. — Lepidoptera (1948).
ES. a a Hoendiepstraat 56, Amsterdam (Z.) — Lepidoptera
1943).
Prof. Dr G. P. Baerends, Zoölogisch Laboratorium, Reitemakers-
rijge 14, Groningen. — Algemene Entomologie (1941).
*H. A. Bakker, tijdelijk in Indië. — Neuroptera (1942).
G. Bank Jr, p/a Koning Williamstraat 36, Zaandam. — Lepidoptera
(1947).
LIJST DER LEDEN ENZ. LI
+Dr G. Barendrecht, Conservator Entomologisch Laboratorium, Plan-
tage Doklaan 44, Amsterdam (C.). — Hymenoptera (1928—29).
R. Batten, Loskade 25, Middelburg. — Coleoptera (1947).
*Prof. Dr L. F. de Beaufort, Buitengewoon Hoogleeraar aan de Ge-
meentelijke Universiteit; Directeur van het Zoölogisch Museum
te SR Huize „de Hooge Kley”, Leusden bij Amersfoort.
1911—12
+L. Bels, biol. docts., Velserstraat 101, Haarlem. — Formiciden
939
(1939).
+P. J. Bels, biol. docts., Provincialeweg 276, Houthem-St. Gerlach.
— Algemene Entomologie, vooral Formiciden (1934).
A. C. V. van Bemmel, biol. docts., Zodlogisch Museum, Buitenzorg
(Java). — Algemene Entomologie (1937).
o Geert van Woustraat 77, ‘s-Hertogenbosch. —
1944
P. Benno, O.M. Cap., Kamp ,,Mariaveen”, Helenaveen (N.Br.). —
Hymenoptera aculeata (1939).
Ir G. A. Graaf Bentinck, Electrotechn. Ing., Kasteel te Amerongen.
— Lepidoptera (COSTI
“Chr. Berger, Arts, Sf. Jorislaan 54, Eindhoven. — Coleoptera (1934).
+*Dr A. F. H. Besemer, Hartenseweg 12, Bennekom. — (1942).
*A. J. Besseling, Koningsweg 30, ‘s-Hertogenbosch. — Hydrachnel-
lae. — (1923—24).
+$*Dr J. G. Betrem, Duymaer van Twiststraat 51, Deventer. — Hy-
menoptera (1921-22).
Dr W. Beijerinck, Biologisch Station, Wijster (Dr.). — Algemene
Entomologie (1930—31).
Dr J. A. Bierens de Haan, Secretaris van de Hollandsche Maat-
schappij der AVE eenen, Minervalaan 26, Amsterdam (Z.).
(1918—19).
a L. Blom, Westerbinnensingel 3AI, Groningen. — Lepidoptera
19249);
*Dr H. C. Blöte, Conservator aan het Rijksmuseum van Natuurlijke
Historie te Leiden, Wilgenlaan 8, Voorschoten. — (1923-24).
*W. C. Boelens, Arts, Paul Krugerstraat 48, Hengelo (Ov.). — Sta-
phylinidae (1938).
*P. J. den Boer, van Aerssenstraat 67—69, ‘s-Gravenhage, — (1945).
S. de Boer, Middelie No. 182. — Lepidoptera (1944).
Mr O. M. Baron van Boetzelaer, ,,Eijckenstein”, Maartensdijk (U.).
— (1948).
J. Bolland, Tollenslaan 11, Driehuis-Velsen. — (1943).
D. G. J. Bolten, J. v. Oldenbarneveldtlaan 24, Amersfoort. — Water-
insecten (1937).
Dr H. Boonstra, Ernst Casimirlaan 35, Arnhem. — (1948).
Prof. Dr H. Boschma, Directeur an het Rijksmuseum van Natuur-
lijke Historie te Leiden. — (1935).
*H. W. Botzen, Overtoom 303111, Amsterdam (W.). — Lepidoptera
(1944).
*J. K. A. van Boven, R.K.Pr., St. Christoffelstraat 2, Roermond. —
Formicidae (1946).
*P. J. Brakman, Rijksweg 29, Nieuw- en St. Joosland, Walcheren. —
Coleoptera (1940).
Chr. Branger, tijdelijk in Indië. — Lepidoptera (1945).
N Ri i Zeeburgerdijk 21, Amsterdam (O.). — Coleoptera
1941
+Dr C. J. Briejèr, Dr Boeslaan 16, Wageningen. — Toegepaste En-
tomologie (1936).
LII LIJST DER LEDEN ENZ.
“Mr €. M. C. Brouerius van Nidek, Banjoewangiweg 11, Batavia. —
Coleoptera (1937).
*C. P. A. Bruyning, Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden. —
Blattidae (1947).
a A. “a Buitendijk, Cronesteinkade 4, Leiden. — Apterygogenea
BOSE
ni ae voor Landbouwkundig Onderzoek, Wageningen.
— (1941).
P. Chrysanthus (W. E. A. Janssen), Huize Beresteyn, Voorschoten.
— Arachnoidea (1946). :
*H. Coldewey, litt. class. drs., Nieuw Veldwijk", K 73, Twello. —
Lepidoptera (1919— 1920).
+ $J. B. Corporaal, Honorair Conservator voor Entomologie aan het
Zoölogisch Museum, Entomologische Afd., Zeeburgerdijk 21, Am-
sterdam (O.). — Coleoptera, vooral Cleridae (1899— 1900).
+Dr K. W. Dammerman, Lorentzkade 27, Leiden. — Algemene En-
tomologie (1904— 05).
*M. Delnoye, Molenbeekstraat 3, Sittard. — (1942).
+*Dr A. Diakonoff, Zoölogisch Museum, Buitenzorg (Java). — Mi-
crolepidoptera ; Algemene Entomologie (1933).
*C. H. Didden, Mr van Coothstraat 18, Waalwijk. — Lepidoptera ;
Coleoptera (1945).
Prof. Dr W. M. Docters van Leeuwen, Burgemeester van den Bosch-
laan 159a, Leersum (U.). — Cecidologie (1921— 22).
+*Dr Ir J. Doeksen, ,,Nijehorst”, Maarn (Utr.). — Toegepaste Ento-
mologie en Thysanoptera (1937).
*P. H. van Doesburg, Cantonlaan 1, Baarn. — Coleoptera, speciaal
Passalidae; Syrphidae. (1921-22).
P. H. van Doesburg Jr., Ceintuurbaan 2, Deventer. — (1941).
nn. Diependaalselaan 286, Hilversum. — Microlepidoptera
F. C. Drescher, Beatrixlaan 43, Buitenzorg (Java). — (1911—12).
+J. van der Drift, „Mariëndaal, Oosterbeek (G.). — Toegepaste
Entomologie (1948).
*M. J. Dunlop, Oranjelaan 4, Wageningen. — (1941).
wi Ken en Julianalaan 66, Overveen. — Algemene Entomologie
*S. R. Dijkstra, Beneden-Oosterdiep 11, Veendam. — Algemene
Entomologie (1948).
“Curt Eisner, Violenweg 7, ‘s-Gravenhage. — Lepidoptera (1946).
*H. C. L. van Eldik, van der Woertstraat 20, ‘s-Gravenhage. — Le-
pidoptera ; Coleoptera (1919-20).
Dr J. P. van Erp, Arts, Stationsweg 14, ‘s-Hertogenbosch. — Le-
pidoptera : Hymenoptera (1947).
H. H. Evenhuis, Biol. Cand., Frederikstraat 17, Groningen. — Co-
leoptera (1942).
SA. M. J. Evers, Dürerstrasse 13, Krefeld (Rhld.), Deutschl, — Uit-
sluitend Malachiidae (Col.) der gehele wereld.
M. L. Eversdijk, Minervalaan 12, Amsterdam (Z.). — Algemene
Entomologie (1919-20).
+$G. L. van Eyndhoven, Eindenhoutstraat 36. Haarlem. — Acari en
Cecidologie (1927-28).
*F. C. J. Fischer, Lumeystraat 7c, Rotterdam. — Trichoptera en Le-
pidoptera (1929-30).
+*Dr H. J. de Fluiter, Entomoloog aan het Laboratorium voor Ento-
mologie der Landbouwhogeschool, Hoogstraat 101, Wageningen.
— Toegepaste en Algemene Entomologie, vooral Hymenoptera en
Diptera parasitica (1929-30).
LIJST DER LEDEN ENZ. LIII
+Dr Ir J. J. Fransen, Entomoloog bij den Rijkstuinbouwvoorlichtings-
wi Van Nispenstraat 8, Arnhem. — Toegepaste Entomologie
Dr C. J. H. Franssen, Dierkundige bij het Filiaal van het Algemeen
Proefstation voor den Landbouw, eres Makassar (Celebes). —
Aphididae, Paussidae (1928—29).
en E Ratin Mij, Hofwijckplein 32, ‘s-Graven-
a 1943
*Het Friesch Natuurhistorisch Museum, p.a. G. van Minnen, Men-
delssohnstraat 35, Leeuwarden. — (1941).
G. van Galen, Haartsestraat 80, Aalten (G.). — Lepidoptera
1948).
“Broeder Gennardus (L. F. Balvers), Pensionaat ,,Eikenburg’’, Eind-
hoven. — Algemene entomologie (1947
*V. Gerris, Hooydonck C. 30, Den Dungen (bij 's-Hertogenbosch).
= Algemene Entomologie (1947).
+§*Dr D. C. Geijskes, Grote Watermolenstraat 26, Paramaribo (Suri-
name). — Aquatiele Neuropteroidea, Odonata (1928—29).
A. J. Gorter, Chirurg, Donkerelaan 38, Zeist. — Lepidoptera (1944).
F. de Graaf, Van Lenneplaan 33, Hilversum. — (1947).
W. H. Gravestein, Rubensstraat 87, Amsterdam (Z.). — Hete-
roptera ; Coleoptera (1941).
J. A. M. van Groenendael, Arts, pla Van Hoytemalaan 8, Hillegers-
berg (bij Rotterdam). — (1930—31).
Es ne he Hammen, Warande 53, Schiedam. — Arachnoidea
1944
Ir M. Hardonk, van den Eyndestraat 10, ‘s-Gravenhage. — Macro-
lepidoptera (1938).
Hemminga, Koninginneweg 2241, Amsterdam (Z.). — (1942).
*N. A. Henrard, Röntgenoloog en Huidarts, Boulevard Bisi 38,
Vlissingen. — (1941).
*H. W. Herwarth von Bittenfeld, Jac. van Ruysdaellaan 11, Heem-
stede. — (1945).
*S. van Heijnsbergen, Hoogendam 6, Zaandam. — Coleoptera (1942).
DE oc a Lambers, Dikkenbergweg 14, Bennekom. — Aphididae
1942
*H. Hoogendoorn, Markt 216, Oudewater. — Algemene Entomolo-
gie, vooral Trichoptera (1934).
+Dr J. G. ten Houten, Anna van Saksenlaan 6, Santpoort. — Toege-
paste Entomologie (1946).
K. ten Hove, Blauwkapelseweg 53, De Bilt. — (1945).
+H. J. Hueck, Vierambachtstraat 12A, Rotterdam. — Toegepaste En-
tomologie (1948).
J. Huisenga, Nieuwstraat 35, Purmerend. — Lepidoptera (1945).
W. van Ingen Schouten, Emmastraat 37, Arnhem. — (1941).
Het as voor Plantenziekten, Landbouwweg, Buitenzorg (Java).
1930—31).
Mej. Dr A. Jaarsveld, Overtoom 434, Amsterdam (W.). — Alge-
mene Entomologie (1929-30).
Ph. de Jager, Bleekersvaartweg 27c, Heemstede. — (1946).
J. A. Janse, Loosterweg III No. 1, Hillegom. — Lepidoptera Rho-
palocera (1930—31).
to W. Jeekel, Crayenesterlaan 32, Haarlem. — Myriopoda
1943).
*W. de ae Singel 198, Dordrecht. — Lepidoptera (1913—14).
B. de en biol. drs., Assistent a. h. Zoöl. Lab., Linnaeusparkweg
1001, Amsterdam (O.). — Arachnoidea (1945).
LIV LIJST DER LEDEN ENZ.
Dr C. de Jong, Assistent aan het Rijksmuseum van Natuurlijke
Historie te Leiden, Papegaailaan 2, ‘s-Gravenhage. — Coleoptera
(1926—27).
H. E Van Weede van Dijkveldstraat 103, ‘s-Gravenhage.
OEH
IE = Kaijadoe, Regentesselaan 16, Oegstgeest. — Lepidoptera
947
+*Dr L. G. E. Kalshoven, Hoofd van het Instituut voor Plantenziek-
ten, Coenweg 2, Paviljoen, Buitenzorg (Java). — Algemene En-
tomologie (1921—22).
. P. van der Kamp, Vriezenveen Wh 21a. — (1941).
*D. van Katwijk, Prins Hendriklaan 58, Vlaardinger Ambacht. —
— (1940).
*J. W. Kenniphaas, Stationsweg D 23, Drimmelen. — (1941).
+ Prof. Dr C. J. van der Klaauw, Hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit,
Kernstraat 11, Leiden. — Toegepaste Entomologie (1929— 30).
+Mej. Dr Caroline H. Klinkenberg, Lawickse Allee 36, Wageningen.
— Toegepaste Entomologie (1947).
R. Knoop, Brugstraat 60, Almelo. — Lepidoptera (1939).
J. Koornneef, Hogeweg 18, Velp (Geld.). — Algemene Entomolo-
gie, vooral Hymenoptera (1917—18).
Dr P. Korringa, Halsterseweg E. 84, Bergen op Zoom. — (1945).
“Mr H. H. Kortebos, Directeur Twentsche Bank, St. Lambertuslaan
10a, Maastricht. — Lepidoptera (1935).
+*T. van Kregten, Boddaertstraat 13, ‘s-Gravenhage. — Coleoptera
(1944).
+$*Dr G. Kruseman Jr., Jacob Obrechtstraat 16-hs, Amsterdam (Z.).
— Diptera (1930—31).
IE Ae Mesdagstraat 121, Amsterdam (Z.). — Lepidoptera
1945)
+Dr D. J. Kuenen, „Het Klokhuis’, Wilhelminadorp (Z.). — (1941).
vob J. Kuiper, Beethovenlaan 26, Bilthoven. — (1943).
r P. A, van der Laan, Algemeen Proefstation voor den Landbouw,
Buitenzorg (Java). (1934).
+ Laboratorium der NAV De Bataafsche Petroleum Maatschappij,
Badhuisweg 3, Amsterdam (N.). — (1940).
Laboratorium voor Entomologie der Landbouwhoogeschool, Berg 37,
Wageningen. — (1929— 30).
*H. Landsman, Natuurhistorisch Museum, Talmastraat 73c, Rotter-
dam (C.). — (1940).
+*Dr S. Leefmans, Lector a/d Univ. v. Amsterdam, Breerolaan 11,
or (post Aerdenhout). — Toegepaste Entomologie
WON)
G. de Leeuw S. J., Hobbemakade 51, Amsterdam (Z.). — Alge-
mene Entomologie (1931— 32).
B. J. Lempke, Oude IJselstraat 12111, Amsterdam (Z.). — Lepi-
doptera (1925— 26).
HE van ola biol. docts., van Speykstraat 14, ‘s-Gravenhage.
ee (1915—16).
+$*M. A. Lieftinck, Hoofd v. h. Zoölogisch Museum, Buitenzorg,
(Java). — (1919— 20).
*J. van der Linde, Westerlookade 20, Voorburg. — (1940).
; is van Lith, AllardPiersonstraat 28 C,Rotterdam. — Hymenoptera
1945).
*J. A. F. Lodeizen, Schouwweg 102, Wassenaar. — Hymenoptera
(1939).
+*N. Loggen, Hermelijnlaan 75, Hilversum. — (1943).
LIJST DER LEDEN ENZ. LV
2]. i aoe Goudenregenlaan 124, Hilversum. — Lepidoptera
194
+F. E. Loosjes, Hamelakkerlaan 24, Wageningen. — Toegepaste
Entomologie (1941).
H. L. Loots, Hyacintstraat 39, Zaandam. — Lepidoptera (1947).
ap tS " De Bussummergrindweg 13, Hilversum. — Lepidoptera
1
+Dr W. J. Maan, van IJsselsteinlaan 7, Amstelveen. — Toegepaste
Entomologie (1946).
+ §*Dr D. Mac Gillavry, Rusthuis „Charlois, Amerongen. — Entomolo-
gische Bibliografie (1898— 99).
*$Dr H. J. Mac Gillavry, Palaeontoloog, p/a Standard Vacuum Petro-
leum Mij, Soengi Gerong, Palembang (Sumatra). — (1930-31).
$Mej. M. E. Mac Ceres Aalsmeerderweg 308, Aalsmeer (O.). —
Lepidoptera (1929-30).
*J. F. M. van Malssen, Thomsonlaan 211, ‘s-Gravenhage. — Lepi-
doptera (1945).
. C. van der Meer Mohr, Poloniaweg 25, Medan SOK. —
(1925205)
al: Meltzer, Gezichtslaan 60, Bilthoven. — (1947).
G. S. A. van der Meulen, van Breestraat 170, Amsterdam (Z.). —
Lepidoptera (192425).
+J. J. Meurer, Mr Bruntstraat 7, s-Gravenzande. — Toegepaste En-
tomologie (1946).
*R. H. Mulder, Lange Bisschopstraat 14, Deventer. — (1942).
*J. L. Muller, Weertsingel O.Z. 63, Utrecht. — (1946).
IG, Mijnssen, Regentesselaan 8, Baarn. — Hymenoptera (1941).
„Natura Docet’’, Denekamp. — (1943).
Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Bosquetplein 20, Maas-
tricht. — (1941).
ee Museum, M.H.Trompstraat 19, Enschede. —
1948).
+*De Nederl. Heidemaatschappij, Arnhem. -— (1903—04).
*De Nederlandsch-Indische Entomologische Vereeniging, p/a Insti-
tuut voor Plantenziekten, Buitenzorg, Java. — (1935).
*H. Neyts, Boord, Nuenen (N.Br.). — (1945).
*C. A. Niemantsverdriet, Emmakade, Vlaardingen. — (1948).
usa) Liesselseweg 116, Deurne (N.Br.). — Lepidoptera
1952)
E. J. Nieuwenhuis, Bentincklaan 37A, Rotterdam (C.). — Lepi-
‘doptera (1942).
S. Nieuwenhuizen, Van Eeghenstraat 54, Amsterdam (Z.). — Hy-
menoptera aculeata (1947).
*K. N. Nieuwland, Baarsjesweg 305-bel, Amsterdam (W.). — Le-
pidoptera (1947).
+*M. de Nijs, Geneeskruidenkwekerij „De Geelgors’, Hessenweg 21,
Lunteren. — Lepidoptera (1943).
Ei Je nr Ooststroom, Emmalaan 21, Oegstgeest. — Coleoptera
1935
F. J. Oppenoorth, Plataanweg 4, Hilversum. — (1945).
Sk Co ans: Oude Delft 212, Delft, (1932).
$*Dr Th. C. Oudemans, Landbouwkundig ingenieur, Huize „Klein
Schovenhorst’, bij Putten (Veluwe). — Algemene Entomologie
(1920—21).
A. A. van Pelt Lechner, Luthersch Rusthuis Rustoord”, Wester-
houtpark 34, Haarlem. — (1925—26).
*D. Piet, Kruislaan 222hs, Amsterdam (O.). — (1937).
LVI LIJST DER LEDEN ENZ.
*Plantenziektenkundige Dienst, Wageningen. — (1919—20).
+*H. Prakke, Bosweg 103, Apeldoorn. — (1947).
R. A. Polak, Oosterpark 731, Amsterdam (O.). — (1898—99).
Brot Dralis Puce Zenuwarts moe Cs 25, Nijmegen. —
Lepidoptera (1944).
er dok nn afd. Onderzoek, Zuidweg 38, Naald-
wijk. — (1937
*Dr A. Reclaire, Alexanderlaan 17, Hilversum. — Coleoptera, Rhyn-
chota (1919-20).
nos: Groeneveld 19, Rotterdam (Z.) — Coleoptera (1946).
C. O. van Regteren Altena, Louise de Colignylaan 4, Oegst-
de — (1942).
Dr A. Reyne, Reguliersgracht 461, Amsterdam (C.). — Algemene
Entomologie (1917—18).
N. S. Ritsma, De Wittenkade 11011, Amsterdam (W.) — Lepi-
doptera (1943).
+*Prof. Dr W. Roepke, Hoogleraar aan de Landbouwhogeschool, p/a
Lab. voor Entolomogie, Berg 37, Wageningen. — (1943).
A. van Roon, Alteveerselaan 30, Velp (G.). —
+*G. van Rossem, Javastraat 12, Wageningen. — Hymenoptera acu-
leata (1943).
$*G. J. van Rossum, Ceintuurbaan 432111, Amsterdam (Z.). — Lepi-
doptera (1942).
*B. le Roy, Brinkgreverweg 87, Deventer. — (1946).
Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Leiden. — (1915—16).
*H. Sanders, Swalmerstraat 52, Roermond. — Formicidae (1945).
+L. E. van 't Sant, biol. docts., Patroclosstraat 201, Amsterdam (Z.).
— Toegepaste Entomologie (1941).
W. A. Schepman, Directeur Amsterdamsche Bank, Prins Hendrik-
laan 82, Utrecht. — Coleoptera (1919—20).
IL, IRE Schola, Loli, C93. (19440).
M. Servaas, Makassarstraat 116111 Amsterdam (O.). — Aphani-
ptera (1945).
SE a Jr. Middelie no. 154, — Lepidoptera (1945).
+*F. G. À. M. Smit, Wilhelminaweg 6, Wageningen. — Siphonaptera
(1942).
WA ui Grijp, Groenendaalkade 4, Heemstede. — Coleoptera
(1946
Dr E. A. M. Speijer, Pijnboomstraat 4A, ‘s-Gravenhage. —
os aa),
*Het Staatsboschbeheer, Museumlaan 2, Utrecht. — (1937).
Aug. Stärcke, Arts, Dolderseweg 158 B, Den Dolder (Utr.).
Formicidae (1925-—26 JE
*Jaap Taapken, Toorenveltstraat 12, Oegstgeest. — (1945).
+*P. Terpstra, Ankersmitlaan 1, Deventer. — Toegepaste Entomolo-
gie (1947).
$*H. G. M. Teunissen, Arts, Laandersstraat B77, Berchem bij Oss
(N.B.). — Hymenoptera (1942).
J. Teunissen, St. Agnesgesticht, Veenestraat 28, St. Geertruiden-
berg. — Hymenoptera (1941).
+N. van Tiel, Lomanstraat 33-hs, Amsterdam (Z.). — Togepaste
Entomologie (1947).
Prof. Dr N. Tinbergen Professor aan de Rijksuniversiteit, Zoölogisch
Laboratorium, Kaiserstraat 63, Leiden. — (1940).
+*Dr L. J. Toxopeus, Anna Paulownastraat 22, Groningen. — Indo-
Australische Lycaeniden (1919—20).
LIJST DER LEDEN ENZ. LVII
$L. Vari, Transvaal Museum, Pretoria (Transvaal, Z. Afr.). — Lepi-
doptera (1939).
+Dr J. van der Vecht, Wnd. Hoofd van het Instituut voor Planten-
ziekten, Buitenzorg (Java). — Hymenoptera (1926—27).
+ Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding van den Proeftuin te
Aalsmeer, Aalsmeer. — (1941).
*W. Verhaak, Wolvendijk 80, Eindhoven. — Lepidoptera (1945).
C. J. Verhey, biol. stud., Van Blijenburgstraat 8, Dordrecht. — Le-
pidoptera (1939).
$*P. M. F. Verhoeff, Dolderseweg 42, Den Dolder. — Hymeno-
ptera aculeata (1940).
*C. Vinken, Gasthuisstraat 68, Tilburg. — Diptera (1946).
D. A. Vleugel, A. de Haenstraat 53, ‘s-Gravenhage. — (1945).
N. C. van der Vliet, Korte Leidse Dwarsstraat 14111, Amsterdam
(C.). — Lepidoptera (1946).
+*J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, Burggravenlaan 5, Leiden. —
Coleoptera (1902—03).
+§Dr A. D. Voûte, „Mariendaal”, Oosterbeek (Gld.). — (1929-30).
SIr oo J. Vreugde, p/a Spruitenboschstraat 14, Haarlem. —
1939).
ee ee er Hummelinck, Beethovenlaan 24, Bilthoven. —
1938).
*H. Wagtho, St. Antonielaan 326, Arnhem. — Lepidoptera (1945).
ni © doi van Walbeekstraat 741, Amsterdam (W.).
1945).
*R. Westerneng, Rosmolenstraat 108A, Zaandam. — Lepidoptera
(1946).
I We a Prins Hendriklaan 15, Driebergen. — Formicidae
1942).
Mevr. Dr N. L. Wibaut-Isebree Moens, Reinier Vinkeleskade II,
Amsterdam (Z.). — (1944).
+*$P. van der Wiel, Gerard Terborgstraat 23, Amsterdam (Z.). —
Midden-Europese Coleoptera en Formicidae (1916—17). «
J. Wiersma, Almelosestraat 263, Ootmarsum. — Hymenoptera acu-
leata (1948).
*G. Wiertz, Lawickse Allee 5, Wageningen. — Toegep. Ent. (1946).
+Dr J. Wilcke, Laboratorium voor Entomologie, Berg 37, Wagenin-
gen. — Hymenoptera (1936).
A. G. de Wilde, Nieuwe Mare 27, Leiden. — Lepidoptera (1945).
+Dr J. de Wilde, Linnaeusho] 61 hs, Amsterdam (O.). — Toege-
paste Entolomogie (1946).
> M. Willemse, Arts, Eygelshoven (Z.-Limb.). — Orthoptera
191213).
“Prof. Ir T. H. van Wisselingh, Hoofdingenieur-Directeur bij 's Rijks
Waterstaat in Noord-Holland, Vogelenzangseweg 22, Aerden-
hout. — Lepidoptera (1924—25).
*J. H. E. Wittpen, le Constantijn Huygensstraat 103huis, Amsterdam
(W.). — Lepidoptera (1915—16).
“Zeelands Proeftuin, Wilhelminadorp (Z.). — (1942).
“Het Zoölogisch Laboratorium der Rijksuniversiteit, Reitemakersrijge
14, Groningen. — (1940).
Het Zoölogisch Museum en Laboratorium, Buitenzorg, Java. —
(1919-20)
Het Zoölogisch Laboratorium der Rijksuniversiteit, Kaiserstraat 63,
Leiden. — (1940).
Het Zoölogisch Laboratorium der Rijksuniversiteit, Afd. Alg. Zoölo-
gie, Janskerkhof 3, Utrecht. — (1940).
LVIN LIJST DER LEDEN ENZ.
BESTUUR.
Dr K. W. Dammerman, President (1942—1949).
J. B. Corporaal, Vice-President (1944-1950).
G. L. van Eyndhoven, Secretaris (1946—1951).
Ir G. A. Graaf Bentinck, Penningmeester (1946—1952). (Post-
rekening der Ned. Ent. Ver. : 188130).
Dr G. Kruseman Jr, Bibliothecaris (1946—1948).
Dr D. J. Kuenen (1947—1953).
COMMISSIE VAN REDACTIE VOOR DE PUBLICATIES.
J. B. Corporaal (1942—1948).
Dr K. W. Dammerman (1947—1949).
G. L. van Eyndhoven (1942—1948).
B. J. Lempke (1947—1950).
J. J. de Vos tot Nederveen Cappel (1943—1949).
LIX
LIJST VAN DE LEDEN
DER
AFDELING VOOR TOEGEPASTE ENTOMOLOGIE
VAN DE
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING,
OP 1 JUNI 1948
(De Leden, die lid zijn van de Nederlandsche Entomologische
Vereeniging zijn met een + aangeduid).
+Dr G. Barendrecht, Conservator Entomologisch Laboratorium, Am-
sterdam, Zoölogisch Laboratorium, Plantage Doklaan 44, Amster-
dam (C.).
+L. Bels, biol. docts. Velserstraat 101, Haarlem.
+P. J. Bels, biol. docts., Provincialeweg 276, Houthem—St. Ger-
lach (L.).
Dr A F. H. Besemer, Hartenseweg 12, Wageningen, Post Ben-
nekom.
+Dr J. G. Betrem, Duymaer van Twiststraat 51, Deventer.
+Dr C. J. Briejèr, Dr Boeslaan 16, Wageningen.
F. L. Brouwer, Zijtak 2 Amersfoortse Straatweg, Naarden.
Mej. W. de Brouwer, Donckerstraat 44, ‘s-Gravenhage.
Mej. Dr M. P. de Bruyn Ouboter, Herenweg 95, Lisse.
Dr L. W. D. Caudri, Papenpad 12, Bennekom.
+J. B. Corporaal, Honorair Conservator voor Entomologie aan het
Zoölogisch Museum, afd. Entomologie, Zeeburgerdijk 21, Am-
sterdam (O.).
+Dr K. W. Dammerman, Lorentzkade 27, Leiden.
+Dr A. Diakonoff, p/a Zoölogisch Museum, Buitenzorg (Java).
Mej. Dr G. F. E. M. Dierick, Watteaustraat 36, Amsterdam (Z.).
+Dr Ir J. Doeksen, „Nijehorst”, Maarn (U.).
D. Dresden, biol. docts., Koningslaan 80, Utrecht.
--J. van der Drift, ,,Mariéndaal”, Oosterbeek (G.).
G. J. H. Ebbinge Wubben, IJsvogelplein 3, Den Haag.
E. Th. G. Elton, „Mariëndaal, Oosterbeek (G.).
+G. L. van Eyndhoven, Eindenhoutstraat 36, Haarlem.
+Dr. H. J. de Fluiter, Entomoloog aan het Laboratorium voor Ento-
mologie der Landbouwhogeschool, Hoogstraat 101, Wageningen.
+ Dr Ir J. J. Fransen, Entomoloog bij den Rijkstuinbouwvoorlichtings-
dienst, Van Nispenstraat 8, Arnhem.
+H. Franzen, Directeur der Nederl. Ratin Maatschappij, Hofwijck-
plein 32, ‘s-Gravenhage.
Mej. D. Frapon, Nicolaas Maesstraat 128a, Amsterdam (Z.).
+Dr D. C. Geijskes, Grote Watermolenstraat 26, Paramaribo (Su-
riname). |
Dr P. F. Baron van Heerdt, Eemnesserweg 91, Baarn.
Ir J. W. Heringa, Adelaarsweg 22, Amsterdam (N.).
LIJST DER LEDEN ENZ.
+D. Hille Ris Lambers, Dikkenberglaan 14, Bennekom.
=P Dr: È G. ten Houten, Anna van Saksenlaan 6, Santpoort.
G. Houtman, Drieboomlaan 154, Hoorn.
+H. J. Hueck, Vierambachtstraat 12A, Rotterdam.
+Dr L. G. E. Kalshoven, Hoofd van het Instituut voor Plantenziek-
ten, Coenweg 2-Paviljoen, Buitenzorg (Java).
TERA ist ea 134, Gent (Belgie).
+ Prof. Dr C. J. van der Klaauw, Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit,
Kernstraat 11, Leiden.
+Mej. Dr Caroline H. Klinkenberg, Lawickse Allee 36, Wageningen.
Dr H. N. Kluyver, Eekmolenweg &bis, Wageningen.
--T. van Kregten, Boddaertstraat 13, ‘s-Gravenhage.
+Dr G. Kruseman Jr, Conservator Zoölogisch Museum Amsterdam,
Afd. Entomologie, Jacob Obrechtstraat 16-hs, Amsterdam (Z.).
Dr B. J. Krijgsman, Schimmelpennincklaan 8, Utrecht.
+Dr D. J. Kuenen, „Het Klokhuis”, Wilhelminadorp (Z.).
+F. J. Kuiper, Beethovenlaan 26, Bilthoven.
+Dr P. A. van der Laan, Algemeen Proefstation voor den Landbouw,
Buitenzorg (Java).
+ Laboratorium der N.V. De Bataafsche Petroleum Maatschappij,
- Badhuisweg 3, Amsterdam (N.).
+Dr S. Leefmans, Brederolaan 11, Heemstede-Aerdenhout.
di a Hoofd van het Zoölogisch Museum, Buitenzorg
ava).
R. J. van der Linde, Utrechtseweg 45, Oosterbeek (G.).
+N. Loggen, Hermelijnlaan 75, Hilversum.
+F. E. Loosjes, biol. docts., Hamelakkerlaan 24, Wageningen.
+Dr W. J. Maan, Van IJsselsteinlaan 7, Amstelveen.
+Dr D. Mac Gillavry, Rusthuis „Charlois, Amerongen.
+J. Meltzer, Gezichtslaan 60, Bilthoven. —
+J. J. Meurer, Mr Bruntstraat 7, ‘s-Gravenzande.
+ Natuurhistorisch Museum, M. H. Trompstraat 19, Enschede.
+De Nederlandsche Heidemaatschappij, Arnhem.
D. Noordam Jr, Proeftuin voor de Bloementeelt, Aalsmeer.
+-M. de Nijs, Geneeskruidenkwekerij „De Geelgors’, Hessenweg 21,
Lunteren.
Ir P. H. van de Pol, Hullenberglaan 7, Bennekom.
+H. Prakke, Bosweg 103, Apeldoorn.
J. Reddingius, Groeneveld 19, Rotterdam (Z.).
Ibe Jig dil Rio Laboratorium Zuid-Hollands Glasdistrict, Naald-
wijk.
Ye Prof. Dr W. Roepke, Hoogleraar aan de Landbouwhogeschool, p/a
Laboratorium voor Entomologie, Berg 37, Wageningen.
Mej. Dr M. Rooseboom, Morchsingel 7, Leiden.
+G. van Rossem, Javastraat 12, Wageningen.
+L. E. van t Sant, Pafroclosstraat 201, Amsterdam (Z.).
C. Schoen, Nassaulaan 17, Bennekom.
Shell Nederland N.V. Postbus 69, ‘s-Gravenhage.
+F. G. A. M. Smit, Wilhelminaweg 6, Wageningen.
+W. Specht Grijp, Groenendaalkade 4, Heemstede.
--P. Terpstra, Ankersmitlaan 1, Deventer.
+N. van Tiel, Lomanstraat 33-hs, Amsterdam (Z.).
F. Tjallingii, Blumenkampstraat 15, Venlo.
+Dr L. J. Toxopeus, Anna Paulownastraat 22, Groningen.
Dr J. van der Vecht, wnd. Hoofd van het Instituut voor Planten-
ziekten, Buitenzorg (Java).
LIJST DER LEDEN ENZ. LXI
+ Vereeniging tot Oprichting en Instandhouding van den Proeftuin te
Aalsmeer, Aalsmeer.
+J. J. de Vos tot Nederveen Cappel, Burggravenlaan 5, Leiden.
Mej. Dr H. Vos, Churchilllaan 238111, Amsterdam (Z.).
+Dr A. D. Voûte, „Mariëndaal, Oosterbeek (G.).
Prof. Dr Joha Westerdijk, Javalaan 4, Baarn.
+Dr V. Westhoff, Prins Hendriklaan 15, Driebergen.
+P. van der Wiel, Gerard Terborgstraat 23, Amsterdam (Z.).
+Dr. J. Wilcke, Hartenseweg 22, Bennekom.
+ Dr J. de Wilde, Linnaeushof 61-hs, Amsterdam (O.).
BESTUUR DER AFDELING.
Dr. D. J. Kuenen, Voorzitter.
Ir J. W. Heringa, Secretaris.
Dry AD Voüte
Dr B. J. Krijgsman.
F. E. Loosjes.
VERSUAG
EN WETENSCHAPPELUKE MEDEDELINGEN
VAN DE
ZEVENDE HERFSTVERGADERING
DER
NEDERLANDSCHE ENTOMOLOGISCHE VEREENIGING
GEHOUDEN IN HET RESTAURANT VAN ,,ARTIS” TE AMSTERDAM
OP ZATERDAG 22 NOVEMBER 1947, DES MORGENS TE 11 UUR!)
Voorzitter : de President, Dr K. W. Dammerman.
Aanwezig : het Lid van Verdienste Dr D. Mac Gillavry en de gewone
leden : Dr G. Barendrecht, Prof. Dr L. F. de Beaufort, Ir G. A. Graaf
Bentinck, Dr J. G. Betrem, Dr H. C. Blöte, S. de Boer, Mr ©. M. Baron
van Boetzelaer, D. G. J. Bolten, H. W. Botzen, P. Chrysanthus, J. B.
Corporaal, Dr K. W. Dammerman, Prof. Dr W. M. Docters van Leeu-
wen, P. H. van Doesburg, G. L. van Eyndhoven, F. C. J. Fischer, Dr
H. J. de Fluiter, Dr D. C. Geijskes, F. de Graaf, W. H. Gravestein, H.
W. Herwarth von Bittenfeld, D. Hille Ris Lambers, B. de Jong, I. A.
Kaijadoe, Dr L. G. E. Kalshoven, T. van Kregten, Dr G. Kruseman Jr,
Dr D. J. Kuenen, F. J. Kuiper, N. Loggen, H. J. Mac Gillavry, Mej. M.
Mac Gillavry, J. Meltzer, G. S. A. van der Meulen, J. J. Meurer, S.
Nieuwenhuizen, D. Piet, de Plantenziektenkundige Dienst vertegenwoor-
digd door Dr. H. N. Kluyver, R. A. Polak, Proeftuin Z.H. Glasdistrict
vertegenwoordigd door Mej. W. de Brouwer, Dr C. O. van Regteren
Altena, Dr A. Reyne, N. S. Ritsma, Prof. Dr W. Roepke, G. van Rossem,
L. E. van 't Sant, F. G. A. M. Smit, L. Vari, de Vereeniging Proeftuin
Aalsmeer vertegenwoordigd door Ir G. S. van Marle, N. C. van der
Vliet, P. van der Wiel, Dr. J. Wilcke, J. de Wilde, Ir T. H. van Wis-
selingh.
Geïntroduceerd : F. L. Brouwer, Consulentschap Amstelveen verte-
genwoordigd door L. de Haan, F. Darlang, D. Dresden, J. van der Drift,
E. Th. G. Elton, W. Nijveldt, Mej. R. Rooymans..
Afwezig. met kennisgeving: de gewone leden: J. Bolland, W. F.
Breurken, D. Hemminga, S. van Heijnsbergen, Dr S. Leefmans, B. J.
Lempke, K. N. Nieuwland, Dr L. J. Toxopeus.
De Voorzitter opent de vergadering en wil, alvorens over te gaan tot
de wetenschappelijke mededelingen, de overledenen herdenken. Drie ern-
stige verliezen hebben de Vereniging sedert de Zomervergadering in
Ootmarsum getroffen. Op 2 Augustus overleed Dr D. L. Uyttenboo-
gaart, oud-President en Erelid der Vereniging, op 28 October d.a.v.
Mevrouw A. Y. S Mac Gillavry-Matthes, Begunstigster, en
tenslotte op 6 November het Lid van Verdienste en Erelid Prof. Dr J. C.
H. de Meijere, eveneens oud-President der Vereniging. In de Ento-
mologische Berichten zijn reeds korte necrologieën omtrent hen gepubli-
ceerd, terwijl de beide ereleden uitvoerig in het Tijdschrift voor Entomo-
logie zullen worden herdacht.
1) Afzonderlijk gepubliceerd 1 Maart 1949,
LXIV VERSLAG.
Hierna verleent hij het woord aan den heer G. van Rossem tot het
houden van zijn voordracht :
Overzicht van de Werkzaamheden op Entomologisch Gebied
van den Plantenziektenkundigen Dienst te Wageningen
in 1947')
Inhoud
Lepidoptera
1. Aardrupsen
2. Koolwitjes
3. Bladrollers
Coleoptera
1. Optreden van Helophorus
2. Aleochara
3. Anthrenus
4. Bonenkevers
5. Ceutorhynchus rapae Gyll.
6. Pityogenes chalcographus L. in Nederland
Dipt |
Il,
era
Dasyneura
2. Platyparea
3. Mineervliegen
Hartrot van selderij
Algemeen
Voorraadsinsecten
Lepidoptera
1. Aardrupsen
Op tal van plaatsen werd dit najaar het schadelijk optreden van aard.
rupsen geconstateerd. Er werden pogingen ondernomen om de soorten
te determineren, doch de uitslag hiervan is afhankelijk van den opkweek
der imagines, die eerst in het a.s. voorjaar kunnen worden verwacht. De
werking van moderne insecticiden, zoals DDT en 666-bevattende mid-
delen werd in het laboratorium op de rupsen beproefd.
2. Koolwitjes (Pieridae)
Een ernstige plaag van koolwitjes trad dit jaar op. In het begin van Juli
werd een abnormaal groot aantal vlinders van Pieris brassicae L. waar-
genomen. Op talrijke akkers in alle delen van het land werden koolplanten
zodanig aangevreten, dat alleen stengels en nerven overbleven.
3, Tortricidae
Speciale aandacht werd geschonken aan de diagnostiek van de in de
fruitteelt schadelijke bladrollers. Deze werkzaamheden geschiedden in
samenwerking met Dr D. J. Kuenen van Zeelands Proeftuin. Het on-
derzoek is nog niet zo ver gevorderd, dat resultaten kunnen worden ge-
publiceerd.
1) In dit rapport wordt uitsluitend melding gemaakt van belangrijke aantastingen of |
van gevallen, die in het bijzonder onze aandacht hebben getrokken. In verband met den
voor de lezing beschikbaar gestelden tijd moest een keuze worden gedaan uit de stof.
Voor een volledig verslag raadplege men t.z.t. het jaarverslag van den P.D. over 1947.
VERSLAG. LXV
Bleef de aantasting van pruimen door het pruimenmotje (Ernarmonia
(= Grapholitha) funebrana Treitschke) in vorige jaren over het alge-
meen beperkt tot de Bangert, plaatselijk ook wel in de Betuwe, Zeeland
en op de Zuid-Hollandse eilanden, dit jaar deed zich een over het gehele
land voorkomende ernstige aantasting voor. Van een voorkeur voor be-
paalde rassen was niet veel waar te nemen. De vroege rassen werden
weinig of niet aangetast.
Wormstekigheid (Carpocapsa pomonella L.) van appel en peer trad
dit jaar massaal op. Advies werd o.a. gegeven aan veilingen over doel-
treffende vernietiging van aangetast kroet, dat in grote massa's op de
veiling-terreinen lag opgestapeld en zodoende een bedreiging vormde voor
cmliggende fruitaanplantingen.
Coleoptera
1. Het optreden van larven van Helophorus rugosus Oliv. (Hydrophili-
dae) in de periode November-December 1946.
Bijzonder merkwaardig was het massaal optreden van de larven van
Helophorus rugosus Oliv. in den vroegen winter van 1946. In geheel
oostelijk Nederland, voorts op de Veluwe en in Brabant werden deze
keverlarven gevonden in percelen stoppel- of herfstknollen (Brassica Ra-
pa L.), die als navrucht worden geteeld en gewoonlijk door de boeren als
veevoeder worden gebruikt. De 6-10 mm grote larven bevonden zich bij
voorkeur in de bladoksels en vegetatiepunten van het bovengenoemde
gewas. De planten werden door de vreterij van deze larven op 3 verschil-
lende wijzen beschadigd.
a. Vreterij aan de knollen, dikwijls juist ter hoogte van de oppervlakte
van den grond ; ook het gehele bovengrondse deel van den knol ver-
toonde in veel gevallen de onregelmatige, soms cirkelvormige, vrij
diepe beschadigingen van de opperhuid.
b. Vreterij aan den voet der bladstelen in den vorm van cirkelronde be-
schadigingen ; langs de randen der wond dikwijls callus-vorming.
c. Ernstige beschadiging van het vegetatie-punt.
Hoewel de stoppelknol een belangrijk gewas moet worden geacht met
het oog op het gebruik als veevoeder, zijn wij toch van mening, dat de
schade der Helophorus-larven niet van zeer grote economische betekenis
werd. Het gevaar van de aantasting zou met het oog op het ver gevorderde
seizoen, waarin zij optrad, vooral kunnen schuilen in een tot rotting over-
gaan van het gewas bij grote vochtigheid. In Overijsel werd hier en daar
50% verlies van het loof geconstateerd. Gevaarlijker evenwel moet de
aantasting van het jonge zaaisel van herfstknollen in den nazomer worden
geacht; voorts werd te Vleuten (Utr.) belangrijke schade aan kool-
weeuwen vastgesteld. In dit verband dient te worden gewezen op een
mededeling van Petherbridge (1928) over het optreden van „turnip
mud beetles” (H. rugosus en H. porculus Bed.) in Engeland. Aldaar werd
vooral schade aan Brassica Rapa opgemerkt, doch ook verschillende an-
dere economisch belangrijke Cruciferae werden aangetast. De beschadi-
ging door de larven trad vooral op in den nazomer, herfst en winter.
Het schadelijk optreden van Heiophorus-imagines werd in ons land
voor het eerst door Schoevers (1936) gemeld. Een zaaisel koolraap
te Steenwijk werd in Juli 1935 ernstig beschadigd door Helophorus por-
LXVI VERSLAG.
culus Bed. In den herfst van hetzelfde jaar constateerde Schoevers
op verschillende plaatsen des lands de schade der larven.
In de literatuur heerst een meningsverschil over de levenswijze der
Helophorus-larven. Sommige auteurs beschouwen deze larven als roof-
vijanden van snuitkever- en Halticiden-larven. Hieromtrent zijn de be-
richten van Isaacs (1923) van belang. Deze auteur heeft waarge-
nomen, dat Helophorus-larven zich in de gal van Ceutorhynchus pleuro-
stigma Marsh. inboorden en de in de gal aanwezige snuitkeverlarve
verslonden. Ook in kooien in het laboratorium heeft Isaacs dit waar-
genomen.
Petherbridge lc. schrijft, dat hij Helophorus rugosus-larven
door C. pleurostigma-larven bewoonde gallen aanbood, doch dit experi-
ment slaagde niet. Ook waarnemingen in het veld brachten Pether-
bridge tot de mening, dat de Helophorus-larven niet van grote
betekenis zijn als roofvijanden van Ceuforhynchus pleurostigma-larven.
Wij hebben de Helophorus-larven uitsluitend als planteneters leren
kennen ; ofschoon zij met hun zeer krachtige mandibels een roofzuchtigen
indruk maken, zagen wij nimmer carnivore neigingen. Merkwaardig was
evenwel het optreden van een roofvijand der Helophorus-larven, op vrijwel
alle plaatsen waar de laatsten werden aangetroffen. Wij bleken hier te
doen te hebben met fluweelzwarte, 13 tot 14 mm grote larven ener
Cantharide, zeer vermoedelijk een Thelephorus-species. Het opkweken
hiervan mislukte helaas, hoewel wij deze dieren gedurende langen tijd
in leven gehouden hebben met Helophorus-larven. Wel slaagden wij er in
enige larven van Helophorus rugosus op te kweken tot imago. Voorts
verzamelden wij te Loo (Ov.) en Twello imagines van laatstgenoemde
soort op stoppelknollen.
Omtrent de verspreiding van H. rugosus en H. porculus valt op te
merken, dat deze soorten in Duitsland zeer zeldzaam schijnen te zijn.
Uit Duitsland is slechts 1 oud exemplaar van A. porculus bekend. Men
kan deze kevers dan ook met het oog op het meer algemeen voorkomen
in de westelijke kustgebieden van ons continent beschouwen als atlan-
tische soorten.
Isaacs, P. V. — The Turnip gall weevil. Ceuthorrhynchus pleurostigma Marsh.
Ann. of appl. Biology 10 (1923), p. 151—193.
Klarenberg, K. A. — Aantasting van stoppelknollen door Helophorus spec.
Tijdschr. o. Plantenz. 52 (1946), p. 121—122.
Petherbridge, F.R. — The Turnip Mud Beetles (Helophorus rugosus Oliv.
and H. porculus Bed.). Ann. of appl. Biology 15 (1928), p. 659 —678.
Schoevers, T. A. C. — Verslag over de werkzaamheden van de Planten-
ziektenkundige Dienst in het jaar 1935. Uitg. No. 83 (1936), p. 1516.
Deze merkwaardige parasiet van de koolvlieg (Chortophila brassicae
Bché) werd in 1947 eenmaal door ons opgemerkt. Men zie voor nadere
bijzonderheden
2. Aleochara bilineata Gyll. (Staphylinidae).
Wilde, J. de — Over enkele belangwekkende parasieten van de koolvlieg
Chortophila brassicae Bché. Tijdschr. v. Ent. 88 (1945), p. 531—536.
3. Anthrenus sp. (Dermestidae)
Talrijk waren de verzoeken om advies inzake de bestrijding van
Anthrenus-larven, die schade veroorzaakten bij particulieren in kleren-
VERSLAG. LXVII
kasten. Vermoedelijk is deze plaag ontstaan als gevolg van den warmen
zomer. In enkele gevallen slaagden wij er niet in de larven nader dan het
genus te determineren, hoewel wij gebruik maakten van het uitstekende
werk van
Hinton, H. E. — A Monograph of the Beetles associated with stored Products.
Vol. I, Printed by Order of the Trustees of the British Museum, London 1945.
4. De aantasting van tuinbonen (Vicia faba L.) door den groten bonen-
kever Bruchus rufimanus Bohem. en het optreden van Acanthosce-
lides obtectus Say in Nederland.
Vermoedelijk begunstigd door den abnormaal warmen zomer is de
bonenkever Bruchus rufimanus Bohem. in sommige delen van het land
tot massale ontwikkeling gekomen. Vooral de zaadteelt van tuinbonen
in Noord-Holland (omgeving Andijk en de Wieringermeer) en in Fries-
land werd ten gevolge van de hevige aantasting der zaden ernstig
benadeeld. Bij een speciale inspectietocht in Noord-Holland hebben
wij partijen gezien, waarvan de bonen voor 25-60% aangetast waren.
Vooral in verband met den export, waarvoor deze bonen in het bijzonder
geteeld worden, zijn thans moeilijkheden gerezen. Door den Planten-
ziektenkundigen Dienst, in samenwerking met de N.A.K.-G. werd het
nodig geacht enige normen vast te stellen voor het te exporteren tuin-
bonenzaad.
l. In voor export bestemde partijen mogen geen levende kevers
aanwezig zijn.
2. Bonen met 3 of meer gaatjes dienen als waardeloos te worden
beschouwd en worden tot het zgn. piksel!) gerekend. De partijen
mogen hoogstens 5% piksel bevatten.
Korte samenvatting van de levenswijze.
In den voorzomer zetten de kevers hun eieren af aan de zeer jonge, pas
gezette peulen, vnl. van tuin- of paardebonen, doch ook, maar in mindere
mate, aan die van andere bonensoorten en erwten. De na ca 2 weken uit
de eieren komende larven boren zich door de peul en begeven zich ver-
volgens in de jonge zaden, waarin zij een holte maken. Tegen den tijd,
dat de larven volwassen zijn, vreten zij naar de buitenzijde van de boon
een gang; deze eindigt tegen de zaadhuid. De plaats, waar de larve
zich onder de zaadhuid bevindt, is als een cirkelronde, donkere plek
op de zaadhuid zichtbaar.
In den nazomer, tegen dat de bonen rijp zijn, verpoppen de larven
zich in de boon, direct onder de zaadhuid. De jonge kevers komen ge-
woonlijk eerst tegen het einde van den winter te voorschijn, doch dit jaar
verliet een groot aantal reeds in September de bonen. Indien de kevers
daartoe in de gelegenheid zijn, verschuilen zij zich aanvankelijk in de
opslagplaats van het zaad, waarna zij in het voorjaar wegvliegen en
in Juni op het veld een nieuwe aantasting veroorzaken.
Bruchus rufimanus kan zich derhalve niet in de droge, opgeslagen partij
voortplanten en kan daarom niet als een typisch voorraadsinsect worden
beschouwd. Dit laatste is wel het geval met den bonenkever Acantho-
scelides obtectus Say. Omtrent het optreden in ons land van deze laatst-
1) Onder piksel verstaat men alle ongerechtigheden, die bij het sorteren uit de partij
worden verwijderd.
LXVII VERSLAG.
genoemde, economisch zeer belangrijke Bruchide werd door ons reeds
eerder bericht (1946). Wij mogen verwachten, dat de zeer warme zomer
van 1947 de verspreiding van deze keversoort heeft bevorderd.
Een viertal meldingen van aantasting zijn dan ook tot nu toe voor
1947 geregistreerd : Amersfoort, Amerongen, Hoensbroek en wederom
Heerlen. In al deze gevallen waren de kevers afkomstig uit partijen ter
plaatse geteelde witte of bruine stambonen.
Zoals bekend zal zijn, is A. obtectus zo gevaarlijk, omdat hij zich in de
opgeslagen, dus droog bewaarde bonen kan handhaven. Indien derhalve
niet wordt ingegrepen, kan de gehele opslag worden vernietigd. Het feit,
dat A. obtectus niet alleen als voorraadsinsect moet worden beschouwd,
maar tevens een infectie van de zaden van te velde staande bonen kan
teweeg brengen, maakt het nodig dezen kever nauwkeurig in observatie te
houden.
Rossem, G. van — Het voorkomen van den Boonenkever Acanthoscelides
obtectus Say. (Col. Bruchidae) te Heerlen (L.). Tijdschr. o. Plantenz. 52 (1946),
p. 85—90.
5. Verslag over de aantasting van jonge koolplanten door snuitkever-
larven (Ceutorhynchus rapae Gyll.) in de omgeving van Dedems-
vaart Il).
De in 1946 aangevangen onderzoekingen over de snuitkeverplaag te
Dedemsvaart werden in 1947 voortgezet. In hoofdzaak bepaalden wij ons
dit seizoen tot het opkweken der schadeverwekkers, terwijl daarnaast de
bestrijdingsmogelijkheden verder werden onderzocht.
In het verslag over het werk in 1946 werd verondersteld, dat een
goede kans aanwezig was, dat C. quadridens Panz. de voornaamste aan-
taster der jonge koolplanten te Dedemsvaart zou blijken te zijn. Wij stel-
den evenwel vast, dat het schadebeeld te Dedemsvaart niet geheel in
overeenstemming bleek te zijn met de meer algemeen bekende, door C.
quadridens veroorzaakte beschadiging.
Het opkweken.
Gedurende het afgelopen seizoen beschouwden wij het als onze voor-
naamste taak vast te stellen welke Ceutorhynchus-species de schade te
Dedemsvaart veroorzaakt, terwijl wij voorts trachtten onze kennis inzake
de levenswijze en de ontwikkeling van dit insect te completeren.
Wij pasten de volgende methoden bij het kweken toe:
1. Het plaatsen van een kooi over 1 aangetaste plant.
2. Het ingraven van aarden bakken in het zaaibed vóór het zaaien ; la-
ter kunnen deze bakken met de jonge aangetaste planten er in naar
het laboratorum overgebracht worden, zonder dat de turgor der
planten wordt beïnvloed.
3. Uitleggen van willekeurig uitgetrokken, aangetaste planten in platte,
glazen schalen. De larven verlaten de planten binnen het verloop van
enige dagen. De volwassen te achten larven worden vervolgens over-
gebracht in reageerbuisjes, gevuld met grond (1 larve per buisje).
De verpopping heeft, indien de larve volwassen is, in den grond
plaats. De ontwikkeling der larven in de planten kan in het labo-
ratorium gevolgd worden aan de hand van de onder sub. 2 ge-
noemde planten in de aarden schalen.
1) Zie ook: Van Rossem (1948).
VERSLAG. LXIX
Uit de met succes opgekweekte larven verkregen wij een aantal imagi-
nes van C. rapae Gyll., die als de voornaamste beschadiger van de jonge
koolplanten (vnl. bloemkool) te Dedemsvaart hier voor de eerste maal
wordt gesignaleerd. Voorts verkregen wij een tweetal imagines van C.
quadridens, waarop nog wordt teruggekomen.
Verloop der aantasting te Dedemsvaart in 1947.
Een © van C. rapae werd reeds op 26 April (1947) tussen de kool-
planten te Dedemsvaart aangetroffen. Op grond van voortdurende waar-
nemingen, zowel van den kweker, den heer Romkes en den techn.
ambtenaar bij den P.D., den heer J. Pas, als van onszelf, mogen wij aan-
nemen, dat vóór 10 Mei nog geen eieren werden afgezet. Op 14 Mei
werden evenwel de eerste aangetaste planten, die een ei bevatten. in het
zaaibed aangetroffen. Van dien datum af nam de aantasting in het waar-
nemingsperceel snel toe. Bij een onderzoek op 22 Mei vonden wij in tal-
rijke planten larven in het eerste stadium, terwijl tevens eieren in diverse
ontwikkelingsstadia konden worden verzameld. Denzelfden dag plaatsten
wij kooien over aangetaste planten. Bij een bezoek op 4 Juni bleken de
planten in het waarnemingsperceel voor vrijwel 100% te zijn aangetast.
. Merkwaardig was echter, dat de zaaibedden van den kweker, die op
enigen afstand van het waarnemingsperceel in de kwekerij waren gelegen,
slechts een zeer matige aantasting te zien gaven (gem. 2%). Dit had
tot gevolg, dat alle bestrijdingsproeven, die op deze bedden werden in-
gezet, niet tot objectieve vaststelling van resultaten konden leiden. In hoe-
verre dit lage aantastingspercentage natuurlijk was of iets te maken had
met de door den kweker zeer dicht bezaaide bedden hebben wij niet kun-
nen bepalen.
Op 16 Juli vingen wij in een drietal kweekkooien resp. een exemplaar
van C. rapae. Opgemerkt dient te worden, dat de door ons gebruikte
kooien van horrengaas in het geheel niet voldeden, daar door de ont-
wikkeling der plant de aanwezigheid van een ca 3 mm groot kevertje met
sterke dekkleur vrijwel niet te constateren was. Bovendien verschuilen de
kevers zich dikwijls tussen aardkluitjes. Omstreeks laatstgenoemden da-
tum werd bij den kweker Rom kes het waarnemingsperceel opgeruimd.
Op 16 Juli evenwel constateerden wij op het terrein van den Zaadhandel
Boertjeste Dedemsvaart een vrij hevige aantasting in zaaibedden van
witte-, Savoye- en bloemkool. Uit de aldaar verzamelde larven, die in het
laboratorium te Wageningen meest reeds op 17 Juli de planten hadden
verlaten, verkregen wij op 30 en 31 Juli enige imaginez van C. rapae.
Ontwikkelingsgeschiedenis van C. rapae Gyll.
De tijd van verschijnen der overwinterde imagines is zonder twijfel
afhankelijk van de weersomstandigheden in het voorjaar. Na den excep-
tioneel strengen winter 1946/47 verschenen de kevers derhalve eerst in de
tweede helft van de maand April; deze tijd komt goed overeen met de
door ons verrichte phaenologische waarnemingen aan andere economisch
belangrijke Ceutorhynchus-species (C. quadridens 12 April 1947, Beek-
huizen bij Arnhem op Cardamine pratensis L., Heer (L.) 18 April op
boerekool ; C. contractus Marsh. 12 April te Oosterbeek, 19 April te
Wittem op Cardamine pratensis L., 25 April op Alliaria officinalis
Andrzj. te Bergen N.H., larven te Sint Pancras in blad van bloemkool op
25 April).
LXX VERSLAG.
Te Dedemsvaart werden, zoals boven reeds is gezegd, de eerste eieren
tussen 10 en 14 Mei gelegd. De bevruchte wijfjes boren met den snuit
een 2 tot 3 mm diep gaatje in den hoofdstengel, gewoonlijk niet ver van
het vegetatiepunt. Zij schuiven vervolgens met den ovipositor het ei in de
wond. Hoewel hieromtrent niets vaststaat, laat zich vermoeden, dat na het
leggen van het ei de wond met een hardwordend secreet wordt afgesloten.
Het in het plantenweefsel beklemd liggende ei is doorschijnend grijswit van
kleur. Zoals ook bij andere Ceutorhynchus-species is waargenomen, neemt
het ei vermoedelijk gedurende de ontwikkeling van het embryo een wei-
nig in grootte toe, terwijl tevens door den druk van het plantenweefsel
sterke verschillen in vorm kunnen optreden. Een vijftal door ons gemeten
eieren gaven de volgende waarden : 0.40 X 0.31 mm, 0:62 X 0.37 mm,
0.68 X 0.37 mm, 0.75 X 0.50 mm, 0.75 X 0.56 mm; het laatste ei bevatte
een geheel voltooid embryo. De ei-toestand neemt 5 tot 8 dagen in be-
slag.
Het maakt den indruk, dat de wijfjes niet meer dan 1 ei per plant depo-
neren ; meer larven in een plant duidt op ovipositie door meer dan één
kever in dezelfde plant. Körting (1942) heeft de ovipositie van C.
quadridens uitvoerig beschreven ; hij stelde vast, dat deze laatstgenoem-
de soort per legsel 10 eieren kan afzetten. Uit 86 legsels verkreeg hij een
gemiddelde van 3.7 ei per legsel. Hierin schuilt reeds een belangrijk ver-
schil met C. rapae.
Na de ovipositie reageert de plant dikwijls door een zwakke, maar toch
duidelijke zwelling van het vegetatie-punt. De jonge larve schijnt zich bij
voorkeur te bevinden in het merg (parenchym), juist onder het vegetatie-
punt ; als gevolg hiervan sterft de hoofdspruit gewoonlijk af.
De totaal-indruk, die de beschadiging door de larven van C. rapae
geeft, is zeer typisch die van een gal, zulks in tegenstelling met de ‘be-
schadiging door C. quadridens-larven. De laatstgenoemde soort veroor-
zaakt in de meeste gevallen een aanzienlijke holte, waarin zich een aantal
larven tezamen bevinden. Te Dedemsvaart constateerden wij tweemaal de
aanwezigheid van C. rapae- en C. quadridens-larven in dezelfde plant.
Voor zover wij hebben kunnen nagaan, wordt de voornaamste schade
evenwel veroorzaakt door C. rapae.
Larvenstadia
Evenals bij C. quadridens en C. pleurostigma doorlopen de larven 3
stadia alvorens zij zich verpoppen. Hoewel hieromtrent nog onvoldoende
waarnemingen werden gedaan, verhouden de 3 larven-stadia zich onge-
veer als volgt:
le stadium lengte larve 0.75— 2 mm, breedte kopkapsel 0.30—0.44 mm
2e 3 i ae ST 4, à 0.52—0.66 ,,
Se > ” 56! SST 3 Re 0.70—0.85 ,
De duur van elk der larven-stadia kon nog niet worden nagegaan,
daar de larven sterk reageren op verstoring; gewoonlijk verlaten zij dan de
plant en sterven spoedig daarna. Op grond van onze waarnemingen re-
kenen wij, dat de gehele larvenontwikkeling, afhankelijk van de tempera-
tuur, 2—3 weken in beslag neemt.
Parasieten
Er werden een tweetal larven met ectoparasieten aangetroffen ; in één
geval gelukte het ons het wespje op te kweken. Het bleek volgens de
VERSLAG. LXXI
determinatie van Dr J. Wilcke een Braconide te zijn, behorende tot het
genus Bracon. De soort kon helaas niet worden vastgesteld.
Poptoestand
Zodra de larven volwassen zijn, verlaten zij de plant en kruipen in den
grond om zich te verpoppen. De verpopping heeft plaats in de bovenste
grondlaag (ca 3 cm), in een, zoals dit ook van andere Ceut.-soorten be-
kend is, door de larve met behulp van een secreet vervaardigde cocon van
gronddeeltjes. De poptoestand nam in het laboratorium 13 tot 21 dagen
in beslag, in de meeste gevallen echter niet meer dan 14 dagen Hoewel
wij dit nog niet hebben kunnen waarnemen, mag worden verwacht, dat de
eigenlijke duur van de poptoestand niet de gehele periode van het verblijf
in den grond in beslag neemt. De larve blijft zeer waarschijnlijk na de
vervaardiging van de cocon eerst enigen tijd in rust.
De gehele ontwikkeling van ei tot imago van C. rapae neemt volgens
onze voorlopige raming 3 tot 5 weken in beslag. Dit komt goed overeen
met de door Körting (l.c.) voor C. quadridens waargenomen tijden.
Voor zover wij dit hebben kunnen vaststellen, treedt slechts één gene-
ratie per seizoen op. Het late optreden van larven (b.v. tijdens de maand
Augustus, hetgeen overigens door ons te Dedemsvaart niet werd waar-
genomen) moet worden teruggebracht op de langdurige periode van ovi-
positie ; dit bemoeilijkt in sterke mate de bestrijdingsmogelijkheden.
De jonge kevers zullen na het verschijnen nog enigen tijd rondzwer-
ven alvorens zij in zomerrust gaan. Dat zij in deze periode niet geheel
onschuldig zijn, is op te merken uit het bericht van Schoevers, dat
in 1941 C. rapae-imagines het hart van jonge bloemkoolplanten bescha-
digden, zelfs zo ernstig, dat de planten geen behoorlijke inflorescentie
meer konden ontwikkelen. Wij hebben deze schade nadien echter nog
niet waargenomen. De zomerrust der jonge kevers gaat in de winter-
rust over. Hoewel wij hieromtrent geen waarnemingen hebben ge-
daan, verwachten wij, dat de kevers zich in ruigte zullen verbergen.
Wellicht kruipen zij weer in den grond.
De imago.
Imagines van C. rapae Gyllenhal 1837 gelijken sterk op die van C.
napi Gyll. Wij waren in de gelegenheid de type-exemplaren dezer beide
soorten met ons materiaal te vergelijken. Het bleek, dat ons materiaal
identiek is met het type van Gyllenhal, een & exemplaar, dat zich
in het museum te Stockholm bevindt.
Hoewel wij in een latere, uitvoerige studie over C. rapae hierop hopen
terug te komen, valt op te merken, dat C. rapae en C. napi gemakkelijker
zijn te onderscheiden, dan in de meeste werken wordt aangegeven. De
auteurs onderscheiden deze soorten met behulp van het bultje, dat aan
weerszijden op het halsschild van C. rapae aanwezig is, doch bij C. napi
ontbreekt. Dit is echter niet altijd even duidelijk te zien. Bij het ons ten
dienste staande materiaal uit de verzamelingen van het Zoöl. Museum
te Amsterdam en van den heer P. van der Wiel te Amsterdam,
alsmede ons eigen materiaal, zijn de tussenruimten der ronde, diepe stip-
pels op het halsschild van C. rapae glad en glanzend. Het halsschild van
C. napi vertoont ondiepe, meer of minder zeshoekige stippels; de tus-
senruimten zijn dikwijls onduidelijk, ten dele zelfs enigszins scherp-
kantig verheven. Als gevolg daarvan zijn zij niet glanzend. Exemplaren
LXXII VERSLAG.
van C. napi vertonen over het algemeen een krachtiger beharing van het
halsschild en de elytra dan C. rapae.
Verspreiding in Nederland.
C. rapae werd op de volgende plaatsen in Nederland aangetroffen :
Assen (VI); Vorden (VI); Dedemsvaart IV, V, VI, VII (Planten-
ziektenk. Dienst); Arnhem (Veth); Groesbeek (V, 1939, v. d. Wiel);
de Bilt (VI) ; Westerschouwen.
Literatuur.
Gyllendal, L. — Ceuth. rapae, in Schönh. Gen. Sp. Cure. IV, 1 (1837), p. 547.
Körting, A. — Ueber die Lebensweise des gefleckten Kohltriebrüszlers (Ceu-
thorrhynchus quadridens Panz.) und seine Bedeutung als Ölfruchtschädling.
Arb. i. Phys. und angew. Ent. 9 (1942), p. 207—237.
Rossem, G. van — Verslag o. de aant. v. jonge koolpl. d. snuitk. larven i. d.
omg. wv. Dedemsvaart I (1946). Versl. 6e Herfstverg. Ned. ent. Ver. te Amst.
23 Nov. 1946, Tijdschr. v. Ent. 89 (1948), p. LKXII-LXXXI.
Schoevers, T. A. C. — Verslag over de werkzaamheden v. d. Planten-
ziektenk. Dienst in het jaar 1941. Uitg. No. 100 (1942), p. 25.
6. Pityogenes chalcographus L. (Col, Scolytidae) in Nederland.
In October (1947) ontvingen wij een zending Scolytidae uit Valken-
burg in Zd Limburg. Bij determinatie bleken wij te doen te hebben met
Pityogenes chalcographus, een soort, die weliswaar reeds eerder in ons
land gevonden was, doch waarvan de vindplaats volgens de mededelingen
van den heer P. van der Wiel niet met zekerheid bekend mocht
worden geacht, daar E verts de kevertjes aantrof in aangevoerd brand-
hout te ‘s-Gravenhage en Amsterdam.
Te Valkenburg bleken enige exemplaren van Picea excelsa (spar)
op een particulier terrein te zijn aangetast. Persoonlijk hebben wij de
aantasting niet in ogenschouw kunnen nemen, doch de heer Borkent,
techn. ambtenaar bij den Plantenziektenkundigen Dienst te Roermond,
deelde ons mede, dat de ca 15 meter hoge bomen langs den rand van een
zeer steile helling geplaatst waren. Gedurende den afgelopen zomer zijn
deze bomen ten gevolge van de droogte gaan kwijnen. De aantasting van
P. chalcographus moet hier dus als secundair worden beschouwd. Een
uitvoerige publicatie over dit kevertje is van de hand van Schwerdt-
feger (1929) verschenen; deze auteur komt tot de conclusie, dat de
bosbouwkundige betekenis van deze Scolytide niet groot is, daar hij
bijna steeds secundair optreedt.
Schwerdtfeger, F. — Ein Beitrag zur Fortpflanzungsbiologie des Borken-
käfers Pityogenes chalcographus L. Zeitschr. f. angewandte Ent. 15 (1929),
p. 335—427.
Diptera
1. Dasyneura mali Kieff. en D. piri Bché. (Cecidomyiidae)
Er werd een vrij sterk optreden van de larven van deze galmuggen,
resp. op appel en peer, geconstateerd. De aantasting blijkt uit een sterke
bladrolling, waarbij opvalt, dat de bladrand in de lengte-as van het blad
vrij stijf is opgerold. De gal is gewoonlijk enigszins verdikt en zwak tot
sterk rood verkleurd.
In Engeland bereikt men goede resultaten door bestrijding met !/10%
nicotine plus uitvloeier. Met deze bespuiting zou men omstreeks eind Mei
VERSLAG. LXXII
moeten aanvangen, terwijl twee of meer herhalingen met een week tus-
senruimte noodzakelijk zijn. In ons land werd tot nu toe nog niet tot
bestrijding overgegaan.
2. Platyparea poeciloptera Schrank (Trypetidae)
Evenals in 1946 werd een ernstige aantasting van de zgn. aspergevlieg
in Noord-Limburg vastgesteld. Voor bijzonderheden zij verwezen naar
een artikel van
Pol, P. H. van de — De aantasting van de Aspergevlieg in N.-Limburg,
Meded. v. d. Direct. v. d. Tuinbouw, 1946, p. 629—631.
3. Mineervliegen (Agromyzidae)
Phytomyza sp. f
Ofschoon niet van zeer grote economische betekenis, dient toch de vrij
hevige aantasting van herfstknollen (Brassica Rapa L.) in het midden en
oosten des lands door de larven van mineervliegen te worden vermeld.
Een onderzoek naar de betreffende soorten is nog niet voltooid.
Hartrot van selderij overgebracht door mineervliegen
Van verschillende zijden bereikten ons in September (1947) inzendin-
gen knolselderijplanten, waarvan het hart tot rotting was overgegaan. In
de rottende massa vonden wij steeds een aantal vliegenlarven, die men ge-
neigd zou zijn als secundaire bewoners te beschouwen. Een soortgelijke
aantasting heeft zich 18 jaar geleden voorgedaan ; hiervan werd melding
gemaakt in ons jaarverslag over 1929 (men zie pag. 28 en 29 voor een
goede beschrijving van het ziektebeeld). In dit verslag wordt tevens ge-
sproken over een onderzoek, dat in Amerika werd uitgevoerd, over het
hartrot van selderij. De resultaten daarvan werden door Leach in
1927 gepubliceerd. Wij vinden in deze publicatie een verklaring van het
ook door ons waargenomen verschijnsel, dat het bacterie-rot, zeer tegen
den regel in, bij warm, droog weer speciaal optreedt.
Leach heeft aangetoond, dat hartrot bij selderij (veroorzaakt door
Bacillus carotovorus Jones) wordt overgebracht door mineervliegen, be-
horende tot de soorten Scaptomyza graminum Fall. en Elachiptera costata
Löw. Hij nam aan, dat de vliegen vrijwel altijd de bovengenoemde bac-
teriën bij zich dragen, daar zij om zich te voeden geregeld rottende plan-
tenweefsels bezoeken. Bij het leggen der eieren zullen deze bacteriën
eveneens op de planten worden gebracht. Zodra nu de jonge larven het
plantenweefsel beschadigen, kan infectie met het bacterierot optreden.
De vliegen zetten bij voorkeur haar eieren af op plaatsen met een hoge
luchtvochtigheid, misschien zelfs het liefst in de nabijheid van water-
droppels. Bij droog weer zal zonder twijfel het meeste vocht in het vegeta-
tiepunt te vinden zijn, zodat de eieren hier gedeponeerd worden. Bij voch-
tig of regenachtig weer heeft ovipositie plaats aan de buitenste bladeren,
zodat in dit geval weinig of geen schade wordt veroorzaakt. De jonge
hartbladeren bezitten evenwel weinig weerstand, zodat na infectie weldra
het gehele hart tot rotting overgaat.
Het bovenstaande is een typisch voorbeeld van „insect transmission of
plantdiseases’, over welk onderwerp Leach in 1940 een uitstekend boek
heeft gepubliceerd. Naast veel gegevens over tal van andere door in-
secten overgebrachte ziekten, vinden wij ook het bacterierot van selderij
nog eens uitvoerig behandeld.
LXXIV VERSLAG.
Inmiddels zijn wij er in geslaagd een serie vliegen op te kweken uit
de ingezonden knolselderijplanten ; deze zijn echter nog niet gedeter-
mineerd. Een goede bestrijding kan niet worden aangegeven. Het lijkt
van belang, dat alle zieke planten tijdig worden opgeruimd, daar deze als
infectiebron een gevaar opleveren.
Goossens, J. — Verslag over de werkzaamheden van de Plantenziektenk.
Dienst in het jaar 1929. Uitg. No. 62 (1930), p. 28—29.
Leach, J. G. — The relation of insects and weather to the development of
Heart Rot of Celery. Phytopathology 17 (1927), p. 663—667.
Leach, J. G. — Insect Transmission of Plantdiseases, Mc Graw-Hill Book
Comp. Inc. New York and London, 1940.
Algemeen
1. Voorraadsinsecten
Dit probleem werd gedurende het afgelopen jaar met kracht ter hand
genomen. De taak van den P.D. bestaat hier uit het geven van voor-
lichting over de bescherming van voedselvoorraden. De directe contröle
in de havens van binnenkomende schepen en opgeslagen voorraden be-
rust bij het Aan- en Verkoopbureau voor Akkerbouwproducten (A.V.A.).
Deze laatstgenoemde dienst zendt monsters van alle binnenkomende
voorraden aan den P.D. te Wageningen. Deze monsters worden onder-
zocht op schadelijke insecten, waarvan de soort wordt vastgesteld. Ver-
volgens wordt advies over eventueel nood zalselijkke bestrijdingsmaatrege-
len aan het A.V.A. uitgebracht.
Contröle op het gebied der voorraadsinsecten werd sedert den afloop
van den oorlog in sterke mate gestimuleerd door een internationale orga-
nisatie, Infestation Control Working Party, die tegenwoordig een onder-
deel vormt van de Food and Agricultural Organisation (F.A.O.) der
Verenigde Naties. Nederlands gedelegeerde bij de I.C.W.P. is de Direc-
teur van den P.D., Dr C.J. Briejèr.
De heer Kuenen vraagt of het beeld van de aantasting van Dasyneura
mali gelijk is aan dat van D. pyri, hetgeen door den heer Van Rossem
wordt bevestigd. De heer Kuenen vermeldt verder zijn waarneming aan
Anthonomus cinctus met betrekking tot het afsluiten van het gat waarin
het ei is gelegd, welk proces vermoedelijk vrijwel gelijk verloopt aan dat
bij Ceutorhynchus rapae.
De heer Docters van Leeuwen merkt op, dat D. pyri vooral op water-
lot voorkomt en bij voorkeur op bepaalde variëteiten (o.a. Triomphe de
Vienne) en dat ook D. mali veelvuldig voorkomt op wilde appels. De
heer Van Rossem zag de schade dit jaar voor het eerst op grote schaal.
De heer De Wilde zag imagines van C. quadridens Panz. op 18 April
in Horst op rode kool weeuwen en vraagt of dit te rijmen valt met andere
phaenologische waarnemingen. De heer Van Rossem deelt mede, dat de
data van verschijnen in verschillende delen van het land uiteenlopen.
De heer De Wilde citeert verder een artikel van Günthart, die goede
resultaten kreeg met hexachloorcyclohexaan tegen larven en eieren van
Ceutorhynchus. Volgens den heer Van Rossem is dit bestrijdingsmiddel
minder geschikt wegens den smaak, dien het aan het product kan geven.
Tevens is een proef bij grondbehandeling met volkomen negatief resul-
taat uitgevoerd. Hij gelooft verder niet erg in de opname van hexachloor-
cyclohexaan in de plant, maar desbetreffende proeven hadden wegens
geringe aantasting van het proefveld geen resultaat.
VERSLAG. LXXV
De heer Roepke deelt mede, dat in de laatste 10 a 20 jaar Attagenus
pellio veel schade doet aan wollen ondergoed. De dieren kunnen zich
gemakkelijk verplaatsen en hij vraagt of DDT er goed tegen zou wer-
ken. Het advies, dat door den P.D. wordt gegeven, is volgens den heer
Van Rossem de kasten schoonmaken en behandelen met een DDT-
middel, dat een residu achterlaat. Het ingezonden materiaal, uitsluitend
larven, kon met de bestaande literatuur niet met zekerheid gede-
termineerd worden, hoewel zeker is, dat het tot het genus Anthrenus
behoort. De heer Roepke merkt nog op, dat de kevers, vliegend, zowel
in huis als buiten massaal kunnen worden waargenomen.
Volgens den heer Kruseman komen de imagines steeds weer aanvlie-
gen uit pakhuizen enz. Is een dier eenmaal in een insectendoos terecht-
gekomen dan komen ze er niet meer levend uit. De heer Van Rossem
deed proeven met paradichloorbenzol en naphtaline en constateerde,
dat het eerste middel in 24 uur dodend werkte op de larven, het laatste
echter na dagen nog geen doding had gegeven.
De heer Roepke deelt nog mede, dat het Anthrenus-ei in diapause een
jaar of nog langer in dien toestand kan blijven. Deze rusttoestand kan
onderbroken worden met CS, of andere insecticiden, indien deze in matige
dosis worden toegediend. Dientengevolge kan na het ontsmetten van
een verzameling juist veel aantasting door Anthrenus optreden.
De heer Herwarth von Bittenfeld heeft waargenomen, dat tabaksblade-
ren een uitstekende bescherming van textiel tegen insectenbeschadiging
geven.
De heer Dammerman meent, dat er in Indië 2 rassen van het koffie-
kevertje (Araecerus fasciculatus de Geer) voorkomen, één in het veld,
één in het pakhuis. Er bestaan geen morphologische verschillen tussen.
De heer Van Rossem merkt op, dat hier kevers van de soort Acanthos-
celides obfectus Say, in het veld verzameld, ook in voorraden kunnen
worden voortgekweekt.
De heer Kalshoven zegt, dat op Tamarinde in Indië ook twee rassen
bekend zijn van een Bruchide.
De heer Hille Ris Lambers constateert, dat Aleochara-soorten geregeld
voorkomen als parasieten van de poppen van de bietenviieg (Pegomyia
hyoscyami Pz. var. betae Curtis).
De heer Van der Wiel heeft geprobeerd om A. obtectus op overjarige
bonen eieren te laten leggen, doch zonder resultaat. De heer Van Rossem
slaagde er evenwel in ook op overjarige bonen een normale voortplan-
ting te verkrijgen.
Ten slotte vermeldt de heer Van der Wiel nog, dat dozen met naph-
thaline niet geïnfecteerd worden door Anthrenus maar zonder naphtha-
line wel, zodat het middel toch wel degelijk effect heeft, maar dan als
afweermiddel.
Na de middagpauze spreekt de heer G. Barendrecht over
Parthenogenesis bij Insecten
Zoals bekend verondersteld mag worden, treft men in de natuur twee
voortplantingswijzen aan, die onderscheiden worden als geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting. Bij de laatstgenoemde, vooral bekend uit
het plantenrijk, scheidt een heel orgaan of deel van een orgaan, dat op
LXXVI VERSLAG.
zichzelf van den meest verschillenden aard kan zijn, zich van het moeder-
organisme af en groeit vervolgens weer uit tot een nieuw individu. De
voortplanting door middel van bollen, knollen, uitlopers e.d. is van alge-
mene bekendheid. Ook in het dierenrijk komt deze ongeslachtelijke voort-
planting voor en wel bij de laagste Metazoën, de sponsen en holtedieren,
die zich ten dele door knopvorming vermenigvuldigen. Bij geslachte-
lijke voortplanting daarentegen produceert het organisme een zeer speciaal
type cellen en wel vrouwelijke cellen of eicellen en mannelijke cellen
of spermatozoiden, die het uitgangspunt van een nieuwe generatie vor-
men. Of deze twee celsoorten in één individu gevormd worden, dat dan
tweeslachtig of hermaphrodiet genoemd wordt, zoals de regenwormen
en de meeste slakken, dan wel principieel in afzonderlijke individuen,
zodat de soort van gescheiden geslacht of gonochorist heet, is van secun-
dair belang.
Meestal zal nu een eicel zich slechts dan tot een nieuw individu ont-
wikkelen als zij bevrucht is, d.w.z. als er een spermatozoide in is door-
gedrongen en de kern daarvan met de eicelkern is versmolten Men spreekt
dan van bisexuele of gamogenetische voortplanting. In andere gevallen
echter, en dit komt ook bij insecten niet zelden voor, kan de eicel zich
ontwikkelen zonder dat zij bevrucht is en in zon geval spreekt men
van parthenogenesis, d.i. maagdelijke voortplanting. De eerste aanwijzing
dat een soort zich geheel of gedurende bepaalde generaties parthenogene-
tisch voortplant, is gewoonlijk gelegen in de omstandigheid, dat 4 &
geheel of bijna geheel ontbreken.
Voor een goed begrip van wat „bevruchting nu eigenlijk betekent,
is enige kennis van de cytologie, d.w.z. bouw en levensverrichtingen van
de cel en vooral van de celkern, onontbeerlijk. Wij kunnen daar nu ech-
ter niet te ver op ingaan en mogen verwijzen naar de leerboeken der dier-
kunde, embryologie en weefselleer, waar dit alles in extenso is te vinden.
Wij zullen dus volstaan met er op te wijzen, dat de celkern grotendeels
bestaat uit een voor iedere soort karakteristiek (hetgeen natuurlijk niet wil
zeggen : voor alle soorten verschillend) aantal van meestal langwerpige
lichaampjes, chromosomen genaamd (naar hun vermogen om bepaalde
kleurstoffen op te nemen), die echter alleen tijdens de normale, indirecte,
kerndeling (mitosis) zichtbaar worden. Men/ ziet dan, dat deze chromoso-
men in paren aanwezig zijn en zich bij de gewone delingen in een
groeiend weefsel door overlangse splijting verdubbelen, zodat iedere
dochterkern weer evenveel chromosomen bevat als de moederkern. Ver-
meld moet nog worden, dat ook grootte en vorm constant zijn en dat de
chromosomen in de ,,rustende” kern onzichtbaar worden. Van de chro-
mosomen staat nu wel vast, dat zij de dragers van al die erfelijke eigen-
schappen zijn, die de wetten van Mendel volgen, d.w.z. van practisch
alle erfelijke eigenschappen waarover wij exacte gegevens bezitten.
Wanneer nu een eikern met een spermakern versmelt (d.i. de „bevruch-
ting’) zouden, indien alle celdelingen volgens bovenstaand schema ver-
liepen, het versmeltingsproduct en dus ook alle cellen van het dochter-
organisme tweemaal zoveel chromosomen bevatten als de moeder- en
vaderdieren. Dit nu is in strijd met de constantheid van het aantal chro-
mosomen. Men ziet dan ook, dat aan het ontstaan van de voortplantings-
cellen een bijzondere deling voorafgaat, waarbij de chromosomen niet
overlangs gespleten worden, doch deparenzelfuiteenwiÿken,
VERSLAG. LXXVII
zodat de dochtercellen slechts het halve aantal chromosomen bevatten
van de moedercel. Zulke cellen heten dan haploied, in tegenstelling tot
de diploide moedercel. Deze reductiedeling of meiosis wordt direct voor-
afgegaan of gevolgd (dit is niet steeds uit te maken) door een gewone
deling, zodat uit één diploide moedercel vier haploide dochtercellen ont-
staan. Bij het 4 zijn dit inderdaad vier gelijke spermatiden, waaruit door
omvorming vier spermatozoiden ontstaan, doch bij het © ontstaan één
grote cel, de eicel en 3 kleine poolcellen (polocyten) of richtingslichaam-
pjes, die verloren gaan. Wij zullen echter zien, dat juist bij bepaalde vor-
men van parthenogenesis deze poolcellen nog een taak vervullen.
Tenslotte moge nog vermeld worden, dat op den regel, dat de diploide
cel alle chromosomen in paren vertoont, één uitzondering voorkomt en
wel het z.g. geslachtschromosoom. Bij vrijwel alle dieren van gescheiden
geslacht vinden wij, dat één bepaald chromosoom, het geslachtschromo-
soom of X-chromosoom, in het © geslacht dubbel voorkomt, doch bij
de & & in enkelvoud of naast een klein rudiment, dat dan Y-chromosoom
wordt genoemd. Bij sommige diergroepen, b.v. bij de Lepidoptera, is het
juist andersom, doch dit verandert niets aan het principe, dat bij een der
sexen na de reductiedeling twee verschillende soorten van voortplantings-
cellen zullen worden gevormd, nl. met en zonder X-chromosoom, terwijl
de andere sexe slechts één soort produceert en wel steeds mét X-chro-
mosoom. Bij de bevruchting zullen dus weer twee soorten versmeltings-
product worden gevormd en wel met één en met twee X-chromosomen,
waarmede in grote trekken — er zijn complicaties | — het geslacht van
het nieuwe individu is bepaald.
Bij een nadere beschouwing der gevallen van parthenogenesis, die voor
het dierenrijk en in het bijzonder voor insecten vermeld zijn, valt het op,
dat de ontdekking van dit verschijnsel blijkbaar een zekeren weerstand
te overwinnen heeft gehad. Men was zo gewend de bisexuele voortplan-
ting als typisch voor dieren te beschouwen, dat men er niet dan schoor-
voetend toe overging te veronderstellen, dat het ook anders kon.
Eigenlijk was Réaumur in 1737 de eerste, die het stellige vermoeden
uitsprak, dat een groep insecten en wel de bladluizen, in staat zou zijn,
zich zonder bevruchting voort te planten. Het stellige bewijs hiervoor
werd echter door hem nog niet geleverd. Dit zou pas gebeuren in 1740
door Charles Bonnet, die op 20 Mei een pas geboren, van Euony-
mus (Evonymus) afkomstig ® isoleerde en op 1 Juni het eerste jong ter
wereld zag komen. Dit werd door vele andere gevolgd en pas op 21 Juni
kwam het 95ste en laatste |t) Toch werd het verschijnsel parthenogenesis
niet voetstoots aanvaard en een onderzoeker als Tremble y, van Zwit-
serse origine, doch verblijf houdend in Den Haag, veronderstelde liever,
dat een bevruchting over verscheiden generaties zou kunnen ,nawerken .
Toen Bonnet er echter in slaagde en velen na hem, bladluizen tot 10
generaties lang parthenogenetisch op te kweken, was deze tegenwerping
niet langer houdbaar.
Sindsdien zijn nog vele andere gevallen bekend geworden, waaronder
dat van de honingbij wel de meest algemene bekendheid heeft verworven.
De ontdekker hiervan was Dzierzon, een Silezische dorpsgeestelijke,
die in 1845 een eerste mededeling deed en drie jaar later te Brieg een uit-
1) Deze historische en vele andere gegevens zijn ontleend aan het uitstekende boekje
van A. Vandel: La Parthenogenèse, ed. G. Doin & Cie. Paris 1931.
LXXVIII VERSLAG.
voeriger studie publiceerde waarin hij een bevredigende theorie opstelde
ter verklarnig van de geslachtsbepaling in een bijenvolk. Men spreekt dan
ook nog steeds van de „wet van Dzierzon’.
De zoölogen v. Siebold en Leuckart hebben Dzierzon's
denkbeelden overgenomen en uitgewerkt en het is dan ook v. Siebold,
die in 1856 de eerste definitie van parthenogenesis geeft : „Parthenogene-
sis is het verschijnsel, dat echte © ©, dus individuen met volledig ont-
wikkelde voortplantingsorganen, eieren leggen, die, zonder bevrucht te
zijn, zich kunnen ontwikkelen. Hiermede wordt dan tevens’ voor de
eerste maal het probleem scherp gesteld. lmmers zagen de oudere onder-
zoekers de zaak nog niet zóó (Bonnet) of trachtten haar te omzeilen
(Trembley). Velen dachten aan hermaphroditisme, anderen, o.a.
v. Siebold zelf in 1839, aan inwendige knopvorming, hetgeen dus op
een echte vegetatieve voortplanting zou neerkomen. Wat betreft de blad-
luizen hield hij trouwens in 1856 nog aan deze opvatting vast, wellicht
van de wijs gebracht door de viviparie.
Wanneer wij de thans bekende gevallen van parthenogenesis gaan
rangschikken, waarbij wij Vandel zullen volgen en ons daarbij be-
palen tot de natuurlijke parthenogenesis (met weglating dus van de ex-
perimenteel teweeg gebrachte parthenogenesis) moeten wij in de eerste
plaats constateren, dat wij bij dieren steeds te doen hebben met een ty-
pische vrouwelijke parthenogenesis, d.i. parthenogenetische ontwikkeling
van de macrogameet. De verdere indeling wordt nu:
1. Arrhenotokie : er ontstaan uitsluitend & 3. Dit is een geheel apart,
goed omschreven geval, vooral bekend van de Hymenoptera.
2. Thelytokie : er ontstaan langs parthenogenetischen weg uitsluitend ©
individuen.
3. Deuterotokie of amphoterotokie : er ontstaan & & én 2 9.
De gevallen 2 en 3 zijn veel gecompliceerder en kunnen samen als volgt
onderverdeeld worden :
a) cyclische parthenogenesis
b) paedogenesis (wordt in dit verband niet verder behandeld)
c) facultatieve of accidentele parthenogenesis (thelytook òf deutero-
took )
d) parthenogenesis der Nematoden (blijft hier buiten beschouwing)
e) geographische parthenogenesis.
1. Arrhenotokie.
Dit is wel bij uitstek de parthenogenesis der Hymenoptera, waarschijn-
lijk zelfs van de meerderheid der Hymenoptera, waarbij alleen de vele
thelytook parthenogenetische bladwespen een uitzondering maken
(Peacock, Sanderson). Het schoolvoorbeeld wordt natuurlijk
gevormd door Apis mellifica L., waarvoor, zoals wij boven zagen, Dzier-
zon reeds in 1845 aannemelijk maakte, dat de © © en è è uit bevruchte
eieren, de ¢ 4 daarentegen uit onbevruchte eieren zouden komen.
Dzierzon kon dit slechts indirect aannemelijk maken, voornamelijk
door er op te wijzen, dat een zeer oude Koningin, waarvan het recepta-
culum 'seminis dan waarschijnlijk leeg is, uitsluitend & 4 zou voortbren-
gen en ook, dat, wanneer na den dood der koningin het eierleggen door
uiteraard onbevruchte werksters wordt overgenomen, het broed even-
eens louter darren pleegt op te leveren. Latere onderzoekers, w.o. vooral
Nachtsheim vermeld moet worden, konden echter de aanwezigheid
VERSLAG. LXXIX
van de spermatozoiden in de eieren uit werkstercellen en hun afwezigheid
in eieren uit darrencellen aantonen.
Toch heeft ook deze opvatting aanvankelijk veel bestrijding onder-
vonden, vooral daar men er zich geen voorstelling van kon maken (en
feitelijk kunnen wij dit nog steeds niet, zie beneden) hoe de bevruchting
door de koningin gereguleerd wordt. Toch konden vrijwel alle tegen-
werpingen (b.v. die van Dickel) gemakkelijk ontzenuwd worden.
Met dat al is er toch één groep verschijnselen, die niet steeds geheel
de wet van Dzierzon volgen en wel komen wij hiermede op het ge-
bied der erfelijkheidsleer. Indien de wet van Dzierzon absoluut geldig
was, zouden bastaarden van twee verschillende bijenrassen alleen in het
2 geslacht vaderlijke kenmerken mogen vertonen. In den regel gaat dit
ook op, maar er zijn toch ook stellig uitzonderingen geconstateerd, ge-
vallen dus waarin darren van de bastaardgeneratie onmiskenbaar eigen-
schappen van den vader vertoonden en dus inderdaad een vader moeten
hebben gehad. In deze gevallen zijn wij dan wel gedwongen aan te ne-
men, dat deze darren diploide organismen zijn. En hiermede raken wij
een belangrijk punt aan, waar wij later nog op zullen terugkomen : di-
ploidie en haploidie en de bepaling van het geslacht.
Men neemt dus aan, dat deze arrhenotoke parthenogenesis bij de Hy-
menoptera regel is, m.a.w, dat het uitblijven van bevruchting steeds een
mannelijk individu zou doen ontstaan. Er zijn echter tal van uitzonde-
ringen. Peacock e.a. toonden aan, dat bij vele bladwespen de arrheno-
toke parthenogenesis is omgeslagen in een thelytoke ; van zulke soorten
vindt men dan zelden of nooit & 4. Dit laatste verschijnsel is ook ge-
constateerd voor een nog steeds aangroeiende reeks van sluipwespen, ter-
wijl ook de Hymenoptera aculeata niet achterblijven : bij verschillende
mieren en tenslotte zelfs bij één bepaald ras van de honingbij (van de
Kaap de Goede Hoop) is thelytokie geconstateerd.
Voor zover het vormen betreft, waarbij mannelijke en vrouwelijke
eieren zich in volkomen dezelfde omgeving kunnen ontwikkelen, wat
met de bladwespen en de meeste sluipwespen (hier zijn waarschijnlijk
uitzonderingen, die nu niet verder besproken kunnen worden) wel het
geval zal zijn, biedt de „facultatieve arrhenotokie der Hymenoptera geen
verdere problemen. Anders wordt het echter indien, zoals dit bij de
honingbij het geval is, de mannelijke eieren in andere cellen worden
gelegd dan de vrouwelijke. Men moet dan wel aannemen, dat de koningin,
die slechts eens in haar leven bevrucht wordt, bij welke gelegenheid haar
receptaculum seminis wordt gevuld, het vermogen bezit om, ten eerste,
de grotere darrencellen van de kleinere werkstercellen te onderscheiden,
wat niet zo heel bijzonder lijkt, en, ten tweede, en dit wordt moeilijker
voorstelbaar, willekeurig enig sperma tot het te leggen ei kan toelaten.
Wat wij ons vooral slecht kunnen voorstellen, is de werking van een
orgaantje (ic. de sluitspier en ,,spermapomp’ van het rec. sem.), dat in
staat is een zo gering volume van een min of meer visqueuze vloeistof in
duizenden porties te verdelen. De veronderstelling is dan ook wel ge-
opperd, dat de koningin gedurende bepaalde langere perioden uitsluitend
hetzij bevruchte, hetzij onbevruchte eieren zou leggen. Hiermede schijnt
in overeenstemming te zijn wat bij solitaire wilde bijen is gevonden,
hoewel ook daar gevallen van afwisseling, cel voor cel, van de sexe niet
ontbreken!)
1) Zie hetgeen de heer De Wilde bij de discussie opmerkte.
LXXX VERSLAG.
Een afzonderlijke plaats nemen in dit opzicht de galvormende Cyni-
pidae in, aangezien hier dikwijls een gamogenetisch thelytoke generatie
afwisselt met een deuterotook parthenogenetische, zodat zij eigenlijk
een eenvoudig geval vormen van cyclische parthenogenesis.
Buiten de orde der Hymenoptera komt arrhenotokie nog voor bij
sommige Aleurodidae, Coccidae en Thysanoptera.
2. Cyclische parthenogenesis.
Hiervan vormen de Aphididae wel het meest bekende voorbeeld.
Typisch voor dezen vorm van parthenogenesis is, dat in de één- tot
meerjarige cyclus van de soort zowel parthenogenetische als gamogene-
tische generaties hun ongeveer vaste plaats hebben. Nemen wij als
voorbeeld een echte Aphidine, b.v. de zwarte bonenluis (Aphis rumicis),
dan is de cyclus als volgt.
Uit het bevruchte „winterei , dat gelegd wordt op houtachtige gewas-
sen, vooral op Euonymus (Evonymus), komt in het voorjaar een onge-
vleugeld ©, dat parthenogenetisch een nieuwe generatie van ¢ © voort-
brengt. Deze planten zich wederom thelytook parthenogenetisch voort,
hetgeen enige malen herhaald kan worden tot een generatie gevleugelde
2 © ontstaat, die overgaat op kruidachtige gewassen. Hierop ontwikkelen
zich vervolgens, steeds parthenogenetisch, vele generaties van gevleugelde
en ongevleugelde © © tot op het einde van den zomer, nog steeds
parthenogenetisch, gevleugelde & & en gevleugelde ,,gynoparae” ont-
staan, die naar Euonymus terugvliegen. De gynoparae brengen hier dan
weer ongevleugelde vrouwelijke ,,sexuales” voort, die samen met de
al eerder overgevlogen 4 ¢ de gamogenetische generatie uitmaken. De
‚2,2 leggen nu de bevruchte wintereieren, waarmede de cyclus is gesloten.
Men vindt hier dus het regelmatig optreden van een gamogenetische
generatie tussen een reeks parthenogenetische generaties en de vraag ligt
voor de hand door welke oorzaken plotseling de regelmaat van de par-
thenogenetische voortplanting wordt verbroken. Experimenteel is nu
gebleken, dat in dit opzicht uitwendige factoren, t.w. warmte en voeding,
groten invloed uitoefenen. Indien de temperatuur in den winter op zomer-
peil werd gehouden en voor steeds voldoende vers voedsel werd gezorgd,
lukte het verschillenden onderzoekers de parthenogenesis ook in den
winter te laten voortduren. Zo slaagde Davidson er in van Aphis
rumicis (?) in 25 jaar 50 opeenvolgende parthenogenetische generaties
te kweken. Hiermede is in overeenstemming, dat in de tropen alle blad-
luizen een onvolledigen cyclus vertonen en zich ad infinitum partheno-
genetisch voortplanten. In de gematigde zônen komt een dergelijke
„kortsluiting vaak bij ingevoerde soorten voor, indien nl. een der
gastheren ontbreekt. Zo plant zich in Europa de beruchte bloedluis
(Schizoneura lanigera Hausm.) in de practijk slechts parthenogenetisch
voort. Weliswaar ontstaan in den herfst sexuales, maar aangezien de
Amerikaanse iep, waarop deze hun eieren zouden moeten leggen, hier
ontbreekt, gaan deze voor de instandhouding van de soort verloren.
Daarnevens ontstaan echter nog steeds parthenogenetische 9 9, die
op den appel overwinteren en het voortbestaan der soort verzekeren.
3. Facultatieve thelytokie.
Uit enkele orden zijn gevallen bekend waarin bij een soort, die zich
normaliter gamogenetisch voortplant en dan 4 & en ® in gelijke
VERSLAG. LXXXI
aantallen voortbrengt, af en toe ook onbevruchte eieren tot ontwikkeling
komen, die dan uitsluitend © ©! opleveren. Vandel spreekt in zo'n
geval van facultatieve of accidentele parthenogenesis. Met zekerheid
aangetoond is deze vorm van parthenogenesis, waarin volgens Vandel
de oorsprong van de regelmatige thelytokie gezocht moet worden, slechts
bij enkele Coccidae en Phasmidae.
4. Facultatieve deuterotokie
Bij vele Lepidoptera, die zich overigens normaal gamogenetisch voort-
planten, ontwikkelt zich een klein percentage ook indien bevruchting uit-
blijft en wel vindt men, voor zover het tenslotte bereikte ontwikkelingssta-
dium zulks te beoordelen toelaat, beide sexen; er is dus deuterotokie. De
vitaliteit van deze individuen is echter meestal zeer gering, vele sterven
reeds als embryo, andere als rups of pop, slechts weinige brengen het tot
imago.
5. Geographische parthenogenesis.
Dit is een begrip, dat in 1927 door Vandel is ingevoerd voor die
gevallen, waarin twee rassen van een soort, c.q. twee na verwante soor-
ten vicariërend of ook wel ten dele naast elkaar voorkomen, waarvan de
ene zich gamogenetisch, de andere parthenogenetisch voortplant. Voor-
beelden hiervan vindt men onder de Ephemeroptera, Orthoptera, Thy-
sanoptera, Copeognatha, Trichoptera, Lepidoptera, Coleoptera en Diptera.
Het klassieke voorbeeld vormen de Psychiden Solenobia pineti Z. en S.
triquetrella F.R., die door Seiler werden onderzocht. Van beide soor-
ten vindt men een parthenogenetisch en een gamogenetisch ras. Bij éri-
quetrella is het laatste zeer zeldzaam, bij pineti het eerste.
Cytologie van de parthenogenesis.
Wij hebben er boven reeds op gewezen, dat cytologisch het wezen
van de normale, gamogenetische voortplanting hierin, bestaat, dat de beide
haploide geslachtscellen versmelten, zodat wederom een diploied orga-
nisme ontstaat. Waar wij nu bij de parthenogenetische voorplanting de
ontwikkeling vinden van een enkele eicel, waarin geen mannelijke kern
is doorgedrongen, doet zich onmiddellijk de vraag voor : wat gebeurt er
anders bij de parthenogenesis, de vorming van de voortplantingscellen of
de ontwikkeling van het nieuwe individu? Anders gezegd: blijft hier bij de
vorming der eikernen reductie achterwege of wordt deze later op de een
of andere wijze gecompenseerd ? Is het nieuwe individu wel diploied ?
Wat de laatste vraag betreft, blijken nu verschillende mogelijkheden ver-
werkelijkt te zijn en wel heeft men gevallen ontdekt waarin het nieuwe in-
dividu haploied is naast dezulke waarin het normaal diploied of zelfs
polyploied was.
Een typisch haploide parthenogenesis is de arrhenotokie. De vorming
van eicellen verloopt hier geheel normaal, dus met reductie en de na be-
vruchting ontstane 2 © zijn weer diploied. Zonder bevruchting ontstaan
echter & & waarvan men veelal aanneemt, dat het gehele lichaam haploied
is en wier geslachtscelvorming zeer atypisch verloopt. Reeds in 1907
heeft Me ves de spermatogenesis van de honingbij onderzocht en daar-
bij gevonden, dat tijdens de eerste rijpingsdeling de spermatocyt slechts
een kernloos bolletje afstoot en bij de tweede een dergelijk, doch kern-
houdend bolletje. Men ziet dus rijpingsdelingen, die veel overeenkomst
LXXXII VERSLAG.
vertonen met die van een eicel, de kern wordt echter niet gereduceerd en
blijft dus haploied, hetgeen ook wel niet anders te verwachten was. Bij
Vespa verlopen deze delingen in zoverre iets anders, dat hier twee ge-
lijke spermatiden ontstaan, dus precies de helft van wat bij een normale
spermatogenesis te voorschijn komt.
Bij het bladwespengeslacht Pteronidea vond Peacock twee aequa-
tiedelingen en Sanderson één abortieve deling en één aequatiedeling.
Dit wat betreft de vorming van mannelijke voortplantingscellen uit de
spermatocyten. Aangezien echter bij insecten de geslachtscellen vaak een
tot de allereerste klievingen teruggaande „linneage vertonen, volgt hier-
uit allerminst, dat b.v. bij de dar ook alle lichaamscellen haploied zijn.
Oehninger&Nachtsheim menen dan ook uit het feit, dat in de
somatische cellen de kernen bij beide sexen ongeveer even groot zijn, af te
moeten leiden, dat beide diploied zijn. Petrunkewitsch vond in
het blastoderm (d.i. de éénlagige gemeenschappelijke aanleg van embryo
en vliezen) zelfs 64 chromosomen. Dat vermeerdering, soms zelfs een ab-
normale vermeerdering, van het aantal chromosomen in de somatische
kernen kan plaats vinden, staat dus wel vast. Wellicht komt een dergelijk
verschil in chromosomenaantal tussen de verschillende weefsels meer voor
dan men aanvankelijk heeft vermoed. Zo vond Frolowa tetra- en octo-
ploide kernen o.a. in de tracheeënmatrix van Diptera.
De Cynipidae, die o.a. door Doncaster, Wiemann en Pat-
terson onderzocht werden, vertonen een dergelijke spermatogenesis
als Vespa doch de oögenesis van de parthenogenetische generatie verliep
bij de meest gespecialiseerde vormen, nl. Neuroterus, verschillend al naar
gelang men te doen had met een individu, dat 3 3 of een, dat 2 2 zou
voortbrengen. Bij de eerste, de androparae, trad nl. normale reductie op,
maar bij de gynoparae bleken de rijpingsdelingen volkomen te ontbreken.
een unicum in de insecten- en wellicht in de dierenwereld.
Schrader & Hughes-Schrader onderzochten enkele rassen
van de schildluis /cerya purchasi Maskell, die gekenmerkt is door het
ontbreken van echte © 9. Men vindt slechts 4 & en è 8. De 4 4 zijn
zeker haploied, de 3 3 diploied, maar tijdens de ontwikkeling van de
hermaphrodite gonade ontstaan daarin plotseling haploide cellen, die de
mannelijke geslachtcellen zullen gaan leveren.
Samenvattend kan men vrijwel zeggen, dat bij de arrhenotoke partheno-
genesis de ¢ & althans ten dele haploied zijn en de spermatogenesis in
ieder geval abnormaal verloopt.
De thelytoke parthenogenesis is wel zeker een typisch diploide parthe-
nogenesis, Wanneer een organisme zich regelmatig op deze wijze voort-
plant, ligt de veronderstelling voor de hand, dat ook de geslachtscellen
diploied zullen blijven. In overeenstemming hiermede stelde dan ook in
1887 Weismann de hypothese op, dat bij de oögenesis van zulke die-
ren slechts één poolcel zou worden gevormd. Vrijwel gelijktijdig vond
Blochmann bij Aphididae, dat dit inderdaad het geval is. Later werd
bij tal van andere insecten, behorende tot de Diptera, Coccidae, Thy-
sanoptera en Hymenoptera hetzelfde gevonden. Er heeft dan slechts één
rijpingsdeling plaats en wel de aequatiedeling, zodat geen reductie plaats
vindt. Bij deze obligaat thelytook parthenogenetische dieren ligt de afwij-
king van het gewone schema dus geheel in de vorming van de eicellen.
VERSLAG. LXXXIII
Deze zijn van het allereerste begin af diploied, zodat de ontwikeling van
het nieuwe dier geheel op de normale wijze kan plaats hebben.
Evenmin echter als wij ons zouden kunnen voorstellen, dat deze trap
van parthenogenesis bij al de genoemde orden ineens uit de gamogenetische
voortplanting is ontstaan, ontbreken de overgangen tussen dieren met
normale meiosis en die, waarbij de reductie geheel onderdrukt is. Deze
tussenvormen moeten uiteraard gezocht worden bij de facultatief thelytoke
of deuterotoke insecten. Maar ook bij de echte thelytokie vinden wij soms
nog resten van reductie. Zo vertonen sommige Aphidinae nog rudimenten
van een synapsis, een der meest kenmerkende phasen van de reductie-
deling. Deze is hier echter van zeer voorbijgaanden aard en de conju-
gatie der chromosomen wordt spoedig weer opgeheven.
Een echte overgang vormen vooral bovengenoemde, door Seiler on-
derzochte Solenobia-soorten. Bij Solenobia triquetrella F. R. vond S., dat
de reductiedeling wel aanwezig is, doch dat reeds in een vroeg stadium
twee blastodermcellen versmelten tot één diploide kern, waaruit het em-
bryo ontstaat. Het is niet onwaarschijnlijk, dat iets dergelijks ook bij
andere insecten voorkomt. Solenobia pineti Z. brengt het al niet meer tot
een haploide eicelkern. Weliswaar heeft eerst reductie plaats onder afsto-
ting van één poolcel, doch daarna komt onmiddellijk een splijting van de
chromosomen zonder dat de helften uiteenwijken en tot afscheiding van
een tweede poolcel komt het niet meer.
Tenslotte moet nog een andere mogelijkheid genoemd worden, ver-
wezenlijkt bij de schildluis Lecanium hesperidium L., waar wèl beide pool-
cellen gevormd worden, maar de tweede weer versmelt met de eicelkern,
zodat toch een diploide kern ontstaat.
Volgens Boveri is de betekenis van de bevruchting tweeledig en wel
bestaat zij enerzijds uit een vermenging van twee hoeveelheden „erf-
materiaal”, anderzijds in het activeren van de eicelkern opdat deze tot
de klievingen zal overgaan. Blijkbaar kan dit laatste ook op andere wijze
geschieden dan door het binnendringen van een spermatozoön in de ei-
cel. Welke invloeden in deze gevallen werken, weten wij thans nog niet.
Onder experimentele omstandigheden lukt het echter soms eieren tot de-
ling te brengen, die dit normaliter onbevrucht nooit doen en wel door hen
aan verschillende chemische en physische prikkels bloot te stellen. Waar-
schijnlijk zullen dus ook bij de natuurlijke parthenogenesis in het moeder-
lichaam of in het ei zelf gevormde stoffen deze taak van mannelijke cel
moeten overnemen.
De heer De Wilde merkt naar aanleiding van het over de honingbij
gezegde op, dat de bijenkoningin stellig niet gedurende langere perioden
uitsluitend darren- of werkster-eieren zou leggen. Zij onderhoudt tegelij-
kertijd beide soorten nesten en legt op één dag zowel bevruchte als onbe-
vruchte eieren. Wel worden steeds een groot aantal darren- en werkster
cellen tegelijk belegd. De bedoelde perioden zijn dus niet dagen, doch wel-
licht slechts enkele uren. Het zou interessant zijn hierover waarnemingen
te verrichten (b.v. met behulp van een observatiekast).
Uit de pathologie van de bijenkoningin zijn enkele gevallen bekend,
waarbij het vervoer van sperma uit het receptaculum seminis naar het ei
onmogelijk was (b.v. door verstopping van den ductus), of waarbij door
LXXXIV VERSLAG.
misvormingen in de © © genitaliën de bevruchting onmogelijk was ge-
worden. Steeds treedt dan zgn. darrenbroederigheid op.
De heer Dresden uit de gedachte, dat de fijnheid van het bevruch-
tingsmechanisme in verband zou kunnen staan met de regeling van de
pH in het receptaculum seminis, dus met de bewegelijkheid der sperma-
tozoën.
De heer Hille Ris Lambers merkt op, dat thelytokie niet slechts bij
Lecanium hesperidum L., doch ook bij Lec. hemisphaericum Targ. voor-
komt. Verder wijst hij erop, dat de genoemde eigenaardige sexeverhou-
dingen bij /cerya purchasi Maskell niet bij alle rassen voorkomen, doch
speciaal bij het Californische ras ; de overige hebben echte 4 4 en 2 ©.
Hij wijst voorts nog, als voorbeeld van facultatieve (?) geslachtsbe-
paling, op de wesp Tiphia popilliavora Roh., die onbevruchte, & & op-
leverende eieren legt op de tweede larve van Popillia japonica Newm., als-
mede bevruchte, 2 © opleverende eieren op de grotere, derde larve.
Hij spreekt de hoop uit, dat de voordracht van den heer Baren-
drecht eerlang in uitgewerkten vorm als boek zal kunnen verschijnen,
daar een recente samenvatting van dit onderwerp ontbreekt.
Hierna krijgt de heer J. de Wilde gelegenheid tot het houden van zijn
voordracht
Diapause bij den Coloradokever (Leptinotarsa decemlineata Say).
De coloradokever overwintert of aestiveert in volwassen toestand
in den bodem op een diepte van enkele dm. en maakt hierbij een rust-
periode door, die niet onmiddellijk door temperatuurverhoging resp. be-
vochtiging kan worden opgeheven. Door Franse onderzoekers (o.a.
Grison) is deze toestand als diapause aangeduid. Strikt genomen heeft
de term diapause (sensu Henneguy, 1904) alleen betrekking op een
stilstand in de ontwikkeling, van ei tot imago, en geldt hij dus niet voor
imaginale rustperiode. Ter vereenvoudiging wordt de term dikwijls ook
voor imaginale rustperioden gebruikt.
Tower (1906) beschrijft in zijn vermaarde Leptinotarsa-monografie
reeds de „habits and instincts connected with hibernation and aestivation
Zijn waarnemingen werden in hoofdzaak verricht in de Tucson-woestijn
(Arizona, U.S.A.), waar de le generatie steeds eieren afzet, de tweede
echter kort na de ontpopping in overwintering gaat. T. onderscheidt reeds
uitwendige en inwendige oorzaken voor het in-diapause-gaan ; tot de
eerste behoort lage luchtvochtigheid en bij overjarige dieren : lage tem-
peratuur.
Breitenbecher (1918) concludeert hieruit, dat de overwintering
kan worden ingeleid door twee verschillende mechanismen ; in beide ge-
vallen zou verlies van water het eindresultaat zijn. Door een droge at-
mosfeer kon B. experimenteel de praediapause opwekken, door bevoch-
tiging van den bodem kon dit weer ongedaan worden gemaakt. Ook de
proeven geschiedden in Tucson bij een temperatuur van 26—38° C.
Vervolgens worden de voorbereidende processen en gedragingen voor-
afgaande aan de diapause besproken, samengevat als praediapause. Wa-
terverlies (actief of passief), negatieve phototaxis en positieve geotaxis
zijn belangrijke kenmerken.
In tegenselling tot Tower kon Fink (1925) in Philadelphia,
VERSLAG. LXXXV
U.S.A., waarnemen, dat de le generatie in hetzelfde jaar geen eieren af-
zet, doch na een periode van voedselopname den grond in gaat. Volgens
Fink zou de diapause bij deze generatie steeds in den cyclus zijn
vastgelegd. Vervolgens behandelt Spr. de kenmerken van den diapause-
toestand. Dit is geen toestand van volkomen rust. De eieren kunnen zich
in den grond onder invloed van temperatuur en vochtigheid verplaatsen.
In licht en warmte gebracht, worden ze na enkele minuten actief. De gas-
wisseling vertoont geen specifieke verlaging (de CO,- productie is vlg.
Fink gelijk aan die van hongerdieren). De duur van de diapause is
ook bij lage temperatuur aanzienlijk (bij 18—35° C. drie maanden vlg.
Fink).
Busnel en Grison hebben in Frankrijk de resultaten van
Breitenbecheren Fink in grote trekken kunnen bevestigen (vlg.
Busnel bedraagt het watergehalte tijdens de overwintering slechts
36% t.o. normaal 60— 65%). Gris on veronderstelt dat de praediapause
door aangeboren processen bij de jonge kevers wordt ingeleid. T.a.v. de
praediapause bestaat een t° minimum, optimum en maximum. Wanneer
vele generaties bij constante temperatuur (25° C.) en vochtigheid worden
gekweekt, treedt in den cyclus steeds een diapause op, die onafhankelijk
is van de seizoenen en korter duurt dan normaal.
Een periode van lage temperatuur gedurende de diapause heeft geen
invloed op den duur hiervan, doch wel op de vruchtbaarheid van de
2,2 na den winter.
De resultaten van eigen waarnemingen in het laboratorium en in het
veld (1946— 1947) vormen een steun voor de hypothese van Grison.
Dit wordt aan de hand van enkele grafieken nader aangetoond.
Hierbij bleek, dat bij verhoging van temperatuur het percentage kevers,
dat direct na de ontpopping in praediapause gaat, vermindert; de snel-
heid waarmee de praediapause verloopt wordt hierdoor echter verhoogd.
Naarmate de temperatuur hoger is gaat een groter deel der kevers
eieren afzetten en is het aantal eieren per. 2 groter.
Een gevolg van het bovenstaande zal zijn, dat de eiafzetting der eerste
generatie van jaar tot jaar aanzienlijke verschillen zal vertonen. Een be-
langrijke eiafzetting is echter van deze generatie nimmer te verwachten.
Een tweede gevolg zal zijn, dat reeds in Juli en aanvang Augustus een
belangrijk deel der kevers van de eerste generatie zich in den grond zal
bevinden, waar het voor onze bestrijdingsmiddelen voorlopig nog on-
bereikbaar is.
Aan de hand van een schema wordt tenslotte uiteengezet, hoe als ge-
volg van de diapause de aantasting in den loop van het seizoen totaal
anders verloopt dan men op grond van het aantal generaties zou ver-
onderstellen.
De heer Loggen vraagt hoeveel eieren maximaal door den kever wor-
den gelegd. De heer De Wilde antwoordt, dat dit 1500 à 1600 stuks is.
Belangrijker is evenwel het gemiddelde aantal; dit bedroeg in kweek-
proeven te Amsterdam onder buitencondities in 1946 slechts ca. 200
stuks.
De heer Dresden vraagt of ook de aard van het voedsel is onderzocht,
b.v. veranderingen in het aardappelloof. De heer De Wilde zegt, dat zulks
inderdaad is geschied. Bij voedering met jong loof wordt de praediapause
versneld, doch het percentage diapause-dieren verandert niet. De dieren,
LXXXVI VERSLAG.
die niet in diapause gaan, leggen bij voedering met jong loof meer eieren
dan bij voedering met oud loof.
De heer Meltzer vraagt of de kevers bij hogere temperatuur eerder in
diapause gaan en of droge grond geen mislukking geeft. De heer De
Wilde zegt, dat de eerste vraag bevestigend kan worden beantwoord en
dat droge grond ongunstig is voor het ingraven, doch in ons klimaat zel-
den aanleiding tot mislukking zal geven.
De heer Van Marle vraagt naar het gedrag bij lagere temperatuur en
of de kevers niet blijven doorvreten wanneer men ze voedsel blijft geven,
alsmede of zij lang blijven leven. Hierop antwoordt de heer De Wilde,
dat volgens Grison een lage temperatuur gedurende de diapause den
afloop niet versnelde, doch wel de vruchtbaarheid van de © © verhoog-
de. In den diapause-toestand nemen de kevers ook bij hoge temperatuur
geen voedsel meer op. De levensduur hangt af van het milieu ; een droog
milieu is schadelijk voor de dieren.
De heer Betrem stelt de volgende vraag : Voordat de kever in diapause
gaat, vermeerdert zijn gehalte aan vet aanzienlijk. Daar vetweefsels geen
of betrekkelijk weinig water bevatten, zal het watergehalte, uitgedrukt
in procenten van het totaalgewicht, hierdoor reeds aanzienlijk dalen. In-
dien het bovenstaande in aanmerking wordt genomen, is dan het ver-
schil in vetgehalte tussen de normale kevers en die in diapause gaan, nog
zodanig, dat een statistisch verschil is aan te tonen ? Hierop antwoordt
de heer De Wilde, dat dit z.i. in de proeven van Busnel nog onvol-
doende is nagegaan. Volgens Breitenbecher zou onttrekken van
water ook zonder ophopen van vet tot diapause leiden. Voorts wordt
kort voor het in-diapause-gaan veel water met de excrementen afgeschei-
den; de vetvorming is dan al geruimen tijd aan den gang. Het laatste
zou er op kunnen wijzen, dat niet alleen het hogere vetgehalte voor het
lagere watergehalte aansprakelijk is.
Daar geen verdere vragen worden gesteld, wordt de vergadering door
den President, onder dankzegging aan de sprekers, gesloten.
HOFKER
G
NAAR DE SCHILDERIJ VAN W
»
| IN MEMORIAM |
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere
1 April 1866 — 6 November 1947
door
Dr. G. Barendrecht en Dr. G. Kruseman Jr.
Aan de eerste doelstelling der N.E.V.: de bevordering der
kennis van de Nederlandse insectenfauna, was, toen in 1888 de
candidaat in de Wis- en Natuurkunde Johannes Cornelis Hendrik
de Meijere als lid toetrad, wat betreft de Diptera, nog slechts
zeer ten dele voldaan. Wel had zich van de oprichting der Ver-
eniging af een der meest begaafde Nederlandse entomologen van
de 19e eeuw, F. M. van der Wulp, met ijver op de studie der
Nederlandse Diptera toegelegd, maar, gezien de achterstand die dit
deel der Entomologie toen, vergeleken met de Lepidopterologie en
Coleopterologie, over de gehele wereld vertoonde, was het hem nog
niet vergund om in faunistisch opzicht naar onze huidige maatstaf
bevredigende resultaten te bereiken. Toch vermeldde zijn „Nieuwe
Naamlijst, gepubliceerd in 1866 in Herklots’ „Bouwstoffen al
1379 soorten. Ongelukkigerwijze heeft van der W ul p zich daar-
na (1877) echterlaten verleiden tot een werk over de „Diptera Neer-
landica”, iets waarvoor de noodzakelijke monografische grondslag
juist voor de eerst behandelde families zeker niet aanwezig was.
Van dit werk is dan ook nimmer meer dan één deel verschenen en
het strekt van der Wulpen de Meijere tot gelijke ere, dat
zij zich er niet voor hebben laten vinden, de een om het ten on-
rechte begonnen werk te voltooien, de ander om het voort te zetten.
De Meijere, eenmaal besloten zich verder aan de Diptera te
wijden, heeft blijkbaar van het begin af een heldere voorstelling
gehad van de grenzen, die aan zijn werkzaamheid zouden worden
gesteld. Vooralsnog wenste hij zichzelf een duidelijk beeld te ver-
werven van de Nederlandse Dipterenfauna en het resultaat daar-
van in naamlijsten te publiceren. Hij heeft zich van het gewicht
van dergelijke lijsten nooit een overdreven voorstelling gemaakt,
maar: „dan kunnen de mensen tenminste zien wat er is’ placht
hij later tegen ons te zeggen. In 1898 publiceerde hij, samen met
van der Wulp, een „Nieuwe Naamlijst’, in 1948, na zijn
overlijden, verschijnt het laatste (8ste) supplement daarop. Daar
tussendoor deed hij in 1939 nog een beknopte „Naamlijst van
2 DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR,
Nederlandse Diptera” het licht zien, waarin, in veel compacter
vorm, het gehele, tot 1 April 1939 verkregen, resultaat was samen-
gevat.
Hoeveel uren van onverpoosde arbeid, maar ook hoeveel natuur-
lijke begaafdheid tot determineren nodig zijn geweest voor dit zui-
ver faunistische deel van zijn werk, vermogen alleen zij te besef-
fen, wie het, zoals schrijvers dezes, vergund was hem daarin voor
enkele van de zeer vele families terzijde te staan.
Deze faunistische publicaties waren bijna geheel gebaseerd op
het door hemzelf verzamelde materiaal. Jarenlang was hij de enige,
die in Nederland Diptera verzamelde en zo bestaat zijn omvang-
rijke collectie, welke thans in het Zoölogisch Museum te Amster-
dam berust, practisch geheel uit door hemzelf gevangen dieren. Wat
niet-Dipterologen verzamelden kwam meestal in weinig bruikbaren
staat in zijn handen ! Deze collectie geeft, zoals hij haar achterliet,
een typisch beeld van een der markantste zijden van zijn wezen :
schijnbare slordigheid. De Meijere was een van die gelukkige
mensen wier ordelijke geest hen in staat stelt te leven en te werken
in een niet heel ordelijke omgeving. Daar kwam nog bij, dat hij be-
slist weinig interesse had voor de techniek van het vak, wat niet
wegneemt, dat hij een van de pioniers is geweest van een tegen-
woordig bij het chromosomenonderzoek zeer gebruikelijke techniek :
de kleuring met acetokarmijn van uitstrijkpreparaten. Maar de in-
voering van die techniek betekende dan ook geen geringe ver-
mindering van het technische werk !
De Meijere heeft echter veel meer gedaan dan louter faunis-
tisch werk. Van zijn zuiver systematische werk moeten dan vooral
genoemd worden zijn 16 „Studien über Südost-asiatische Dipteren”,
vooral gebaseerd op het materiaal, dat zijn vriend Jacobson hem
uit Indië toezond. Deze volmaakte samenwerking tussen verzame-
laar en bewerker vormt op zichzelf welhaast een unicum in de ge-
schiedenis der Entomologie. Dit onderdeel van de Dipterenstudie
heeft hij echter later weer geheel laten varen, waarschijnlijk mede
doordat hij toen, in verband met de uitbreiding van zijn universitaire
werk, minder tijd tot zijn beschikking had.
Weliswaar had hij reeds van 1906—1908 als privaatdocent in
„de Leer der Arthropoden” en van 1908—1921 als buitengewoon
hoogleraar in de „technische Zoölogie" de Entomologie gedoceerd
aan de Universiteit van Amsterdam, maar in 1921 werd hij ordi-
narius en toen tevens belast met het onderwijs in de Erfelijkheids-
leer. Het door de academische overheden in ons land zeer lang ge-
schuwde woord ,,Entomologie” kwam pas tijdens de cursus 1928—
1929 in zijn opdracht te staan. In de Erfelijkheidsleer had hij zich
reeds in 1910 op voortreffelijke wijze geïntroduceerd met zijn pu-
blicatie „Ueber Jacobson's Züchtungsversuche von Papilio mem-
non’, ook weer een onderzoek dus, waarvan het experimentele deel
werd uitgevoerd door Jacobson in Indië en de wetenschappelijke
bewerking door de Meijere in Nederland. Dit werk behoort nog
er tot de klassieke studies over de erfelijkheid in verband met
e sexe.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 3
Van de meer algemeen entomologische onderzoekingen moeten
nog genoemd worden die over de pretarsus, over de stigmata van
Dipterenlarven en -poppen en die over de familie der Limnobiiden,
(thans Limoniidae), in wier moeilijke systematiek de Meijere
orde heeft geschapen.
Het onderzoek van vroege stadia had steeds zijn volle belangstel-
ling, zoals zijn talloze publicaties over larven bewijzen. Vooral de
larven der Agromyzidae hebben hem tot zijn dood toe bezig ge-
houden.
Wij moeten ons echter beperken en nu afstappen van zijn publi-
cistische activiteit; aan het eind van dit artikel vindt men trou-
wens een volledige bibliografie, waaruit blijkt, dat de Meijere
zich ook nog — en zeer grondig, want op het gebied van de mor-
phologie der haren is hij de autoriteit gebleven — heeft verdiept
in heel andere dan Entomologische of Genetische problemen.
In onze Vereniging heeft de Meijere gedurende vele jaren
een eerste plaats ingenomen, wellicht minder nog door zijn be-
stuurslidmaatschap (1909— 1939) dan door zijn wetenschappelijke
reputatie en zijn beminnelijke, tactvolle persoonlijkheid. Zeer alge-
meen entomologisch onderlegd en van grote belezenheid kon hij op
de vergaderingen de mededelingen der leden van zeer waardevolle
commentaren voorzien. Dit kwam vooral tot uiting op de intieme
vergaderingen van de Afd. Noordholland Utrecht, waarvan hij
vele jaren Voorzitter is geweest. Toen hij zelf eenmaal President
van de Vereniging was geworden, waren in physiek opzicht zijn
beste jaren zeker reeds voorbij. Zijn stem, die nooit zeer krachtig
was, liet hem in 1936 geheel in de steek, zodat zijn plaats in de ver-
gaderingen sindsdien bijna steeds open bleef. Als bestuurslid heeft
hij wel zijn belangrijkste werk verricht gedurende de tijd, dat hij
bibliothecaris was, een der moeilijkste bestuursfuncties. Hij heeft
toen twee verhuizingen tot stand moeten brengen : van het Kolon.
Museum in Haarlem naar een huis in de Pl. Middenlaan in Am-
sterdam en vandaar naar het Kolon. Instituut aan de Mauritskade.
Bij zijn aftreden, in 1939 werd hij benoemd tot Erelid en in 1942 tot
Lid van Verdienste.
Zeer veel werk heeft de Meijere voor de N.E.V. verricht als
lid van de „Commissie voor de Redactie van de Publicaties’. Van
het Tijdschrift voor Entomologie was hij van 1906 tot 1942 de
redacteur.
De Meijere had één eigenschap, die hem weliswaar als mens
sierde, maar die hem als vooraanstaand vertegenwoordiger van de
N.E.V. en van de Entomologie wel eens tekort deed schieten : hij
was in ongewone mate wars van alles wat naar „reclame zweem-
de. Dit maakte op buitenstaanders wel eens de indruk van zwakte
en dan was het vermakelijk om te zien hoe iemand, die meende een
loopje met hem te kunnen nemen, de kous op de kop kreeg. Want
valse bescheidenheid was hem vreemd, hij wist heel goed wat hi
waard was en stond er ook op, dat hem de plaats werd ingeruimd,
die hem toekwam.
De Meijere had een grote liefde voor de natuur, maar die
4 DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR,
werd — wat weinigen wisten — op een merkwaardige manier door-
kruist door een haast even grote genegenheid voor Amsterdam. In
de vacantie maakte hij graag een wandeling door de Jordaan ! Deze
eigenschap heeft hem nog parten gespeeld na zijn emeritaat, toen
hij zich voorstelde „buiten te gaan wonen. Het resultaat was, dat
hij na een half jaar weer in Amsterdam terug was en daar tot zijn
dood is blijven wonen. Zelf schreef hij dit natuurlijk toe aan zijn
lichamelijke achteruitgang, die hem belette excursies te maken, maar
ik geloof, dat een zeker gebrek aan zelfkennis aan deze merkwaar-
dige gang van zaken toch ook niet vreemd was.
Alle eigenschappen van zijn wezen kwamen tot uiting bij zijn
onderwijs en tijdens de vervulling van hogere universitaire functies,
zoals het Voorzitterschap van de faculteit en het rectoraat. Dit
laatste besloot hij met een bijzonder geestige rede. Hoewel zijn col-
leges steeds zeer gewaardeerd werden, wat zij ook ten volle ver-
dienden want het waren vaak juweeltjes van academische voor-
drachtkunst, kritisch, maar niet steriel en veelal verlevendigd door
een milde ironie, heeft hij pas in de laatste tien jaar van zijn pro-
fessoraat werkelijk leerlingen gehad. Behalve verschillende buiten
zijn wil liggende omstandigheden is dit wel vooral te wijten aan
bovengenoemde afkerigheid van „propaganda. De Meijere
heeft nooit entomologen „gemaakt, maar wie gegrepen door de
Entomologie, tot hem kwam, heeft hij gegeven wat hij te geven
had en dat was niet weinig.
LIJST DER GESCHRIFTEN VAN J. C. H. DE MEIJERE*)
1890. V. Cecidomyia rosaria Löw. T.v.E. 33, pp. XXVII—XXVIII.
1890. Vier adervariaties van Diptera en vondst van Sciapferon tabani-
formis v. Rottb. T.v.E. 33, p. CXII—CXIII.
Ve
1891. V. Merkwaardige Diptera. T.v.E. 34, pp. XXX—XXXI.
OV
1891 Vondst van Pollenia atramentaria Meig. en over een kruising Adalia
bipunctata L. var. 4-pustulata met het type. T.v.E. 34, p. CXX.
1893. Over de haren der zoogdieren, in het bijzonder over hunne wijze
van rangschikking. Diss. pp. 1—147.
1894. Über die Haare der Säugetiere, insbesondere über ihre Anordnung.
Morphol. Jahrb. 21, pp. 312—415. 1 Tabel.
1895. Uber die Federn der Vögel, insbesondere über ihre Anordnung.
Morphol. Jahrb. 23, pp. 562—591.
1895. Over de rangschikking der veeren bij de vogels. Handelingen v. h.
5e Ned. Natuur Geneesk. Congres, p. 321-—324.
1895. Vorläufige Beschreibung der neuen, durch die Siboga-Expedition
gesammelten Echiniden. Tijdschr. Ned. Dierk. Ver. (2) 8, pp. 1—16.
1895. V. Eenige zeldzame of voor de fauna nieuwe Diptera; eierleggen van
Cerafopogon venustus Mg.; biologie van Hydromyza livens. T.v.E.
38, pp. XXXV—XXXVI.
*) 1890 V betekent: dat deze mededeling ook voorkomt in de Verslagen van
de vergaderingen der N.E.V.
T.v.E. = Tijdschrift voor Entomologie ; E.B. = Entomologische Berichten.
1898.
1899. V.
1899. V.
1899.
1899.
1899.
1900. V.
1900.
1900.
1900.
1900.
1901. V.
1901. V.
1901.
1901.
1901.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 5
Über Zusammengesetzte Stigmen bei Dipterenlarven, nebst einem
Beitrag zur Metamorphose von Hydromyza livens. T.v.E. 38, pp.
65—100.
V. Eenige zeldzame Nederlandsche Diptera. T.v.E. 39, pp. CXXXI—
CXXXIII.
. Echinomyia grossa L. uit Bombyx quercus gekweekt en over zeld-
zame Diptera uit Limburg. T.v.E. 39, pp. XLII—XLIII.
Die Dipteren der Semon'schen Sammlung. In: Semon, Zool. For-
schungsreisen in Australien und Malayischen Archipel, pp. 355—356.
. Eenige Diptera van Venlo, leg. v. d. Brandt. Eenige Diptera nieuw
voor de fauna. Homalomyia canicularis L. en Drosophila funebris
Fabr. in sterk zoute vloeistof op inmaakvaten. Xiphidium dorsale
Latr. van Diemen. Phalacrosera replicata L. van Zwammerdam.
T.v.E. 41, pp. 38—40.
F. M. van der Wulp en Dr J. C. H. de Meijere. Nieuwe
Naamlijst van Nederlandsche Diptera. T.v.E., Bijvoegsel tot deel 41,
pp. 1—149.
Variabiliteit in het aderbeloop van Tachina larvarum L. Cyclopodia
n.sp. van Java. Einde van den tarsus bij Dipteren. T.v.E. 42, pp.
29-31.
Monardia van der Wulpi n.sp.; Lonchopteridae als le familie der
Aschiza. T.v.E. 42, pp. 58—59.
Ist die Gruppenstellung der Saugetierhaare eine Stütze für die
Maurer sche Hypothese von der Ableitung des Haares von Haut-
sinnes-organen niederer Vertebraten ? Anat. Anz. 16, pp. 249—256.
Sur un cas de dimorphisme chez les deux sexes d'une Cecidomyide
nouvelle (Monardia van der Wulpi). T.v.E. 42, pp. 140—152. Pl.
9—10.
Cyclopodia Horsfieldi n.sp. eine neue Nycteribiide aus Java. T.v.E.
42, pp. 153—157.
Behalve Monardia van der Wulpi nog een paar dimorphe Campylo-
myzinen Vangst van Calabomba pyrastri L. var. unicolor Curt.; Me-
lanostoma hyalinatum Fall. eet rupsen. T.v.E. 43, pp. 7—9.
Über die Larve von Lonchoptera. Zool. Jahrb. Abt. Syst. Morph.
16, pp. 87—132, Pl. 5—7.
Über die Prothorakalstigmen der Dipterenpuppen (vorläuf. Mitt.)
Zool. Anz. 23, pp. 676-678.
Matériaux pour l'étude des Diptères de la Belgique. Ann. Soc. Entom.
Belg. T. 44, pp. 37—46.
Bemerkung zu der Notiz Imhoff's über „Punktaugen bei Tipuliden”.
Zool. Anz. 23, No. 612, pp. 676—678.
Platen van Diptera Neerlandica van vander Wulp voor N.E.V.
bestemd. Larve van Callomyia amoena Mg. Openspringen der puparia
bij Cyclorrhapha. T.v.E. 43, pp. 65—66.
Coccopsis marginafa de Meij. Talrijke geparasiteerde hommels uit nest
van Bombus terrestris L.; 19 doode met puparia en 6 levende met
larve van Conopide. T.v.E. 44, pp. 15—16.
Über das letzte Glied der Beine bei den Anthropoden. Zool. Jahrb.
Abt. Anat. Ontog. 14, pp. 417—476, Pl. 30—37.
Über die Metamorphose von Callomyia amoena Meig. T.v.E. 43,
pp. 223—231, PI. 13.
Über eine neue Cecidomyide mit eigenthümlicher Larve (Coccopsis
marginata). T.v.E. 44, pp. 1—12, PI. 1.
1901. V.
19022
1902.
1903. V.
1903. V.
1903.
1903.
1904. V.
1904.
1904.
1905.
1905. V
1906. V
1906. V.
1906.
1906.
1906.
1906.
1906.
1906
1907. V.
1907. V.
DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR,
Lijst van Diptera te Paterswolde gevangen. T.v.E. 44, p. 74.
Vangst van Volucella zonaria Poda. Eenige Diptera, nieuw voor de
fauna. Kweek van Metopia leucocephala Rossi. Physocephala rufipes
F. uit hommels van vorig jaar. Conopiden uit andere hommels, ook
uit 4 &. T.v.E. 45, pp. 30—32.
Über die Prothorakalstigmen der Dipterenpuppen. Zool. Jahrb. Abt.
Anat. 15, pp. 623—692, Pl. 32—35.
Blasticotoma filiceti Kl. in schuimhoopjes op varen. (Athyrium filix-
femina).
Larve van Liogma glabrata Mg. Mijten op Hydrofaea dentipes F.
en op Eumerus lunulatus Mg. Biologie der Conopiden-kopblaas.
Physocephala vittata F. met Chalcididen. T.v.E. 46, pp. 14-16.
Eenige Zuid-Aziatische Diptera. Eenige Diptera van Bergen op Zoom.
Larve van Hexafoma pellucens F. T.v.E. 46, pp. 67—68.
Beiträge zur Kenntnis der Biologie und der systematischen Verwandt-
schaft der Conopiden. T.v.E. 46, pp. 144—224, PI. 14—17.
Zwei neue Dipteren aus dem ostindischen Archipel. Notes Leyden
Museum 24, pp. 177—178.
Ook Sicus ferrugineus L. uit hommels. Conopiden uit andere Hymen-
optera aculeata ; verwantschap met Holometopa. Dalmannia punctata F.
Oost-Indische Diptera in van der Wulp's nalatenschap. Kleuring der
vleugels van sommige Trypetinen door zeer korte staafjes. T.v.E.
47, pp. XVIII—XxX.
Die Echinoidea der Siboga-Expedition. Uitkomsten enz. Siboga-
Expeditie, Afl. 14, Mon. XLIII, pp. 1—252, PI. 1—23.
Neue und bekannte südasiatischen Dipteren. Bijdrage tot de Dierk.
Afl. 17—18, pp. 85—115, PI. VIII.
Siphonella funicola n. sp., eine neue javansiche ann Notes
Leyden Museum 25, pp. 160—162.
. Diptera van de Nieuw Guinea expeditie 1903. Insecten uit varens.
Stand van de Naamlijst. T.v.E. 48, pp. LVI—LIX.
. Sepsis-soorten uit Z.O. Azië en Australië. Drie O.-Indische Ortalinen.
Biologie van Lonchoptera. Zoöphaga Cecidomyide uit Psylla.
T.v.E. 49, pp. XIX—XXIL
Diptera van Nieuw Guinea door Dr. Koch verzameld. Cephenomyia
sp. uit rendier. Larven van Sapromyza in rottende bladeren.
T.v.E. 49, pp. LIX—LXI.
Over het belang van academisch onderwijs in de Entomologie. Rede.
pp. 1—27. Amsterdamsche Boek- en steendrukkerij.
Die Lonchopteren des palaearktischen Gebietes. T.v.E. 49, pp. 44—
98. Pl. 45.
Über zwei holländische Cecidomyiden, ven welchen die eine an
Kohlpflanzen schädlich ist. T.v.E. 49, pp. 18—28, Pl. XLIX.
Einige von Herrn Dr. Winkler in Victoria, Kamerun, gesammelte
Dipteren. Zeitschr. f. Hym. Dipt. 6, pp. 332—335.
Über einige indo-australische Dipteren des ungarischen National-
Museums, bez. des Naturhistorischen Museums zu Genua. Ann. Mus.
Nat. Hungar. 4, pp. 165—196, PI. II.
Diptera. Nova Guinea 5, pp. 67—99, PI. I.
Puliciphora. Perkin's verhandeling over Pipunculiden bij Homoptera;
Dryiniden uit Homoptera ; Cfenophora's ; Aleurodes-soorten ; Aspi-
diotus zonatus Frauenf. T.v.E. 50, pp. XIX—XXII.
Javaansche Diptera door Jacobson verzameld. Loxoneura decora
EF. T.v.E. 50, pp. XLV—XLVI.
1907.
1907.
1908.
1908.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. il
Eerste supplement op de nieuwe naamlijst van Nederlandsche Dipteren.
T.v.E. 50, pp. 151-195. PI. 4.
Studien über südostasiatische Dipteren I. T.v.E. 50, pp. 196—264,
Pl. 5—6.
Studien über südostasiatische Dipteren II. T.v.E. 51, pp. 105—180,
PI. 4.
Studien über südostasiatische Dipteren IN. T.v.E. 51, pp. 191—332,
Pl. 7—8.
1908. V. Bigonichaeta-tonnetjes onder vangbanden. Poppen en larven van
1908.
1908.
1909.
1909. V.
1909.
1909.
1909.
1909.
1910. V.
1910. V
1910.
1910.
1910.
1910.
1910.
1910.
NON We
Sialis en van Panorpa. Myrmecophile Culicide. T.v.E. 51. pp. LXIX
—LXXI.
De studie der insectenbiologie. Rede. pp. 1—43. Haarlem, Tjeenk
Willink & Zn.
Zwei neue Strepsipteren aus Java. T.v.E. 51, pp. 185-190, PI. 6.
Beschrijving van Agromyza erythrinae n.sp. in: Docters van Leeu-
wen, Een gal op de bladstelen en de bladeren van de dadap door
een vliegje, Agromyza erythrina de Meijere, gevormd. Cultuurgids
tweede gedeelte pp. 277—240, pl. en Meded. Alg. Proefst. Salatiga 2e
Serie Nr. 19, pp. 1—14, pl.
Poppen van Panorpa. Cerataphis befulae Mordwilk. Pseudomilichia
bij Cremafogaster difformis Smith. Stekende Ceratopogons lastig bij
het baden. Simulium nobile de Meij. Plecia fulvicollis-larve „oelar
tana”. Merkwaardige Lauxaniinae ; Prosopophora en Sfeganopsis.
T.v.E. 52, pp. L—LIII.
Zur Kenntnis der Metamorphose der Lauxaniinae. Zeitschr. f. wiss.
Insektenbiol. 5, pp. 152—155.
Die Dipteren der arktischen Inseln, in: Fauna Arctia, herausgeg. von
Dr. Frits Roemer und Dr. E. Schaudinn. Band 5, pp. 1—72.
Drei myrmecophile Dipteren aus Java. T.v.E. 52, pp. 165—174, PI. 10.
Blutsaugende Micro-dipteren aus niederländisch Ostindien. T.v.E. 52,
pp. 191—204, Pl. 12.
Plecia fulvicollis F. Puliciphora ; Nepenthesdieren ; erfelijke verschijn-
selen bij Papilio Memnon L. T.v.E. 53, pp. XXVII--XXX.
. Culex morsitans Theob. en Theobaldi de Meij. Sayomyia fusca
Staeg. Oost-Indische Tipulidae en Limnobiidae. Bladwesp in Equise-
tum. T.v.E. 53, p. LXIV.
Über Jacobson's Züchtungsversuche bezüglich des Polymorphismus
von Papilio Memnon L. © und über die Vererbung sekundärer Ge-
slechtsmerkmale. Zeitschr. induct. Abst. u. Vererb. 3, pp. 161—181,
Pl. 3.
Über getrennte Vererbung und Geschlechter (vorläuf. Mitt.) Biol.
Centrbl. 30. pp. 216—223.
Opmerking bij Corrigenda van Edw. Jacobson. T.v.E. 53, p. 195.
Nepenthes-Tiere 1. Systematik. Ann. Jard. Botan. Buitenzorg, 2e
Ser. Suppl. 3, pp. 917—940, Pl. XLIX—LI.
Über drei von Jacobson auf Java bei Pheidologeton diversus
Jerdon beobachtete Fliegen. T.v.E. 53, pp. 336—340.
Studien über südostasiatische Dipteren IV. T.v.E. 53, pp. 58—194,
PI. 4—8.
Platypeza infumata Hal. Conopiden : Brachyglossum brevirostre Germ.
uit Vespa germanica L. Physocephala chrysorrhoea uit Philanthus
triangulum F. Porphyrophora polonica L. Rhipidius pectinicor-
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
1911.
NOIZ VE
1912. V.
O2, N
1912.
1912
1912.
1912.
1912.
LOIS IVE
DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR,
nis Thunb. uit Blatta germanica L. Contarinia's aan kruisbesbloemen
en aan stengeltoppen van erwten. Larve van Harpagomyia splendens
de Meij. Philocerus ochraceus Mont. Bengalia latro de Meij. T.v.E.
54, pp. XXXVIII—XLII.
Über getrennte Vererbung der Geschlechter. Archiv. f. Rassen und
Gesellsch. Biol. 8, pp. 553—752.
Über in Farnen parasitierende Hymenopteren- und Dipterenlarven.
T.v.E. 54, pp. 80—127, Pl. 5—7.
Bemerkungen zu den javanischen Strepsipteren Parastylops flagellatus
de Meij. und Halictophagus Jacobsoni de Meij. T.v.E. 54, pp. 255—
257%
Zur Kenntnis niederländischer Culiciden. T.v.E. 54, pp. 137—157.
PI. 8—10.
Über zwei schädliche Cecidomyiden Contarinia ribis Kieff. und pi-
sicola n.sp. und über die Erbse bewohnende Dipteren. T.v.E. 54,
pp. 180—194, Pl. 17.
Zur Kenntnis der Metamorphose von Plafypeza und der verwandt-
schaftlichen Beziehungen der Platypezinen. T.v.E. 54, pp. 241—254.
Over Piophila apii Westwood en Anthomyia funesta Kühn. E.B. 3,
Nr. 59, pp. 141145.
Zur Metamorphose der myrmecophilen Culicide Harpagomyia splen-
dens de Meij. T.v.E. 54, pp. 162—167, Pl. 14.
Studien über Südostasiatische Dipteren V. T.v.E. 54, pp. 21—79,
PI. 14.
Studien über Südostasiatische Dipteren VI. T.v.E. 54, pp. 258—432,
PI. 18—22.
Mendelverschijnselen bij de sekundaire geslachtskenmerken van vlin-
ders. Handel. v. h. 13e Ned. Natuur- en Geneeskundig Congres, pp.
235—242.
Eierleggen van Conopiden: ei van Sicus in achterlijf van hommel.
Puparium van Physocephala chrysorrhoea Mg., copulatie. In vogel-
nest levend vliegje. Dolerus palustris en Bagous claudicans Boh. in
Equisetum. Syrphus bifasciatus F. als larve overwinterend. T.v.E. 55,
pp. IV—VII.
Ascodipferon. T.v.E. 55, pp. XIV—XV.
Pristiphora aquilegiae : parthenogenetisch alles & &. Carnus hemapte-
rus Nitzsch; Deporaus betulae L. op Amerikaansche eik. Diptera-
larven in de aarde : verschillende Orthorrhapha brachycera. T.v.E. 55,
pp. LIII—LV.
Über in Equisetum parasitierende Insekten. Dolerus palustris Kl. und
Bagous claudicans Boh. T.v.E. 55, pp. 208—216, PI. 9.
Zur Kenntnis von Hamamelistes betulae Mordwilko. Zeitschr. f. wiss.
Insektenbiol. 8, pp. 89—94.
Neue Beiträge zur Kenntnis der Conopiden. T.v.E. 55, pp. 184—207.
Zur Kenntnis von Carnus hemapferus Nitzsch. Schrift. Physik.-ökon.
Gesellsch. Kônigsbergen in Pr. 53, pp 1-18.
Über die Metamorphose von Puliciphora und über neue Arten der
Gattungen Puliciphora und Conocephalus Wandolleck. Zool. Jahrb.
suppl. 15, Bd. 1, pp 141—.154, PI. 4.
Chionea araneoides Dalm. Trichocera-larve. Enderlein's opvatting van
de Lestremiinae. Xylomyia en Xylophagus. Uitkomen van Mantiden
uit de eier-cocons T.v.E. 56, pp. IV.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 9
1913. V. Diptera van Nieuw Guinea van Kampen leg.; nut van oogstelen.
1913.
1913.
1913.
1913.
1913.
1913.
1913.
1913.
1914.
1914.
1914
1915.
1915.
1915.
1915.
IS
1915.
1915.
1916. V
1916. V
1916
1916.
Openspringen van puparia van Pipunculiden. T.v.E. 56, pp.
XXXVIIXLI.
Zur vererbung des Geschlechts und der sekundären Geschlechtsmerk-
male. Archiv f. Rassen und Gesellsch. Biol. 10, pp. 1—36.
Über das Ausschlüpfen der Mantiden. T.v.E. 56, pp. 62—68.
H. Sauter's Formosa-Ausbeute Sepsinae. Ann. Mus. Nation.
Hungar. 11, pp. 114-124.
Dipteren I. in: Praeda itineris a L. F. de Beaufort in Archipel
indico facti annis 1909—1910. Bijdr. tot de Dierk. 19, pp. 45—68,
PI. I.
Th. Becker und J. C. H. de Meijere, Chloropiden aus Java.
T.v.E. 56, pp. 283—307.
Studien über südostasiatische Dipteren VII. T.v.E. 56, pp. 317—354,
PI. 15—17.
Studien über südostasiatische Dipteren VIII. T.v.E: 56, Suppl. pp.
1—99, Pl. 1—3.
Dipteren I. Nova Guinea 9, pp. 305—386, Pl. X.
. Trypetiden van Java, Jacobson leg. Kopbouw van Dipteren-
larven. Vangbanden. Wesenberg-Lund over eileggen en woningen van
waterinsecten. T.v.E. 57, pp. JI—VII.
. Diptera van Simalur, Jacobson leg. Systropus van Java. Insecten-
kweekplaats aan de Universiteit van Amsterdam. T.v.E. 57, pp.
XLIX—LII.
Studien über südostasiatische Dipteren IX. T.v.E. 57, pp. 137—275,
PI. 5—7.
. Monocera rhinoceros de Meij. Lule lunaris de Meij. en Naupoda
imitans de Meij. Diptera 3e Nieuw Guinea expeditie. Aantal spriet-
leden bij Nemocera. Systropus roepkei de Meij. en numeratus n.sp.
Campylocerus robustus v. d. Wulp. T.v.E. 58, pp. V—VIII.
. Teekening der Diptera-vleugels, Vleugelkleuren der Lepidoptera, van
Bemmelen's theorie. Kleuring bij poppen. T.v.E. 58, pp. XXXVIII—
XLII.
De Entomologie en het geslachtsprobleem. Handel. 15e Natuur-
Geneesk. Congres, p. 99—119.
Diptera aus Nord-Neu-Guinea, gesammelt von Dr. P. N. van
Kampen und K. Gjellerup in den Jahren 1910 und 1911. T.v.E.
58, pp. 98—139.
Fauna Simalurensis ; Diptera. T.v.E. 58, Suppl. pp. 1—63, Pl. 1.
„Studien über südostasiatische Dipteren X. T.v.E. 58, pp. 64-97,
el, A
Diptera gesammelt durch die 3e Süd-Neu-Guinea-expedition. Nova
Guinea 13, pp. 51—54.
. Schrikkleuren. Kleuren bij bladwesplarven. Cryptochaetum chalybeum
de Meij. T.v.E. 59, pp. IV.
. Indische Diptera uit de families Dolichopadidae en Ephydridae ;
Myrmus miriformis Fall; Diptera-larven; Plafycephala planifrons.
T.v.E. 59, pp. LIII-LV.
Zur Zeichnung des Insekten-, im besonderen des Dipteren- und Lepi-
dopterenflügels. T.v.E. 59, pp. 55—147.
Zur Kenntnis des Kopfbaues der Dipterenlarven und imagines. Zool.
Anz. 46, pp. 241—251.
10
1916
1916.
1916.
1916.
1916.
1917.
1917.
1918.
1918.
1918.
1918.
1918.
1919.
1919.
1919.
1919:
1919.
1920
1920.
1920.
DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR,
Beiträge zur Kenntnis der Dipteren-Larven und Puppen. Zool. Jahrb.
Abt. Syst. 40, pp. 177-322. PI. 4—14.
Dipteren, in: Bronn’s Klassen und Ordnungen des Tierreichs. Bnd.
5, Lief. 1—4, pp. 1—64, PI. 1—2.
Studien über südostasiatische Dipteren XI. T.v.E. 59, pp. 184213,
ID 7%
Studien über südostasiatische Dipteren XII. T.v.E. 59, pp. 225—273,
Pl: 9;
Tweede supplement op de. nieuwe Naamlijst van Nederlandsche
Diptera. T.v.E. 59, pp. 293— 320.
Rectificatie tweede supplement Ned. Diptera: nu 2505 Hypoderma
lineatum Vill. inlandsch ; overwinterende Diptera. Indische Diptera.
Larve van insecten in varens. Phalacrocera replicata L. Ephestia
kühniella Z. Insecten uit Suriname. T.v.E. 60, pp. XXXVI—XXXIX.
Studien über südostasiatische Dipteren XIII. T.v.E. 60, pp. 238—251.
. Eriopterinen. Rhamphomyia’s, genitaalapparaat. Biologie Solva mar-
ginata Mg. en Myennis fasciata F. T.v.E. 61, pp. L—LIII.
. Gevleugelde Anisolabis annulipes Luc. Limnobiidae. T.v.E. 61, pp.
VI-IX.
Zur Evolution der Zeichnung bei den holometabolen Insekten. T.v.E.
60, pp. 57—75.
Neue Holländische Dipteren. T.v.E. 60, pp. 128—141, PI 8.
Studien über südostasiatische Dipteren XIV. T.v.E. 60, pp. 275—369.
. Diptera van Sumatra, Jacobson leg. Oscinella uit spinnencocons.
Muggen bij de graafwesp Rhopalum tibiale: Molophilus armatus
de Meij. en Chironomiden. Zeer jonge veenmollen. Abnormale Forfi-
cula auricularia L. Psectra diptera Burm. Tinea tapetzella L. T.v.E.
62, pp. IV—VI.
. Derde Supplement Nederlandsche Diptera : meer dan 200 fn. nn. spp.
Trishormomyia crassipes Lw. Lepfomorpha walkeri Curt. Limnobiinen:
60 fn. nn. spp. na v. d. Wulp's Dipt. Neerl. Eenige andere nieuwe
voor onze fauna: ca. 80 nieuwe Phoriden, 25 nieuwe Borboriden, nu
totaal bijna 2700. T.v.E. 62, pp. LI—LIIL
Studien über palaearktische vorwiegend holländische, Limnobiiden,
insbesondere über ihre Kopulationsorgane. T.v.E. 62, pp. 52—97,
Pl. 2—10.
Derde supplement op de Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Diptera.
T.v.E. 62, pp. 161—195.
Beitrag zur Kenntnis der Sumatranischen Dipteren. Bijdrage tot de
Dierk. Afl. 21, pp. 13—39, PI. II.
V. Hemimerus hanseni Sharp. Honingdauw, afgescheiden door Aphis
rumicis op Evonymus europaeus L. Arcfophila bombiformis Fall. ;
en Orphnephila testacea Ruthe inlandsch. Clytocosmus Skuse, Limno-
biidae: 8 nieuwe soorten van Molophilus. Ephelia marmorata Mg.
Agromyzinen ; verschillende soorten op eenzelfde plant. T.v.E. 63,
pp. XXXV—XXXIX.
. Vierde Suppl. Ned. Dipt. Van der Wulp's handschriften. hiaten in
zijn colllectie. T.v.E. 63, pp. LXIV—LXV.
Studien über palaearktische, vorwiegend holländische, Limnobiiden,
insbesondere über ihre Kopulationsorgane ; Fortsetzung. T.v.E. 63,
pp. 46—86, Pl. 2—10.
1921.
1921.
1921.
1922.
1922.
1922.
1923.
1923.
1923.
1923.
1924.
1924.
1924.
1924.
1925.
1925.
1925.
1926.
1926.
1926.
1927.
1927.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 11
. Epicypta van Java, Biologie. Verschillen der larven der Agromyzinen :
Hendel's genera. Chilosia-larven in blazen in de bladeren van Sedum
purpurascens. T.v.E. 64, pp. XXI—XXVI.
. Eenige Dipteren van Jacobson en Corporaal. Vierde Suppl.
op de Nederlandsche Diptera. T.v.E. 64, pp. LII—LIII.
Studien über palaearktische, vorwiegend holländische, Limnobiiden,
insbesondere über ihre Kopulationsorgane ; Schluss. T.v.E. 64, pp.
54—118, Pl. 3—10.
. Mimicry bij Thomisus decipiens Forbes. Eriozona syrphoides Fall.
inlandsch. Profocalliphora azurea Fall. Phoriden, gedetermineerd door
P. Schmitz; bij Aphiochaeta paludosa Wood, ook de 9 9 gevleu-
geld. Chloropisca nofafa Mg. in huizen. Chironomiden, die bloed
zuigen bij insecten. T.v.E. 65, pp. IV— VII.
. Over eenige Agromyzinen o.a. Phytomyza flavofemorata Strobl. uit
zaden van Melampyrum, Liriomyza pusilla Mg., Melanagromyza aenei-
ventris Fall. enz. T.v.E. 65, pp. XXXVIII—XLI.
Zur Kenntnis javanischer Agromyzinen. Bijdrage tot de Dierk. Afl. 22,
pp. 17—24.
. Strepsipteron Elenchus fenuicornis Kirby uit Linschoten. Puzzle:
Psithyrus legt eieren, waaruit larven van Volucella bombylans L.
kwamen, misschien als voedsel opgenomen. T.v.E. 66, pp. IV—V.
. Biologie van Agromyzinen, Dizygomyza uit Markflecke, nieuwe
Ophiomyia uit Melandryum. Liriomyza uit grassen en uit Equisetum;
vier soorten uit Lonicera. T.v.E. 66, pp. LXXIII—LXXV.
Cerafopogon-Arten als Ectoparasiten anderer Insekten. T.v.E. 66,
pp. 137—142.
Fungi als voedsel voor insecten. Meded. Nederl. Mycol. Ver. 13,
pp. 66—75.
. Eenige Diptera door Koornneef gevangen. Alle Nederl. Co-
nopiden. Syrphus balteatus de G. var., zonder de Iste smalle zwarte
dwarsstreep op de achterlijfs-segmenten. Glabellula arctica Zett. fn.
n. sp. in nest van Formica exsecta Nyl. T.v.E. 67, pp. XXXIV—
XXXVI.
Verzeichnis der holländischen Agromyzinen. T.v.E. 67, pp. 119—155.
Studien über südostasiatische Diptera XV. T.v.E. 67, suppl. pp. 1—64.
Studien über südostasiatische Dipteren XVI. T.v.E. 67, pp. 197—224.
. Op cultuurplanten levende Agromyzinen. T.v.E. 68, pp. IV—VIII.
. Tonnetjes uit aanspoelsel van Herwen door Scholten verzameld.
66 Diptera-soorten, van 55 de puparia. T.v.E. 68, pp. LKX—LXXIII.
Die Larven der Agromyzinen. (I). T.v.E. 68, pp. 195—293.
. Zeldzame en nieuwe Diptera voor ons land. Phytomyza aquifolii
Gour. = ilicis Curtis. Verhandeling van Frost. T.v.E. 69, pp. XLII—
XLV.
. Tweede zending van Scholten, nu tezamen 83 puparia. T.v.E. 69,
pp. LXI-LXIV.
Die Larven der Agromyzinen. (Fortsetzung und Schluss.) T.v.E. 69,
pp. 227—317.
. Agromyzinen van Gramineeën en Carex. Hendel's Blattminenkunde.
Hering, Oekologie der blattminierenden Insektenlarven., Partheno-
genesis bij Phytomyza crasseta Zett. en andere Diptera. T.v.E. 70,
pp. XII—XVI.
. Vermelding van het Vierde Suppl. op de Nieuwe Naamlijst van
Nederl. Diptera, waarin eenige merkwaardige Diptera. T.v.E. 70,
pp. LXIX—LXXX.
1928. V.
TOZ VE
1928. V.
1928.
1928.
1928.
1928
1929" V.
L929 N
1929.
1929.
1929.
1929.
1930. V.
1930. V.
1930.
1930.
IWBil, We
WEB. We
1931.
DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR.,
Verpopping en uitkomen van Tachinen : tonnetjes in spinsel van de
rups; Echinomyia grossa L. uit Lasiocampa quercus L. Lophyrus-
parasieten Sfurmia inconspicua Mg. larve uit cocon, Ceromasis inclusa
Hartig, in onvolledige Lophyrus-cocon. Diplostichus janithrix Hartig,
klein dekseltje op cocon, wel door vliegenlarve losgesneden. Vierde
suppl. ter perse, nu over drie duizend. Op vindplaatsen ook terreinen
aangegeven. T.v.E. 71, pp. II-V.
Biologie van Pallopfera saltuum L. Met acetokarmijn gekleurde ge-
slachtscellen van Macrofhylacia rubi L., Ephestia sp. uit tabaksbla-
deren uit den Balkan, wel elutella Hb. T.v.E. 71, pp. LKXV—LXXVII.
Temperatuurproeven met Vlinderpoppen. T.v.E. 71, pp. LXXXIV.
Über haltbare, rasche Färbung vermittels Azetokarmin. Zeitschr. f.
wiss. Mikrosk. u. f. mikrosk. Technik. 46, pp. 189—195.
Hexapoda, in : Ihle en Nierstrasz, Leerboek der Bijzondere Dierkunde,
pp. 319— 368. Utrecht, Oosthoek.
Vierde supplement op de Nieuwe Naamlijst der Nederlandsche Dip-
tera. T.v.E. 71, pp. 11—83.
Die Larven der Agromyzinen. Erster Nachtrag. T.v.E. 71, pp. 145—
178.
Eenige fn. nn. spp. Twee zeldzame Syrphiden. Hendel, Die Tierwelt
Deutschlands, Allgemeiner Teil Dipteren. Hendel's opvatting der
lunula. T.v.E. 72, pp. VI—VIII.
Zevende deel van Brehms Tierleben over Insecten. Agromyzinenlar-
ven doen een aantal nieuwe soorten kennen. Fraaie bladmijnen van
Ophiomyia curvipalpis Zett. in Solidago. T.v.E. 72, pp. XCIV—
XCV.
Erfelijkheid en Afstammingsleer in: Ihle en Nierstrasz, Leerboek der
Algemeene Dierkunde, pp. 697—742. Utrecht, Oosthoek.
Veranderlijkheid in Eenheid. (Rectoraatsrede). pp. 1—20.
Verslag van de lotgevallen der Universiteit van Amsterdam, ge-
durende den cursus 1928—1929. (Rectoraatsrede). pp. 1—23.
Fauna buruana. Syrphiden nebst einigen Brachyceren Orthorrhaphen.
Treubia 7, pp. 378—387.
Puzzle: Diptereneieren op graafwespen en wilde bijen. Tachine uit
kunstnest van Lasius alienus Först. Eenige blad- en schildluizen o.a.
Eriopeltis Lichtensteini Sign.; daaruit Leucopis annulipes Oldenb.
T.v.E. 73, pp. IX—XII.
Rhabdophaga Pierrei Kieff. in wilgentakken. Bietenvlieg. Verschillen
door Czerny opgegeven voor Anthomyza gracilis Fall. en sordidella
Zett.; Geomyza bimaculata Mg. Mycetaulus bipunctatus Fall. Te-
thina's. T.v.E. 73, pp. XCI—XCIV.
Über einige europäische Insekten, besonders günstig zum Studium der
Reifungsteilungen, nebst einigen Zusätzen zur Azetokarmin-methode.
Zool. Anz. Bd. 88, pp. 209—219.
De opleiding tot Entomoloog voor Ned. Indië. Vakblad voor Bio-
logen 12, Nr. 2, pp. 29-31.
Melanagromyza theae Bigot. Nog gewenschte Indische Agromyzinen.
Hering's Minenherbarium : verschillen in mijnen. T.v.E. 74, pp. IH-V.
Microdontinae. Parallele ontwikkeling en mimicry. Syepbide uit Ne-
penthes-bekers. T.v.E. 74, pp. LXVI—LXVIII.
Haare in: L. Bolk, E. Géppers, E. Kallius, W. Lubosch,
Handbuch der vergleichende Anatomie, pp. 585—632. Berlin und
Wien, Urban & Schwarzenberg.
mi.
1932. V.
1932. V.
1932.
1932.
1932.
1933. V.
1933. V.
1933.
1938.
1938.
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 13
Melanagromyza theae Green uit Assam- en Chineesche thee. Ceratitis
capitata Wied. uit geimporteerde vijgen. T.v.E. 75, pp. II—III.
Een publicatie van Sack over een Syrphidenlarve in Nepenthes-
bekers. Nepenthosyrphus. Larven van Odinia maculata Mg. in gangen
van Crypforrhynchas lapathi L., daaruit ook Phaonia gracilis Stein
Tes WD, Ws II
Zoologisch Museum, in: Gedenkboek van het Atheneum en de
Universiteit van Amsterdam, pp. 508—517. Amsterdam, Stadsdrukkerij.
Einige Notizen zu Czerny : Anthomyzidae, Opomyziden, Tethiniden,
Lief. 28 van Lindner, Die Dipteren der palearktischen Region. T.v.E.
75, pp. 284—288.
Aus Nepenthes-Bechern gezüchtete Syrphiden. T.v.E. 75, suppl. pp.
153—162.
Eenige Javaansche vliegen, o.a. Sysfropus blumei Sn. v. V. en Lon-
chaea gibbosa de Meij. Hartig over Tachina janithrix Hartig : waar-
schijnlijk maakt de bladwesplarve het kleine dekseltje T.v.E. 76,
pp. XX--XXIV.
Agromyzinen van Java door Kalshoven gezonden. T.v.E. 76, pp.
LXXXII-LXXXIV.
Über Dipteren, deren Larven in Termitennestern leben, nebst einige
weitere z. T. neue, gleichfalls aus Djati-Wäldern auf Java. T.v.E.
76, p. 103—114.
V. Vijfde Suppl. Ned. Diptera. 250 fn.nn.spp. o.a. 50 Phoriden, nu
totaal ca. 3300. T.v.E. 77, pp. LVIII—LIX.
V. Beteekenis der uitwendige genitaliën voor de Systematiek. T.v.E. 77,
p. LXI.
Die Larven der Agromyzinen. Zweiter Nachtrag. T.v.E. 77, pp. 244—
290.
In Memoriam Dr. J. Th. Oudemans. T.v.E. 77, pp. 167—172. 2 Por-
tretten.
. Eieren van Oncodes gibbosus L. Spinselplaatjes van Hilara sartor
Beck. Galmug in vruchtkegels van Chamaecyparis lawsoniana. T.v.E.
78, pp. XII—XIV.
. Copulatie bij Agromyzinen. (Is niet in het Tijdschrift verschenen,
maar in de Bijdragen tot de Dierkunde. Afl. 27—1939, pp. 19—26).
T.v.E. 78, pp. LVI-LVII.
Über zwei neue holländische Empididen. T.v.E. 78, pp. 126—128.
Über Craneiobia lawsonianae de Meij, eine Gallmücke aus den
Früchten von Chamaecyparis lawsoniana. T.v.E. 78, pp. 129—133.
Armyworms of the Netherland East-Indies. T.v.E. 78, pp. 184—185.
Vijfde Supplement op de Nieuwe Naamlijst der Nederlandsche Dip-
tera. T.v.E. 78, pp. 188—230.
Hypopygium ook bij © ©. Agromyzinenlarven in stengels door Dr.
Buhr verzameld, meest Ophiomyia- en Liriomyza-soorten. Culicoides
nubeculosus Mg. in Boschplan. T.v.E. 80, pp. LKXXI-LXXXII.
Die Larven der Agromyzinen Dritter Nachtrag. T.v.E. 80, pp. 167
— 243.
. Prothorakale hoorns van de pop van Diploneura cornuta Big. Acido-
xantha bombacis de Meij. in vruchten van wilden kapokboom. Polyo-
daspis n.sp. in rupsen. Culicoides impunctatus Goethgh. fn.n.sp.
T.v.E. 81, pp. LXXX—LXXXI.
Die Larven der Agromyzinen. Vierter Nachtrag. T.v.E. 81, pp. 61
—116.
Acidoxantha bombacis n.sp. T.v.E. 81, pp. 122-123.
14
1938.
1938.
1938.
1939.
1939.
1939.
1939.
1939.
1940.
1940.
1940.
1940.
1940.
1940.
1940.
1940.
1941.
1941.
1941.
1941.
1941.
1942.
1943.
1943.
1943.
1943.
DR. G. BARENDRECHT EN DR. G. KRUSEMAN JR.
Über die Prothorakalhörner der Puppe von Diploneura cornuta Big.
T.v.E. 81, pp. 230—233.
Phytagromyza buhri n.sp. eine Agromyzine, deren Larve im Stengel
der Blütenstände von Galium mollugo lebt. E.B. 10, Nr. 224, pp.
83—84.
Polyodaspis endogena n.sp., eine endoparasitisch in Raupen lebende
Chloropide aus Java. E.B. 10, Nr. 224, pp. 84-87.
. Naamlijst van Nederl. Diptera. Agromyzinenlarven door Dr. Buhr
in Kameroen verzameld. T.v.E. 82, pp. LKXII-LXXIII.
Über die Begattung und über den Stylus der Agromyziden. Bijdragen
tot de Dierkunde. 27e Afl., pp. 19—26.
Zesde supplement op de Nieuwe Naamlijst van Nederlandsche Diptera.
T.v.E. 82, pp. 118—136.
Naamlijst van Nederlandsche Diptera, afgesloten 1 April 1939. T.v.E.
82, pp. 137—174.
Diptera, uit paddestoelen gekweekt. E.B. 10, Nr. 230, pp. 188—191.
Hydromyza livens Fall. en Notiphilla brunnipes Rob. Desv., twee
Dipteren, wier levenswijze verband houdt met Nymphaea alba. L.
E.B. 10, Nr. 232, pp. 220—222.
Eine neue myrmecophile Phyllomyza, Phyllomyza pallida n.sp. E.B.
10, Nr. 232, pp. 222—223.
Entomologie. Natura 39, pp. 80—92.
Heeft Darwin afgedaan ? Vakblad voor Biologen 21, pp. 146—147.
Über eine fragliche Heteropezine aus Holland. E.B. 10, Nr. 233,
pp. 236—239.
Die Larven der Agromyzinen ; fünfter Nachtrag ; Agromyzinen u.s.w.
von Kamerun. T.v.E. 83, pp. 160—188.
Über die Larven der in Orchideèn minierende Dipteren. T.v.E. 83,
pp. 122—127.
Über Melanagromyza cenfrosematis n.sp. aus Java nebst Bemerkungen
über andere tropische Melanagromyzen. T.v.E. 83, pp. 128—131.
. Nederlandsche Heleidae. De larve van Cacoxenus indagator Löw.
T.v.E. 84, pp. XLIV—XLV.
Over de levenswijze van Nofiphila brunnipes Rob. Desv. E.B. 10,
Nr. 236-237, pp. 281—285.
Puparién van Loxocera in stengels van Juncus. E.B. 10, Nr. 236—237,
pp. 286—287.
Tweevleugeligen in: Amsterdam natuurhistorisch gezien. Gedenkboek
40-jarig bestaan van de afd. Amsterdam der Ned. Natuurhist. Vereen.,
pp. 218— 222. Amsterdam, Scheltema & Holkema.
Die Larven der Agromyzinen, Sechster Nachtrag. T.v.E. 84, pp. 13—
V. Chironomiden-eieren. Zeer kleine Agromyzine in asperge, nieuw
5
genus Pfochomyza Hering. T.v.E. 85, p. LIII.
. Nomenclatuurquestie. T.v.E. 86, p. III.
. Vliegje van Krakatau: Homoneura discoglauca Walk. Nederlandsche
Sarcophaga-soorten. T.v.E. 86, p. XVI.
Die Larven der Agromyzinen. Siebenter Nachtrag. T.v.E. 86, pp.
61—76.
Over de metamorphose van Metopia leucocephala Rossi, Cacoxenus
indagator Léw., Palloptera saltum L., Paranthomyza nitida Mg. en
Hydrellia nigripes Zett. T.v.E. 86, pp. 57—61.
Te
a >
1944.
1945.
1946.
1946.
1946.
1946.
1946.
1947.
1947.
1948.
1948.
1949.
1949.
Sy
IN MEMORIAM PROF. DR. J. C. H. DE MEIJERE. 15
1944. V. Bestuiving van Arum- en Aristolochia-bloemen door kleine Dipteren.
T.v.E. 86, p. LI.
Inleiding tot kennis der Nederlandsche Tweevleugelige Insecten:
Thieme, Zutphen, pp. 1—72.
Een studie over Simulium-larven, benevens eenige Errata op mijn
boekje over Nederlandsche Diptera. E.B. 11, Nr. 264/66, pp. 281— 282.
Zevende supplement op de Nieuwe Naamlijst van 1898. (Eerste
suppl. op mijne Naamlijst van 1939). T.v.E. 87, pp. 1—25.
Die Larven der Agromyzinen. Achter Nachtrag. T.v.E. 87, pp. 65—
74.
In Memoriam Dr. Edw. Jacobson. E.B. 12, Nr. 267—268, pp. 2—4.
Oxydiscus (Diptera) changed in Oxyrhiza. E.B. 12, Nr. 271—272,
.p 68.
Boekaankondiging : Venia Tarris Phillips. The Biology and Iden-
tification of Trypetid Larvae. E.B. 12, Nr. 271—272, p. 69.
De Nederlandsche Entomologische Vereeniging bestaat 100 jaren,
maar zij is nog jeugdig van geest en nog steeds bloeiend. T.v.E. 88,
pp. 1—18.
Over eenige Diptera-larven, waaronder een galmug, die mijngangen
maakt en twee Dipteren, die gallen op paddestoelen veroorzaken.
T.v.E. 88, pp. 49—62.
Posthuum zullen verschijnen :
Supplement 8, Nederlandsche Diptera. T.v.E.
Die Larven der Agromyzinen, Neunter Nachtrag. T.v.E.
Necrologieën.
B. J. Lempke. In memoriam. E.B. 12, Nr. 279, p. 202.
Dr. G. Barendrecht. In memoriam Prof. Dr. J. C. H. de Meijere.
Vakbiad voor Biol. 28, pp. 1—2.
Dr. G. Barendrechten Dr. G. Kruseman. In memoriam Prof.
Dr. J. C. H. de Meijere. T.v.E. 90, pp. 1—15, portret.
Dr. G. Barendrecht. In memoriam Prof. Dr. J. C. H. de
Meijere. Amsterdamse Studenten Almanak voor 1949, ter perse. Portret.
= il —
Nieuwe gegevens over de insectenfauna
van Terschelling
door
D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN
(Met een plaat.)
Op 3—6 Juli 1937 maakten we een verzameltocht op het eiland
Terschelling, met het doel, om van verschillende insectenorden zoo
nauwkeurig mogelijke gegevens bijeen te brengen. Onze tocht werd
door fraaie weersomstandigheden begunstigd, hetgeen de vangsten
natuurlijk ten goede kwam. De resultaten blijken uit de navolgende
lijsten. Ofschoon sindsdien door allerlei omstandigheden vele jaren
zijn verlopen, hebben we gemeend goed te doen door deze gege-
vens thans te publiceren, omdat gebleken is, dat in onze vangsten
een onverwacht groot aantal voor Terschelling nieuwe soorten
vertegenwoordigd zijn. Dit wijst er op, dat de kennis van de in-
sectenfauna van dit eiland nog zeer onvolledig is te noemen.
Het is niet onze bedoeling om een samenvatting te geven over
de insectenwereld van Terschelling, omdat dit beter in een verder
gevorderd stadium van onderzoek kan geschieden. We willen slechts
een bijdrage leveren voor de inventarisatie van het eiland. Wel
hebben we in onze lijsten bij de kleinere orden volledigheidshalve
de reeds van Terschelling bekend geworden soorten mede vermeld,
onder aantekening van de bron van herkomst. Verder zijn in de
literatuurlijst alle ons bekend geworden faunistische publicaties ge-
noemd. Hieronder vormt de bijdrage van Dr. D. Mac Gilla-
vry (1914) de basis, waarop dient te worden voortgebouwd.
Sedert de vangsten en de uitgave van onze gegevens, zijn reeds
enkele vondsten in naamlijsten gepubliceerd. Zo vermeldt Prof.
Dr. J. C. H. de Meijere in zijn „Zesde Supplement op de
Nieuwe Naamlijst van Nederlandse Diptera” (T. v. Ent., DI. 82,
1939 Afl. 3 en 4, pp. 118—136) 3 soorten Diptera, welke door ons
werden verzameld. Eveneens publiceerde Dr. A. Reclaire in
zijn „3e Vervolg op de Naamlijst der in Nederland en het omlig-
gend gebied waargenomen wantsen (hemiptera-heteroptera)” (T.
v. Ent., DI. 83, 1940, Afl. 1 en 2, pp. 103—119) 8 wantsensoorten
van Terschelling, welke deel uitmaakten van onze collecties.
Uit onze vangsten zijn nog de volgende bijzonderheden af te
leiden. Wanneer we afgaan op het aantal individuen dat werd ver-
zameld, dan krijgen we daarmede tevens een idee over de quanti-
tatieve verhoudingen der verschillende insectenorden, die op dat
moment zijn aangetroffen. Ofschoon wel getracht is zoveel moge-
lijk van alles wat te krijgen was bijeen te brengen, ligt hierin toch
een zekere persoonlijke factor opgesloten. Deze factor uitte zich in
PI. I
Doodemanskisten.
Ds
innenduin met duinpan.
1.
1
7
$
7
4
x
8
hi
4. Waddenkust bij Grie.
3. Ponswiel.
6. J. Doeksen.
5. D. C. Geyskes,
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING. 17
een grotere aandacht voor de minder algemeen verzamelde orden,
zoals Ephemeroptera, Thysanoptera, Aphidae, Neuroptera, Tricho-
ptera en Microlepidoptera, waarvoor toevallig specialisten voor de
bewerking van het materiaal beschikbaar waren. Ook deze laatste
factor bepaalt dikwijls de intensiteit van het verzamelen bij faunis-
tische onderzoekingen.
In het navolgende overzichtstaatje zijn de orden, waartoe de
verzamelde insecten behoorden, gerangschikt, 1° naar het aantal
individuen dat ervan is verzameld, 2° naar het aantal soorten, tot
welke deze individuen blijken te behoren en 3° naar het aantal
soorten, dat nieuw is voor Terschelling.
aantal aantal nieuw voor
exemplaren soorten Terschelling
Diptera (excl. Chironomidae) 429 (93) Toer 23
Kiymenoptera.ı 2.0.0. 178 e) 50
Coleoptera een 150 64 23
Hemiptera heteroptera . . . 118 94 7
Hirichoptera te ies. 4, 78 9 6
klomopteraı nn 0 se 51 — ? — ?
ADUAE 0... 2. Lo (monsters) 10 10
©@rthoprerame es nt 51 6 5
Widerolepidoptera M .. 34 25 16
Microlepidoptera . .....29 14 13
Thysanoptera . . . . . . 22 (monsters) 8 8
Odonata . . «is. 25 7 2
Neuropterafii to Ct... 18 5 A
Bphemeroptera it. .... 15 5 3
Psocopterame ne. .....,.6 2 2
Wermaptera nt 2... 5 1 —
Uit dit overzicht blijkt het volgende. De Diptera overheersen
boven alle andere orden !), dan volgen de Hymenoptera, vervolgens
de kevers en wantsen, terwijl de kleinere orden in beperkt aantal
gevonden worden. Opvallend is het geringe aantal Lepidoptera,
speciaal de Macro's, daarentegen vertonen vele soorten onder de
Orthoptera en de Trichoptera een rijke individuele ontplooiing ;
dit geldt ook voor vele soorten onder de Diptera.
We kunnen daarvoor in het bijzonder twee oecologische factoren
verantwoordelijk stellen. In de eerste plaats speelt hier de wind
een belangrijke rol in de samenstelling van de insectenfauna, in
zoverre, als we grotere vormen zoals vlinders stellig zien gehandi-
capt, terwijl aan een aantal kleinere vormen (Hymenoptera, Di-
ptera) en weinig vliegende soorten (Coleoptera, Orthoptera) en
vele plantenzuigende species (Heteroptera, Thysanoptera) een be-
tere kans tot ontwikkeling gelaten wordt. In de tweede plaats ont-
staat door het zoutgehalte aan het strand, maar ook in de binnen-
1) Ook de heer Kabos (1942) vermeldt deze observatie, waar hij zegt:
„Geen enkele insectenorde treedt in het strand-, duin- en kustgebied zoo op
den voorgrond als de Diptera.”
18 D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
wateren, een sterke soortenselectie, waardoor brakwatervormen en
halophielen het terrein voor zich open vinden en daardoor ran
tatief zich boven het normale evenwicht ontwikkelen.
Dat de quantitatieve verhoudingen vrijwel parallel lopen met de
qualitatieve opgaven, wijst erop, dat deze verhoudingen niet kunst-
matig, maar natuurlijk zijn. Deze relatie is voor een bepaalde streek
typisch en hoe beter zij bekend wordt, des te juister zal men de
fauna kunnen karakteriseren.
Uit de verhouding van de verzamelde soorten tot die, welke nog
onbekend waren voor Terschelling, blijkt wel zeer duidelijk, dat
we nog te weinig op de hoogte zijn van de totaal aanwezige fauna.
Van de 294 verzamelde soorten, blijken niet minder dan 172 soorten
nieuwe records te zijn, of bijna 59 % der vangsten. Hieronder be-
vinden zich zelfs enkele faun.nov.spec. (zie onder Hymenoptera,
Ichneumonidae en Diptera).
Door de bewerking van het meegebrachte materiaal hebben de
volgende entomologen, die met grote bereidwilligheid de determi-
naties hebben uitgevoerd, ons zeer verplicht: C. Willemse
(Orthoptera), A. Reclaire (Hemiptera heteroptera), D. Hille
Ris Lambers (Aphidae), J. C. Ceton (Macrolepidoptera),
G. A. Graaf Bentinck (Microlepidoptera), P. v. d. Wiel
(Coleoptera), J. Koornneef (Hymenoptera, Tenthredinidae,
Ichneumonidae, Aphidiidae, Braconidae, Bethylidae, Chrysididae
en Mutillidae), A. Stärcke (Formicidae), J. Wilcke (Psam-
mocharidae, en Apidae), J. C. H. de Meijere en
G. Kruseman Jr. (Diptera), Van de overige orden is de de-
terminatie door ons zelf uitgevoerd.
Helaas is een gedeelte van het materiaal in de loop der tijden
verloren gegaan. Zo konden de Homoptera niet meer worden
teruggevonden, eveneens moet een groot gedeelte der Diptera
verdwenen zijn. Een gedeelte van het materiaal is in de inlandse
insectencollectie van het Lab. voor Entomologie te Wageningen
gedeponeerd en verder zijn verschillende objecten, welke om de
een of andere reden voor de specialisten van belang waren, aan
hun privé collecties afgestaan. Het zou voor de studie der Noord-
zee-eilanden aan te bevelen zijn, om daarvan een standaard-collectie
aan te leggen, waardoor het onderzoek in de toekomst niet alleen
vereenvoudigd, maar ook gestimuleerd zou worden.
Orthoptera (C. Willemse det.)
1) * Chorthippus albo-marginatus de Geer
Dwarsdijk, Oosterend, Halfweg slootkant, Kaard.
* Chorthippus bicolor Charp.
duin Badpaviljoen.
* Conocephalus dorsalis Latr.
Strandplas. (3 larven.)
* Acrydium subulatum L.
Doodemanskisten.
*
1) De soorten met een * zijn nieuw voor Terschelling.
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING. 19
Myrmotettix (Gomphocerus) maculatus Thunb.
Doodemanskisten, duin Badpav., Grie.
* Phasgonura viridissima L.
Kaard, duinvoet Kaard (2 nymphen),
Dermaptera (D. C. Geijskes det.)
Forficula auricularia L.
Kaard, algemeen langs huisstoepen etc., ook jonge
dieren.
Psocoptera (D. C. Geijskes det.)
Peripsocus phaeopterus Steph.!) (Mac Gillavry T. v.
1B, Bile WONG joy 92)
* Hyperetes guestfalicus Kolbe
strand badpaviljoen, op helm, versch. expl.
Doodemanskisten op Pinus nigra, Grie op helm.
* Elipsocus cyanops Rost.
Doodemanskisen, 2 expl. (op Alnus ?).
Ephemeroptera (D. C. Geijskes det.)
* Procloeon bifidum Bgtss.
Doodemanskisten (Nymphen).
* Cloeon simile Eat.
Doodemanskisten imagines (4 9). Talrijk.
* Caenis horaria L.
Doodemanskisten 5 & 1 © in spinneweb op Pinus
nigra.
De vroegere vondsen van Cloeon dipterum L., Ritsema
(Albarda 1889 T. v. E. 32 p. 262), en van Caenis moesta
Bgtss., C. macrura Steph. en Cloeon praetextum Bgtss., ver-
zameld in nymphen-stadium (de Vos 1930 Rev. d. Ges.
Hydrobiol. u. Hydrograph. Bd. 24, H. 5/6. p. 488), zijn niet
teruggevonden.
Odonata (D. C. Geijskes det.)
Calopteryx splendens Harr.
Doodemanskisten 1 ¢ (Jacobi) [Geijskes 1932,
T.v.E. 75, p. XXXVIII]
* Lestes sponsa Hansm.
Doodemanskisten en strandmeertje bij Badpaviljoen
Noordstrand.
Ischnura elegans Vanderl.
Doodemanskisten, strandmeertje Badpaviljoen, pol-
derslootjes Kaard, Ponswiel Midsland, Dwarsdijk en
Grie slenken ; overal de gewoonste soort.
Enallagma cyathigerum Charp.
Doodemanskisten, vrij algemeen.
Agrion pulchellum Vanderl.
1) Volgens Dr. Kruseman moet dit exemplaar gerekend worden tot P. par-
vulus Klb. (zie 3e Mededeeling over Nederl. Psocoptera, verslag 98e Zomer-
vergadering, T. v. Ent. DI. 86, p. LII, 1944).
20 D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Doodemanskisten (Jacobi, polderslootje tegen de
duinen Midsland 2 4 12 (Jacobi leg. Geijs-
kes l.c.)
Libellula quadrimaculata L.
Doodemanskisten, duinen Badpaviljoen vrij algemeen,
ook enige expl. van de var. praenubila Newm.
Sympetrum flaveolum L. (Mac Gillavry, T.v.E. 57 p.
92), duinen Badpaviljoen enkele jonge expl.
* Sympetrum striolatum Charp.
Duinen Badpaviljoen, talrijk, jonge dieren.
Doodemanskisten 1 expl. en volwassen nymphen.
Mac Gillavry lc. vermeldt nog Sympetrum vulga-
tum L., terwijl de Vos (1930, Rev. d. Ges. Hydrobiol. u.
Hydrograph., Bd. 24 H. 5/6 p. 493) de nymphen van
Orthetrum cancellatum L. uit de Doodemanskisten opgeeft.
Thysanoptera: (J. Doeksen det.)
* Aeolothrips fasciatus L.
Algemeen overal (Mac Gillavry 1912, zie
v. Eecke 1931).
Chirothrips manicatus Hal.
f. brachyptera Grie.
f. macroptera zeer algemeen overal.
* Aptinothrips rufus (Gmel.) Hal.
in grassen algemeen.
Limothrips denticornis Hal.
op grassen niet algemeen.
* Limothrips cerealium Hal.
op granen en grassen algemeen.
* Thrips physopus L.
op gele bloemen, vooral composieten, algemeen.
* Thrips fuscipennis Hal.
in allerlei bloemen, vrij algemeen.
Haplothrips aculeatus F.
op Juncus langs slootkant Horp.
Hemiptera-heteroptera (A. Reclaire det.)
Fam. Corixidae :
* Sigara lugubris Fieb.
Grie slenk 1 2.
hieroglyphica Duf.
Grie slenk 3 expl.
met striata Qi
Grie slenk 1 expl.
„ distincta Fieb.
Doodemanskisten 2 expl.
fossarum Leach.
Doodemanskisten 9 expl.
„ fabricii Fieb.
Grie slenk 1 expl.
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING. 21
Fam. Notonectidae :
Notonecta glauca L.
Doodemanskisten nymphen
Fam. Saldidae :
Salda litoralis L.
Dwarsdijk, onder wier, 1 expl. en versch. nymphen.
Saldula (Acanthia) pallipes F.
Noordstrand 1 expl.; Grie 1 expl.
Fam. Anthocoridae :
Anthocoris nemoralis F.
Grie 1 expl.
Orius majusculus Reut.
Doodemanskisten 1 expl.
Fam. Miridae (Capsidae) :
Adelphocoris lineolatus Goeze. var. implagiata Westh.
Grie 1 expl.
Calocoris norvegicus Gmel.
Kaard. 3 expl.; Dwarsdijk 1 expl.; Grie 3 expl.;
Halfweg 1 expl.; Doodemanskisten 1 expl.
Calocoris norvegicus Gmel. var. immaculata Strict.
Grie 1 expl.
Poeciloscytus vulneratus Panz.
Grie 1 expl.
Capsus ater L.
duinen 1 expl.; Dwarsdijk 1 expl.
Stenodema calcaratum Fall. var. virescens Fieb.
Doodemanskisten 2 expl.
Stenodema calcaratum Fall. var. grisescens Fieb.
Doodemanskisten 1 expl.
Notostira erratica L.
Grie 1 expl.
Trigonotylus ruficornis Geoffr.
Doodemanskisten 1 expl.; Kaard 7 expl.; Grie
9 expl.
Trigonotylus psammaecolor Reut.
noordstrand 3 expl. ; duinen 2 expl.
Miris ferrugatus Fall.
_ Grie 9 expl.
Systellonotus triguttatus L.
Grie 2 expl.
Orthotylus flavinervis Kbm.
Doodemanskisten 1 expl.
Orthotylus marginalis Reut.
duinen 1 expl.
Strongylocoris luridus Fall.
duinen 1 expl.
* Psallus ambiguus Fall.
Doodemanskisten 1 expl.; duinen 1 expl.
22 D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Plagiognathus chrysanthemi WIff.
Kaard 1 expl.; Dwarsdijk op Art. maritima 1 expl.
* Plagiognathus albipennis Fall.
Dwarsdijk op Art. maritima 4 expl.
Microsynamma nigritula Zett.
strandplas 2 expl.
Microsynamma bohemani Fall.
Doodemanskisten 4 expl.; Grie 1 expl.; slenk
2 expl. ; duinen 3 expl. ; noordstrand 1 expl. ; strand-
plas 1 expl.
Fam. Gerridae :
Gerris thoracicus Schumm.
Grie slenk 1 expl.
Fam. Lygaeidae :
Nysius thymi WIff.
Grie duinen 1 expl.
Fam. Coreidae :
Myrmus miriformis Fall.
Grie 3 expl.
Chorosoma schillingi Schill.
Grie 2 expl.
Fam. Pentatomidae :
* Aelia klugi Hhn.
duinen 1 expl.
Hemiptera-homoptera (D. Hille RisLambers det.)
Fam. Aphidae :
* Macrosiphoniella pulvera (WIk.).
op Artemisia maritima, Dwarsdijk.
Dactynotus obscurus (Koch)
op Hieracium umbellatum, Duinen.
Staticobium limonii (Cont.)
op Statice limonium, Dwarsdijk.
Hyalopterus pruni (Geoffr.)
op Phragmitis communis, Doodemanskisten.
Rhopalosiphum padi (L.)
op Juncus bufonius, Kaard.
* Doralis fabae (Scop.)
op Vicia faba, overal in het cultuurgebied.
* Myzocallis alni (Geer)
op Alnus, voet duinen bij Kaard.
Myzocallis quercus (Kltb.)
_ op Quercus, Doodemanskisten.
Atheroides serrulatus Hal.
op Gramineae, Grie.
Eulachnus bluncki Börner
op Pinus nigra, Doodemanskisten.
Neuroptera (D. C. Geijskes det.)
* Hemerobius nitidulus Fabr.
Doodemanskisten op Pinus nigra, 1 €.
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING. 23
Hemerobius stigma Steph.
Doodemanskisten op Pinus nigra, 2 & 3 2.
Hemerobius humulinus
Doodemanskisten op Pinus nigra, 1 ¢.
Chrysopa dorsalis Burm.
Doodemanskisten op Pinus nigra, algemeen.
Chrysopa abbreviata Curt.
Duinen Badpaviljoen tussen helm, 1 & 22 ; 1 larve
op helm, strand Badpaviljoen.
(Wie thy 22 pP <Clillgent li virE 32 ps 305):
Chrysopa phyllochroma Wesm.
(ae ali E 22 pC Sens vk 329,305):
Chrysopa dorsalis is een onverwachte soort ; zij geldt voor
ons land als vrij zeldzaam en wordt door Albarda
(T.v.E. 32 p. 306) opgegeven van Ginneken, Galderen,
Velsen en Arnhem. Bakker (De Lev. Nat. 1927) noemt
haar als voorkomende op Pinus nigra, wat met onze waar-
neming klopt. Op de naalden van deze den werden door ons
ook Chrysopa-eieren gevonden, die stellig van deze soort
afkomstig waren. De eieren waren verspreid afgezet op de
uiteinden der dennennaalden ; het eisteeltje is vrij kort, on-
geveer 4 X de lengte van het ei zelf.
Behalve Chr. dorsalis, werden de Hemerobius-soorten
eveneens uitsluitend op Pinus nigra bij de Doodemanskisten
gevonden. Daar deze dennen door Staats-Boschbeheer in-
dertijd alhier zijn aangeplant, rijst daarmede de vraag, of
ook deze typische Coniferen-bewoners nl. als bladluisrovers,
mede zijn geïmporteerd en als zodanig niet tot de oorspron-
kelijke insectenfauna van het eiland behoren. Bij Chrysopa
abbreviata en Chr. phyllochroma, die algemeen in de duinen
van ons land gevonden worden, behoeft niet aan import met
P. nigra gedacht te worden.
Trichoptera (D. C. Geijskes det.)
* Ecnomus tenellus Ramb.
Ponswiel 1 4.
* Leptocerus aterrimus Steph.
Doodemanskisten, algemeen.
Triaenodes bicolor Curt.
Doodemanskisten, algemeen.
* Oecetis ochracea Curt.
Doodemanskisten, algemeen.
Oecetis lacustris Pict.
Doodemanskisten, zeer algemeen.
* Colpotaulius incisus Curt.
Strandplas bij Badpaviljoen 1 3.
* Grammotaulius nitidus Müll.
Kaard, op licht (2 4 4 door J. Doeksen in Aug.
1934 gevangen).
24:
D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
* Limnophilus marmoratus Curt.
Strandplas bij Badpaviljoen 1 4, Kaard in spinneweb
2 22 ; Doodemanskisten 1 ¢ 1 ©.
Limnophilus vittatus Fabr.
Doodemanskisten, algemeen, strandplas bij Badpavil-
joen, bre
Verder zijn van Terschelling nog bekend: Oxyethira
costalis Curt. van larven uit de Doodemanskisten (de Vos
1930, Rev. d. Ges. Hydrobiol. u. Hydrograph. Bd. 24, H.
5/6, p. 495) en Mystacides azurea L. (Veth, T.v.E. 22, p.
XCII).
Microlepidoptera (G. Graaf Bentinck det.)
* Olethreutes scriptana Hb.
x
Doodemanskisten 3 expl.
„ lacunana Dup.
Halfweg 3 expl. (1 expl. donkere var.) slootkant,
Grie 1 expl.
„ Variegana Hb.
Doodemanskisten 1 expl.
Simaethis fabriciana L.
Halfweg, slootkant
Steganoptycha cruciana L.
Kaard 1 expl., duin 4 expl.
Coleophora sp.
Doodemanskisten 1 expl.
Conchylis aleella Schulze
Strandplas 1 expl.
Tmetocera ocellana F.
Strandplas
Epiblema sordidana Hb.
Halfweg slootkant.
Dichrorampha alpinana Fr.
Oosterend wegkant.
Crambus hortuellus Hb.
Doodemanskisten 1 expl.
Crambus hortuellus Hb. var.
Doodemanskisten 1 expl.
Tortrix loeflingiana L.
Doodemanskisten 1 expl.
Alucita pentadactyla L.
Doodemanskisten 1 expl.
Scythris disparella Tgstr.
Duinen 1 expl.
Macrolepidoptera (J. C. Ceton det.)
Pieris brassicae L.
rupsen op Crucifeer Oosterend, paarden-boonen-
akker.
pira pil
+ + * + x*
x
*
*
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING.
Lycaena icarus Rott.
Vanessa urticae L.
AVION.
rupsen op brandnetel, kerk Hoorn
, atalanta L.
Argynnis niobe L.
Epinephele janira L.
Coenonympha pamphilus L.
Spilosoma menthastri Esp.
Dasychira fascelina L.
rups Grie (imago 12 Aug. '37)
Porthesia similis Fuessl.
rups Grie (imago 12 Aug. '37)
Malacosoma neustria L.
poppen tegen huis Kaard, Doodemanskisten
Lasiocampa trifolii Esp.
rupsen in duinterrein Grie (imago 19 Aug.)
Harpyia vinula L.
rups op kruipwilg, Grie
Dendrolimus pini L.
pop op Pinus, Doodemanskisten
Agrotis vestigialis Rott.
duinvorm lichtgrijs
In vensterbank Badpaviljoen
Hadena monoglypha Hfn.
Panolis piniperda Panz.
rupsen op zeeden, Doodemanskisten
Acidalia ochrata Sc. (Bentinck det.)
Dwarsdijk 1 expl.; Duin 1 expl.
Ellopia prosapiaria L.
Ortholitha plumbaria L.
Larentia biliniata L.
Lythria purpuraria L.
Bupalus piniarius L.
Coleoptera (P. v. d Wiel det.)
Cicindela maritima Latr.
strand 4 expl.
Cicindela silvatica L.
Duinen 1 expl.
Dyschirius thoracicus Rossi
Strand, Dwarsdijk, Grie, 2 expl.
Dyschirius thoracicus Rossi
a. niger Ahr. Strand Dwarsdijk, 1 expl.
„ obscurus Gylh.
Strand, strand Dwarsdijk, 5 expl.
„ impunctipennis Daws.
Strandplas 1 expl.
„ lüdersi H. Wagn.
Grie 1 expl.
25
26
D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Calathus melanocephalus L.
Kaard 1 expl.
Harpalus aeneus F.
Ponswiel 1 expl.
Dichirotrichus pubescens Payk.
Strand Dwarsdijk, onder wier, 1 expl.
Demetrias monostigma Sam.
Kaard 2 expl.
Hyphydrus ovatus L.
Doodemanskisten 2 expl.
Hygrotus inaequalis F. a. fasciatus D.T.
Doodemanskisten 1 expl.
Hydroporus erythrocephalus L. v. subcostatus Gerh.
Doodemanskisten 1 expl.
Noterus clavicornis de G.
Doodemanskisten 1 expl.
Rhantus notatus F.
Doodemanskisten 1 expl.
Colymbetes fuscus L.
Doodemanskisten, Grie 6 expl.
Dytiscus marginalis L.
Duinen 1 expl.
Gyrinus natator L.
Grie slenk, 2 expl.
Aleochara algarum Fauv.
Strand Dwarsdijk, onder wier 3 expl.
Gnypeta carbonaria Mannh.
Grie 2 expl.
Tachyporus hypnorum F.
Strand 1 expl.
Cafius xantholoma Grav.
strand Dwarsdijk 3 expl.
Aphodius fossor L.
Kaard 1 expl.
Aegialia arenaria F.
strand 2 expl.
Anomala aenea de G. a. Frischii F.
duinen, Doodemanskisten 2 expl.
Phyllopertha horticola L.
Doodemanskisten 1 expl.
Helophorus brevipalpis Bedel
Grie 5 expl.
Ochthebius marinus Payk.
Grie 11 expl.
Cercyon litoralis Gyll.
Strand Dwarsdijk 1 expl.
Cateretes pedicularius L.
Dwarsdijk 1 expl.
*
+
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING.
Cateretus pedicularius a. scutellaris Leinb.
Duinen 2 expl.
„ pedicularius a. pallens Rey.
Brachypterus glaber Steph.
Hoorn, Dwarsdijk slootkant 4 expl.
Cryptophagus vini Panz. v. villosus Heer
Doodemanskisten 1 expl.
Olibrus affinis Sturm.
Grie 1 expl.
Coccinella 7-punctata L. -
Duinen, strand 6 expl.
, 7-punctata a. 5-notata Haw.
Duinen 1 expl.
„ ll-punctata L.
Grie 2 expl.
„ 10-punctata L. a. pellucida Weise
Doodemanskisten 1 expl.
10-punctata L. a. humeralis Schall.
Doodemanskisten 1 expl.
Brachylacon murinus L.
Doodemanskisten 1 expl.
Prosternon holosericeus Oliv.
Doodemanskisten 1 expl.
Adrastus pallens F.
Dwarsdijk 1 expl.
Cantharis fulvicollis F.
Dwarsdijk 1 expl.
see i
Kaard, Doodemanskisten 2 expl.
Rhagonycha fulva Scop.
Kaard, 1 expl.
27
Malachius marginellus F. var. pseudosardous Recl. & v. d.
Strandplas 1 expl.
Phylan gibbus F.
Duinen 1 expl.
Crypticus quisquilius L.
Grie 1 expl.
Cteniopus flavus Scop.
Grie, Doodemanskisten 6 expl.
Meloë brevicollis Panz.
Duinen 1 expl.
Lagria hirta L.
Grie, Oosterend 3 expl.
Donacia thalassina Germ.
Doodemanskisten 1 expl.
5 , porphyrogenita a. Westh.
Ponswiel 1 expl.
Prasocuris phellandrii L.
Doodemanskisten 2 expl.
Wiel
28 D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Crepidodera transversa Mrsh.
Kaard 1 expl.
interpunctata Motsch. var. sublaevis Motsch.
Kaard, duinen 2 expl.
Philopedon plagiatum Schall. a. parapleurum Mrsh.
Strand 4 expl.
Sitona griseus F.
Doodemanskisten 1 expl.
Magdalis memnonia Gylh.
Doodemanskisten 2 expl.
Limnobaris T-album L. v. pusio Boh.
Doodemanskisten 1 expl.
Erirrhinus nereis Payk.
Oosterend, Duinen, Kaard 3 expl.
Smicronyx reichei Gyll.
Grie 1 expl.
Bagous glabrirostris Herbst.
Doodemanskisten 1 expl.
Miccotrogus picirostris F.
Oosterend 1 expl.
Rhamphus pulicarius Herbst
Grie 8 expl.
Apion viciae Payk.
Grie, Dwarsdijk 4 expl.
, viciae Payk a. Griesbachii Steph.
Hoorn, Grie 2 expl.
„ violaceum Kirby
Grie 2 expl.
Hymenoptera
Fam. Tenthredinidae. (J. Koornneef det.)
* Pteronidea pavida Lep.
1 4 duinen
* Lygaeonematus ambiguus Fall. var. parvus Htg.
1 duinen
Selandria serva F.
+
1 2 Kaard
* Selandria serva F. var mascula Fall.
13 Kaard
* Ametastegia glabrata Fall.
1 2 Halfweg
* Tenthredella atra L.
1 2 Ponswiel
Fam. Ichneumonidae: (J. Koornneef det.)
* Ichneumon lamentator Thnbg. (Trentepohli Wesm.), f.n.sp.
1 4 strandplas
* Cinxaelotus erythrogaster Holmgr.
1 4 strandplas
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING.
Phaeogenes ischiomelinus Grav.
1 4 Halfweg
Stylocryptus profligator F.
1 & Ponswiel
Pimpla nucum Rtzbg. f.n.sp.
1 4 strandplas
* Pimpla instigator F. (uit pop M. neustria)
1 & Grie
Pimpla instigator F. (uit pop M. neustria)
(Ras terrestris Pfank.)
1,9 strandplas
Conoblasta fronticornis Grav.
1 2 strandplas
* 2? Polysphincta anomala Holmgr. (op Pinus)
1 & Doodemanskisten
* ? Glypta longicauda Htg.
1 & Dwarsdijk
* Lissonota artemisiae Tschek.
1 2 Doodemanskisten
* Meniscus agnatus Grav.
1 2 strandplas
* Nototrachys foliator F.
222 Grie
*? Omorgus ferinus Holmgr.
1 ® Doodemanskisten
* Omorgus difformis Gmel.
1 ® Doodemanskisten
*? Angitia? armillata Grav.
(of ? tibialis Grav.)
tig Grie
Dioctes exareolatus Ratzbg.
1 2 Oosterend wegkant
Isurgus interstitialis Ths.
13 12 Kaard
Gunomeria macrodactyla Holmgr.
1 4 Kaard
Bassus laetatorius F.
1 2 strandplas
1 2 Ponswiel
Homocidus signatus Gr.
2 22 strandplas
Fam. Aphidiidae: (J. Koornneef det.)
* Aphidius crepidus Hal.
1 4 Dwarsdijk
Fam. Braconidae: (J. Koornneef det.)
* Bracon fuscicoxis Wesm.
1 2 Doodemanskisten
* Chelonus retusa Nees.
19 Grie
+
29
30
D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Ascogaster
clypealis Ths. op Pinus.
5 exx. Doodemanskisten
Ascogaster
1 4
Hygroplitis
bidentulus Wesm.
Duinen
russata Hal.
2 & & Ponswiel
Apanteles sp.
E
Grie
Apanteles sp:
Avda) Grie
es
Dwarsdijk
Microgaster sp.
ex
Agathis minuta Niez.
1 ö LA
Perilitus sp.
1 4
duinen
5 9 9 Grie
Dwarsdijk.
Euphorus sp.
1 ex. Oosterend wegkant.
Meteorus ?
ars
122
? Opius sp.
2.8
Opius sp.
l ex.
Dacnusa sp
EG
Dacnusa sp
lee
19
scutellator Nees.
duinen.
Macrocentrus ? marginator Nees. var.
strandplas.
& Ponswiel.
duinen.
| Dwarsdijk
Ponswiel
Coelinius viduus Hal.
Grie
Fam. Chalcididae : (niet bewerkt)
1
ex.
1 ex.
1 ex.
1 ex.
1 ex.
Fam. Bethylidae
strand
strandplas
strandplas
Grie
Dwarsdijk
.(J. Koornneef det.)
* Bethylus fuscicornis Jur.
Il @
strand
* Bethylus fulvicornis Curt.
lars
Fam. Mutillidae
strand
: (J. Koornneef det.)
* Chrysis ignata L.
1 ©
Fam. Mutillidae
Doodemanskisten.
: (J. Koornneef det.)
Mutilla europaea L.
ago
duinen
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING.
Fam. Formicidae: (A. Stärcke det.)
Formica rufibarbis F.
8 3 & duinen, Midsland (binnenkant)
? Formica rufibarbis fusco-rufibarbis Forel
2 3% duinen, Midsland (binnenkant)
Formica fusca auct.
2 5 % duinen, Badpaviljoen
Lasius niger auct.
4 3% Dwarsdijk
1 3 duinen, Badpaviljoen
6 è 5 Doodemanskisten
11 8% Grie
Myrmica laevinodis Nyl.
2 5 % Dwarsdijk, Kaard
* Myrmica ruginodis Nyl.
23% Grie
Tetramorium caespitum L.
2 % 3 duinen, Badpaviljoen
Fam. Psammocharidae : (J. Wilcke det.)
* Psammochares (Anoplius) fuscus L.
1 2 duinen
Fam. Sphegidae : (J. Wilcke det.)
* Cerceris arenaria L.
1 4 Oosterend
Ammophila sabulosa L.
2 2 ©, duinen
* Ammophila campestris Jur.
1 3 duinen
Fam. Apidae: (J. Wilcke det.)
* Colletes marginatus Sm.
Im 12 07Grie
Anthophora furcata Panz.
1 & Oosterend
Megachile maritima K.
433,499 Dwarsdijk
men Grie
1 2 duinen
Megachile circumcincta K.
2 2 2 Dwarsdijk
Epeolus cruciger Pz. (variegatus L.)
wellicht de vorm marginatus Bisch.
l ex. Grie
Psithyrus bohemicus Seidl.
(distinctus Per.)
1 2 Dwarsdijk
Psithyrus rupestris F.
1 2 Dwarsdijk
x
»*
+
+
x
31
32 D. C. GEIJSKES EN J. DOEKSEN, NIEUWE GEGEVENS
Bombus lapidarius L.
1 2 duinen
1 2 Ponswiel
1 2 Grie
Bombus derhamellus K.
43% Ponswiel
1 3 duinen
9 5 5 Dwarsdijk
4 33 Grie
1 8 Oosterend
* Bombus cognatus (Steph.) Schmied.
2 5 ÿ duinen
2 % 8 Ponswiel
Bombus terrestris L.
1 2 Grie
* Bombus ? lucorum L.
1 2 duinen
2 5 5 Grie
3 8% Dwarsdijk
1 8 Oosterend
Bombus hortorum L.
23% Ponswiel
Apis mellifica L.
2 3 $ Oosterend
3 3% duinen
Diptera (J. C.H. de Meijere en G. Kruseman det.)
Fam. Heleidae :
* Sphaeromias candidatus Lw. Faun. nov. sp.)
Kaard
Fam. Stratiomyidae :
Nemotelus uliginosus L.
* Hoplodonta viridula F.
* Chloromyia formosa Scop.
Fam. Tabanidae :
Chrysops relictus Mg.
Chrysozona pluvialis L.
Fam. Rhagionidae :
* Chrysopilus auratus EF.
Fam. Asilidae :
Philonicus albiceps Mg.
Fam. Therevidae :
* Thereva nobilitata F.
Fam. Dolichopodidae :
* Hydrophorus balticus Mg.
Strandplas Doodemanskisten
Fam. Syrphidae :
* Rhingia campestris Mg.
* Epistrophe auricollis Mg.
balteata de G.
OVER DE INSECTENFAUNA VAN TERSCHELLING. 55,
* Lasiopticus pyrastri L.
Syrphus corollae F.
a vitripennis Mg.
Sphaerophoria scripta L.
Eristalinus sepulcralis L.
Eristalis horticola de G.
Mlintricaria) L,
Tubifera pendula L.
n trivittata F.
x
x
x
*
Fam. Trypetidae :
* Tephritis angustipennis Lw.
Doodemans kisten
Fam. Anthomyidae :
Graphomyia maculata Scop.
Haematobia stimulans Mg.
Lyperosia irritans L.
Phaonia perdita Mg.
Lispa uliginosa Fall.
Pegomyia bicolor Wied.
Paregle aestiva Mg.
Coenosia intermedia Fall.
*
Fam. Tachinidae :
1872
1878
1912
1912
1913
1914
1914
Peletieria nigricornis Mg.
(prompta Mg.)
* Lucilia silvarum Mg.
FAUNISTISCHE LITERATUUR OVER DE INSECTEN
VAN TERSCHELLING.
C. Ritsema Cz. (en W. Roelofs)
Entomologisch uitstapje naar de Noordzee-eilanden Texel, Vlieland en
Terschelling, Mei—Juny, 1872. Verslag der 27ste Zomervergadering der
Ent. Ver. T. v. Ent. DI. 16, 1873, p. XVIII.
H. J. Veth
Lijst van insecten, door den heer H. J. Veth gevangen of waargenomen
op het eiland Terschelling. Verslag der 12e Wintervergadering der Ned.
Ent. Ver. 1878 en Bijlage. T. v. Ent. DI. 22, 1879 p. LXXXIX en p. XCII,
met toelichting van den verzamelaar pp. LXXXIX—XC.
D. Mac Gillavry
Verslag van den vacantiecursus op Terschelling 12—17 Aug. 1912, II
Insecten. Natura, orgaan d. Ned. Nat. Hist. Ver. No. 139, 1912, p. 171.
D. Mac Gillavry
Voorloopig bericht van eenige merkwaardige vangsten op Terschelling.
Entom. Ber. DI. III, 1912, No. 68, pp. 299-301.
D. Mac Gillavry
Verslag 46e Wintervergadering Ned. Ent. Ver., 1913. T. v. Ent. DI. 56,
1913, pp X—XI.
D. Mac Gillavry
De entomologische fauna van het eiland Terschelling voor zoover zij
tot nu toe bekend is. T. v. Ent. DI. 57, 1914, pp. 89—106.
D. Mac Gillavry
Verbeteringen op „De entomologische fauna van het eiland Terschelling’
enz. Ent. Ber. IV, no. 79, 1914. pp. 114-115.
34
1925
1926
1932
1938
1941
1941
1942
GEIJSKES EN DOEKSEN, INS.FAUNA TERSCHELLING.
A. Reclaire
Over het voorkomen van Phytobius velaris Gyll. (faun.nov.sp.) op Ter-
schelling (Curculionide).
Ent. Ber. DI. VII, 1925, pp. 19—22.
A. Reclaire
Korte mededeeling omtrent eenige op Terschelling waargenomen kevers,
wantsen en mieren. Ent. Ber. DI. VII, no. 148, 1926, pp. 58—64.
D. C. Geijskes
Odonata van Terschelling. Verslag Wintervergadering 21 Febr. 1932.
T. v. Ent. DI. 75, p. XXXVIII.
W. M. Docters van Leeuwen
Zoocecidia van het eiland Terschelling.
Ent. Ber. DI. X, No. 223, pp. 65—68.
(27 soorten opgegeven).
B. J. Lempke
Een ab ovo kweekje van Rhodostrophia vibicaria Cl.
Ent. Ber. DI. X, No. 236/37, pp. 278—279.
D. Mac Gillavry
Een onjuiste opgaaf van het voorkomen eener Sesiide op Terschelling.
Verslag 96e Zomervergadering T. v. Ent. DI. 84, pp. LIV—LV
W.J. Kabos
Thalassophile Diptera van de Waddeneilanden.
Verslag 97e Zomervergadering. T. v. Ent. DI. 85, pp. LX—LXI.
|
|
|
|
=S
Monstrosities in Siphonaptera
by
F. G. A. M. SMIT
As far as I know, a special paper has never been devoted to the
various anomalous phenomena occurring in Siphonaptera ; isolated
cases only are accidentally mentioned in a few publications. As I
have come across several cases of morphological anomaly, one may
call it teratology, I think it worth while to publish the cases which
are known to me.
Monstrosities are not only valuable for teratologists, but they
are also interesting from the systematic (cf. B,b and D) and
phylogenetic point of view (cf. A). Monstrosities frequently were
and still are regarded and described as e.g. new subspecies, especial-
ly by amateurs and even by scientists (cf.B,b and D). This shows
that it is not always advisable to describe a new (sub)species on
the basis of only one specimen. It is desirable to have at one’s
disposal at least several specimens when describing new (sub)
species, especially when a “new” species proves to be very closely
related to a known one. One should always try to obtain long
series of every species and subspecies, though this is not always an
easy task. When studying a long series of a species, one gets
familiar with its variability.
Sometimes systematists describe anomalous features which do not
exist at all Dr F. A. Turk, for example, described for the first
time a subspecies of Palaeopsylla minor Dale, viz. P. minor
cornubiensis n. subsp. (1). I had an opportunity of studying and
comparing the types (4 and ©), which are in the Zoological
Museum, Tring, with Turk's original description. I found that
his interpretation of the so-called differences is absolutely wrong.
He shows what is not present at all! So his drawings and expla-
nations are misleading. E.g. he saw two long apical hairs at the
ninth sternite of &. The type-specimen, however, has only one,
as is usual in the nominate form, but the second hair is that of the
other (the right hand) sternite, which lies under the left hand one
he drew. He also states that the shape of the vertical arm of the
ninth sternite is quite different to that present in the common
Palaeopsylla minor ; I only observed a slight difference. He should
know that individual variability is very common in fleas too. In
my collection there are hundreds of specimens of this species and
it is easy to pick out several specimens which show a still greater
variation in the shape of the vertical arm of the ninth sternite than
Turk's specimen. T ur k's drawing of the seventh sternite of the
36 F. G. A. M. SMIT,
2 is also very incorrect; the outline, as drawn, is absolutely
different to that of the mounted type-specimen. The conclusion
isthat the "new subspecies’ Palaeopsylla minor cornubien-
sis) Tat ka meuss t ibiewmdielie fed:
Here follows a review of some very distinct types of
monstrosities.
A. Doubling of the receptacuium seminis.
On 7-VII-1947 I collected some fleas from the nest of a black-
bird, Turdus m. merula L., at Wilp (province of Guelders, Holland).
They proved to belong to the species Ceratophyllus garei R.
(3 9, 1 3) and Nosopsyllus fasciatus Bd'A. (3 ©, 1 &). The
finding of the latter in a bird’s nest is very uncommon, but I
VIN ST
Fig. 1. Double receptaculum seminis in Nosopsyllus fasciatus Bd’A. ?. (The ducts
have completely disappeared because of the KOH maceration). BC = bursa
copulatrix; DV = duplicatura vaginalis; RCI = normal receptaculum
seminis; RC2 = second receptaculum seminis; U = uterus; V = vagina;
VV = vestibulum vaginae; VIII st = 8th sternite.
suppose the bird had used material from a mouse-nest for building
its own nest. When studying these rat-fleas, I was very amazed
to see that two of the females show a double receptaculum seminis
(fig. 1) instead of a single one, as is usual. This has never been
found before in this cosmopolitan species. I wonder whether there
is any correlation between the unusual milieu and the anomaly of
the female genital apparatus. I only know the existence of a few
similar cases, viz. Wagner and I of f described for the first time
a doubling of the spermatheca in a female of Neopsylla setosa
Wagn. (2) and George P. Holland discovered it in
Opisocrostis bruneri Baker (3). Mr. Holland let me also know:
"I have since observed it in Monopsyllus vison Bak. and Opiso-
crostis t. tuberculatus Bak.”. Besides that, Dr K. Jordan wrote
to me the following: "I have studied only a few cases in our col-
lection ; the specimens have evidently been placed with the species
where they belong and I have not taken a note of them or cannot
MONSTROSITIES IN SIPHONAPTERA 37
find a note at the moment. The species were Xenopsylla cheopis
and an American ‘Ceratophyllus” of some kind. In the American
"Ceratophyllus” the bursa copulatrix is double and I expect this
is more frequent in fleas than what Wagner and loff des-
cribed in 1926”.
In the case of Wagner and loff there is a blind duct
(ductus obturatorius), without spermatheca, .but the duct of the
normal spermatheca is apparently divided and each branch has a
spermatheca. They say: "Es wurde ein interessanter Fall der
Anomalie des Genitalapparates beobachtet — eine © Neopsylla
setosa hatte zwei Receptacula seminis. Wie gewöhnlich beginnen
fast unmittelbar von der normal entwickelten Bursa copulatrix die
zwei Kanalen. Der breitere führt in das linke, mehr entwickelte
Recept. seminis, der engere ist für einen gewöhnlichen Ductus ob-
turatorius zu halten. Indem wir den Samengang, von dem zweiten
(rechten) Rec. seminis ausgehend, beobachten, können wir fest-
stellen, dass derselbe sich mit dem Ductus seminalis des linken Rec.
seminis kreuzt und hier endet. Unser Präparat erlaubt es nicht ganz
sicher festzustellen, dass in diesem Punkte eine tatsächliche Verei-
nigung der beiden Kanalen stattfindet, aber das ist die wahrschein-
lichste Hypothese. Fälls es so ist, haben wir eine Teilung des
Ductus seminalis in zwei Zweige, deren jeder an seinem Ende ein
Rec. seminis hat.
Eine Konstatierung ae doppelten Rec. seminis als einer Ano-
malie atavistischen Characters ist interessant in betreff der Frage
über die phylogenetische Verbindung unter den Flohgattungen mit
einem und mit zwei (Hystrichopsylla, Macropsylla, Coptopsylla,
Typhloceras, Ctenoparia, Atyphloceras) Recept. seminis, welche
von Dampf (1912) und Jordan (1921) debattiert wurde. Rätsel-
haft ist das vorhandensein des Ductus obturatorius. Dampf be-
trachtet dieses Organ als einen rudimentären Samengang, welcher
von dem zweiten verschwundenen Rec. seminis nachgeblieben ist.
Folglich sollte dieser Kanal bei unserer Anomalie die Rolle eines
Ganges fiir das zweite Rec. seminis iibernehmen. Das ist aber nicht
der Fall. Somit erfordert die Frage ein weiteres Studium’.
Wagner and loffs specimen should be re-studied (if it
has survived the war-destruction in Germany, for a great deal of
Wagner's material has been destroyed) ; there is perhaps an
indication that the bursa copulatrix is double.
In my specimens of Nosopsyllus fasciatus the second sperma-
theca is smaller and of another shape than the normal one. Hol-
land also says: "In all instances the second organ was smaller
than the first”. It is a pity that the ductus seminalis of the second
spermatheca has disappeared because of the KOH maceration. The
blind*duct (ductus obturatorius), which is very short in Nosopsyl-
lus fasciatus, is also not visible, so that it is impossible to trace out
the relationships and comparative development of the ducts. We
are still ignorant about the origin of the blind duct ; is it a remnant
of the ductus seminalis of the ancestral 2nd spermatheca or not ?
38 RSG: A.M. SMIT,
Finally I mention a case of an extreme example of a double
spermatheca. In a letter, Mr. G. P. Holland informs me: "I
now have a long series of a new species of Ceratophyllus taken
from the nest of a gull (Larus sp.) at Great Slave Lake, in North-
ern Canada. One of the females here has a peculiar double sperm-
atheca — the two spermathecae being fused by their heads!”.
This is indeed extraordinary and I am looking forward to Mr.
Hollands publication on this discovery.
Phylogenetically the question remains : are these phenomena due
to atavism or not. According to Dollo's law atavism is an im-
possibility. Dollo stated that if an organ has once been lost in
evolution it cannot be redeveloped, or if it has changed its function
it cannot regain its old function. However, there are innumerable
exceptions on Dollo's law. As Mayr (4) says: "It can be
accepted only as a very broad generalization. Phylogenetic lines
are known which first increased in size and later decreased. Every
organ is determined by so many genetic factors that it is against
all probability that it would be reconstructed in the same manner,
once it has been lost.”
It is a general opinion among Siphonapterists that fleas, pos-
sessing normally two receptacula seminis of equal size, are more
primitive than the majority which have but a single receptaculum.
Jordan (5) discovered a link between the double and single
receptacula, viz. in the Australian species Macropsylla hercules
Roths. In this species the females have two receptacula, of which
one is nearly half the size of the other. So this is to be regarded
as a perfect intermediate stage between the single and the double
receptaculum, the latter being regarded as the hypothetical an-
cestral form, which was provided with two receptacula of equal
size, as still present in the genera mentioned above in the quotation
cf Wagner and loff. As for the significance of the doubling
of a receptaculum seminis, I leave the solution of this phylogenetic
problem to geneticists.
B. Asymmetry of the genal ctenidia.
I found out that asymmetry of ctenidia is a rather frequently
occurring phenomenon. Asymmetry of ctenidia means that the num-
ber of spines in a ctenidium on the left half is not equal to that on
the right half of the flea-body. This is difficult to ascertain at the
thoracical (exc.e.g. Archaeopsylla erinacei Bché.) and abdominal
(exc.e.g. Hystrichopsylla talpae Curt.) ctenidia, for there is usually
no space or a division of other kind between left and right cteni-
dium, but they form one continuous row so that it is impossible to
fix the exact number of spines on each side. The genal ctenidia
however are always separated so that the exact number of spines
on each side can be easily determined. So the asymmetry of ctenidia
can simply be observed at the genal ctenidia. Loss of spines as a
result of mechanical damage is not seldom, but of course, the cases
MONSTROSITIES IN SIPHONAPTERA 39
mentioned below do not deal with these unnatural diminution of
spines.
a) Euctenophthalmus congener R.
Among some females, captured from Clethrionomys glareolus at
Hatert near Nijmegen (Holland) I found one specimen with 4
spines in the left genal ctenidium instead of 3, as it ought to have
and as this specimen indeed has at the right hand side (One of
the characters of the genus (Eu)ctenophthalmus is the possession of
three genal spines on both sides of the head). Increase of the num-
ber of spines is much more uncommon than decrease. I found just
the same in
b) Ctenophthalmus agyrtes agyrtes Heller, from Haren (Hol-
land). It also has 4,3 g.sp. (This means 4 ctenidial spines at the
left gena and 3 at the right gena). There is another Ct. ag. agyrtes
in my collection that shows 2,3 g.sp. This brings me to the nomen-
clature of the British subspecies of Ct. agyrtes Heller. Roth-
schild (6) described a new subspecies of agyrtes (Ct. ag. nobilis)
as follows: "This form agrees in every respect with the type, one
character excepted. The subspecies shows a tendency to lose one
of the genal spines on each side. In a series of over 30 examples
of this flea from its host (Arvicola amphibius), nearly every spe-
cimen has lost one or two genal spines on one side. In several
cases one from both genae has disappeared’. Afterwards, Jor-
dan and Rothschild (7) redescribed the English agyrtes
specimens as Ctenophthalmus agyrtes celticus nov. subsp. on ac-
count of the difference in the sexual armatures, which is the only
valuable character of this subspecies, for it has normally 3 pairs
of genal spines, just as the species has. However, there is still con-
fusion about the use of the names nobilis and celticus. For example,
in his catalogue da Costa Lima (8) mentions Ct.ag.nobilis
and Ct.ag.celticus as two separate subspecies. It is very evident
that only celticus is the valid name ; therefore nobilis, as subspe-
cies-name, has to be abolished. Otherwise, one can only use nobilis
as a name for the aberration (2 spines instead of 3), which should
be named then : Ctenophthalmus agyrtes celticus ab. nobilis Roths.
Some years ago I discussed the nobilis-celticus problem with Dr.
Jordan. He wrote me then: "The reasoning about celticus
versus nobilis is this: Rothschild found near Tring a Cten-
ophthalmus which he identified as Ct. agyrtes Heller. Then he
got from water-rats at Tring specimens which he found different
and named Ct. agyrtes nobilis, the other Tring specimens being Ct.
agyrtes agyrtes. Subsequently it was found that the water-rat spe-
cimens on which nobilis was based were pathological and all the
British specimens became again Ct. agyrtes. Then we discovered
that the British population of the species was different from the
Central European population and distinguished the British subspe-
cies as Ct. agyrtes celticus, entirely forgetting that there was al-
ready the name nobilis given to some specimens of the British po-
40 F. G. A. M. SMIT,
pulation”. — Of course, the name given to an individual of a
population is the name for the whole population. But Roth-
schild happened to name some pathological specimens because
of their monstrosities. It is quite clear that the name nobilis was
not meant for the whole British agyrtes population, for, as Jo r-
dan states, one forgot even the name nobilis and regarded the
species as Ct. agyrtes agyrtes until 1922, when the character of the
subspecies was discovered. The name celticus is in fact the name
for the whole British population of this very distinct subspecies of
agyrtes.
From this it becomes clear that we must not describe new sub-
species on account of the fluctuations in the number of ctenidial
spines. In each of the 15 already known subspecies of Ct. agyr-
tes H. specimens with wrong numbers of spines will occur now
and then. Of course, it would be easy to name every abnormality,
due to individual variation or pathological deformation, as an aber-
ration. There is no such thing as an absolutely normal individual,
everyone having something personal which distinguishes it from
all others of the same population. There are many Lepidopterists
and Coleopterists who are probably very much inclined to name
every specimen. Parasitologists have had up till now a sane feeling
for nomenclature in regard to the habit of describing aberrations ;
I hope they will never suffer from the awful aberration-mania.
Itherefore propose to abolish Ct. agyrtes celticus ab.
nobilis R., retaining only the British subspecies
Ctenophthalmus agyrtes celticus J. & R.
c) Euctenophthalmus assimilis Tasch. (Oosterhout, Holland)
One male with 2,2 g. sp. instead of 3,3 (fig. 2, cf. C.).
d) Typhloceras poppei Wagn. (Baarn, Holland)
One female with 4,3 g.sp. instead of 4,4.
e) Rectofrontia pentacanthus R. (Oxford, England)
One male with 4,5 g.sp. instead of 5,5.
f) Rectofrontia isacanthus R.
Wagner (9) gives a drawing of the head of this species,
showing 6 genal spines instead of 5.
g) Leptopsylla fallax R.
Jordan (10) says: "2 4 & on Evotomys glareolus.
One of the specimens has on one side three genal spines in-
stead of two’.
h) Archaeopsylla erinacei erinacei Bché.
Asymmetry of the genal ctenidia can be best demonstrated in
this species, which has mostly 2,2 g.sp., or — though less often —
3,3. But there is also quite a number of specimens that shows 2,3
or 3,2 g.sp. To get a good idea of the variability of the genal
ctenidia, I counted the number of genal spines in 200 specimens of
this monoxenous flea from the hedge-hog (from different locali-
ties) ; the result is as follows:
MONSTROSITIES IN SIPHONAPTERA 41
85 8 4 11529 | Total
g.sp. g.sp. | g.Sp.
252; 149 exx = 58 0/0 2,2 78 exx = 68 0h | 2,2 1127 exx = 63,5 0/0
2,3/3,2:22 „ = 26 Oo 2,3/3,2:25 „ =2% | 2,3/3,2: 47 „ = 23,5 Op
aig} ua „ = 160% | 33 :12 „ = 10 Op | DAD SO
One might conclude that this species had originally 3,3 spines
(maybe even more, for according to some authors the number of
spines varies from 1 to 4; I found neither 1 nor 4 spines), and
that this number is decreasing and will be fixed at 2,2.
The number of pronotal spines varies also very much in this
species, viz. from 2 till 9. In the 200 specimens there are: 13 exx.-2
pr.sp.; 27 exx.-3 pr.sp.; 50 exx.-4 pr.sp.; 38 exx.-5 pr.sp.; 46 |
exx.-6 pr.sp.; 18 exx.-7 pr.sp.; 5 exx.-8 pr.sp.; 3 exx.-9 pr.sp.
C. Shortening of spines and bristles.
A male of Euctenophthalmus assimilis Tasch., captured at Oos-
terhout near Nijmegen off Clethr. glareolus, shows a pathological,
very peculiar phenomenon, viz. the hairs, bristles and ctenidial
Fig. 2. Monstrosity of Euctenophthalmus assimilis Tasch. 4. — Head and pro-
notum showing shortening of spines and bristles.
spines are very short and thick all over the body ; only some cteni-
dial spines are not shortened (fig. 2). I only mention this case
because I think it is rather unique.
D. The legendary Ctenophthalmus heselhausi Oudms.
The late Dr. A. C. Oudemans described a new species of
Ctenophthalmus in 1914, namely Spalacopsylla (= Ctenophthal-
mus) heselhausi (11). He says that this new species ( 4 ) is very
42 F. G. A. M. SMIT, MONSTR. SIPHONAPTERA.
closely related to Ct. bisoctodentatus Kol. and he mentions as main
differences :
a) some hairs are a bit longer and some a bit shorter than in
bisoctodentatus, b) the clasper has no bristle at the ventral edge
and c) the movable finger is dorsally square, not rounded and has
only 2 instead of 5 hairs and its hind-edge is concave.
There is only one ¢, the type, known and there are several © 9
in Oudemans’ collection. I cannot understand in what way
Oudemans distinguished females of heselhausi from those of
bisoctodentatus. These heselhausi females fit well in the range of
individual variability of Cf. bisoctodentatus, which is very great.
It was wrong to call it a new species; Oudemans should
have described it as a subspecies of Cf. bisoctodentatus, or, what
would have been much better, he should not have described it at
all. It is very evident that his heselhausi is nothing but a patho-
logical specimen, a monstrosity of Ct. bisoctodentatus Kol. That
is Dr. Jordan’s opinion too. Nobody else but Dr. Oude-
mansfound specimens of heselhausi. Therefore this species be-
came more or less legendary. We must regard it as a monstrosity
of Ct. bisoctodentatus, and, as we do not accept names for mon-
strosities or aberrations, the name Cf. heselhausi must be
wiped out.
Summarizing I stress the importance of always collecting and
studying the longest possible series of a (sub)species, in order to
obtain a good knowledge of individual variation ; this will help to
diminish the chance of describing new (sub)species, which after-
wards prove to be only pathological specimens of a known species.
LITERATURE CITED:
(1) Turk. F. A. — The Siphonaptera of Cornwall and the isles of Scilly,
with the description of a new subspecies. (Ent. Monthly Mag. 1946, 82 : 99).
(2) Wagner, J. and J. G. lof f — Materialen zum Studium der Ektopara-
siten-fauna im S.O. Russlands. III. Ueber Flöhe der Ziesel und der Spring-
mäuse unter Berücksichtigung der Verbreitung der Pesterkrankungen in den
Wolga-Steppen. (Revue de Microbiologie et d’Epidemiologie et de para-
sitologie, Saratov, 5 1926: 111).
(3) Holland, G. P. — A remarkable instance of retention of a double sperm-
atheca in a Dolichopsyllid flea. Opisocrostis bruneri Baker. (The Canad-
ian Entomol., Sept. 1943, p. 175—176).
(4) Mayr, E. — Systematics and the origin of species. — New York,
WOE joy 205;
(5) Jordan, K. — A link between the double and single receptacula semi-
nis of Siphonaptera. — (Ectoparasites, 1 (3) 1921: 127).
(6) Rothschild, N. Ch. — Typhlopsylla agyrtes nobilis subsp.nov. (Nov.
Zool. 5 1898 : 539). ;
(7) Jordan, K. and N. Ch. Rothschild — New Siphonaptera. (Ecto-
parasites, 1 (4), 1922 : 282—283).
(8)"@osta Lima, A, da and @ Rijn at ha wai Pulgas. — Rio de
Janeiro, 1946, p. 207—208.
(9) Wagner, J. — (Actis Soc. Ent. Jugoslavicae, 1928—1929).
(10) Jordan, K. — Records of fleas from the Austrian Tirol and the Dolo-
mites. (Nov. Zool. 1931, 36: 231).
(11) Oudemans, A. C. — Aanteekeningen over Suctoria XXVI. (Ent. Be-
richten 4 (80) 1914:139—140). i
Wageningen, Wilhelminaweg 6, July 1948.
aan
Paltodora
cytisella Curt. - griseocapitella, nov. var.
door
G. A. GRAAF BENTINCK
Op 23 Juli 1946 ving ik een Micro op licht te Amerongen, dat mij
buitengewone moeilijkheden bezorgde met de determinatie. Met be-
hulp van v. Heinemann en Snellen kwam ik steeds op het
geslacht Xystophora. Alleen het 2e palpenlid week, door zijn korte
baard, iets daarvan af. Maar volgens den heer Klimesch wijkt
Xystophora farinosae Stt. ook daardoor van de overige Xystopho-
ra's af. Dit dier heeft overigens zeer veel overeenkomst met X. fari-
nosae. De voorvleugels zijn dof potloodzwart, geheel ongeteekend,
de achtervleugels een weinig lichter, maar de kop en thorax zijn
opvallend lichter grijs, vlucht 12 mm. De heer Carolsfeld-
Krause te Kopenhagen heeft dit geval grondig onderzocht en
zond het onderzoek daarna door naar Zweden en Finland, doch
het resultaat bleef nihil. Eindelijk vroeg ik den heer Vari, mij
behulpzaam te zijn door een genitaliënpreparaat te maken. Dit deed
hij ook, maar aanvankelijk kwam hij tot geen resultaat met verge-
lijking met afbeeldingen in „The genitalia of the Tineina” van
F. N. Pierce. Maar toch zette hij zijn onderzoek voort en ver-
geleek dit dier ten slotte met Paltodora cytisella Curt., en inderdaad
waren de genitaliën van beide gelijk. Pierce beeldt deze soort
af in zijn voornoemd werk op Plaat II, maar aangezien deze tee-
kening niet goed uitgevallen is, gaf dit moeilijkheden bij de deter-
minatie.
Ik geef hierbij een afbeelding der genitaliën van cytisella, door
den heer Vari met bijzondere zorg vervaardigd. Dit acht ik
noodig omdat eerstgenoemde teekening minder goed is. Verder is
het dier in kwestie zoo sterk afwijkend van het type cytisella, dat
geel bruin is met witte vcorrandsstreep tegen de punt en nog lich-
tere kop en thorax. Ik ben oprechten dank verschuldigd aan allen
die mij hielpen met deze moeilijke determinatie, vooral aan de hee-
ren Várien Carolsfeld-Krause.
Ik noem deze sterk afwijkende varieteit: griseocapitella nov.
Paltodora cytisella Curt. ontdekte ik destijds zelf als nieuw voor
de Nederlandsche fauna te Geulhem en later ving ik deze soort
nogmaals te Ter Apel. (T. v. E. LXXIV. p. XXVII, en DI. LXXV.
p. VIII.), maar nog nooit zag ik eerder zulk een sterke afwijking
als deze var. griseocapitella.
G. A. GRAAF BENTINCK, PALTODORA CYTISELLA CURT. .
44
NUN IT N
SINN
SARAI ANI \ VI
N
Amerongen, Mei 1948.
= 66) =
Some notes on the Carabidae, collected
by Mr. P. H. van Doesburg in the Malay
Archipelago with descriptions of new species
by
C. J. LOUWERENS (Hilversum)
(1st Communication on Oriental Carabidae)
Mr P. H. van Doesburg at Baarn had the kindness to
send me for identification the Carabidae, which he had collected
during a long period on Java and some other islands of the Malay
Archipelago.
Below follow : firstly a few short notes on distribution, etc. and
secondly descriptions of the new species. Mr van Doesburg
has kindly allowed me to retain the type-specimens and a number
of species which were not represented in my collection.
I take this opportunity to describe a new species of Pogonoglos-
sus, which I found myself in Borneo many years ago.
Two new species, belonging to the Pterostichini, viz. Lesticus
Vandoesburgi Stran. (Rev. frang. d’Ent. XV-1, 1948, p. 43, 44)
and Metabacetus Vandoesburgi Stran. (l. c. p. 44, 45) have been
named by Dr Ing. S. L. Straneo (Gallarate, Italia).
Three specimens of Stricklandia (near pericalloides) from New
Guinea, two or three species of Colpodes and a number of Har-
palini I cannot identify for the present, because I have not got
sufficient material for comparison.
Apart from his entomological advices I am much indebted to
Mr J. B. Corporaal (Amsterdam) for his kind assistance in
correcting a number of errors in syntax and spelling in the m. s.
Scarites macleayi Andr. (Trans. Ent. Soc. Lond. 1919, p. 162).
Java: Semarang.
A very rare species, found by Dr Horsfield in Java between
the years 1805—1812 and described by Macleay under the
name of indus. (Annulosa Javanica 1825, p. 25). As indus was
preoccupied, Andrewes altered it in macleayi. It is one of the
smallest species of the genus. I myself found two specimens at
Tulungagung (East-Java), but I know of no other records.
Scarites semirugosus Chaud. (Bull. Soc. Imp. Natural. Moscou
1885 I, p. 90).
Sumatra: Palembang and Lubuk Rukan.
New for the fauna of the Malay Archipelago. The species also
occurs in India, Malacca, Siam, Indo-China and the Phillippine
islands.
Colpodes louwerensi Andr. (Bull. Ann. Soc. Ent. Belg. 1937,
jor Sul Ve
46 C. J. LOUWERENS,
Java : Tjolo.
One of the largest Eastern species of the genus. Originally de-
scribed from Bali; this is the first record from Java.
Dirotus reflexus Andr. (Ann. Mus. Civ. Stor. Nat. Genova LIII,
1930, p. 430).
Java: Gunung Muria, Tjolo.
New for the fauna of Java, but it occurs also in Sumatra.
Dirotus subiridescens Macl. (Annulosa Javanica 1825, p. 17).
Java: Gunung Kawi and Gunung Muria.
Also a rare species. The four specimens, collected by Mr van
Doesburg, show considerable differences in size. Occurs also
in Pahang, Sumatra and Borneò.
Chlaenius bimaculatus Dej. (Spec. Gen. Col. II, 1826, p. 301).
I have before me a large number of specimens of this species,
which seems to be very common ; everywhere it occurs. According
to its very large distribution in the East, it varies a great deal in
colour, size and the form of the prothorax. The two yellow spots
on each elytron close to apex are also very variable in form as well
as in size,
In 1883 Chaudoir described Chlaenius Mouhoti (in Ober-
thür Col. Nov. I, 1883, p. 33), which is so very much like bima-
culatus Dej., that I am unable to discriminate between the two
species. Indeed, I believe, that Chlaenius bimaculatus Dej. is iden-
tical with Chlaenius Mouhoti Chaud.
Taridius Stevensi Andr. (Ann. Mag. Nat. Hist. (9), XII, 1923,
p 689).
Java: Gunung Tengger.
Described from Sikkim and also ern in Tanakpur and
Klondmal Hills. The Javanese specimen is a little larger than those
I have in my collection from Sikkim, but otherwise there are no
differences.
Colpodes Doesburgi sp. n.
Length: 8—10 mm. Width: 2!14,—314 mm.
Colour: black, elytra very dark violet, tarsi, palpi, antennae,
sutural interval and trochanters brown, legs piceous. Glabrous.
Shining.
Head: both labrum and clypeus well developed, the latter
about twice as wide as labrum, convex, eyes small and prominent,
two supraorbital setae, the first one near eye, the second one at
base of head at the beginning of the neck, frontal lines nearly
parallel, genae long and swollen, neck a little constricted behind,
surface smooth.
Prothorax: cordate, convex, a third wider than head, about
as wide as long, at widest point, just before middle, is a seta ; the
apex a little wider than base, which is nearly straight with oblique
sides and obtuse hind angles, the front is emarginate with rounded
angles, marginal sides explanate, basal foveae small and undeep,
median line very fine, on the disk are traces of very fine transverse
impressions.
Elytra: suboval, convex, a little wider than prothorax, widest
|
SOME NOTES ON THE CARABIDAE, ETC. 47
at about middle, front with rounded sides, the apex only slightly
sinuate, the sutural interval ending bluntly, scutellar striole short.
striae fine, some specimens with two dorsal pores at the third in-
terval, the first pore at about middle, the second one close to apex.
The pores are not clearly marked in all the specimens, 9 with four
setae on apex of last abdominal segment, 4 with two setae, third,
fourth and fifth segment both of 4 and © with a seta on each
side along the middle. Umbilicate pores at iede not so close
together as in front and near apex.
Underside without punctures.
Java : Kopeng, 5 specimens 14-5-1933, 7 specimens 6-1933 and
5 specimens 20-5-1934. (leg. P. H. van Doesburg).
Type in my collection. Paratypes in the collection of Mr P. H.
van Doesburg, S. L. Straneo and in the collection of
the British Museum.
Colpodes latus sp. n.
Length: 12—14 mm. Width: 5—5\5 mm.
Colour: black, the elytra very dark violet. Palpi, antennae
— except first segment, which is black —, marginal border of
prothorax and tarsal segments brown ; legs, coxae, trochanters and
side border of elytra piceous. Glabrous. Shining.
Head: a little convex, clypeal suture well marked, mandibulae
stout and sharply pointed, eyes small, but very prominent, neck
constricted behind, surface nearly impunctate, two rather wide
depressed areas with small, irregular ridges between vertex and
eyes, labrum densely and very finely punctate, frontal foveae small
and shallow, two supra-orbital setae, relatively closely placed
together.
Prothorax: cordate, convex, a little wider than head and
about as wide as elytra, emarginate in front, front angles rounded,
widely explanate, widest at middle, about a third wider than long,
base straight, hind angles rounded, basal foveae small, circular and
deep, median line fine, surface impunctate ; there are small, shallow,
transverse impressions on disk.
Elytra: subquadrate, a little convex, almost flat, explanate,
frontal fourth of side border very wide, the apex sinuate, apex of
the sutural interval with a minute, sharp tooth, the third interval
with three pores, the first one at about one fifth from front, the
second one at two fifths from apex and the third one close to apex,
but the pores are not always clearly visible, striae fine without a trace
of punctures, intervals a little convex, impunctate, scutellar striole
moderately long, last ventral segment of 9 at apex with four setae,
3 with two setae, third, fourth and fifth segment of & and ©
with a seta on each side along the middle. Umbilicate pores forming
an unbroken row.
Underside: mesepisterna and MESIA punctate, rest
without punctures.
Java: Kopeng, 6 specimens 14-5-1933 and 12 specimens 20-5-
1934. (leg. P. H. van Doesburg).
48 C. J. LOUWERENS,
Type in my collection. Paratypes in the collection of Mr P.H.
vanDoesburg, S. L. Straneo and in the collection of the
British Museum.
Mecyclothorax Doesburgi sp. n.
Length: 4144 mm. Width :11/; mm.
Colour: uniformely chocolate-brown with the exception of
the labrum and the sutural intervals of the elytra, which are of a
lighter colour, the front of head is more or less blackish. Body
glabrous. Shining.
Head: labrum quadrate, a little sinuate in front, clypeus qua-
drate ; a rather deep longitudinal furrow a little converging in front,
convex, impunctate ; eyes moderately prominent ; neck constricted
behind ; antennae short, extending to a little more than frontal
border of elytra, two supra-orbital setae ; palpi cylindrical, the apex
a little obtuse.
Prothorax: broad, cordate, widest just before middle, where
there is a seta, very convex, impunctate with the exception of the
base, which is densely and coarsely punctate, a little wider than
head and about as long as wide, the marginal sides gently rounded,
narrowly bordered and moderately explanate, a little more near
base, base straight, the sides a little oblique, the hind angles small
and projecting a little outwards in a small obtuse tooth, just before
tooth a seta, basal foveae small and punctate.
Elytra: Very convex, ovate, the marginal borders a little
explanate, widest in front, disappearing a little before apex, scutel-
lar striole short, striae very finely punctate, striae 1—5 clear, 6 only
indicated by a row of fine punctures, 7—9 wholly obliterated.
Underside impunctate.
Java: Kopeng. 1600 m. One specimen 14-5-1933. (leg. P. H.
van Doesburg).
Type in my collection.
The genus Mecyclothorax occurs principally in New Zealand,
Australia and Hawaii. The only other described Javanese species
is, as far as I know, Anchomenus (Mecyclothorax) lissus Andr.
(Treubia XIV, 1933, p. 281). H.E. Andrewes originally
placed it in the genus Anchomenus, but later transferred it to its
proper genus Mecylothorax. (Ann. Mag. Nat. Hist. (10), XVIII,
1936, p. 65).
Catascopus carinatus sp. n.
Length: 16 mm. Width: 5 mm.
Colour: head, underside, legs and trochanters metallic dark
green, prothorax and elytra brassy (along the sides with a copper
reflexion), coxae, palpi and labrum black, antennae (except the
first four segments, which are blackish) brown, setae of tibiae and
tarsal segments brown. Glabrous. Very shining.
Head: a little convex, eyes large and moderately prominent,
labrum large, quadrate, twice as long as wide, clypeus sinuate in
front, frontal lines rather deep, beginning with a small circular
fovea and running at equal distances from eyes and from each
other, two supra-orbital setae, impunctate.
SOME NOTES ON THE CARABIDAE, ETC. 49
Prothorax: subcordate, a little longer than wide, widest
at about a third from apex, the apex a little wider than base, front
a little emarginate, the front angles obtuse, marginal sides only a
little rounded in front, a little explanate near front angles, narrowly
bordered, base straight, the sides running backwards, hind angles
obtuse, just before the hind angles a seta, median line rather deep,
basal foveae small and shallow.
Elytra: quadrate, convex, a little wider than prothorax, apex
widely sinuate, both inner and outer angles of the apical truncature
with a small, sharp tooth, front angles rounded, striae finely
punctate, interval 4 more coarsely, sutural intervals smaller than
interval 2, interval 3 a little smaller than adjoining intervals 2 and
4, fifth interval almost wholly carinate, the carina of intervals 7—8
interrupted in the middle, the basal part of the third interval more
or less carinate too, the intervals nearly without punctures, two
setiferous pores at third interval.
Mentum: deeply emarginate, the tooth small and rounded
in front, the side lobes very wide, inside straight, outside rounded
in front.
Underside impunctate.
South Sumatra : Ranau, 500— 700 m, 2-1935. One specimen. (leg.
P. H. van Doesburg).
Type in my collection.
Dolichoctis maxillosus sp. n.
Length; 6 mm. Width: 214 mm.
Colour: head, prothorax, elytra (the latter with a very faint
dark violet reflexion) and underside black, antennae, palpi, maxil-
lae, coxae and tarsi light brown, the trochanters, femora and tibiae
(partly) are darker, almost piceous. Glabrous. Shining.
Head: convex, antennae short, barely reaching beyond frontal
border of the elytra, labrum large, quadrate, very finely and spar-
sely punctate, clypeal suture not clearly visible, maxillae long and
projecting, head before the eyes strongly converging, eyes large
and hemispherical, but not prominent, on each side of the head a
shallow furrow, running from front of eye in a faint bow to each
other, but separated at middle of head, a very small tubercle at
middle on front level of eyes, surface impunctate.
Prothorax: convex, cordate, a little wider than head and a
little longer than wide, narrowly bordered, rounded in front, widest
at about middle, the sides a little sinuate close to hind angles, which
are sharp, base as wide as apex, straight, the sides a little oblique,
the surface with very fine, small, transverse lines, median line fine
and shallow, basal foveae rather large and deep.
Elytra: convex, quadrate, twice as wide as prothorax, about
twice as long as wide with square shoulders, apex a little sinuate,
sutural intervals ending obtuse, finely punctate striate, the inter-
vals impunctate.
Java: Gunung Tankuban Prahu, 1000—1400 m, VI-1933. (leg.
PAPE ane Dioesburg).
One specimen. Type in my collection.
50 C. J. LOUWERENS,
Holcoderus dentatus sp. n.
Length: 6 mm. Width: 2 mm.
Colour: head and prothorax black, the latter with a brown
border, the elytra metallic violet, the sides with a green-bluish
reflexion, the antennae, palpi and legs brown, knees black ; under-
side dark brown, almost piceous, venter a little lighter of colour.
Glabrous. Shining.
Head: convex, with the exception of the vertex (which is
almost smooth) thoroughly punctate, very finely on labrum and
clypeus, a small depression on vertex, diverging in front, eyes pro-
minent, a small furrow along the eyes, antennae short, barely
reaching frontal border of elytra, two supra-orbital setae.
Prothorax: subquadrate, a little wider than head, the base
about as wide as apex and as head, widest at about a third from
apex, at widest point is a very small, blunt tooth, the marginal sides
narrowly explanate in front, widest near base, which is a little pro-
duced, the hind angles sharp, front angles obtuse, surface densely
and more finely punctate than head, the median line deep and
broad, the sides parallel, somewhat depressed on disk, basal foveae
flat and punctate.
Elytra: quadrate, with nearly parallel sides, the apex sinuate,
each elytron ending in a small sharp tooth, the striae finely puncta-
te, the intervals impunctate.
Java: Getassan, 1100 m. (leg. P. H. van Doesburg).
One specimen. Type in my collection.
Holcoderus marginalis sp. n.
Length: 815 mm. Width: 3 mm.
Colour: metallic green, the Ist, 6th and 7th intervals metallic
violet, head, prothorax (the sides of the latter with a green re-
flexion), tibiae and femora black, tarsi dark brown, labrum, an-
tennae, palpi and knees light brown; underside black. Glabrous.
Very shining.
Head: mandibulae long and sharply pointed, palpi cylindrical,
obtuse, labrum rather large, quadrate, all four sides of equal length,
coarsely punctate, more sparsely on vertex, a circular, shallow im-
pression in front, frontal furrows nearly parallel, neck constricted
behind, eyes rather small, not prominent, vertex with a few punctu-
res only, neck impunctate, two supra-orbital setae.
Prothorax: two small furrows along the margins, separated
by a small ridge, subquadrate, convex, a little wider than long, the
apex about as wide as head, rounded in front ; where the prothorax
is widest there is a small, blunt tooth, projecting outwards, base
a little produced backwards, the sides oblique, hind angles sharp,
surface much more finely and densely punctate than head, median
line forming a broad, longitudinal sulcus, ending sharply close to
apex and base, bordered along the sides, front angles rounded.
Elytra: quadrate with rounded shoulders, scutellar striole
well developed, convex, the margins nearly parallel, a little sinuate
at about a third from front, at that point the elytra are a little
SOME NOTES ON THE CARABIDAE, ETC. 51
depressed, the base of the elytra much more sinuate, each elytron
ending bluntly, striae finely punctate, the intervals almost flat, im-
punctate, the third interval with a pore near apex.
Java: Gunung Muria, Tjolo, 700—1000 m, 31-1-1934. (leg.
PSE an Does burg).
One specimen. Type in my collection.
Parena fasciata Chaud. var. unicolor var. n.
Differs from the typical fasciata in the colour of the elytra, which
are uniformely brownish-yellow. The variety is a little smaller than
the forma typica, but I cannot see other differences.
Java: Bodjo, 29-X-1933. (leg. P. H. van Doesburg).
One specimen. Type in my collection.
Creagris rubrothorax sp. n.
Length: 7 mm. Width : 2 mm.
Colour: head, antennae for the greater part, palpi, prothorax,
scutellum, femora, tibiae partly, tarsi and a small, oblong spot on
the elytra, covering intervals 4—7, light brown-red, the first three
antennal segments partly, elytra and tibiae (more or less) black;
underside : light brown-red, except the venter, which is black. Body
pubescent. Shining.
Head: coarsely punctate, more sparsely in front, eyes mode-
rately prominent, labrum large, semicircular in front, 6-setose, the
central ones small and placed closely together, the base with two
small, darker coloured, longitudinal furrows on each side, parallel
to margins, in the middle is a small, black line not quite reaching
front of labrum, smooth ; clypeus quadrate, a little sinuate in front,
smooth ; palpi truncate at apex; mentum with a long, narrow,
sharp tooth, the lobes as long as the tooth, but a little wider.
Prothorax: subquadrate, coarsely and densely punctate,
about as wide as head, a third wider than long, base widely, but
slightly produced backwards, its sides a little oblique, the hind
angles obtuse, marginal sides moderately explanate, rounded in
front, bisetose, nearly straight from about a fourth from base, basal
foveae rather deep, frontal ones not clearly marked, median line
in a shallow, central impression.
Elytra: flat, quadrate, the sides parallel, scutellar striole
well developed, shoulders rounded, base truncate, deeply punctate-
striate, the intervals a little convex and coarsely punctate, about
twice as long as wide.
Underside: finely punctate, metepisterna long and narrow.
Borneo : Muara Tewe (Zuider- en Oosterafdeling van Borneo),
VIII-1934. (leg. Sylvanus).
One specimen. Type in my collection.
Macrocheilus macromaculatus sp. n.
Length: 10 mm. Width: 3 mm.
Colour: head, prothorax (the sides and base with a tinge
of very dark brown, almoust piceous), legs, first three tarsal seg-
ments, elytra, pro- and mesosternum black, labrum, antennae, a
52 C. J. LOUWERENS,
very large, oblong spot on elytra, covering intervals 2—7, apical
border of elytra, ultimate segments of palpi, coxae, trochanters, the
fourth tarsal segment and claw, metasternum and large patches on
sides of venter brown. Shining. Pubescent. Pubescence of tarsal
segments brown.
Head: labrum large, semicircular in front, 6-setose, the central
setae small and not very close together, running along the sides two
small furrows, the outer one reaching to near the front border, the
inner one much smaller, on each side of the middle a flat depres-
sion ; clypeus trapezoid ; eyes prominent, behind enclosed in genae,
surface of head coarsely, but not densely punctate, more sparsely
on vertex, frontal foveae shallow; palpi short and stout, truncate
at apex, much more in the maxillaries than in the labials ; mentum
with a long, narrow, sharp tooth, the lobae a little longer.
Prothorax: subcordate, about as wide as head, the sides
narrowly bordered, well rounded in front, a little sinuate close to
base, bisetose, hind angles with a small tooth, a little projecting,
base widely and slightly produced, sides oblique, median impres-
sion wide and rather deep, basal foveae rounded, surface of pro-
thorax coarsely punctate.
Elytra: quadrate, sides parallel, twice as long as wide,
rounded in front, finely punctate-striate, the intervals a litte convex
and coarsely punctate, scutellar striole well developed.
Underside: coarsely punctate, metepisterna narrow and long.
Java: Gunung Muria, Tjolo, 700—1000 m, 14-I-1934. (leg.
P. H. van Doesburg).
One specimen. Type in my collection.
Pogonoglossus Augustae sp. n.
Length : about 10 mm. Width : 3 mm.
Colour: piceous, mandibulae, palpi, antennae, a small border
along the sides of prothorax, legs, coxae, trochanters and vertex
brown. Body pubescent, the pubescence consisting of short, light
brownish hairs. Shining.
Head: convex with rather deep frontal foveae, neck deeply
constricted, coarsely and sparsely punctate with the exception of
front and vertex, which are smooth ; eyes prominent, behind the
eyes a very minute tubercle with a tuft of hairs.
Prothorax: cordate, a little convex on disk, on widest point,
where there is a setiferous pore, a little wider than head, deeply
emarginate in front, the sides curving gently outward and forward
and ending sharply, sides well rounded in front, before the front
angles slightly sinuate, bisetose, widely explanate, straight and pa-
rallel at about a third from base, base straight, the sides oblique,
about as wide as front, hind angles slightly obtuse, projecting a
little laterally, surface punctate, more coarsely in front, disk almost
smooth, a row of punctures along the median line, which is rather
shallow, basal foveae deep and wide.
Elytra: quadrate, their sides parallel, the apex truncate,
scutellar striole wel developed, striae deep, finely crenulate, inter-
SOME NOTES ON THE CARABIDAE, ETC. 53
vals convex, punctate, more coarsely along the sides, some of the
umbilicate pores bearing long yellow hairs.
Underside: Proepisterna impunctate, mesepisterna and
metepisterna a little longer than wide. There is a large, oval, fairly
deep, longitudinal impression, occupying the middle of the third
ventral segment and the basal third of the second one, in which
are dense tufts of moderately long hairs. The metasternum is
densely haired.
Java : Gunung Pandan (Res. Kediri). (leg. C.J. Louwerens).
One specimen. Type in my collection.
I have much pleasure in dedicating this species to Mrs A. de
Vries-Steenken at Amsterdam, of whose cordial hospita-
lity I have so often partaken.
Styphlomerus brunneiventris sp. n.
Length: 4-7} mm. Width: 115— 21, mm.
Colour: yellow, head and elytra (with the exception of the
scutellum and a small border at apex, which are yellow) deep blue-
black, mesepisterna, metepisterna, venter and apex of mandibulae
brown. Pubescent, the pubescence consisting of short, yellow hairs.
Head: convex, surface coarsely punctate, eyes moderately
prominent, clypeal suture well marked, a small furrow in front of
eyes, frontal foveae shallow and small, neck constricted.
Prothorax: cordate, the apex a little wider than base, which
is straight with oblique sides, about as wide as head, widest at
about a third from apex, rounded in front, the sides straight at a
fourth from base, front and hind angles obtuse, surface finely
punctate, in front and along the base the punctuation is coarser
and the punctures are larger, median line very fine, basal foveae
shallow.
Elytra: flat, quadrate with nearly parallel sides, a little
dilated behind, shoulders rounded, the apex truncate, the striae
are very shallow and barely visible, the intervals are a little costate,
surface densely covered with very minute asperities.
Underside: densely and finely punctate, the coxae of middle
and hind legs and the venter are pubescent.
There is some variation in size and in the colour of the head
and the underside. Moreover the pubescence of prothorax and
elytra shows differences in length. 7 out of the 11 specimens have
the head with an irregular patch of red and the colour of metaster-
num and abdomen varies from yellow to brown and piceous. The
elytra are sometimes brown along the marginal sides. One specimen
shows two nearly circular depressions on vertex along the middle.
Java: Semarang, 10 specimens, (leg. P. H. van Doesburg).
Gunung Muria, Tjolo, 700— 1000 m, one specimen, 28-XII-1933,
(leg. P. H. van Doesburg).
Type in my collecion. Paratypes in collection van Doe s-
burg, S. L. Straneo and in the collection of the British
Museum.
ge
Puppe und Larve
von Callispa duodecimmaculata Chapuis
111. Beitrag zur Kenntnis der Hispinae
(Coleopt. Chrysomelidae)
Mit 2 Abbildungen
von
ERICH UHMANN
(10b) Stollberg-Sa., Gartenstadt 197°
Callispa duodecimmaculata Chap. (Abb. 1 u. 2).
Material: 2 erwachsene Larven, 1 Puppe. Sumatra's Ostküste,
Medan, 27.6.1921, 20 m. (J. B. Corporaal leg.). Coll. Uhmann.
Puppe. Rechteckig, nach dem Ende allmählich verengt, vorn mit
tiefem Ausschnitt. Oben bräunlich, etwas glänzend, die verflachten
Randteile und die beiden letzten Tergite heller braun, 3 Längs-
streifen dunkler braun, der mittlere beginnt an der tiefsten Stelle
des Ausschnittes des Pronotums, bedeckt dort die beiden Hörnchen
und verläuft beiderseits der Symmetrielinie bis zum Ende des 7.
Tergites, die beiden Seitenstreifen beginnen in der Mitte des Pro-
notums, sind dort gegabelt und unbestimmt begrenzt. Auf den 7
Tergiten liegen die Stigmen in ihnen. Zwischen den Längsstreifen
ist die Oberseite etwas heller braun, aber nicht so hell wie die Sei-
tenränder der Oberseite. — Unterseite hell gelbbraun. — Kopf auf
der Unterseite unter dem Pronotum. Dieses im Umriss fast quadra-
tisch. Vorderrand mit mehrfach gebuchtetem Ausschnitt (Abb. 1
u. 2). Dieser mit 3 Paar Hörnchen. Das Paar am Grunde des Aus-
schnittes kegelförmig, gebogen, neben ihm ragt ein Hörnchenpaar
der Unterseite hervor. Die beiden anderen Hörnchenpaare sind
verflacht, das mittlere stark gekrümmt. Vorderrand des Pronotums
etwas aufgebogen. Scheibe neben den Seitenrändern breit einge-
drückt, in der Symmetrielinie mit schmaler Mittelbinde. Mesonotum
etwa querrechteckig, der Hinterrand trapezisch ausgeschnitten, das
Metanotum umfassend. Metanotum trapezisch, am Vorderrande
breit ausgeschnitten, in der Symmetrielinie gefurcht. Abdomen von
Tergit 1—7 flach muldenförmig eingedrückt (ob auch im lebenden
Zustande ?). Tergit 8 und 9 flach. Tergit 1—6 am Seitenrande
erweitert durch flache, zweispaltige Anhänge. Tergit 7 mit einem
einfachen Dorn an der Seite. Tergit 8 mit einem gewinkelten
Dorn, der am Winkel nach rückwarts mit einem kurzen Fort-
satz versehen ist. Tergit 9 in jeder Hinterecke mit einem spitzen
Zahn, der nach rückwärts wieder einen spitzen Zahn trägt. Dieser
und der Fortsatz am Dorn des 7. Tergites wirken als Wider:
E. UHMANN, PUPPE U. LARVE CALL. 12-MACULATA 55
haken beim Abstreifen der letzten Larvenhaut. Bei meiner Puppe
war diese dort zusammengeschoben noch vorhanden. Tergit 1—7
mit je einem Paar Stigmen, die von Tergit 1—5 auf einem an der
Basis verbreiterten Zylinder, die auf Tergit 6 and 7 einfach, das
Paar auf dem 8. Tergit nur angedeutet. Ob die Stigmen von Tergit
6—8 noch irgendwelche Funktion haben, muss noch untersucht
werden. Innerhalb eines jeden Stigmenpaares noch ein Körnchen-
paar auf Tergit 1—7. Symmetrielinie von 1—7 mit feiner Leiste. —
Oberseite auf dem Pronotum glatt, auf Meso- und Metanotum
fein gerunzelt, auf den Tergiten fein schagriniert. Länge 6,5 mm
vom Vorderrande des Pronotums, ohne Hörnchen, bis zum Grunde
Abb. 1. Oberseite der Puppe. Ms = Mesonotum, Mt = Metanotum, P = Pronotum.
Pronotum mit dem flachen, seitlichen Längseindruck.
Abb. 2. Unterseite der Puppe. D = Decken, Hb = Tarsen der Hinterbeine, K= Kopf
mit der Querleiste, Kl = der steil zur Oberseite ansteigende Kopfschild,
Mb = Mittelbeine, Ms = Mesosternum, O = Oberlippe, Uk = Unter-
kiefer, Ukt = Unterkiefertaster, Vb = Vorderbeine.
des Ausschnittes des 9. Tergites. Breite am Mesonotum 2,6 mm.
Unterseite (Abb. 2). Kopf vom Prosternum flügelartig weit
überragt, vorn mit 2 Hörnchen, die auch von oben sichtbar sind,
beide einwärts gebogen. Die beiden nach aussen gebogenen dunk-
leren Hörnchen gehören dem Pronotum an. Fläche des Kopfschil-
des fast senkrecht nach der Oberseite ansteigend, vor der Fühler-
basis mit einer Querleiste, die beiderseits in ein Hörnchen ausge-
zogen ist. — Fühler bogenförmig die Mundteile, die Anlage der
Vorderbeine ganz und die der Mittelbeine zur Hälfte umgehend,
mit angedeuteter Segmentierung. Mundteile; Oberlippe schwach
eingedrückt, Anlage der Maxillartaster winklig nach hinten gebo-
56 E. UHMANN, PUPPE U. LARVE CALL. 12-MACULATA
gen, sodass die Anlage der Maxillen sichtbar wird. — Prosternum
(Abb. 2) an den Seiten allmählich, am Vorderrande ziemlich steil
zur Oberseite ansteigend. — Deckenscheide mit dem Mesosternum
ohne Naht an der Seite zusammenhängend. — Vorder- und Mit-
telbeine in die Deckenscheide eingesenkt und eingepasst (bei allen
mir bekannten Hispinae-Puppen liegen diese Beinscheiden frei
skulptiert auf den Decken, nicht so wie bei Callispa 12-maculata,
dass die Oberfläche der Beine mit in die allgemeine Körperwölbung
einbezogen sind). Hinterbeine darunter liegend, nur die Füsse
vorragend. Rippen undeutlich. Sternite gewölbt, ohne Skulptur.
Hinterrand des 8. Sternites für das 9. tief ausgerandet.
Larve. 1. Stück, Oberseite. 6 X 2,2 mm. Schmutzig-weisz, wenig
geschrumpft. Segmente des Notums und die Tergite einander
segmental-ähnlich. Jedes Segment mit einem Seitenzapfen (Dorn),
der einfach rückwärts gerichtet dem Körper anliegt, jeder Dorn
mindestens die Hälfte des nächsten Segmentes erreichend. Kopf
auf der Unterseite. Pronotum nicht so stark vorn erweitert wie bei
der Puppe, vorn mit Ausschnitt, mit 3 Paar Anhängen, nur die
beiden vorderen Paare sind bei der Puppe weiter entwickelt (Abb.
1 und 2). Mesonotum mit 2 Paar Zapfendornen, das vordere Paar
kleiner, mit einem lateralen Stigmenzylinder vorn an der Basis.
Diese Dornen fehlen der Puppe. Metanotum die ganze Körperbreite
einnehmend, bei der Puppe seitlich vom erweiterten Mesonotum
umschlossen. Daher fehlt sein Seitendorn der Puppe. Tergit 1—8
mit je einem Paar Spirakeln, sodasz mit dem Paare des Meso--
notums 9 Paar vorhanden sind. Die beiden Enddornen des 9. Seg-
mentes vergleichsweise länger als bei der Puppe, einfach, ohne den
Widerhaken-Dorn der Puppe.
2. Larve. Unterseite. In der Grösse der 1. Larve gleichend. Kopf
vorn und seitlich vom erweiterten Prosternum überragt, seine
Umgebung durch Schrumpfung deformiert. Beine geschrumpft, mit
scharfem Haken an der Spitze, wahrscheinlich beschaffen wie bei
Wallaceana dactylifera Maulik in Fauna Brit. India, Hispinae,
p. 15, f. 5, 1919. Die Erweiterungen der Hinterleibssegmente
ähnlich wie bei der Puppe, zweiteilig. Der aborale Teil aus dem
gemeinsamen Seitensaum nicht heraustretend, nur durchscheinend.
Erweiterung des 8. Segments ohne Widerhaken.
Oberfläche der Larvenhaut an den Zapfendornen untersucht.
Dort von vorwärtsgerichteten Zähnchen rauh (X 100).
Three new species of Ceryx Wallgr.
from Java and Sumatra
(Lepidoptera, Amatidae)
by
N. OBRAZTSOV, Munich
(Zoologische Sammlung des Bayerischen Staates)
Ceryx javanica sp. nova (fig. 1-2)
Sect. II, group A of Hampson, 1898.
Antennae of male bipectinate with short branches, of female
serrate, black with short white tips. Head with yellow frons and
posterior edge ; black-brown is only a streak between antennae and
the mouth parts. Patagia black with two yellow lateral spots. Te-
gulae orange with brown hairs at extremity. Thorax black with a
yellow spot in the middle and at posterior edge ; each side of pectus
with two orange patches. Abdomen black ; Ist abdominal tergit
with two orange-yellow lateral patches and with an orange-yellow
postsegmental edge (male) or with an orange-yellow | -figure
(female) in the middle ; other six abdominal tergits of male post-
segmentally yellow (in the middle broader) bordered ; in female five
Fig. 1. — Ceryx javanica sp. nova 4 (Holotype).
Fig. 2. — Ceryx javanica sp. nova 9 (Allotype).
tergits with orange triangular patches in the middle of postsegmen-
tal edges ; the last abdominal tergit orange patched in both sexes ;
five sternits postsegmentally yellow bordered in both sexes; in
female two yellow lateral spots at genital opening. The underside of
all coxae orange-yellow, the Ist joint of all tarsi whitish. Wings
dark brown with a yellow base in male ; fore wing with seven, hind
wing with three hyaline spots. — Length of fore wing: & 13 mm,
2 15—16 mm.
Spots m; and m; confluent in an elongate patch below cell; mo
wedged, as large as the middle cell; as 3rd spot there is an ad-
58 N. OBRAZTSOV, THREE NEW SPECIES OF
ditional patch above base of vein Cus ; my longuish, with a by a
vein separated half larged additional spot; m, and m, longuish,
one from the other by a vein separated. The basal spot largest in
hind wing ; a more or less large spot in the middle cell ; at the base
of veins M, and Cu, a smaller distal spot ; in male all the spots
by the veins only separated, in female all the spots free.
Resembling Ceryx aroa Beth. —Baker, but differs by an unpair
yellow spot on thorax and by the in the middle yellow-orange
patched abdominal tergits. The size and form of spots of wings
very similar in both species.
Types: Tjibodas (Java), 1400-1800 m, 1.-20.X1.1927, Dr. H.
Burgeff leg. (Holotype: & and Allotype: © ) ; Java (Paratype :
2). All the types in the „Zoologische Sammlung des Bayerischen
Staates’, Munich.
Ceryx sumatrensis sp. nova (fig. 3-4)
Sect. II, group C, b of Hampson, 1898.
Antennae simple, black-brown with short white tips. Head with
Fig. 3. — Ceryx sumafrensis sp. nova & (Holotype).
Fig. 4. — Ceryx sumafrensis sp. nova 9 (Allotype).
Fig. 5. — Male genitalia of Ceryx sumatrensis sp. nova. Praep. nr. S.006 (Holotype).
yellow frons and posterior edge ; black-brown is a streak between
antennae and a narrow border around the eyes only; the mouth
parts lighter brown. Body dark brown with yellow streaks and
patches: two patches at patagia, more distinctly developed in
female; tegulae broad yellow at base; thorax with two yellow
longitudinal streaks and at posterior edge with a transverse patch ;
each side of pectus with two large yellow patches; abdomen with
a yellow (praesegmentally in the middle interrupted) patch on Ist
CERYX WALLGR. FROM JAVA AND SUMATRA 59
tergit and with six (in female with five) complete postsegmental
yellow rings on other segments; in female the rings on 4th—6th
sternit broad and touching ; 8th segment (in female also 7th ster-
nit) suffused with yellowish. Legs light brown, coxae (in female
moreover longitudinal streaks on tibiae and the hind tarsi) yellow.
Wings dark brown, yellow at base, in female with a yellow sub-
costal area; fore wing with seven, hind wing with two hyaline
spots. — Length of fore wing: & 17 mm, 9 18,5 mm.
Spot m; of fore wing large, longuish ; m, almost as large as the
middle cell with exception of its basal part; m, large, longuish
rounded, separated from m, by a narrow (in male narrower) trans-
verse streak ; m, and m; nearly equal, mg somewhat longer. A small
spot at base of vein M, above spot my; in male still one smaller
spot below base of spot m4. Basal spot of hind wing touches the
upper edge of middle cell and is remote from dorsum by a narrow
dark brown border ; distal spot touches the basal spot and is sepa-
rated from this by a wedge of the dark border of wing and by
vein Cup.
Male genitalia (fig. 5) : Uncus arced, pointed; tegumen with
small lateral appendages; saccus with two points. The left valva
with a broad outwardly prolonged costal appendage, and with a
moderately long processus basalis; the right valva with a longer
and smaller costal appendage, and with a somewhat longer pro-
cessus basalis than the left valva; costal appendages and distal
angles of both valvae strongly seted. Fultura inferior broad, in the
middle slightly concave.
Somewhat similar to Ceryx albipuncta Hmps. from the Philippi-
nes, but the body is yellow and not whitish streaked, and the spots
m, and m3 of fore wings and both spots of hind wings are sepa-
rated.
Holotype ( 4) and Allotype ( © ) from Sumatra in the ,,Zoolo-
gische Sammlung des Bayerischen Staates”, Munich.
Ceryx burgeffi sp. nova (fig. 6)
Sect. II, group C, b of Hampson, 1898.
Antennae slightly serrate, black with a 14 long white extremity.
Head black, frons yellow. Patagia yellow, in the middle black in-
terrupted. Tegulae black with a slight violet-blue tinge and with
a yellow base. Thorax black with a green-blue gloss, and with a
yellow patch at the posterior edge; each side of pectus with two
yellow patches. Abdomen coloured as thorax, but more violet-
glossy ; Ist tergit altogether yellow, in the middle only praeseg-
mentally black; 2nd segment laterally yellow patched; 3rd tergit
with an incomplete yellow praesegmental border ; 4th and 5th seg-
ments with complete rather broad praesegmental yellow rings. Inner
side of coxae and the Iste joint of tarsi yellowish scaled on all
legs. Wings black with a blue-violet gloss ; fore wing with six, hind
wing with three hyaline spots. — Length of fore wing: 21 mm.
60 N. OBRAZTSOV, THREE NEW SPECIES OF CERYX
Spots m, and m3 of fore wing confluent in an elongate patch
below the cell; it is almost equally remote from base of wing as
from tornus ; spot ms begins from base of vein Cus, broad as middle
cell and acute on both sides; as 3rd spot there is an additional
patch between the veins Cu, and Cus; it is separated from spot
Fig. 6. — Ceryx burgeffi sp. nova & (Monotype).
mı ı3 by the vein Cus only; my the longest spot in the external
series; m, and m, longuish, one from another separated only by
a vein. All three spots of hind wing (the basal, the distal and a spot
in the middle cell) occupy the greatest part of the wing, and it is
only narrowly bordered black; discal veins broader black, scaled
as Cu, and cubitus.
More similar to a Hydrusa-species than to a Ceryx, but is also
somewhat similar to Ceryx semicincta Hmps. Distinguished from
it by more numerous bands of abdomen, by a shorter spot m, of
fore wing, and by the absence of additional patches above and
below the spot m4.
Monotype (&) from Tjapus-ravine near Buitenzorg (Java),
1000 m, 28.X11.1927, Dr. H. Burgeff leg. („Zoologische
Sammlung des Bayerischen Staates”, Munich).
(471) 61
Catalogus
der Nederlandse Macrolepidoptera
door
B. J. LEMPKE.
VIII.
Agrotidae (slot).
Amphipyrinae (slot).
Apamea Tr. 1)
516. A. lithoxylaea Schiff. Verbreid op de zandgronden en in bos-
achtige streken, zowel in het Oosten als in de duinen, in het binnen-
land veel minder zeldzaam dan de volgende soort, zonder echter nu
bepaald een gewoon dier te zijn ; komt ook hier en daar in het lage
land voor. Nog geen enkele vindplaats is uit het Noorden van het
land of van de Wadden bekend.
1 gen., begin Juni tot eind Aug. (4-6 tot 25-8).
Vindpl. Ov.: Borne, Colmschate, Olst, Kampen. Gdl. : Apel-
doorn, Twello (ongeregeld en tamelijk weinig), Voorst, Brummen,
Spankeren, Dieren, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wageningen,
Bennekom, Lunteren ; Zutfen, Warnsveld, Eefde, Gorsel, Laren,
Vorden, Aalten, Doetinchem, Doesburg, Didam, Bijvank, Lobith,
Herwen ; Ubbergen, Beek-Nijm., Nijmegen, Ingen, Drumpt, Leeu-
wen, Wamel. Utr. : Rhenen, De Bilt, Utrecht, Soest, Harmelen.
N.H.: Bussum, Amsterdam, Aalsmeer, Overveen, Haarlem. Z.H.:
Noordwijk, Den Haag, Oostvoorne, Numansdorp, Dordrecht, Wil-
. lemsdorp, Melissant. N.B. : Woensdrecht, Bergen op Zoom, Breda,
Oosterhout, Geertruidenberg, ‘s-Hertogenbosch, Cuyck, Deurne.
Lbg.: Venlo, Tegelen, Steyl, Roermond, Weert, Kerkrade,
Maastricht, Schimmert, Meerssen, Houthem, Valkenburg, Voeren-
daal, Gulpen, Epen, Mechelen.
Var. Zeer gering, op enkele kleine tintverschillen na.
517. A. sublustris Esp. Verbreid in het Oosten, vooral op zand-
gronden en in bosachtige streken, maar lokaal en bijna steeds zeld-
zaam ; veel gewoner in de duinen, maar tot nog toe niet noordelijker
dan Heemskerk aangetroffen. Ook op de Duitse Wadden is de
soort niet gevonden. In het gehele omringende Noordduitse ge-
1) Het manuscript van het slot der Agrofidae was in het voorjaar van 1945
gereed. Het is zoveel mogelijk bijgewerkt, doch een vrij groot aantal vindplaatsen
moest reeds voor het supplement genoteerd worden.
62 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (472)
bied is zij zeer lokaal en zeldzaam, evenals in Denemarken. In Groot-
Brittannië is sublustris in hoofdzaak een dier van kalkgronden, vooral
aan de kust, „though it is common enough in beech woods on chalk
hills inland” (Barrett, Brit. Lep. 4: 361). Dit alles wijst er sterk
op, dat sublustris en warmteminnende soort is.
1 gen. begin Juni tot eind Juli (5-6 tot 25-7).
Vindpl. Ov.: Deventer. Gdl.: Nijkerk, Twello (ongeregeld
en tamelijk weinig), Spankeren, Velp, Wageningen ; Warnsveld,
Eefde, Doetinchem, Babberich, Lobith, Herwen ; Beek bij Nijmegen,
Nijmegen. N.H.: Bussum, Amsterdam, Heemskerk, Wijk aan Zee,
Velzen, Bloemendaal, Overveen, Aerdenhout, Bentveld, Zandvoort.
Z.H. : Noordwijk, Leiden, Wassenaar, Den Haag, Scheveningen,
Hoek van Holland, Numansdorp. N.B.: Engelen. Lbg.: Venlo,
Meerssen, Houthem, Voerendaal.
Var. 1. f. sublustris Esp., 1788, Schmett. in Abb. 4: 408, pl.
133, fig. 1. Grondkleur der vvls. vuil bruinachtig grijsgeel met weinig
afstekende tekening. Een donkere bijna eenkleurige vorm. Niet ge-
woon. Nijkerk, Beek-Nijm., Nijmegen, Wijk aan Zee, Overveen
(Z. Mus.) ; Eefde, Velzen (L. Mus.).
2. f. pallida Tutt, 1889, Entomologist 22 : 11. Grondkleur der vvls.
witachtig geel met scherp afstekende donkere tekening. Zeldzaam.
Noordwijk (Z. Mus.) ; Den Haag (L. Mus.).
3. f. intermedia Tutt, lc. Grondkleur der vvls. geelachtig oker-
kleurig met iets grijze tint, tekening varierend in duidelijkheid.
Hoofdvorm.
4. f. versicolor nov. (lythoxylaea Hb., 1800—1803, Sammlung
Eur. Schmett., fig. 240, nec Schiff., 1775). Grondkleur der vvls. hel-
der geelbruin, donkere tekening helder roodbruin, scherp afste-
kend 1). Zeldzaam. Eefde (L. Mus.) ; Velzen (Z. Mus.).
518. À. monoglypha Hufn. In het gehele land op alle grondsoor-
ten algemeen tot zeer algemeen. Bekend van Texel (veel, F. F.),
Vlieland, Terschelling, Ameland (veel, Br.), Schiermonnikoog (zeer
talrijk, Wiss.). 1 gen. begin Juni tot eind Septr. (4-6 tot 24-9).
Var. Literatuur: Lempke, 1940, Lambillionea 40 : 14—19?).
1) Ground colour of the fore wings clear yellow-brown, dark markings clear
red-brown, sharply contrasting. [A new name for Noctua lythoxylaea Hb.,
1800—1803, Samml. Eur. Schm., fig. 240, which name may cause confusion
with the preceding species. ]
2) In 1940 (Lambillionea 40 : 14) I gave a survey of the forms of Apamea
monoglypha, A few conclusions in this article are not correct owing to the
fact that I had not seen Scotch material and therefore had to depend exclusively
on the original descriptions. In March 1948, however, I saw a fine series at the
Tring Museum. As I suspected already, the darkest Scotch forms are not black,
but blackish brown. This induces the following changes in my table, l.c.: 19:
5. Fore wings dark brown with indistinct markings = f. brunnea Tutt.
6. Fore wings blackish brown with distinct markings — f. infuscata Buchanan-
White.
7. Fore wings blackish brown with indistinct markings = f. obscura Thierry
Mieg (aethiops Tutt).
(473) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 63
1. f. pallida nov. Grondkleur der vvls. bruinachtig wit, tekening
duidelijk !). Apeldoorn (tr. de Vos) ; Den Haag (L. Mus.).
2. f. grisea nov. Grondkleur der vvls. donkergrijs, zonder bruine
tint?). Zie Barrett 4, pl. 177, fig. 1g. Stellig zeldzaam. Biltho-
ven (Cold.) ; Amsterdam (Klaassen).
3. f. monoglypha Hufn. Vvls. bruingrijs met duidelijke tekening
en een grote witachtige vlek aan de binnenrandshoek, Seitz 3, pl.
39g, fig. 3 en (als „obscura”) fig. 6; South, pl. 136, fig. 1 en 2.
Zeer gewoon.
4. f. pallida-fasciata nov. De gehele gewaterde band witachtig,
overigens als de typische vorm?). Winterswijk (Knf.) ; Bilthoven
(Cold. ).
5. f. contraria Lpk., 1940, Lamb. 40: 18. Als de typische vorm,
maar grondkleur donkerbruin. Seitz, lc., regel h, fig. 1 (als „infus-
cata"). Een prachtige bonte en stellig niet zeldzame vorm. Almelo,
Ginneken (v. d. M.) ; Apeldoorn (Wiss.) ; Nes op Ameland (Br.) ;
Bijvank, Montferland (Sch.); Berg en Dal, Nijmegen, Amsterdam,
Mook (Z. Mus.); Heer (Mus. Rd.).
6. f. intacta Petersen, 1903, Lep.fauna Estland : 84 (obscura Tutt,
1889, Entom. 22:42, nec Thierry Mieg, 1886). Vvls. eenkleurig
grijsbruin of bruin met vrij duidelijke, maar niet lichtere tekening ;
de lichte vlek boven de binnenrandshoek ontbreekt. Seitz, l.c., fig.
5; South, fig. 3 en 4; Keer, pl. 41, fig. 3. Even gewoon als de
typische vorm.
7. £. uniformata Weymer, 1878, Jahresber. Naturw. Ver. Elber-
feld : 18. Vvls. eenkleurig donkerbruin met duidelijke tekening. Seitz,
pl. 39 h, fig. 2 („brunnea”) en 3 (,,aethiops") ; South, fig. 5. Ge-
woon.
8. f. benesignata nov. Vvls. eenkleurig donkerbruin met duide-
lijke tekening, de 3 dwarslijnen licht, scherp afstekend* ). Wijk aan
Zee, en een iets minder contrastrijk ex. van Naarden (Z. Mus.).
9. f. brunnea Tutt, 1889, Entom. 22:42. Voorvls. eenkleurig
donkerbruin zonder duidelijke tekening. Veel zeldzamer dan de beide
vormen 6 en 7. Rijs, Hilversum, Naarden, Haarlem (Z. Mus.);
Nijmegen (Wiss.) ; Amsterdam (v. d. M.) ; Tilburg (Priems).
10. £. infuscata Buchanan-White, 1871. Fauna Pertensis 1: 14.
Voorvls. zwartbruin met duidelijke tekening. Lonneker, Beekbergen,
Eperheide (v. d. M.); Apeldoorn (de Vos); Nigtevecht (L. Mus.);
Soest, Amsterdam, Breda (Z. Mus.) ; Wassenaar (Wiss.) ; Nuenen
(Neijts).
11. f. obscura Thierry Mieg, 1886, Le Naturaliste 8 : 237
(aethiops Tutt, 1889, lc. : 42). Voorvls. zwartbruin met nauwelijks
zichtbare tekening. Elspeet (v. d. M.) ; Apeldoorn (de Vos); De
1) Ground colour of the fore wings brownish white, markings distinct.
2) Ground colour of the fore wings dark grey, without brown tint.
3) The whole space between outer line and submarginal line whitish, for the
rest as the typical form.
4) Fore wings unicclorous dark brown with distinct markings, the 3 transverse
lines pale, sharply contrasting.
64 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (474)
Steeg, Nigtevecht (L. Mus.); Oosterbeek, Renkum, Aalten, Soest
(Z. Mus.) ; Wassenaar, Valkenburg (Wiss.) ; Texel (F.F.).
[De vindplaatsen der nrs. 9—11 zijn minder volledig dan gewoon-
lijk, daar ik pas in Maart 1948 Schots materiaal zag en met zeker-
heid wist, hoe deze donkere vormen er werkelijk uitzien. Het was
me niet mogelijk daarna nog alle collecties opnieuw te controleren. |
12. f. rosea Schönfeld, 1917, Int. Ent. Z. Guben 11 : 167. Gehele
vvl. helder: roserood bestoven. Een ex. met duidelijk roodachtig
getinte vvls. van Soest (Lpk.) ; een donker roodbruin ex. van
Voerendaal (Br.).
13. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Nijmegen (Vari).
14. f. semiconfluens nov. Zie Cat. IV, l.c. Montferland (Sch.);
Dieren, Bergen op Zoom (L. Mus.); Zeist (Br.); Hilversum
(Doets); Bussum (Väri); Rotterdam (Z. Mus.); Deurne (Nies).
15. Dwergen. Deurne (Nies); Groede (Lpk.).
519. A, lateritia Hufn. In het gehele Oosten, zowel op zand-
gronden als in het lage land, vooral op droge terreinen plaatselijk
niet ongewoon ; in het Westen geheel ontbrekend (op een enkele
toevallige vangst in de nabijheid van de hoofdstad na). In Enge-
land is de soort niet inheems (1 ex. bekend uit Wales), zodat een
deel van de Westgrens van het areaal van Noord naar Zuid vrij-
wel dwars door ons land loopt. 1 gen. half Juni tot tweede helft
van Augustus (15-6 tot 23-8).
Vindpl. Fr. : Rijs, Wolvega. Gr. : Delfzijl, Groningen. Dr. :
Norg, Veenhuizen, Schoonoord, Hoogeveen. Ov. : Denekamp, De
Lutte, Almelo, Nijverdal, Rijsen, Diepenveen, Deventer. Gdl.:
Harderwijk, Putten, Leuvenum, Hulshorst, Nunspeet, Heerde,
Epe, Apeldoorn, Twello (slechts in enkele jaren), Hoenderlo,
Tongeren, Laag Soeren, Dieren, De Steeg, Velp, Arnhem, Ooster-
beek, Renkum, Bennekom, Lunteren; Zutfen, Warnsveld, Vor-
den, Lochem, Eibergen, Ruurlo, Winterswijk, Aalten, Gaanderen,
Doetinchem, Bijvank, Montferland, Lobith ; Ubbergen, Nijmegen.
Utr. : Doorn, Maarsbergen, Zeist, De Bilt, Soest, Nigtevecht.
N.H.: Hilversum, Laren, Bussum, Amsterdam (20-7-1906, Z.
Mus.). N.B.: Bergen op Zoom, Oudenbosch, Breda, Ginneken,
Tilburg, Vugt, ‘s-Hertogenbosch, Geldrop, Deurne. Lbg. : Mook,
Venlo, Blerick, Tegelen, Steyl, Roermond, Linne, Stein, Brunsum,
Kerkrade, Nuth, Voerendaal, Houthem, Meerssen, Epen.
Var. 1. f. lateritia Hufn. Grondkleur der vvls. roodachtig bruin,
tekening duidelijk, niervlek licht geringd. Svenska Fjärilar, pl. 25,
fig. 10a. Hoofdvorm.
2. f. unicolor Heinrich, 1916, D. Ent. Z.: 515. Vvls. eenkleurig
roodbruin, zonder tekening, alleen de buitenrand van de niervlek
blijft wit. Keer, pl. 41, fig. 5. Putten, Vorden, Lochem (Z. Mus.);
Bennekom, Nuth (Cet.); Hilversum (Doets); Breda (20).
3. f. derufata Warren, 1911, Seitz 3: 166, pl. 39 i, fig. 5 en 6.
Vvls. licht roodachtig zonder de donkere roodbruine tint. Huls-
(475) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 65
horst (Klaassen); Bennekom (Cet.); Nijmegen (Wiss.).
4. f. grisescens nov. Grondkleur der vvls. grijsachtig, roodbruine
tint zeer zwak!). Nijmegen (Z. Mus.).
5. f. contraria Hdm., 1933, Int. Ent. Z. Guben 27 : 332. Vvls.
aan de voorrand en in het franjeveld donkerbruin, als bij de stam-
vorm. Het begin van de dwarslijnen, de stippen op de aderen en de
golfliin met duidelijke geelachtige punten afgezet. De gehele on-
derhelft van de vvls. langs de binnenrand tot de golflijn scherp
afstekend met geelachtige tot bruingele grondkleur. Zeist (Br.);
Amsterdam (Z. Mus.); Deurne (Nies).
6. f. borealis Strand, 1903, Archiv for Math. og Nat. 25 (9) : 13,
Grondkleur donkerder, bruiner, dan bij de typische vorm, teke-
ning scherp. Svenska Fjärilar, l.c., fig. 10b. Norg, Nunspeet (Mac
G.); Putten, Arnhem, Renkum, Mook (Z. Mus.); Bijvank, Mont-
ferland (Sch.).
7. f. melania Lbll., 1903, Cat. Lép. de Belgique: 93 (nigricans
Meves, 1914, Ent. Tidskr. 35 : 26). Grondkleur der vvls. zeer don-
ker, zwartbruin, tekening nauwelijks zichtbaar; avls. eveneens
verdonkerd. Arnhem (Z. Mus., en een trans. van De Bilt); Mont-
ferland (tr. Sch.); Hilversum (Doets).
8. f. albicingulata Warnecke, 1931, Verh. Ver. f. naturw. Hei-
matforschung zu Hamburg 23: 6. Ronde vlek en niervlek beide
geheel witachtig geringd. Putten (Z. Mus.); Epe (11), Vorden
(16), Breda (Z. Mus., 19); Doetinchem (Cold.).
9. f. obsoleta Stephan, 1924, Iris 39: 26. Ronde vlek en nier-
vlek beide zonder lichte omranding, overigens normaal. Schoon-
oord (L. Mus.); Hilversum (Doets); Bergen op Zoom (Korringa).
520. A, aquila Donzel subsp. funerea Hein. Verbreid in het
Oosten van het land op plaatsen, waar Molinia caerulea Mönch,
de voedselplant, op vochtige plekken groeit, dus bij voorkeur aan
de rand van vennen en op vochtige bosplekken, plaatselijk stellig
niet zeldzaam. 1 gen. begin Juli tot half Aug. (7-7 tot 5-8).
In Denemarken alleen bekend van het Troslev Moor dicht bij
de Zuidgrens van Jutland. In Sleeswijk-Holstein verbreid tot naar
het N. op moerassige plaatsen (Moore); bij Hamburg in het
gehele gebied in hetzelfde biotoop als bij ons, in sommige jaren
niet zeldzaam; bij Bremen in het Oyter Moor; in Hannover niet
zeldzaam bij de stad (van hier beschreven door Von Heine-
mann) en in de Lüneburger Heide ; in Westfalen talrijk in de
Senne bij Paderborn en in 1911 bij Sinsen (bij Elberfeld); niet be-
kend uit de Rijnprov. In België bekend van enkele plaatsen in de
Ardennen: Petit-Han, Sclessin en Torgny. Niet in Groot-Brit-
tannië voorkomend. De Westgrens van het verbreidingsgebied
loopt dus ongeveer van Noord naar Zuid midden door ons land.
Vindpl. Dr. : Veenhuizen, Assen, Schoonoord, Wijster. Ov.:
Valthe, Almelo, Borne, Colmschate. Gdl.: Winterswijk. N.B.:
1) Ground colour of the fore wings greyish, red-brown tint very feeble,
66 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (476)
Bergen op Zoom, Ginneken, Breda, Tilburg (half Juli 1910 veer-
tien exx., T.v.E. 54: VI), Oisterwijk, Deurne (vrij gewoon).
Lbg.: Tegelen, Maasniel, Roermond.
V ar. De typische vorm, Apamea aquila Deez heeft een rood-
bruine grondkleur. Hij is naar exx. van Digne beschreven en komt
zeer zeldzaam in Zd. Frankrijk (West-Alpen en Pyreneeën) en min-
der zeldzaam in Zd. Zwitserland voor. De Noordwesteuropese
subspecies, die evenwel tot in Zwitserland en Tirol aangetroffen
wordt, onderscheidt zich voornamelijk door de zwartbruine grond-
kleur.
Von Heinemann zegt in zijn oorspronkelijke beschrijving
(1859, Schmett. Deutschlands : 829): „Die Ringmakel... bis zur
Nierenmakel ausgezogen und diese meist berührend”. Als typische
vorm fixeer ik daarom die, waarbij de beide vlekken elkaar raken,
verreweg de meest voorkomende vorm.
1. f. disjuncta nov. Ronde vlek en niervlek raken elkaar niet!).
Zeldzaam. Schoonoord, 1 2, Tilburg, 1 & (Z. Mus.); Deurne
(Nies).
2. f. confluens nov. Zie Cat. IV : (204). Vrij gewoon en waar-
schijnlijk overal onder de soort voorkomend.
521. A. characterea Hb. (hepatica Bkh., nom. praeocc.). Slechts
enkele malen in Zuid-Limburg waargenomen. De vindplaats schijnt
de uiterste voorpost van het Belgische vlieggebied te zijn, wat de
grote zeldzaamheid in ons land kan verklaren.
In Denemarken in Jutland pas in 1939 bij Grenaa aangetroffen ;
op de eilanden meer voorkomend, schijnt zich daar naar het Noor-
den te verbreiden. In Sleeswijk-Holstein alleen in het jong-morenen-
gebied in het O., maar daar van Z. tot N. bekend; niet bij Ham-
burg ; Bremen: 1 oude vermelding door Rehberg (1879); bij
Hannover zeldzaam; in Westfalen zeldzaam bij Osnabrück en bij
Waldeck ; in de Rijnprov. bij Elberfeld en op de Karlshöhe in de
omgeving van Aken. In België vooral in het Oostelijk deel en
daar volgens Lambillion in sommige jaren gewoon (Ver-
viers, Luik, Namen, Dinant, Petit-Han, Logne sur Ourthe, Bergen,
Saint-Servais, Brussel), maar ook bij Antwerpen. In Groot-
Brittannië hoofdzakelijk een bosdier, vooral in het binnenland
voorkomend, in het Zuiden gewoon, in het midden minder, in het
Noorden van Engeland zeldzaam, in Schotland zeer zeldzaam. In
lerland lokaal en zeldzaam.
1 gen. onze exx. zijn in de tweede helft van Juni en begin Juli
gevangen (18-6 tot 3-7).
Vindpl. Lbg.: Houthem, 3-7-1909; 19, 20 en 21 Juni 1910
(totaal 4 exx., alle in coll.-de Vos) ; 18-6-1913, een prachtig gaaf
& op smeer (Jch.)
Var. Literatuur: Lempke, 1946, Entomologist 79: 25.
De vormen van characterea kunnen in 2 groepen verdeeld wor-
1) Orbicular stigma and reniform stigma do not touch each other.
(477) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 67
den: de eenkleurige en de bonte met duidelijke dwarslijnen. De
eerste doet sterk denken aan Ap. crenata Hufn. f. ochrea Tutt.
1. f. epomidion Hw., 1809, Lep. Brit. : 170. Vvls. licht geel-
achtig bruin, iets grijs getint met zwarte wortelstreep en omran-
ding der vlekken; golflijn duidelijk doordat zij aan beide zijden
donkerbruin afgezet is; de beide andere dwarslijnen onduidelijk ;
aan de voorrand wat donkerbruine tekening. a pl. 39 d, fig. 5
(.,hepatica"). Houthem, 21-6-1910 (de Vos).
2. f. extrema Lpk., Entomologist, l.c. : 29. Als epomidion, maar
ook de golflijn onduidelijk, doordat de donkerbruine tekening aan
de achterrand ontbreekt. Houthem, 3-7-1909 (de Vos).
3. f. characterea Hb., 1800—1803, Samml. Eur. Schm., fig. 133.
Grondkleur der vvls. bruin met geelachtige of zwak roodachtige
tint; dwarslijnen en vlekken geelachtig. South, pl. 135, fig. 4 en
DE Seitz, l.c., fig. 6 en ook 7 (,,epomidion' |). De 3 andere exx. van
Houthem (de Vos, Jch.).
522. A. crenata Hufn., 1766 (rurea F., 1775). Vooral een vlinder
van de zandgronden en bosachtige streken, maar toch ook hier en
daar in het lage land voorkomend (Amsterdam bijv.), plaatselijk
wisselend in aantal. Bekend van Texel, Terschelling en Schiermon-
nikoog (hier talrijk, Wiss.). 1 gen., half Mei tot half Juli (13-5 tot
16-7).
Var. De vlinder komt zowel in bonte als in eenkleurige vormen
voor. Tussenvormen verbinden beide typen.
1. f. pallida Heinrich, 1916, Deutsche Ent. Z. : 515. Grondkleur
der vvls. grijsachtig wit, de donkere tekening zo gereduceerd, dat er
slechts geringe resten van overblijven. Deze extreem lichte vorm is
vrij zeldzaam. De Lutte, Amsterdam, Breda (Z. Mus.) ; Malden
(Bo.) ; Bergen op Zoom, Kerkrade (L. Mus.).
2. f. rurea F., 1775, Syst. Ent: 618. Vvls. witachtig grijs; voorrand,
franjeveld en een vlek bij de binnenrandshoek bruinachtig. Seitz, III,
pl. 39 e, fig. 2 ( & ); Barrett, pl. 179, fig. 1 d. Gewoon, maar vrijwel
alle Nederlandse exx. van deze lichte bonte vorm zijn 9,9 |
3. £. ochrea Tutt, 1889, Entomol. 22 : 59. Als de vorige vorm, maar
grondkleur der vvls. geelachtig, alleen bij de binnenrand nog een
witachtige veeg over. South, pl. 135, fig. 1 ; Barrett, l.c., fig. 1a;
Seitz, l.c., fig. 3. Haast even gewoon als f. rurea, maar zowel bij & 4
als 919 ongeveer in gelijk aantal voorkomend.
4. f. intermedia Tutt, l.c. Vvls. helder roodachtig okerkleurig, de
donkere tekening duidelijk afstekend. Barrett, fig. 1; Seitz, l.c.,
fig. 4. Vrij zeldzaam, naar het schijnt vrijwel uitsluitend bij de & &
voorkomend. Nijmegen (Wiss.) ; Malden (Bo.) ; Noordwijk (Z.
Mus.) ; Bosschehoofd ( Colleg. Berchmanianum).
f. flavo-rufa Tutt, l.c. Grondkleur ongeveer als bij de vorige
vorm, dof geelachtig rood, maar de bonte „rurea-tekening ’ nauwe-
lijks afstekend ; ronde vlek en niervlek duidelijk, geel geringd. Ook
van deze vorm zijn de weinige exx., die ik gezien heb, & 4. Bussum,
Haarlem, Noordwijk (Z. Mus.).
68 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (478)
6. f. subrurea Petersen, 1902, Lep.fauna Estland: 81. Grond-
kleur der vvls. donker grijsachtig bruin, maar de tekening, vooral
de dwarslijnen, zeer duidelijk licht. Seitz, l.c., fig. 6 (als „com-
busta’, een donkerbruin dier met witachtige dwarslijnen, vlek-
omtrekken en worteltekening) ; Barrett, pl. 179, fig. 1g; ook het
vreemde dier, afgebeeld in Keer, pl. 41, fig. 8, moet tot deze vorm
gerekend worden. Niet gewoon. Apeldoorn, Soest, Naarden,
Houthem (Z. Mus.); Hilversum (Doets); Epen (Cold.).
7. £. combusta Hb., 1803—1808, Samml. Eur. Schm., fig. 366.
De binnenrandshelft van de vvls. eenkleurig donkerbruin, maar
de voorrandshelft lichtbruin met lichte voorrandsvlekjes, vlekken
licht geringd, dwarslijnen licht. Verschilt dus van de vorige vorm,
doordat de voorrandshelft duidelijk lichter is dan de binnenrands-
helft. Apeldoorn, Naarden, Plasmolen (Z. Mus.).
8. f. crenata Hufn., 1766, Berl. Mag. 3: 402 (alopecurus auct.
nec Esper). Vvls. eenkleurig donker roodachtig bruin, in de regel
alleen de licht geringde niervlek afstekend!). South, pl. 135, fig.
2; Seitz, pl. 39 f, fig. 1. Hoofdvorm hier te lande, al is het na-
tuurlijk de vraag, of dit voor elke vindplaats op zich zelf ook
geldt.
9. f. nigro-rubida Tutt, 1889, lc. : 59. Vvls. eenkleurig zwart-
achtig rood of zwartachtig bruin, de vlekken zwak licht geringd.
Barret 4, pl. 180, fig. Ic; Seitz, pl. 39 f, fig. 3. De allerdonkerste
eenkleurige vorm. Niet talrijk. Schoonoord, Laag Soeren, Hilver-
sum, Bergen op Zoom (L. Mus.); De Lutte, Nijmegen (Z. Mus.);
Apeldoorn (de Vos); Hilversum (Doets); Wassenaar (Wiss.);
Voerendaal (Br.).
10. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Het best te zien bij de
bonte vormen; bij de eenkleurige is van de ronde vlek vaak
niets meer te bespeuren. Apeldoorn, Bussum (Z. Mus.); Twello
(Cold.); Wassenaar (Wiss.); Nuenen (Neyts); Kerkrade
(Latiers).
11. f. confluens nov. Zie Cat. IV, lc. Zelfde opmerking als bij
de vorige vorm. Nijmegen (Z. Mus.).
523. A. sordens Hufn., 1766 (basilinea Schiff., 1775). Na secalis
en monoglypha onze gewoonste Apamea. Op allerlei grondsoorten
aangetroffen. Bekend van Texel, Terschelling, Ameland en Schier-
1) The typical form of crenafa has dark reddish-brown fore wings with
reniform stigma outlined in pale, as may clearly be seen from Von Rottem-
burg's ampler description (1776, Naturforscher 9: 133) and is generally
known as f. alopecurus.
The real alopecurus of Esper (1788, Smett. in Abb. 4; 473, pl. 147,
fig. 3) is, however, not identical with this form, for the stigma is outlined in
black. In his text the author also speaks of „die schwarze nierenförmige Mackel”.
It must be a very rare form. Barrett (4, pl. 180, fig. 1 b) figures an example
of it.
I draw the attention to the fact, that Esper named the form on the plate
afepecurus in 1788 and in his text alopecurus in 1798. The former name cer-
tainly has priority.
(479) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 2269
monnikoog (hier zeer talrijk, Wiss.). 1 gen. begin Mei tot eind
Juli (3-5 tot 26-7).
Var. Vrij variabel, maar de exx. zijn niet altijd even makkelijk
in te delen door de zachte tinten.
1. f. sordens Hufn. (basilinea Schiff.). Vvls. bruinachtig grijs.
Hoofdvorm.
2. f. pallida Tutt, 1889, Entom. 22: 254. Grondkleur der vvls.
licht okerachtig grijs, zonder bruinachtige of roodachtige gewolk-
te tekening. Groningen (Gaasendam); Deventer (Cold.); Wamel,
Bussum, Noordwijk, Venlo (Z. Mus.); Zalt Bommel, Voeren-
daal (Br.); Nijmegen (Wiss.) ; Amsterdam (Väri); Rotterdam
(Bo.); Eindhoven (Verhaak).
3. f. unicolor Tutt, l.c. Grondkleur der vvls. donker roodachtig
bruin met flauw purperachtige tint, tekening niet duidelijk. Geen
gewone vorm. Arnhem, Nijmegen, Amsterdam (Z. Mus.); Zui-
len (Ten Hove); Wassenaar (Wiss.).
4. f. cinerascens Tutt, l.c. : 255. Vvls. dof askleurig grijs zonder
roodachtige of bruinachtige tinten. Putten (Z. Mus); Twello
(Cold.); Berg en Dal (Bo.); Zeist, Voerendaal (Br.); Wassenaar
(Wiss.); Tilburg (een bijna eenkleurig ex, Van den Bergh);
Wierden, Amsterdam (v. d. M.).
5. f. eruda nov. Vvls. met scherp afstekende do en) Nij-
megen (Vári).
6. f. nictitans nov. Ronde vlek en niervlek beide donker ge-
ringd, scherp afstekend?). Haarlem, Zandvoort (Wiss.).
7. f. reducta nov. De ronde vlek ontbreekt3). Delfzijl (Wiss.).
8. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Amsterdam (Väri); Was-
senaar (Wiss.).
9. f. alinea Turner, 1929, Brit. Noct. 1, Suppl. : 212. De zwarte
wortelstreep der vvls. ontbreekt. Een & trans. ex. van Amsterdam
met zwak ontwikkelde streep (Vári).
10. Dwergen. Amsterdam (v. d. M.).
524, A. unanimis Hb. Verbreid over het gehele land op niet te
droge gronden, op vochtige terreinen plaatselijk gewoon. 1 gen,
eerste helft van Mei tot tweede helft van Juli (10-5 tot 20-7).
Vindpl. Fr. : Kollum, Giekerk, Lekkum, Rijperkerk, Warga.
Gr. : Delfzijl. Dr. : Paterswolde. Ov. : Borne, Colmschate, Deven-
ter. Gdl. : Apeldoorn, Twello (vrij zeldzaam), Empe, Laag Soeren,
Arnhem, Wageningen, Bennekom, Lunteren; Eefde, Warnsveld,
Lochem, Aalten, Doetinchem, Bijvank, Herwen, Lobith ; Ooy, Nij-
megen, Hatert, Wamel. Utr. : Doorn, Maarseveen, Blauwkapel,
Groenekan. N.H.: Hilversum, Bussum, Kortenhoef, Ankeveen,
Naardermeer, Muiderberg, Amsterdam, Middelie, Purmerend,
1) Fore wings with sharply contrasting transverse lines.
2) Orbicular and reniform stigma both with dark circumscription, sharply con-
trasting.
3) The orbicular stigma fails.
70 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (480)
Heilo, Haarlem, Heemstede. Z.H. : Hillegom, Noordwijk, Leiden,
Wassenaar, Voorschoten, Rijswijk, Zevenhuizen, Rotterdam,
Oostvoorne, Numansdorp, Dordrecht. Zl. : ,,Walcheren” (Bst., I,
p. 255). N.B. : Oudenbosch, Bosschehoofd, Breda, Oisterwijk.
Lbg. : Venlo, Epen.
Var. 1. f. unanimis Hb., 1809—13, Samml. Eur. Schm., fig. 556.
Vvls. bruinachtig, tekening duidelijk, middenveld niet of nauwe-
lijks donkerder. Keer, pl. 41, fig. 13. Hoofdvorm.
2. f. secalina Hw., 1809, Lep. Brit. : 210. Vvls. met zwarte tap-
vlekstreep en donkerder middenveld. Exx. met een zwarte streep
van de tapvlek naar de tweede dwarslijn komen bij ons blijkbaar
zeer zelden voor! Een trans. van Twello (Cold.).
3. f. fasciata Warren, 1911, Seitz 3: 168, pl. 40d, fig. 1. Mid-
denveld der vvls. donkerbruin, vlekken en dwarslijnen duidelijk af-
stekend, kop en thorax donker. Nijmegen (Bo.); Haarlem (Wiss.).
4. f. semiochrea Warren, 1911, l.c., pl. 40 d, fig. 2. Onderhelft
van het middenveld en gewaterde band geelachtig, de rest van de
vvls. bruinachtig. Lijkt daardoor op de ophiogramma-vormen van
secalis. Nijmegen (Bo.); Hatert, Haarlem, Heemstede (Wiss.);
Rotterdam (8); Numansdorp, Oisterwijk (Z. Mus.); Oudenbosch
(Colleg. Berchmanianum).
5. f. nigrobrunnea Hoffmann, 1916, Z. Öst. Ent. Ver. 1: 14.
Vvls. donkerbruin, bijna zonder tekening. Niervlek buitenwaarts
wit gerand. Deze donkere vrijwel eenkleurige vorm is bij ons niet
zeldzaam en komt op vrijwel alle vindplaatsen voor. Warga, Arn-
hem, Amsterdam, Noordwijk, Numansdorp, Venlo (Z. :Mus.):
Nijmegen (Bo.); Rijswijk (Hardonk); Wassenaar (Wiss.).
6. f. flavomaculata nov. Niervlek niet wit-, maar geelgerand!).
Blijkbaar zeldzaam. Haarlem (Wiss.); Numansdorp (Z. Mus.).
7. f. juncta nov. Zie Cat. IV, p. (204). Rotterdam (13).
525. A. lunulina Hw., 1809 (abjecta Hb., 1809—1813)2). Ver-
breid in het Westen van het land, maar vrij zeldzaam; in het
Oosten en Zuiden veel minder voorkomend, blijkbaar droge gron-
den mijdend. 1 gen., begin Juni tot half Augustus (9-6 tot 9-8).
Vindpl. Fr.: Vlieland, Ameland, Hieslum, Rijs. Gr. : Delfzijl,
Groningen, Haren. Dr. : Peize, Assen. Gdl. : Velp, Arnhem, Lun-
teren ; Lochem, Gorsel. Utr. : Loosdrecht. N.H.: Amsterdam,
Texel, Haarlem, Heemstede. Z.H. : Leiden, Rotterdam, Numans-
dorp, Dordrecht, Melissant. ZI. : Kapelle, Goes, Domburg, Groede.
1) Reniform stigma not outlined in white but in yellow.
2) In modern literature the specific name used is (Nocfua) oblonga Haworth,
1809, Lep. Brit.: 188. Barrett (1897, Lep. Brit. Isles 4: 385) writes, how-
ever, that the type of oblonga Hw. was in the collection of Sam. Stevens,
and that it was a form of Apamea remissa Hb.
Therefore the correct specific name becomes (Noctua) lunulina Haworth,
1809, l.c.: 192.
I thank Mr. T. B. Fletcher for his checking my conclusion, which he
fully agreed with.
(481) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 71
N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Tilburg. Lbg.: Kerkrade, Maas-
tricht.
Var. 1. f. variegata Stgr., 1871, Catal., ed. 2: 101 (oblonga
Warren, 1911, Seitz 4: 167, pl. 40b, fig. 1, 2, nec Haworth, 1809).
Vvls. donkerbruin, vlekken licht geringd (of zelfs geheel licht
gevuld), gewaterde band en apex sterk gemengd met licht geel-
achtig bruin, scherp zwart afstekende pijlvlekken. Type: Her-
rich-Schäffer, fig. 631 (geen tekst, dus vindpl. onbekend).
Zeldzame bonte vorm. Ameland (Br.); Numansdorp (Z. Mus.);
Goes (Van Willegen).
2. f. lunulina Hw., 1809, lc.: 192. Donkerder dan de vorige
vorm, doordat de vvls. niet zo bont zijn, daar de beide vlekken niet
licht gevuld zijn: donker bruingrijs, maar met scherpe duidelijke
tekening. South, pl. 131, fig. 6; Seitz, fig. 3. Numansdorp, Dom-
burg (Z. Mus.).
3. f. abjecta Hb., 1809— 1813, Samml. Eur. Schm., fig. 539. Vvls.
mooi helder bruinachtig met duidelijke tekening. Zeldzaam. Heem-
stede (Wiss.); Leiden (tr., Z. Mus.).
4. f. unicolor Tutt, 1889, Entom. 22: 209. Vvls. donker bruin-
achtig grijs, tekening onduidelijk. Seitz, pl. 40b, fig. 6, 7; South,
fig. 5; Keer, pl. 41, fig. 4. Hoofdvorm.!)
5. f. fribolus Boisd., 1832, Icones, pl. 84, fig. 4. Vvls. zwartach-
tig bruin, met enige lichte vlekjes aan de niervlek ; tekening nog
zwarter, duidelijk zichtbaar. Zonder twijfel zeldzaam ; bijna al onze
exx. zijn veel bruiner dan Boisduval's figuur. Texel (Wiss.);
Rotterdam, Numansdorp (Z. Mus.).
6. f. nigro-distincta Tutt, lc, 1889. Vvls. zwartachtig met dui-
delijke tekening. Texel (Wiss.).
7. £. juncta nov. Zie Cat. IV, p. (204). Leiden (Z. Mus.) ; Nu-
mansdorp (Cold.).
526. A. sordida Schiff.2). Hoofdzakelijk verbreid op de zand-
gronden (ook in de duinen), maar ook op verschillende plaatsen
1) En niet fribolus Bsd., zoals telkens weer in onze literatuur wordt opgegeven !
[Obs. The principal form in Holland has dark brown-grey unicolorous fore
wings and is excellently figured in Seitz under the name of f. unicolor Tutt.
This author (Tutt) describes his form as having the "anterior wings of a
brownish-grey colour, with an ochreous tinge’, which gives us the impression
of a rather pale form. But this is no doubt an exaggeration, especially as Tutt
says, that “it is the form more often met with than any other” on the east coast
of Britain. This unicolorous form is also excellently figured by South on pl.
131, fig. 5. Heydemann (1935, Schr. Naturw. Ver. für Schleswig-Holstein
20, pl. II fig. 7) figures the same unicolorous form as f. abjecta Hb., but Hüb-
ner's figure is a distinctly marked form].
2) Note on the specific nomenclature :
1. Noctua sordida Schiff., 1775, Syst. Verz. 81. "Erdfarbene mattgezeichnete
Eule”. The name is valid because it is accompanied by a definition (art. 25),
but is not recognizable.
2. Phalaena Noctua sordida Goeze, 1781, Entom Beytr. 3 (3): 207. "Die erd-
farbene mattgezeichnete Eule. Wien. Schmett. p. 81. N. no. 18.” Again valid
for the same reason, but neither recognizable.
3. Phalaena Noctua sordida Bkh., 1792, Naturgesch. Eur. Schm. 4 : 578, Good
72 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (482)
daar buiten aangetroffen; plaatselijk niet zeldzaam of zelfs ge-
woon. | gen. eerste helft van Mei tot half Juli (11-5 tot 12-7),
soms komen ook later vliegende exx. voor : 6-8-1910 en 1-9-1907,
beide van Kerkrade in Z. Mus. Zeldzame partiële tweede gen. of
late exx. van de eerste ?
Vindpl. Fr.: Ameland, Schiermonnikoog (hier zeer talrijk,
Wiss.). Gr.: Rottum, Delfzijl. Ov.: Borne. Gdl.: Apeldoorn,
Twello (onregelmatig en weinig talrijk), Laag Soeren, Bennekom,
Lunteren, Garderen ; Warnsveld, Aalten, Doetinchem, Montfer-
land, Bijvank, Babberich, Herwen; Berg en Dal, Nijmegen, Ha-
tert, Tiel. Utr. : Utrecht, Bilthoven, Soest. N.H.: Hilversum, Ter-
schelling, Texel, Alkmaar, Haarlem, Zandvoort. Z.H. Hillegom,
Katwijk, Wassenaar, Scheveningen, Zevenhuizen, Rotterdam,
Dordrecht. Zl. : Borsele, Goes, Tolen. N.B. : Oudenbosch, Bos-
schehoofd, Breda, Ulvenhout, Tilburg, Oisterwijk, Vugt, Deurne.
Lbg. : Plasmolen, Venlo, Maasniel, Roermond, Brunsum, Kerk-
rade, Voerendaal, Houthem, Meerssen, Epen.
Var. Terwijl de vlinder in het binnenland weinig variëert, ko-
men in het duingebied naast de gewone vorm ook lichtere voor. De
mooiste, prachtige scherp getekende lichte dieren, zijn tot nog toe
uitsluitend van enkele Waddeneilanden bekend. Hoewel we dus
niet van een speciaal duinras kunnen spreken, hebben de van het
binnenland belangrijk afwijkende oecologische factoren, die in de
duinen heersen, de soort waarschijnlijk toch duidelijk beinvloed.
1. f. sordida Schiff. Vvls. grijs, donkerder gewolkt, meer of minder
met bruin getint. South, pl. 131, fig. 1; Seitz, pl. 40a, fig 6. In het
binnenland vrijwel de enige vorm, die aangetroffen wordt, maar ook
in de duinen voorkomend.
2. f. nigrescens Hannemann, 1917, Int. Ent. Z. Guben 10: 121.
Grondkleur zwartgrijs verdonkerd. Deurne (Nies).
recognizable description, but the name is invalid as a homonym of no. 2. Bork-
hausen identifies his moth with Noctua sordida Schiff, but this is no proof
that both names are really identical, as Bkh. had not seen the Schiff. collection.
4. Illiger, 1801, Wien. Verz, ed. II: 264, found, that N. sordida Schiff.
was present in the collection and cited it as being identical with Ph. N. sordida
Bkh.
5. Laspeyres, 1803, in Illiger's Mag. für Insektenk. 2: 104—105, writes, that
N. sordida Schiff. seems to be N. cursoria Hufn. and that it differs from N. sordida
Bkh.
6. Treitschke, 1825. Schmett. Eur. 5 (1) : 146, identifies N. sordida
Schiff. with Agrofis ruris Hb. (in modern nomenclature: a form of Euxoa femera
Hb., a species often confounded with Euxoa obelisca Schiff.) But 1825, op. cit. 5
(2) : 112, he identifies the specimens in the Schiff. coll. of Noctua sordida Schiff.
and Noctua anceps Schiff. with forms of Agrofis segetum Schiff. and Agrotis
clavis Hufn. (corficea Schiff.). He therefore gave a new name to Borkhau-
sens (invalid) Ph. N. sordida, viz. infesta (l.c.).
Treitschke consulted the Schiff. coll. but his statements cannot be ac-
cepted as an absolute proof, because the collection had not remained unchanged.
I have amply discussed this question with Mr. T. B. Fletcher and we agree
that the best solution will be to accept Borkhausen’s identification of
his Ph. N. sordida with N. sordida Schiff. This will only cause the change of
an author's name.
(483) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 73
3. f. anceps Hb., 1809—1813, Samml. Eur. Schm., fig. 484. Grond-
kleur der vvls. mooi lichtbruin (bijna geelbruin) met duidelijke
tekening. Seitz, l.c., fig. 3. Slechts weinig exx. kunnen tot deze vorm
gerekend worden. Rottum, Texel (Wiss.) ; Venlo, Kerkrade (Z.
Mus.).
4. f. ochracea Tutt, 1889, Entom. 22 : 230. Grondkleur der vvls.
licht roodachtig okerkleurig, vlekken en dwarslijnen lichtgrijs. Nog
zeldzamer, slechts een enkel overgangsex.: Ameland (Cold.).
5. f. engelhartii Duurloo, 1889, Ent. Meddel. 2: 86. Grondkleur
der vvls. witachtig grijs, in het midden lichtbruin getint; vlek-
ken, dwarslijnen en franjeveld iets lichter bruinachtig. Oorspron-
kelijk beschreven naar exx. van Jutland, waar de vorm als subsp.
in het gehele duingebied langs de Westkust voorkomt (prachtige
gekleurde afbeeldingen geven Hoffmeyer en Knudsen,
1935, in Flora og Fauna, bij hun artikel over de vlinders van dit
gebied, l.c. : 49—68). Later ook op För en de Duitse Wadden
aangetroffen, ook hier als hoofdvorm. Bij ons het best ontwikkeld
op de Wadden-eilanden, waar engelhartii in elk geval in overheer-
send percentage optreedt. Ook nog in de duinen van het vaste-
land voorkomend, maar daar al sterk gemengd met typische exx.
Texel, Schiermonnikoog, Rottum (Wiss.); Terschelling (Braven-
boer, Beijerinck); Ameland (Lukkien, Cold.); Haarlem, Wasse-
naar (Z. Mus.).
6. f. lactea Cockayne, 1933, in Turner, Brit. Noct. 1, Suppl.: 262.
Vvls. crèmekleurig, dwarslijnen bruin, middenveld met duidelijke
bruine dwarslijnen, franjewaarts van de tweede dwarslijn een rij
zwarte vlekken op ader 2—7; franje bont, op de aderen crème-
kleurig, er tussen bruin; avls. crèmekleurig, wortelhelft van de
aderen bruin bestoven, de gewone donkere banden slechts weinig
donkerder dan de grondkleur. Deze prachtige contrastvorm, onmid-
dellijk opvallend door het bijna ongetekende crèmekleurige achter-
randsveld der vvls. en oorspronkelijk beschreven naar een 3 van
Hampshire aan de Zuidkust van Engeland, schijnt alleen aberratief
onder engelhartii op te treden en dan nog slechts zeldzaam. He y -
demann vermeldt 2 exx. van het eiland Amrum (1938, Schrift.
Naturw. Ver. Schleswig-Holstein 22: 373). Wiss. bezit 2 schit-
terende exx., 1 van Schiermonnikoog en 1 van Texel.
7. f. renardii Boisd., 1829, Ind. Meth., Addenda : 5 (in elk geval
na Nov. 1828; zie Hemming, 1934, Entom. 67: 226-227).
Vvls. eenkleurig lichtgrijs met nauwelijks zichtbare tekening (,,alis
anticis paleaceo-albidis postice subdilutioribus, fimbria albo-cinerea;
posticis totis albis ; omnibus subtus immaculatis’). Ameland (Luk-
kien, een grijswit ex. met onduidelijke tekening).
8. f. juneta nov. Zie Cat. IV: (204). Meerssen (Lpk.).
9. f. semiconfluens nov. Zie Cat. IV, lc. Schiermonnikoog
(Wiss.); Warnsveld (L. Mus.).
527. A, furva Schiff. Op één vindplaats na, die geheel buiten het
voor onze streken normale biotoop valt (Numansdorp !), verbreid
74 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (484)
op zandgronden in het oosten van het land, maar tot nog toe steeds
zeldzaam.
In Denemarken in Jutland, in zandstreken, verbreid, maar
meestal niet talrijk; op de eilanden weinig verbreid, alleen op
Bornholm meer voorkomend. In Sleeswijk-Holstein van het zuiden
tot het noorden zeer verbreid in zandstreken ; bij Hamburg ver-
breid, maar tamelijk zeldzaam, schijnt aan zandgronden de voor-
keur te geven; bij Bremen in 1930 aangetroffen; in Hannover zeld-
zaam bij de stad, ook op de Lüneburgerheide ; in Westfalen bij
Bielefeld en Waldeck en in de Senne; in de Rijnprov. bij Krefeld
(1 ex. in 1927) en Elberfeld. In België alleen in de Kempen van de
prov. Limburg aangetroffen. (Zie G. Dasse, 1947, Lambillionea
47 : 61). In Groot Brittannië in bergachtige streken, in het zuiden
van Engeland en in Wales, in Noord-Engeland en Schotland tot
op de Shetland-eilanden. In lerland verbreid, maar zeldzaam.
1 gen. begin Juli tot eind Septr. (2-7 tot 26-9).
Vindpl. Dr: Schoonoord, Wijster, Hoogeveen, Meppel. Ov.:
Almelo. Gdl. : Nunspeet, Putten!). N.H.: Hilversum, Bussum.
Z.H. : Numansdorp.
V ar. De soort blijkt geografisch sterk te variëren. Reeds Snel-
len, die de beide eerste in Aug. 1903 gevangen Nederlandse exx.
onder ogen heeft gehad (van Schoonoord), bemerkte, dat het geen
typische dieren waren. Zijn determinatie als f. silvicola Ev. (in T. v.
E. 48: 24) is echter onjuist. In de eerste plaats past de diagnose
van deze vorm in het geheel niet op onze exx. (Eversmann,
1842, Bull. Soc. Imp. Nat. de Moscou: 547: ,,Alae anticae nigrae |)
en dan wordt silvicola nu zelfs tot een heel andere soort gerekend,
nl. tot Apamea rubrirena Tr.
De typische Weense vorm heeft een bruingrijze grondkleur, zoals
W arren schrijft (1911, Seitz 3: 177) en zoals ik kon nagaan
aan een Oostenrijks ex., dat wijlen Dr. Z e r n y zo vriendelijk was
mij te zenden. De vvl.tekening is onduidelijk. Van de beide fign.
in Seitz (pl. 41 f, fig. 1 en 2) is die van het © de beste. Hübner
geeft de eerste afbeelding van een furva (Samml. Eur. Schm., fig.
407, 1808—1809). Zijn donkerbruine vorm is stellig veel nader
aan de onze verwant, doch is veel bonter van tekening: beide vlek-
ken zijn geheel licht geringd en de 3 gewone lijnen steken veel lich-
ter af dan bij de Nederlandse exx. De Engelse vorm, zoals South
die afbeeldt (pl. 131, fig. 3 en 4) met zijn donker bruingrijze vvls.,
die nog zwakker getekend zijn dan bij de Oostenrijkse, lijkt al heel
weinig op de Hollandse. Deze stemt daarentegen geheel overeen
met :
1. f. freyeri Boie, 1835, Isis: 324. Grondkleur der vvls. helder
donkerbruin, eerste en tweede dwarslijn lichter bruin, weinig af-
stekend, golflijn en franjewaartse helft van de omranding der nier-
vlek licht geelbruin, duidelijk afstekend.
1) In Bst. 1: 245 nog vermeld van Harderwijk en Vorden. Later werd de
juistheid van de determinatie sterk betwijfeld, maar achteraf blijken de vangsten
toch best mogelijk geweest te zijn. Het materiaal is echter niet meer aanwezig.
(485) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 75
Boie beschreef de vorm naar exx. van Kiel. De grondkleur
noemt hij zwartbruin, wat voor exx., die gevlogen hebben, in elk
geval te donker is. Hij beschreef zijn freyeri echter naar gekweek-
te exx., die wel dieper van tint zullen zijn. Ik kon onze exx. verge-
lijken met 2 normale van Löwenstedt in Sleeswijk, e coll.
Warnecke. De fig. van freyeri in Seitz (l.c., fig. 3) is veel te
grijs van grondkleur. Beter is de afb. van furva in Keer (pl. 41, fig.
1), doch de grondkleur van onze exx is bruiner.!). |
528. A. remissa Hb., 1808—1809 (gemina Hb., 1809—1813).
Gewoon op zandgronden (ook in de duinen), maar eveneens niet
zeldzaam op vochtige terreinen en in het polderland waargenomen :
Amsterdam, Rotterdam, Numansdorp. Bekend van Texel, Terschel-
ling, Ameland en Schiermonnikoog (hier zeer talrijk, Wiss.). 1 gen.,
tweede helft van Mei tot tweede helft van Juli (19-5 tot 24-7).
Var. Een vrij variabele soort, die zowel in eenkleurige als in
mooie bonte vormen voorkomt en daardoor beginners nogal eens
moeilijkheden bezorgt.
1. £. obscura Hw., 1809, Lep. Brit. : 189 (gemina Hb. 1809—
1813, Samml. Eur. Schm., fig. 482). Vvls. bruinachtig zwart, vlek-
ken zwak geringd, dwarslijnen en golflijn lichter. De donkerste
vorm; niet gewoon. Schiermonnikoog, Wassenaar (Wiss.); Apel-
doorn (de Vos); Laag Soeren, Groenekan (L. Mus.); Lunteren
(Branger); Malden (Bo.); Zeist (Br.); Den Haag (Hardonk);
Eindhoven (Verhaak).
2. f. rufescens Tutt, 1889, Entomol. 22: 304. Grondkleur rood-
achtig of bruinachtig gris, overigens als de vorige vorm. Hoofd-
vorm hier te lande.
1) Apamea furva Schiff. appears to vary considerably geographically. The
Austrian form, a specimen of which I owe to the late Dr Zern y, has brown-
grey fore wings, markings not clear. The figure of the © in Seitz (pl. 41 f,
fig. 2) is the best.
Hübner's figure 407 with its dark brown fore wings is much nearer to
ours, but its fore wings are much more strongly marked. Both stigmata are
outlined in pale and the transverse lines are clearly defined, characters, which
are. not shown by our race.
The English race, as figured by South, pl. 131, fig. 3 and 4, with its dark
grey-brown fore wings, which are very indistinctly marked (still less than in
the Austrian form), sharply contrasts with ours and very probably deserves a
special name. ;
The Dutch race is perfectly identical with f. freyeri Boie 1835, Isis : 324,
described after examples from Kiel and of which Herr Warnecke sent me
two specimens for comparison. Ground colour of the fore wings clear dark
brown, transverse lines somewhat paler brown, but not contrasting. Outer half
of the circumscription of the reniform stigma and submarginal line pale yellow-
brown, clearly contrasting.
The name is universally attributed to Freyer himself (N. Beitr., II, p.
107, pl. 159), but the date of his publication is 1835 (Sherborn, 1925, Index
Animalium 8: 2514), i. e. for the sake of priority 31st Dec. 1835, whereas
Boie published the name in Heft IV of the Isis, which has 12 Hefte, so very
probably in April 1835, at any rate long before December. The figure of
Freyer, although he calls it a "treue Abbildung”, is bad, much too black.
Seitz's figure of freyeri (lc, fig. 3) is much too grey.
76 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (486)
3. f. intermedia-grisea Tutt, Lc. Vvls. grijsachtig, met tapvlek-
streep, ruimte tussen ronde vlek en niervlek donkerder, waardoor
de indruk van een middenband gewekt wordt. Zeldzaam. Nijmegen
(Wiss.); Malden (Bo.).
4. f. intermedia-rufa Tutt, l.c. Als de vorige vorm, maar grond-
kleur bruinachtig- of roodachtig grijs. Keer, pl. 41, fig. 12. Gewoon;
bijna alle exx. met tapvlekstreep behoren er toe.
5. f. submissa Tr., 1825, Schmett. von Eur. 5 (I): 346. De be-
nedenhelft van het middenveld en de gewaterde band zijn duide-
lijk lichter dan de rest van de vvls., maar nog niet zo scherp af-
stekend als bij f. remissa. Seitz, pl. 40 d, fig. 7; South, pl. 131,
fig. 8. Overal onder de soort, maar minder dan de volgende vorm.
6. f. remissa Hb., 1808—1809, l.c., fig. 4231). Wortelveld grijs-
bruin ; middenveld tot tapvlekstreep donkerbruin ; ronde vlek, nier-
vlek, onderhelft van middenveld en gewaterde band licht, scherp
afstekend; franjeveld donker. Seitz, l.c., fig. 6. Lijkt op Lacanobia
genistae Bkh. Gewoon.
7. £. supermissa Spuler, 1905, Schm. Eur. 1: 195. De allerbontste
vorm : als remissa, maar ook het wortelveld even licht als de an-
dere lichte gedeelten. Vrij zeldzaam. Apeldoorn (de Vos); Velp
(L. Wag.); Malden (Bo.); Hatert (Wiss.); Venlo (Z. Mus.).
529, A. secalis L. Verbreid in het gehele land op alle grond-
soorten, gewoon tot zeer gewoon. Bekend van Texel, Terschel-
ling, Ameland en Schiermonnikoog. 1 gen. begin Juni tot begin
Septr. (8-6 tot 9-9), hoofdvliegtijd Juli.
Var. Een uiterst variabele soort, waarvan de vele vormen
echter lang zo moeilijk niet te classificeren zijn als die van Euxoa
tritici L. In 1891 publiceerde Tutt een uitstekende analyse van de
hem uit Engeland bekende vormen. Ter Haar nam + 1903 zijn
schema in extenso over, voegde er echter aan toe, dat lang niet alle
vermelde vormen in zijn serie van 53 exx. voorkwamen. Nu een
veel uitgebreider materiaal ter beschikking staat, blijkt, dat vrijwel
alle Britse vormen ook bij ons aan te treffen zijn. De allerlichtste zijn
in Engeland zeldzaam, bij ons eveneens. Het merendeel onzer exx.
behoort tot de roodbruine tot purperbruine kleurgroepen, de zwart-
achtige komen minder voor, al zijn ze vrijwel overal aan te tref-
fen, tot zelfs in het duingebied. Bijna alle exx., die ik van het laat-
ste kleurtype zag, waren © 2. Bij bijna alle kleurgroepen komen
exx. met gele niervlek meer voor dan met witte.
De meest opvallende vormen zijn die met donkere voorrandsvlek
(nr. 10, 11, 22, 23 en 31), waar dus de lichte kleur van wortelveld
en gewaterde band langs de binnenrand onder de tapvlek breed
doorloopt, zodat een tekening als bij A. ophiogramma Esp. ont-
1) The name remissa Hb. is older than obscura Hw., as Haworth cites
Hübner's figure, so that Hampson and Warren are not right in giving
obscura priority to remissa.
(487) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 077
staat. Hiertoe behoort ook de typische vorm van secalis. Bij exx. met
donkere middenband wordt de tint van gewaterde band en wortel-
veld als grondkleur beschouwd. Waarschijnlijk zullen wel niet alle
vormen overal in ons land in dezelfde verhouding voorkomen, doch
gegevens hierover ontbreken.
Allereerst volgen de Nederlandse vormen in de volgorde van
Tutt's schema, dat nog altijd een uitstekende basis is, daarna de
overige.
A. Grondkleur der vvls. witachtig gris, gris
ofgeelachtig gris.
1. f. grisea-flavo Tutt, 1891, Br. Noct. i: 93. Vvls. lichtgrijs,
eenkleurig, tekening vrijwel afwezig, niervlek geel. Een eenkleurig
licht grijsbruin ex. van Rotterdam (40).
2. f. reticulata-albo Tutt, le. Vvls. grijs, soms met flauw geel-
achtige tint, dwarslijnen duidelijk, geen tapvlekstreep, niervlek wit.
Hilversum (Doets); Breda (84).
3. f. reticulata-flavo Tutt, l.c. Als 2, maar niervlek geel. Seitz, III,
pl. 40 h, fig. 3, als „reticulata, Tutt zegt van deze vorm (p. 95):
„This is probably the commonest form occurring in Britain.” Bij
ons behoort hij ongetwijfeld tot de minder gewone! Apeldoorn (de
Vos); Hilversum (Doets); Amsterdam, Venlo (Z. Mus.); Was-
senaar (Wiss.); Breda (100); Voerendaal (Br.).
4. f. secalina-albo Tutt, l.c. : 95 (secalina Hw., 1809, Lep. Brit. :
210, nec secalina Hb., 1808— 1809). Vvls. grijs, dwarslijnen duide-
lijk, met tapvlekstreep (een zwart lijntje van de tapvlek naar de
tweede dwarslijn), niervlek wit. Scherpenzeel-Fr. (Van den
Bergh) ; Berg en Dal (Boldt).
5. f. secalina-flavo Tutt, l.c. : 93. Als 4, maar niervlek geel. Ub-
bergen (Z. Mus.); Nigtevecht (25); Hilversum (Doets); Amster-
dam (Cet.).
6. f. virgata-albo Tutt, lc. Vvls. grijs met donkere middenband,
geen tapvlekstreep, niervlek wit. Deventer (Cold.); Ermelo
(Jonker) ; Vorden (Z. Mus.) ; Maarsen (De Nijs); Hilversum
(Doets); Amsterdam (v. d. M.); Rotterdam (37), Bergen op Zoom
(L. Mus.).
7. f. wirgata-flavo Tutt, l.c. Als 6, maar niervlek geel. Putten,
Apeldoorn, Renkum, Rotterdam (Z. Mus.) ; Maarsen (De Nijs) ;
Hilversum (Doets).
8. f. i-niger-albo Tutt, l.c. Vvls. grijs met donkere middenband
en tapvlekstreep, niervlek wit. Seitz, III, pl. 40 g, fig. 6 (,,J-niger’’).
Almelo (v. d. M.) ; Putten, Zeist, Hilversum, Amsterdam, Noord-
wijk (Z. Mus.); Aalten (Cet.); Soest, Texel (Lpk.); Nigtevecht
(34); Maarsen (De Nijs); Wassenaar (Wiss.). Blijkbaar niet
zeldzaam.
9. f. i-niger Hw., 1809, Lep. Brit. : 211. Als 8, maar niervlek geel.
South, pl. 132, fig. 7. Ook Barrett, Lep. Brit. Is., vol. 4, pl. 183,
fig. 1 g, 1897, nog. Vrij gewoon, uit bijna alle delen van het land
bekend.
78 | B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (488)
10. f. oculea Gn., 1852, Noctuelites 5: 210. Vvls. lichtgrijs tot
witachtig okerkleurig of bleekgeel, met grote donkere vlek aan de
voorrand (de middenband houdt dus bij de tapvlek op), niervlek
wit. Barrett, l.c., fig. 1 h. Een vrij gewone vorm.
11. f. oculea-flavo Tutt, lc. Als 10, maar niervlek geel Barrett, l.c.,
fig. 175; South, fig. 11> Seitz; IE, pl. 40 g, fig: S(brocaleau)Tets
talrijker dan de vorige vorm. |
B. Grondkleur der vvls. roestrood (of rood-
achtig oker), roodachtig bruin of purperachtig
bruin.
12. f. rufa-albo Tutt, lc. Vvls. eenkleurig roodachtig tot diep
purperachtig bruin, dwarslijnen en tapvlekstreep ontbreken ; nier-
vlek wit. Ameland, Almen, Gaanderen (Br.); Lonneker, Amster-
dam, Eperheide (v. d. M.); Putten, Apeldoorn (Z. Mus.); Ben-
nekom (Cet.); Maarsen (De Nijs); Voordorp (L. Mus.); Dor-
drecht (Mus. Rd.); Breda (109); Venraai (De Nijs).
13. f. rufa-flavo Tutt, lc. Als 12, maar niervlek geel. Veel ge-
woner. Almelo (Cet.); Nunspeet, Vorden, Berg en Dal, Nijmegen,
Amsterdam, Breda, Oisterwijk, Mook, Venlo (Z. Mus.); Deurne
(Nies); Voerendaal (Br.).
14. f. nictitans Esp., 1788, Schmett. in Abb. 4: 375, pl. 126, fig.
6. Vvls. roodachtig bruin tot purperachtig bruin, tekening duide-
lijk, geen tapvlekstreep ; niervlek wit. Svenska Fjärilar, pl. 26, fig.
1 c; Barrett, l.c., fig. 1 f. Zeer gewoon.
15. f. secalina Hb., 1808— 1809, Samml. Eur. Schm., fig. 420.
Als 14, maar niervlek geel. Seitz, III, pl. 40 h, fig. 4 (,,nictitans’’);
South, fig. 9; Barrett, fig. 1. Onze meest algemene vorm,
16. f. nictitans-linea Tutt, lc. Als 14, maar met tapvlekstreep.
Seitz, l.c., pl. 40 g, fig. 7 (,,didyma’’); Barrett, fig. 1 a en 1 i. Even-
eens een gewone vorm.
17. f. secalina-linea Tutt, lc. Als 15, maar met tapvlekstreep.
Gewoon.
18. f. rava Hw., 1809, Lep. Brit. : 209. Vvls. roodachtig of rood-
achtig- geel met volledige donkere middenband, geen tapvlek-
streep; niervlek wit. Vrij zeldzaam. Malden (Bo.); Hilversum
(Doets); Bussum (Z. Mus.); Valkenburg (Br.).
19. £. rava-flavo Tutt, l.c. Als 18, maar niervlek geel. Seitz, pl.
40 h, fig. 1 (,,rava"). Minder zeldzaam. Ubbergen, Utrecht, Am-
sterdam, Noordwijk, Rotterdam, Breda, Mook (Z. Mus.); Haar-
lem (Wiss.); Koudekerke, Voerendaal (Br.).
20. f. didyma Esp., 1788, Schmett. in Abb. 4 : 378, pl. 127, fig. 7.
Vvls. roodachtig okergeel, soms ook roder, met volledige donkere
middenband en tapvlekstreep ; niervlek wit. South, fig. 6. Onge-
twijfeld bij ons een verre van gewone vorm. Groningen (11),
Breda (88); Lonneker (v. d. M.); Apeldoorn, Noordwijk, Rotter-
dam (Z. Mus.); Twello, (Cold.); Hilversum (Doets); Soest
(Lpk.); Den Haag (L. Mus.); Voerendaal (Br.).
21. f. didyma-flavo Tutt, Lc. Als 20, maar niervlek geel. Svenska
(489) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 79
Fjärilar, pl. 26, fig. 1 b (als ,,didyma"); Barrett, l.c., fig. 1b. Veel
gewoner dan didyma. Apeldoorn, Berg en Dal, Zeist, Amsterdam,
Rotterdam, Schiebroek, Breda (Z. Mus.); Warnsveld (L. Mus.);
Buurse (Vari); Deventer, Twello (Cold.); Bennekom (Cet.);
Nigtevecht (30), Rijnauwen (L. Mus.); Hollandsche Rading, Hil-
versum, Blaricum (Doets); Zeist, Serooskerke, Nuenen, Voeren-
daal (Br.).
22. f. furca Hw., 1809, Lep. Brit. : 209. (ochracea Turner, 1932,
Brit. Noct. 1, Suppl. : 227). Grondkleur roodachtig oker, aan de
voorrand der vvls. een grote donkere vlek (ophiogramma-type),
niervlek wit. Onderscheidt zich van f. oculea Gn. door de veel don-
kerder gele grondkleur. Turners vorm met grondkleur ,,brown-
ish ochreous’ behoort tot dezelfde groep als Jurca Hw. Svenska
Bazar pl. 26) fig. la, 1938. (,secalis/))); Barrett, lic.) figh 1 e;
South, fig. 8. Geen gewone vorm. Wolvega (Wp.); De Punt
(Wiss.); Almelo (v. d. M.); Apeldoorn (de Vos); Übbergen, Am-
sterdam, Rotterdam (Z. Mus.) ; Rhenen (F. F.); Hilversum
(Doets).
23. f. secalis Linne, 1758, Syst. Nat., ed. X: 519 (furca-flavo
Tutt, 1891, l.c.). Als de vorige vorm, maar niervlek geel!). Meer
dan furca, maar toch niet talrijk. Ameland, Serooskerke, Voerendaal
(Br.); Lonneker, Amsterdam (v. d. M.); Deventer, Twello (Cold.);
Apeldoorn, Lochem, Wijk aan Zee, Breda (Z. Mus.); Lobith
(Sch.); Nigtevecht (18), Rotterdam (44), Dreischor (L. Mus.);
Hilversum (Doets); Deurne (Nies).
C. Grondkleur zwart. (Slechts zelden is de grondkleur
werkelijk zwart. In de regel is deze zeer donker zwartbruin. Zo
beeldt ook Esper zijn leucostigma af en beschrijft haar als „fus-
cis’, niet als „nigris’ !)
24. f. nigra-albo Tutt, lc. Vvls. eenkleurig zwartachtig, ande:
dwarslijnen of lichte vlekjes voor de achterrand; niervlek wit.
Vrij zeldzaam. Rijs, Arnhem, Rotterdam (Z. Mus.); Bennekom
(Cet.); Nuenen (Verhaak).
25. £. nigra-flavo Tutt, l.c. Als 24, maar niervlek geel. Eveneens
verre van gewoon. South, fig. 10. Apeldoorn, Lochem, Haarlemmer-
meer (Z. Mus.); Lunteren (Branger); Groenlo (Cold.); Hilversum
(Doets); Wassenaar (Wiss.).
1) Linné’s original description: „alis griseo-fuscis striatis: macula renifor-
mi À latino inscripta” can hardly be identified with a form of the species which
was for a long time known as didyma Esp. He refers, however, to Rolander,
1752, in Vet. Akad. Handl.: 62—66, who doubtless describes the species under
u as is clearly shown by Schöyen (1879, Ent. Zeitung Stettin 40 :
389— 396
Rolander describes a form of the ophiogramma-type (see also Spuler,
Schmett. Eur.: 195) with the large costal patch of a dark red colour, followed
by a reddish grey area. In order to definitely fix the typical form of this variable
species, we must accept as such the one figured by Nordström in Svenska
Fjärilar, pl. 26, fig. 1a, with only this correction, that the reniform stigma must
be yellow instead of white, as Rolander mentions a yellowish spot in
the shape of a Latin A.
80 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (490)
26. f. lugens Hw., 1809, Lep. Brit.: 212. Vvls. zwartachtig, de
tekening nog zwarter, voor de achterrand in de regel lichte vlekjes
als aanduiding van de golflijn, geen tapvlekstreep ; niervlek wit.
Seitz, pl. 40 h, fig. 5; Svenska Fjärilar, fig. 1 d (beide als ,,leucostig-
ma”). Door het gehele land voorkomend, maar niet talrijk.
27. f. lugens-flavo Tutt, Lc. Als 26, maar niervlek geel. Barrett,
fig. 1 d. Onze gewoonste zwarte vorm, uit alle delen van het land
bekend.
28. f. leucostigma Esp., 1791, Schmett. in Abb. 4: 542, pl. 159,
fig. 7 (albistigma Tutt, 1891, l.c.). Als lugens, maar met diep-
zwarte tapvlekstreep. Stellig niet gewoon!). Schoonoord, Lochem,
Wamel, Rotterdam (Z. Mus.); Kortenhoef (Doets).
29. f. flavistigma nov. (leucostigma Tutt, l.c., nec Esper). Als
de vorige vorm, maar niervlek geel?). Zeldzaam. Almelo (v. d.
M.); Oosterbeek (Z. Mus.).
O pm. De niervlek is lang niet altijd geheel gevuld met de witte
of geelachtige kleur. Soms is maar een smal sikkeltje van de
lichte tint zichtbaar (voor de extreme gevallen, waarbij de nier-
vlek eenkleurig met de grondkleur is, zie no. 36). Toch levert de
indeling van een ex. bij een der beide kleurgroepen maar zelden
moeilijkheden op.
Van de in Tutt's overzicht niet opgenomen en grotendeels na
1891 gepubliceerde vormen zijn de volgende als inlands bekend :
30. f. pulverosa Warren, 1911, Seitz 3: 171, pl. 40 h, fig. 6. Vvls.
bruinachtig met duidelijke tekening (behoort volgens de afbeel-
ding tot f. secalina Hb.), hier en daar dicht wit bestoven, aderen
sterk met lichte en donkere schubben bestoven (de fig. laat van de
witte bestuiving niets zien en is stellig niet juist). Leuvenum, 1 ex.
met vrij sterke witte bestuiving, vooral in het middenveld, aderen
in de wortelhelft van de gewaterde band wit en in de franjehelft
donker gestreept. Niervlek wit, scherp afstekend (Cold.).
31. f. struvei Ragusa, 1885, Nat. Sic. 4 : 274. Wortelveld en
gewaterde band witachtig, middenveld donker. Extreem lichte
vorm van f. virgata-albo (en eventueel van i-niger-albo). Zeld-
zaam. Vorden (55); Wassenaar (Wiss.); Dordrecht, een schit-
terend ex., met wortelveld, niervlek en gewaterde band wit, ronde
vlek en franjeveld wit bestoven (Verhey).
32. f. struvei-excessa Turner, 1932, Brit. Noct. 1, Suppl. : 228.
1) Tutt schrijft (l.c.: 97), dat Staudinger s diagnose voor leucostigma
in Cat., ed. II, 1871: "Al. ant. nigricantibus, albo-maculatis’ ongetwijfeld een
fout is voor „flavo maculatis’’. Deze opmerking is echter onjuist. Esper geeft
als diagnose: „Alis superioribus fuscis, stigmata reniformi punctoque annexo
albis” en citeert De Villers’ beschrijving: „Punctum album solitarium in
medio alarum anticarum.” In zijn tekst zegt Esper: „Eine nierenförmige weisse
oder gelbliche Mackel”, wat weer twijfel zou kunnen doen ontstaan. Maar zijn
figuur sluit dit volkomen uit: een opvallende scherp afstekende wiffe niervlek.
2) Fore wings blackish, transverse lines still darker, an intensely black line
from orbicular stigma to second transverse line, reniform stigma yellow.
Tutt describes leucostigma Esp. as having a yellow reniform stigma. This
is, however, not the case. The stigma is white in this from (vide Espers
Latin diagnosis and his figure).
(491) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 8l
Als de vorige vorm, maar ook het middenveld onder de tapvlek wit,
dus ophiogramma-type. Extreme vorm van f. oculea Gn. Zeldzaam.
Ameland (tr., Br.); Assen (Wiss.); Almelo (v. d. M); Apeldoorn
(de Vos, pracht ex.); Tilburg (Van den Bergh).
33. f. lilacina Warren, 1911, Seitz 3: 171, pl. 40 h, fig. 7. Wor-
telveld en gewaterde band lilagrijs getint, evenals de 2 dwarslijnen
en de niervlek ; middenveld roodachtig bruin. Alle lila getinte exx.
met witachtige niervlek. Apeldoorn (Wiss.); Twello (Cold.); Bij-
vank (Sch.); Ubbergen, Nijmegen, Baarn, Domburg (Z. Mus.);
Hilversum (Doets); Amsterdam (v. d. M.); Durgerdam (Väri);
Bergen op Zoom, Vught (L. Mus.), Ginneken (57); Tegelen (La-
tiers, zie ook T.v.E. 49 : 205).
34. f. lilacina-flavo Wightman, 1933, Ent. Rec. 45: 99. Als de
vorige vorm, maar niervlek geel. Zeldzaam. 1 ex. Friesland” (Z.
Mus.); Twello (Cold.).
35. f. uniformis Spuler, 1905, Schmett. Eur. 1: 195. Vvls. een-
kleurig licht roodachtig geelgrijs met fijne weinig afstekende teke-
ning. Zeldzaam. Loppersum (Wiss.); Aalten, Bennekom (Cet.);
Rotterdam (Z. Mus.).
36. £. obsoleta nov. Niervlek en ronde vlek geheel eenkleurig
met de grondkleur, tekening nauwelijks zichtbaar. Kan bi alle
kleurvormen voorkomen!). Almelo, Bennekom (Cet.); Aalten
(Vári); Maarsen (De Nijs); Hilversum, Kortenhoef (Doets);
Wassenaar, Voerendaal (Br.); Eperheide (v. d. M.).
37. f. juncta nov. Zie Cat. IV: (204). Borne (Van Westen);
Vorden (55); Almen, Voerendaal (Br.); Ubbergen, Amsterdam,
Rotterdam (Z. Mus.).
38. f. semiconfluens nov. Zie Cat. IV: (204). Lonneker, Am-
sterdam (v. d. M.) ; Lochem, Vorden, Utrecht (Z. Mus.) ; Soest
(Lpk.) ; Nigtevecht (32), Rotterdam (48); Serooskerke (Br.).
39. f. clausa nov. Zie Cat. IV : (204). Ermelo (Jonker).
40. Dwergen, Ameland (Br.); Wolvega (Wp.); Bathmen
(Lpk.).
530. A. ophiogramma Esp. Verbreid over het gehele land op
niet te droge plaatsen. 1 gen, eind Mei tot half Aug. (26-5 tot
10-8), hoofdvliegtijd Juli.
Vindpl. Fr.: Leeuwarden, Giekerk. Gr. : Delfzijl, Groningen.
Ov. : Deventer, Giethoorn. Gdl. : Nijkerk, Twello (meestal weinig
talrijk), Dieren, Arnhem, Bennekom; Vorden, Almen, Aalten,
Doetinchem, Babberich, Lobith, Herwen, Beek-Nijm., Nijmegen,
Malden, Overasselt. Utr. : Groenekan, Loosdrecht, Utrecht, Maar-
sen, Maarseveen, Loenen, Vreeland, Nigtevecht. N.H. : Hilversum,
Bussum, Amsterdam, Zaandam, Assendelft, Alkmaar, Heilo, Drie-
huis, Haarlem, Heemstede. Z.H. : Katwijk, Leiden, Wassenaar,
Scheveningen, Loosduinen, Lekkerkerk, Zevenhuizen, Rotter-
dam, Delfshaven, Schiedam, Katendrecht, Numansdorp, Dordrecht,
1) Reniform stigma and claviform stigma unicolorous with the ground colour,
markings hardly visible. To be met with in all colour forms.
82 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (492)
Melissant. Zl.: Goes, Serooskerke, Groede. N.B.: Oudenbosch,
Breda, Tilburg, Vught, Deurne. Lbg. : Venlo, Maasniel, Roermond,
Melick, Brunsum, Meerssen, Voerendaal.
Var. 1. f. ophiogramma Esp. Vvls. geelachtig okerkleurig met
grote donkere costaalvlek. Keer, pl. 39, fig. 17. Hoofdvorm.
2. f. biloba Hw., 1809, Lep. Brit. : 209. Grondkleur der vvls.
licht grijsachtig bruin. Deze lichte vorm, die de gele tint mist, is
bijna even gewoon als de typische.
3. £. rufescens nov. Grondkleur der vvls. roodbruin!). Delfzijl,
Nijmegen, Haarlem, Heemstede (Wiss.); Leiden, Numansdorp
(Z. Mus.).
4. f. moerens Stgr., 1901, Cat., ed. III : 164. Grondkleur der vvls.
donker bestoven, bijna even donker als de costaalvlek. T. v. E., vol.
40, pl. 12, fig. 3. Vrij zeldzaam, maar waarschijnlijk haast overal
onder de soort voorkomend. Giekerk (Bo.); Babberich (Elfrink);
Lobith (Sch.); Beek-Nijm., Voerendaal (Br.); Haarlem, Heem-
stede (Wiss.); Schiedam (Nijssen); Rotterdam (11); Numansdorp
(Z. Mus., de Vos); Lekkerkerk (Lpk.); Maasniel, Roermond (Fr.).
531. A. scolopacina Esp. Verbreid óver een groot deel van het
land, het meest op de zandgronden, maar ook hier en daar in het
lage land voorkomend; plaatselijk niet zeldzaam of zelfs ge-
woon. 1 gen, eind Juni tot in de tweede helft van Aug. (30-6 tot
18-8).
Vindpl. Fr. : Beetsterzwaag, Wolvega. Gr. : Groningen. Dr. :
Paterswolde, Veenhuizen. Ov.: Denekamp, Albergen, Hengelo,
Borne, Almelo, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, Putten, Ermelo, Har-
derwijk, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (geregeld en gewoon),
Velp, Arnhem, Bennekom, Lunteren; Vorden, Lochem, Almen,
Bijvank, Babberich, Berg en Dal, Ubbergen. Utr. : Zeist, Soest
(vrij gewoon), Baarn, Nigtevecht. N.H.: Hilversum, Laren,
Blaricum, Bussum, Amsterdam, Schoorl, Wijk aan Zee, Sant-
poort, Bloemendaal, Haarlem, Heemstede. Z.H.: Hillegom, Kat-
wijk, Leiden, Wassenaar, Den Haag, Loosduinen, Schiedam, Oost-
voorne. N.B. : Oudenbosch, Bosschehoofd, Woensdrecht, Bergen
op Zoom, Breda, Tilburg, Deurne. Lbg.: Brunsum, Kerkrade,
Voerendaal, Geulem, Meerssen, Eperheide, Epen, Vaals.
Var. 1. f. scolopacina Esp. Vvls. donker okerachtig met bruin-
achtige tint. Hoofdvorm.
2. f. abbreviata Hw., 1809, Lep. Brit. : 170. Grondkleur der vvls.
lichter geelachtig. Deze bleke vorm komt bij ons veel minder voor.
Paterswolde (Wiss.); Nijkerk, Arnhem (Z. Mus.); Diepenveen
[één ex. zelfs witachtig geel], Twello (Cold.) ; Voerendaal (Br.).
3. f. unicolor-brunnea Wagner, 1922, Mitt. Münch. E. G. 12:
39, Vvls. bijna eenkleurig bruin, alleen aan de voorrand en in het
midden wat donkerder. De geelachtige tekening en het wit van de
niervlek ontbreken geheel. Apeldoorn (Latiers); Twello (Cold.);
1) Ground colour of the fore wings red-brown. [With the type yellowish ochre.]
(493) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 83
Vorden [het in T. v. Ent. 30: 214 vermelde afwijkende ex.],
Ubbergen (trans., Z. Mus.); Wassenaar (Wiss.); Tilburg (Van
den Bergh).
532. A. ypsilon Schiff, 1775 (fissipuncta Hw., 1809). Verbreid
over een groot deel van het land, vooral op niet te droge gron-
den ; plaatselijk niet ongewoon. 1 gen., half Juni tot eerste helft
van Aug. (18-6 tot 8-8).
Vindpl. Fr: Warga, Rijs, Wolvega. Gr.: Groningen.
Dr. : Rolde, Wijster. Ov. : Denekamp, Almelo, Hengelo, Markelo,
Diepenveen. Gdl. : Nijkerk, Apeldoorn, Twello (vrij geregeld, maar
niet talrijk), Laag Soeren, Arnhem, Wageningen ; Zutfen, Warns-
veld, Vorden, Lochem, Eibergen, Winterswijk, Aalten, Doetinchem,
Bijvank, Lobith, Herwen; Hatert, Tiel. Utr. : Soest, Nigtevecht.
N.H. : Holl. Rading, Hilversum, Laren, Blaricum, Bussum, Korten-
hoef, Amsterdam, Amstelveen, Cocksdorp (Texel), Spanbroek,
Middelie, Wijk aan Zee, Velzen, Driehuis, Haarlem, Heemstede.
Z.H. : Lisse, Woerden, Oudewater, Zevenhuizen, Rotterdam, Hil-
legersberg, Schiedam, Oostvoorne, Heenvliet, Oud-Beierland, Nu-
mansdorp, Dordrecht, Peursum (Alblasserwaard), Melissant. Zl. :
Groede. N.B. : Oudenbosch, Breda, Tilburg, Vught, 's-Hertogen-
bosch, Orthen, Beers. Lbg. : Tegelen, Roermond, Kerkrade, Hou-
them, Geulem, Voerendaal, Gulpen, Epen.
Var. Vrij variabel, zowel in kleur als in tekening.
1. f. orenburgensis Bartel, 1902, Iris 15: 211. Grondkleur der
vvls. lichtgrijs, met zwarte, scherp afstekende tekening, be-
staande uit de omranding van de vlekken, de wortelstreep en een
sterk opvallende zwarte vlekkenrij aan de binnenzijde van de golf-
lijn. Hilversum, een scherp getekend bruingrijs overgangsex.
(Doets).
2. f. cinerea Heinrich, 1923, D. Ent. Z., Beiheft: 87. Grond-
kleur der vvis. lichtgrijs zonder geelachtige of bruinachtige tint,
tekening normaal. Lobith (Sch.).
3. f. ypsilon Schiff. Grondkleur der vvls. licht bruingrijs, teke-
ning duidelijk. South, pl. 4, fig. 4 ; Svenska Fjärilar, pl. 26, fig. 15 a.
Op alle vindplaatsen, vrij gewoon.
4. f. obscura Favre, 1897, Mitt. Schweiz. Ent. Ges. 10: 36.
Grondkleur der vvls. donkerbruinachtig. South, fig. 5; Svenska
Fjärilar, fig. 15b (nigrescens). Onze gewoonste vorm.
5. f. corficea Esp., 1788, Schmett. in Abb. 4, pl. CXLV, fig. 2
en 3 (nec p. 463, 1805). Grondkleur der vvls. roodachtig bruin!).
1) Esper describes corticea (l.c.) as: „Alis fuscis’, and: „Die Vorder-
flügel haben an dem männlichen Falter eine dunckelbraune, an dem weiblichen
aber eine mehr ins blaszgraue gemischte Farbe.”
Thus he gives an excellent description of the two principal colour forms, which
are, however, not dependent on the sex. His dark form is the same as f. obscura
Favre, his light form is the typical one.
His figure. which is older than the text, is rather dark red-brown. I accept
Tutt's (1892, Brit. Noct. 2: 159) and Warren's (1911, Seitz 3: 179) fixation
of Esper’s name for this special colour form. It is extremely rare in Holland.
84 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (494)
Ongetwijfeld een zeer zeldzame kleurvorm bij ons. Hilversum
(Doets).
6. f. nigrescens Tutt, 1892, Brit. Noct. 2: 159. Grondkleur der
vvls. zwartachtig. Zeldzaam. Wijster (L. Mus.); Amsterdam (v.
d. M.); Amstelveen (Z. Mus.); Kortenhoef (Doets).
7. f. obsolescens Lenz, in Osthelder, 1927, Schmett. Südb. : 321,
pl. XVI, fig. 13. Vvls. eenkleurig, niet bont; van de tekening al-
leen de omranding der vlekken en de golflijn zichtbaar. Diepen-
veen (Cold.); Laag Soeren, een extreem ex. (Jch.); Vorden, Rot-
terdam, Oudenbosch, Beers (Z. Mus.); Blaricum (Doets); Breda
(24), Vught (L. Mus.); Voerendaal (Br.); Epen (Wiss.).
8. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Gewoon.
9. f. semiconfluens nov. Zie p. (204). T. v. E. 50, pl. 7, fig. 12,
wijkt iets af, maar wordt toch het beste tot dit type gerekend. Een
vrij gewone vorm. Diepenveen (Cold.); Soest, Amsterdam, Wijk
aan Zee (Z. Mus.); Hilversum (Doets); Cocksdorp, Vught (L.
Mus.); Haarlem, Houthem, Epen (Wiss.)1).
10. f. confluens nov. Zie pag. (204). Diepenveen (Cold.).
Dypterygia Stephens.
533, D. scabriuscula L. Hoofdzakelijk op zandgronden en in
bosachtige streken en daar vrij gewoon. Van de Wadden bekend
van Texel, Terschelling en Schiermonnikoog. Buiten de zandgron-
den weinig aangetroffen : Noordbroek, Lobith, Amsterdam, Dor-
drecht.
2 gens., de eerste van begin Mei tot eind Juli (9-5 tot 31-7), mis-
schien soms nog begin Aug. de tweede, die partiëel is en lang
niet elk jaar wordt waargenomen, van begin Aug. tot begin Septr.
(8-9). In 1941 ving Wiss. nog een gaaf ex. op 13 Oct. na een
pauze van ruim een maand, wat op een (dan wel bijzonder excep-
tionele) derde gen. kan wijzen (zie T. v. E., vol. 85, p. XLIII,
1942).
Var. De variabiliteit is gering en beperkt zich tot enige tint-
verschillen en de bekende vlekafwijkingen. De meest voorkomen-
de en typische vorm heeft bruinzwarte vvls.
1. £. pinastri L., 1761, Fauna Suec.: 315. Grondkleur der vvls.
zwartachtig. Slechts zeer weinig exx. ziin zo donker. Almelo, Am-
sterdam (v. d. M.).
2. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Gewoon.
3. f. confluens nov. Zie Cat. IV, lc. Evenmin zeldzaam. Berg
en Dal, Bussum, Breda (Z. Mus.); Roermond (Fr.).
1) F. conjuncta Warren, 1911, Seitz 3: 179, pl. 41 i, fig. 6 and 7, is only a
special form of the semiconfluens-type. I have not seen a Dutch example cor-
responding with the description. The figures are, like all those belonging to
ypsilon, bad.
(495) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 85
Mormo Ochs.
534, M, maura L. Inheems alleen in Zd.- en Midden-Limburg,
hoogstwaarschijnlijk in de Achterhoek en zeker in het N. van
Twente, vooral in fluviatiel gebied. Langs de Zuidlimburgse ri-
viertjes vaak gewoon en ook aan de Dinkel een geregelde gast
op smeer. Vanuit de genoemde gebieden dringen zwervers nu en
dan verder naar het N. en W. (soms tot in Holland toe !), zon-
der hier evenwel vaste voet te kunnen krijgen. 1 gen., eerste helft
van Juli tot half Sept. (12-7 tot 19-9).
Vindpl. Gr.: Groningen (Sterrenbos) (Bst., II, p. 159). Ov.:
Denekamp. Gdl.: Laag Soeren, Arnhem ; Gorsel, Lochem, Vor-
den, Groenlo, Winterswijk, Aalten, Doesburg. Utr. : Soest (1879,
Z. Mus.). Z.H. : Rotterdam, 1889 (Kallenbach en Z. Mus.), 1909
(Z. Mus.) ; Den Haag, 1909 (T. v. E., vol. 53, p. XV); Oost-
voorne, 1903 (Z. Mus.); Dordrecht, 1916 (Jch.). N.B. : Breda (in
L. Mus. 1 ex. van 1866 en 1 van 1873; He ylaerts schreef in
T. v. E., vol. 13, p. 151: „très rare et très locale dans la partie
orientale du Mastbosch’). Lbg.: Venlo, Tegelen, Steyl, Maas-
niel, Roermond, Melick, Weert, St. Pieter, Maastricht, Meerssen,
Houthem, Geulem, Valkenburg, Voerendaal, Gulpen, Epen, Vaals.
Var. 1. f. maura L. Vvls. duidelijk getekend, maar overigens
vrij eenkleurig. Seitz, pl. 39 b, fig. 3; South, pl. 142, fig. 1; Keer,
pl. 44, fig. 3. Hoofdvorm.
2. f. ocjoviensis Biezanko, 1924, Bull. Int. de lAcad. Polonaise
des Sciences et des Lettres, Classe des Sc. math. et nat., série B:
Sciences Nat. : 522. De lichte apicaalvlek der vvls. vrijwel geheel
verdwenen ; de lichte dwarslijnen bijna onzichtbaar; de midden-
band niet eenkleurig, maar uit 2 delen bestaande, een donkere
buitenhelft en een iets lichtere binnenhelft ; wortel der avls. even
donker als de achterrandshelft. Een sombere, weinig getekende
vorm. Geulem (Z. Mus.); Epen (Lpk.).
3. f. virgata Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 40. Vvls. met het midden-
veld als een donkere band afstekend tegen wortel- en achterrands-
veld. Op alle vindplaatsen onder de soort voorkomend, vooral bij
deer
4. f. striata Tutt, l.c. Vvls. met duidelijk licht afstekende midden-
ader, die onder de niervlek gevorkt is; binnenrand licht; lichte
aderen tussen tweede dwarslijn en golflijn (die beide ook licht zijn)
en langs de achterrand. South, fig. 3. Bij ons stellig geen gewone
vorm. Geulem, 1 9 (Z. Mus.).
5. f. juncta nov. Zie Cat. IV : (204). Laag Soeren (L. Mus.);
Gulpen (Z. Mus.).
Rusina Stephens.
535. R. umbratica Goeze. Verbreid op zandgronden (ook in de
duinen) en in bosachtige streken, gewoon. Bekend van Texel en
Schiermonnikoog.
86 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (496)
1 gen., tweede helft van Mei tot begin Aug. (22-5 tot 4-8).
Var. De typische vorm heeft bruinachtige duidelijk getekende
vvls., bij het ® donkerder dan bij het 3.
1. f. obscura Tutt, 1892, Br. Noct. 2: 2. Vvls. zwartachtig bruin
zonder duidelijke tekening, alleen de niervlek licht gerand. Seitz,
pl. 38 f, fig. 3 en 4. Bij ons vooral bij de 22. Putten, Arnhem,
Berg en Dal (Z. Mus.); Apeldoorn, Zandvoort (Wiss.); Warns-
veld (L. Mus.); Gaanderen, Bilthoven (Br.); Deurne (Nies).
2. f. ferruginea Esp., 1785, Schmett. in Abb. 3: 246, pl. 47, fig.
5, 61). Grondkleur der vvls. roodachtig bruin. Seitz, l.c., fig. 6.
Renkum, een mooi roodbruin ¢ (Z. Mus.); Oudenbosch, idem
(Colleg. Berchmanianum).
3. f. phaeus Hw., 1803, Lep. Brit. : 133. Grondkleur der vvls.
grijsachtig bruin. Seitz, l.c., fig. 5. Hatert, Wassenaar (Wiss.);
Breda (L. Mus.).
4. f. bellieri Culot, 1914, Noct. et Géom. 2: 59, pl. 49, fig. 2.
Grondkleur veel lichter, licht bruinachtig geel. Het door Culot
afgebeelde ex. heeft zwak getekende vvls. Cold. bezit een 4 van
Bilthoven, dat in tint geheel met bellieri overeenstemt, doch scher-
per getekend is en daardoor bonter is. Daar Culot vooral de
nadruk legt op de lichte grondkleur, is het wel gewenst alle exx.,
die dit kenmerk bezitten, onder één naam te verenigen. De vorm
is ongetwijfeld zeer zeldzaam.
Amphipyra Ochs,
536. A. tragopoginis L. Algemeen in het gehele land, op allerlei
grondsoorten voorkomend. Bekend van Texel, Terschelling en
Schiermonnikoog (hier vrij talrijk, Wiss.). 1 gen. begin Juli tot
begin Octr. (10-7 [1940] tot 2-10 [1925]).
Var. De meeste exx. behoren tot de typische vorm met donker
bruinachtig grijze vvls. Toch varieert de vlinder meer, dan zo
oppervlakkig lijkt.
1. f. nigrescens Spuler, 1906, Schmett. Eur. 1: 237 (brayi Lbll.,
1907, Rev. Mens. Soc. Ent. Nam. : 29). Grondkleur der vvls. don-
kerder, zwartachtig grijs. Niet talrijk. Bennekom (v. d. Pol); Apel-
doorn (de Vos); Laag Soeren (47), Den Haag (13), Breda (24);
Nijmegen, Wamel, Naarden, Domburg (Z. Mus.); Hilversum
(Doets); Amsterdam (Väri); Dordrecht (Mus. Rd.).
2. f. grisea Vorbrodt, 1921, Mitt. Schweiz. Ent. Ges. 13: 176.
Grondkleur der vvls. zuiver grijs. Apeldoorn (de Vos); Koude-
kerke (Br.).
1) Er bestaat twijfel, of de door Esper afgebeelde uil wel tot umbrafica
behoort, vandaar dat Warren (1911, Seitz 3: 160) Stephens als auteur
geeft. Deze citeert zelf echter Esper, (1829, Haust 2: 112). Het 4 van
Esper (fig. 5) stemt in tekening met Sf. umbrafica overeen, doch de eerste en
tweede dwarslijn ontbreken. De kleur noemt hij „rostfärbig”. Bij het @ (fig. 6)
zijn de dwarslijnen duidelijk. De ruwe figuren van Esper in aanmerking ge-
nomen geloof ik wel, dat zijn ferruginea een vorm van umbrafica moet voor-
stellen en dat we Esper als auteur kunnen accepteren.
(497) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 87
3. f. variegata nov. Franjeveld licht, scherp afstekend!). Vught
(L. Mus.).
4. f. demaculata Nordström, 1939, Svenska Fjärilar: 167. De
3 zwarte stipjes op de vvls. ontbreken. Ongetwijfeld zeer zeld-
zaam; ik heb slechts twee overgangsexx. gezien, waarbij de stip-
pen bijna verdwenen zijn: Apeldoorn (de Vos) ; Loosdrecht (Z.
Mus.).
5. f. conjuncta nov. De 2 zwarte stippen op de plaats van de
niervlek met elkaar verbonden tot een zwart streepje?). Twello
(Cold.); Doorn (Z. Mus.).
537. A. perflua F. Een uiterst zeldzame soort, die tot nog toe
slechts in één jaar in 2 exx. aangetroffen is. Stellig niet inheems.
Ook in bijna het gehele omringende gebied òf ontbrekend òf zo
zeldzaam, dat er niet aan getwijfeld behoeft te worden, of het be-
treft slechts een enkele zwerver. Blijkbaar is de soort niet in staat
zich zo ver naar het Westen te handhaven. Alleen Denemarken
ligt nog (gedeeltelijk althans) binnen het areaal van perjlua, Hier
is de vlinder bekend van 2 vindplaatsen in Jutland, op de eilanden
weinig verbreid, de laatste jaren talrijk op een vindplaats op
Fünen, maar ontbreekt op Bornholm. In Sleeswijk in 1911 bi
Rendsburg ; bij Hamburg vroeger meermalen aangetroffen, maar
de laatste 60 jaar niet meer ; ontbreekt bij Bremen en in Hannover
(bij de stad Hannover vòòr ca. 125 jaar gekweekt); in Westfalen
vroeger bij Munster en Höxter aan de Weser ; niet in de Rijnprov.
In België zeer zeldzaam, hoogstwaarschijnlijk evenmin inheems
als bij ons : Verviers, Huy en Luik. Niet in Groot-Brittannië aan-
getroffen,
1 gen. onze beide exx. zijn Augustus-dieren.
Vindpl. Utr.: De Bilt. 4 Juni 1913 vond Balfour van
Burleigh een rups op Salix caprea L. (zie T. v. E. 56: XLIV,
1913). Deze leverde 21 Augustus de vlinder (in L. Mus.). Boven-
dien bevindt zich in dezelfde coll. een tweede niet gekweekt ex.,
eveneens door Balfour op dezelfde vindplaats aangetroffen
en niet nader gedateerd dan „Aug. 1913".
538, A, pyramidea L. In het gehele Oosten (het Gooi inbe-
grepen) en Zuiden, vooral op zandgronden en in bosachtige stre-
ken, in de regel gewoon. In het Westen minder aangetroffen :
Amsterdam, Aerdenhout, Den Haag, Scheveningen, Rotterdam,
Oud-Beierland, Dordrecht, Koudekerke, Goes (hier gewoon teste
Wilmink, in Zeeland dus waarschijnlijk verbreid). 1 gen,
eerste helft van Juli tot half October (12-7 tot 14-10).
Var. Variabel in tint en tekening, maar zonder goede afbeel-
dingen lastig te rubriceren. Vooral de bonte dieren zijn vaak bij-
zonder mooi.
1) The marginal area (of the fore wings) pale and sharply contrasting.
2) The two black points in the place of the reniform stigma run together into
a black line.
88 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (498)
1. f. pyramidea L. Daar Linné de typische vorm beschrijft
met de woorden: „alis fuscis: superioribus strigis tribus flaves-
centibus repandis’ (1758, Syst. Nat., ed. X: 518), behoren hiertoe
de exx. met licht afstekende tweede dwarslijn en golflijn en een
minder opvallende rij vlekjes voor de achterrand, doch waarbij de
vvls. overigens tamelijk eenkleurig zijn. Zie South, pl. 154, fig. 1
en 2; Seitz, pl. 38a, fig. 4. Hoofdvorm.
2. £. virgata Tutt,1892, Br. Noct. 4: 38. Het middenveld eenkleu-
rig donker, duidelijk afstekend tegen het lichtere wortel- en achter-
randsveld. Zeldzaam. Apeldoorn (de Vos) ; Berg en Dal, Naarden
(Z. Mus.).
3. £. melaleuca Lenz, 1927, in Osthelder, Schmett. Südb.: 311,
pl. XVI, fig. 1. Vvls. grijszwart met smalle witte dwarslijnen, waar-
van vooral de tweede scherp afsteekt. In verschillende collecties
bevinden zich prachtige donkere dieren met bruinzwarte vvls.,
waarbij de dwarslijn fel afsteekt en die ongetwijfeld tot deze vorm
gerekend kunnen worden. Ommen, Vorden, Sint Jansberg, Houthem,
Kerkrade (Z. Mus.); Nunspeet (Mac G.); Warnsveld (Vari);
Hilversum (Doets) ; Soest (Lpk.).
4. f. fusca Rocci, 1914, Atti Soc. Ligust. 25 : 155. Vvls. sterk roet-
kleurig verdonkerd met onduidelijke tekening. Vorden (Z. Mus.) ;
Warnsveld (Vari) ; Ingen (L. Mus.).
5. f. pallida Lbll., 1908, Rev. Mens. Soc. Ent. Nam. : 48. Grond-
kleur der vvls. licht grijsachtig, dwarslijnen witachtig, middenveld
niet verdonkerd. Enkele exx., meest overgangen met licht bruinach-
tige vvls. zonder donkere beschaduwing van de dwarslijnen, maar
overigens wel duidelijk getekend. Kraloo-Dr. (Beijerinck) ; Diepen-
veen, Lochem, Beek-Nijm., Doorn (Z. Mus.) ; Nunspeet (Mac G.) ;
Soest (Lpk.) ; Deurne (Nies).
6. f. reducta nov. De ronde vlek ontbreekt (in de regel omdat zij
bedekt is door de zwarte streep, waarin ook de niervlek geplaatst
is)1). Nunspeet (Mac G.); Aalten, Bennekom (Cet.); Berg en
Dal, Gulpen (Z. Mus.) ; Zeist (Br.) ; Bemelen (Rk.).
7. f. striata nov. Een aantal pijlvlekken lopen door van de golflijn
tot de tweede dwarslijn?). Niet zeldzaam. Lochem (de Vos); Warns-
veld, Rijnauwen, Groenekan, Den Haag (L. Mus.) ; Almen, Zeist
(Br.); Wageningen (L. Wag.); Bennekom (Cet.).
8. f. lineata nov. Dwars door het middenveld loopt een scherpe
zwartachtige lijn van de wortel naar de tweede dwarslijn in de tap-
vlekstreek3). Vrij gewoon. Deventer, Twello (Cold.); Apeldoorn
(de Vos); Vorden, Ingen, De Bilt, Rijnauwen, Groenekan (L.
Mus.); Lochem, Breda (Z. Mus.); Almen, Zeist, Voerendaal (Br.);
Aalten, Epen (Cet.); Arnhem (L. Wag.) ; Hilversum (Doets).
1) The orbicular stigma fails (as a rule because it is covered by the black
streak in which the reniform stigma is also placed).
2) A number of sagittate marks runs from the submarginal line to the outer
line.
3) A sharp blackish line runs from the base to the second line in the place
of the claviform stigma.
(499) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 89
Eustrotiinae.
Jaspidia Hb.
539. J. pygarga Hufn. (fasciana auct. nec L.1)). Algemeen op
zandgronden (ook in de duinen, o.a. Goeree) en in bosachtige
streken. Zelden wordt een enkele zwerver buiten dit gebied aan-
getroffen : Lobith (Sch.). Bekend van Texel en Vlieland, 1 gen.,
tweede helft van Mei tot begin Aug. (20-5 tot 10-8). Hoogst zelden
wordt een laat ex. aangetroffen, dat waarschijnlijk tot een partiële
tweede gen. behoort: 18 Sept. 1925, Hatert (Wiss.), 23 Sept.
1946, Geulem, mooi gaaf ex. (Nieuwland).
Var. Hoewel de vlinder weinig varieert, komen naast de ty-
pische vorm (Keer, pl. 58, fig. 10; South, pl. 21, fig. 7; enz.) toch
ook nu en dan tamelijk sterk afwijkende exx. voor.
1. f. albilinea Hw., 1809, Lep. Brit. : 261. De grote witte vlek bo-
ven de binnenrand der vvls. ontbreekt, zodat alleen een smal wit
lijntje overblijft. Komt waarschijnlijk overal onder de soort voor.
Wijster (Beijerinck); Lochem, Nijmegen, Geulle, Valkenburg (Z.
Mus.); Apeldoorn, Laag Soeren (de Vos); Almelo, Bennekom
(Cet.); Aalten (v. G.); Doetinchem (Cold.); Bijvank (Sch.);
Groesbeek, Soest, Hilversum (Lpk.); Rijen, De Bilt, Overveen,
Breda, Bergen op Zoom (L. Mus.); Amersfoort (v. d. Vlugt);
Holl. Rading (Doets); Oudenbosch (Colleg. Berchman.); Tilburg
(v. d. Bergh); Steyl (Stoffels); Roermond (Lck.); Brunsum (Giel-
kens).
2. f. brunnescens nov. Grondkleur der vvls. helder donkerbruin,
„omranding der vlekken wit, scherpe smalle witte tweede dwars-
lijn van voorrand tot binnenrand?). Bergen op Zoom (Korringa);
Deurne (Nies).
3. f. albomarginata Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 294. Het te-
genovergestelde van albilinea: de witte vlek uitgegroeid tot een
brede witte band, die doorloopt tot aan de voorrand. Blijkbaar
zeer zeldzaam. Hulshorst (Klaassen); Eperheide (Lg.). Bovendien
enkele trans. exx. : Wassenaar (9); Plasmolen (Z. Mus.).
4. f. ochrea Derenne, 1928, Lamb. 28: 78. Grondkleur der vvls.
roodachtig bruin, het wit veranderd in geel. Ik reken tot deze
vorm alle exx., die het laatste kenmerk bezitten, ook als de grond-
kleur niet afwijkt. Nijkerk, Oosterbeek, Noordwijk, Plasmolen (Z.
Mus.); Hilversum (Doets); Breda (23, 24); Ulvenhout (Mus. Rd.).
540. J. deceptoria Scop. Uiterst zeldzaam, zodat het zeer twijfel-
achtig is, of de soort hier inheems is. Aan de andere kant stem-
men de zij het ook met lange tussenpozen enige malen herhaalde
vangsten in de omgeving van Breda wel enigszins tot nadenken,
1) Zie Revue franc. de Lépidopt. 9: 250. Fletcher, die Linné's type van
fasciana onderzocht, schrijft dat deze identiek is met de Tortricide Pammene
juliana Curtis.
2) Ground colour of the fore wings clear dark brown, circumscription of the
stigmata white, sharp narrow white outer line from costa ito inner margin.
90 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (500)
vooral ook in verband met het voorkomen in België. In elk geval
ligt in ons land de meest westelijke vindplaats der soort (op een
vangst van een migrant in Engeland na), zodat het niet uitgesloten
is, dat zij alleen in gunstige jaren in staat is zo ver door te dringen.
In Denemarken zeldzaam, alleen aangetroffen op de eilanden
Als (aan de zuidoostpunt van Jutland), Langeland en Lolland. In
Sleeswijk-Holstein bij Kiel ; de laatste jaren enkele malen bij Ham-
burg; niet bij Bremen; in Hannover talrijk op bosweiden en
„wegen in de omgeving van de stad; in Westfalen bekend van
Tecklenburg, Warburg en Munster; in de Rijnprov. in de om-
geving van Aken (Stolberg ; 1 & in 1917 op het landgoed Paffen-
broich bij de Nederlandse grens). In België zeldzaam, maar be-
kend van een vrij groot aantal vindplaatsen in het O. van het
land; ook in Brabant aangetroffen (maar hier geregeld voor-
komend ?). Het eerste Engelse ex. werd Juni 1948 in een bos in
Kent gevangen (Entomologist 81: 221). Niet bekend van Schot-
land en Ierland,
De gedateerde Hollandse exx. zijn van 28-5 tot 21-7 gevangen,
wat dus op het voorkomen van slechts één gen. wijst. Tot dezelfde
conclusie komt Urbahn wat betreft de vliegtijd in Pommeren,
waar de uiterste data 15-5 en 12-7 zijn: „also hier offenbar nur
in einer Generation, während aus dem Süden zwei angegeben wer-
den” (Schmett. Pommerns, p. 441, 1939). Voor België geeft L a m-
billion als vliegtijd: mai à juillet (1904, Cat. Lép. Belgique:
139), zonder zich over het aantal generaties uit te spreken. D e -
renne (1928, Addenda Cat. Lamb. : 93) schrijft: „Deux géné-
rations’, maar preciseert niet. Nauwkeuriger gegevens zijn hier
zeker nog zeer gewenst. (Wel zijn die beschikbaar over Zwitser-
land, waar de soort in het laagland en het heuvelland plaatselijk
gewoon is. Daar vliegt de eerste gen. in Mei en Juni, de tweede
in Juli en Aug.; zie Vorbrodt, 1911, Schmett. Schweiz 1: 414.
L homme daarentegen maakt in zijn Cat. Lép. de France et de
Belgique een fout (p. 298, 1923—1935): terwijl hij voor de rups 2
gens. geeft (VII en IX), laat hij de vlinder slechts in V en VI
vliegen, wat natuurlijk niet klopt).
Vindpl. N.B.: Breda [Heylaerts, T.v.E. 13: 85 en 153:
gevangen zomer 1863; in de collecties aanwezige exx.: 2-7-1867,
11-7-1877 (2 exx.), 11-7-1883 (L. Mus.), 1 ex. 1901 (L. Wag.),
1 ex. zonder datum (Z. Mus.)] ; Princenhage, 21-7-1915 (1 ex.),
12-6-1919 (3 exx., Wp.). Lbg. : Maastricht, 28-5 (zonder jaar-
tal, Z. Mus. e coll.-Van den Brandt); Eperheide, 29-5-1946 1 ex.
op licht (Vári).
Eustrotia Hb.
541. E. uncula Clerck. Verbreid door het gehele land op moe-
rassige plaatsen en daar soms vrij gewoon, maar toch ook wel op
drogere terreinen aangetroffen. 2 gens. die zonder scherpe af-
scheiding in elkaar overgaan; de eerste begin Mei tot in Juli
(501) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 91
(4-5 tot + 20-7 in late jaren), de tweede, die partiëel is, van be-
gin Juli tot half Aug. (9-7 tot 15-8).
Vindpl. Fr.: Garijp, Eernewoude, Beetsterzwaag, Wolvega.
Gr. : Groningen. Dr.: Wijster, Zweelo, Dwingelo, Vledder Ov.:
Denekamp, Hengelo, Delden, Borne, Almelo, Avereest (Dedems-
vaart), Ommen, Diepenveen, Colmschate, Deventer, Zwolle. Gdl. :
Putten, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (tamelijk gewoon), Eerbeek,
Laag Soeren, Langewater, Velp, Arnhem, Wageningen, Bennekom,
Lunteren ; Boekhorst, Lochem, Groenlo, Winterswijk, Aalten,
Doetinchem, Lobith ; Nijmegen, Hatert, Huisen. Utr. : Veenen-
daal, Amerongen, Amersfoort, Soest, Zeist, Maartensdijk, Maarsen.
N.H.: Hilversum, Kortenhoef, Weesp, Amsterdam, Halfweg,
Katham, Kwadijk, Texel, Schoorl, Driehuis. Z.H.: Nieuwkoop,
Ruigenhoek, Hoek van Holland, Rockanje, Rotterdam, Dordrecht.
N.B.: Breda, Rijen, Tilburg, Oudenbosch, ‘s-Gravenmoer,
‘s-Hertogenbosch, Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Mook, Plas-
molen, Ottersum, Horst, Venlo, Tegelen, Roermond, Sittard,
Brunsum, Aalbeek, Meerssen, Epen.
Var. 1. f. lineola Dannehl, 1926, Ent. Z. 40: 14. De buiten-
ste van de twee witte lijnen, die de witte achterrandsstreep vormen,
bruin bestoven, zodat slechts de binnenste fijne witte lijn overblijft.
Almelo (Cet.); Apeldoorn, Velp, Arnhem, Lochem, Nijmegen (Z.
Mus.); Veenendaal (L. Mus.); Zeist (Br.).
2. f. clarivittata Nordström, 1940, Svenska Fjärilar : 200. Het
tegenovergestelde van de vorige vorm, de donkere scheiding tussen
de twee lijnen ontbreekt, zodat 1 brede witachtige achterrandsband
ontstaat. Almelo (Cet.); Ommen, Apeldoorn, Hatert, Ottersum (L.
Mus.); Zeist (Br.); Aalbeek (Priems).
3. f. obscurior Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 293. Grondkleur
der vvls. veel donkerder dan normaal en de lichte tekening iets
bruinachtig getint. Ruigenhoek (L. Mus.).
4. f. triangulata nov. De ronde vlek en de niervlek door een wit-
achtig lijntje met elkaar verbonden, zodat een donkere driehoek
afgesneden wordt!). Ommen, Laag Soeren, Hatert (Z. Mus.);
Doetinchem (Cold.); Zeist (Br.); Kwadijk (De Boer); Breda (L.
Mus.).
5. f. pupillata nov. De niervlek donker gekernd?). Zeist (Br.).
542. E. olivana Schiff., 1775 (argentula Hb., 1787). Op voch-
tige veenachtige terreinen, lokaal, maar op de vindplaatsen niet
zelden in aantal. 1 gen., eerste helft van Mei tot eind Juli (13-5 tot
27-7).
Vindpl. Ov.: Diepenveen. Gdl.: Empe; Aalten, Nijmegen,
Malden, Hatert, Wijchen, Overasselt, Utr. : Utrecht, Nigtevecht,
1) Orbicular stigma and reniform stigma joined by a whitish line, so that a dark
triangle is cut off.
2) The reniform stigma with a dark centre.
92 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER . (502)
Botshol, Waverveen. Z.H.: Noordwijk. N.B.: Bergen op Zoom,
Breda, Rijen. Lbg.: Sittard.
Var. De tekening van de witte dwarslijnen varieert nogal. Als
typisch beschouw ik de eerste afbeelding van de soort door
Hübner (1787, Beitr. zur Schmetterlingsk. 1 (2) : 9, pl. II, fig.
F), waarbij de binnenste witte lijn 2 franjewaartse uitsteeksels
heeft. Met de exx. met slechts 1 uitsteeksel is dit de hoofdvorm.
1. f. edentata nov. De binnenste witte lijn recht, zonder uit-
steeksels!). Waarschijnlijk overal onder de soort. In Z. Mus. een
serietje van Hatert.
2. f. signata nov. De twee witte lijnen aan weerszijden door een
dunne zwarte lijn afgezet?). Hatert, 3 exx. (Z. Mus.).
Emmelia Hb.
543, E. trabealis Scop. Zeer lokaal in het O. en Z. en bijna
steeds zeldzaam.
In Denemarken : in Jutland: bij Aarhus en op het bij deze stad
gelegen schiereiland Mols; hier en daar op Fünen, Seeland en
Bornholm, plaatselijk talrijk. Verbreid in Oost-Holstein; bij
Hamburg op zandgronden en andere droge terreinen; niet bij
Bremen waargenomen ; in Hannover zeer zeldzaam bij de stad en
niet gewoon bij Osnabrück ; in Westfalen bij Munster, Hagen en
Warburg ; in de Rijnprovincie bij Aken. In België lokaal verbreid
door de oostelijke helft van Maaseyck tot Torgny. In Groot-Brit-
tannië zeer lokaal in enkele zuidoostelijke graafschappen ; ontbreekt
in Ierland. Blijkbaar dus een soort, die naar het Westen toe steeds
zeldzamer wordt.
2 gens, de eerste half Mei tot begin Juli (18-5 tot 11-7), de
tweede ongeveer half Juli tot in Aug. (laatste beschikbare datum:
10-8). (Controle van deze vliegtijden is nog zeer gewenst).
Vindpl. Gdl. : Doetinchem, Lobith. Ubbergen, Nijmegen. N.B.:
Breda (T.v.E. 13: 153, noemt He ylaerts de soort „très rare”,
„vole en août en plein soleil sur les champs de trèfle”), Cuyck.
Lbg. : Venlo, Roermond, Maasniel, Maastricht.
Var. 1. f. confluens Stauder, 1924, Ent. Anz, 4: 110. Alle gele
punten op de vvls. met elkaar verbonden. Doetinchem (Cold.);
Nijmegen, Venlo (Z. Mus.).
2. f. nigricostata Stauder, l.c. De gehele voorrand der vvls. zwart,
zonder de 3 gele vlekjes. Nijmegen (tr, Z. Mus.).
Sarrothripinae.
Sarrothripus Curtis.
544, S. revayana Scop. Verbreid op zandgronden door het ge-
hele land, vrij gewoon. 2 gens., de eerste eind Juni tot half Aug.
1) The inner white line straight, without projections.
2) The two white lines bordered on both sides by a fine black line.
(503) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 93
(28-6 tot 19-8), de tweede eind Aug. tot eind Nov. en na de
overwintering van eind Maart tot begin Juni (26-8 tot 30-11 en
25-3 tot 9-6).
Vindpl. Fr. : Bolsward (!). Ov. : Lonneker, Hengelo, Ommen.
Diepenveen. Gdl. : Putten, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn, Twel-
lo (geregeld, maar meestal niet talrijk op licht), Otterlo, Laag
Soeren, Ellecom, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wageningen, Ben-
nekom ; Laren, Aalten, Montferland, Bijvank; Berg en Dal, Nij-
megen, Groesbeek, Malden, Hatert. Utr. : Maarsbergen, Zeist, De
Bilt, Soest, Baarn. N.H.: Hilversum, Laren, Bussum, Amsterdam
(zwerver), Haarlem, Bentveld, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H.:
Hillegom, Noordwijk, Melissant (zwerver). N.B.: Bergen op
Zoom, Breda, Princenhage, Tilburg, Drunen, Oisterwijk, Cuijck,
Helmond. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Roermond, Kerkrade.
Var. Literatuur: Sheldon, 1919, Entomologist 52: 97 enz.
pl. I, een uitstekende studie, waarin ook de figuren uit Sepp ge-
citeerd zijn. De uit ons land bekende vormen zijn volgens deze
monographie gerangschikt.
De soort is zeer variabel en ook in ons land stellig een speciale
studie waard. De meeste vormen duiken echter pas in flinke series op.
A. Ramosana-groep. Vvls. met zwarte scherp afstekende
streep uit het midden van de vleugelwortel en ongeveer evenwijdig
aan de voorrand.
Tot deze groep behoort o.a. ook de door Scopoli (1772, An-
nus historico-naturalis 5: 116) beschreven typische vorm met
groenachtige grondkleur der vvls. (,,alis superioribus glauco-viren-
tibus … Alae anticae..., fuscis lineis longitudinalibus”). Ik ken
hiervan geen inlandse exx. De vorm moet uiterst zeldzaam zijn.
1. f. grisea Ter Haar, 1899 of 1900, Onze Vlinders : 65. Grond-
kleur der vvls. grijs. Tijdschr. v. Ent. 39, pl. 8, fig. 5. Leuvenum,
Laag Soeren, Nijmegen, Baarn (Z. Mus.) ; Twello, Wageningen
(Cold.) ; Apeldoorn (de Vos); Velp (De Roo van W.) ; Berg en
Dal (Bo.) ; Hatert (Mus. Rd.) ; Soest (Lpk.) ; Baarn (Van der
Beek) ; Hilversum (Doets) ; Bussum (Van der Wey) ; Amsterdam
(Väri) ; Oisterwijk (L. Mus.).
2. f. ramosana Hb., 1793, Samml. auserl. Vögel und Schmetterl.,
pl. 75. Vvls. boven de zwarte streep bruin, er onder grijs. Sepp,
serie 2, 1, pl. 34, fig. 20. Minder dan grisea. Bolsward (Van der
Wey) ; Diepenveen, Arnhem, Oosterbeek, Noordwijk, Roermond
(Z. Mus.); Putten (L. Mus.); Apeldoorn (de Vos); Twello
(Cold.) ; Velp (Brants M.S.) ; Hilversum (Doets).
3. f. cladodes Sheldon, 1919, Entomol. 52: 101, pl. I, fig. 3. Alle
exx. met lichtere grondkleur dan ramosana, behalve de grijze. Sh.
citeert ook : Barret 6, pl. CCLI, fig. 3c. Cuyck (Z. Mus.).
4. f. atrata Sheldon, l.c., fig. 2. Grondkleur der vvls. donkerder
dan bij ramosana, bruinzwart. Putten (Z. Mus.).
5. f. stoninus Curtis, 1829, Guide Br. Ins. : 203. Vvls. bruin met
een gegolfde donkere lijn over het midden van voorrand tot binnen-
94 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (504)
rand. Ik gebruik de naam voor alle ramosana-achtige exx. met 1 of
meer donkere gegolfde lijnen over de vvls. Putten (Z. Mus.).
B. Dilutana-groep. Grondkleur der vleugels lichtgrijs,
met of zonder roodachtig bruine gewolkte tekening. Tot deze groep
behoren ook alle exx. met de zwarte stippen op de vvls. (Zie ech-
ter ook nr. 17!).
6. f. dilutana Hb., 1796, Samml. Eur. Schm., Tortr., fig. 6. Wortel
der vvls. bruinachtig ; daarop volgt een grijze band, dan weer een
bruine, terwijl het achterrandsveld weer grijs is; de banden
zijn door duidelijke dwarslijnen afgezet. Sepp, pl. 34, fig. 17;
Seitz, pl. 53c, fig. 7 ; Svenska Fjärilar, pl. 29, fig. 14b (als ilicana).
Putten, Arnhem (Z. Mus.) ; Twello (Cold.) ; Velp (De Roo van
Westmaas in Sepp, l.c., p. 150); Hilversum (Doets).
7. f. fusculana Schmid, 1885, Corresp.blatt zool. mineral. Verein
Regensburg 39 : 75. Ongeveer als dilutana, maar vanuit de vleugel-
wortel lopen enkele zwarte strepen, die tot op een derde van de lengte
van de vvl. reiken, zij ziin dus veel korter dan bij ramosana. Laag
Soeren, Princenhage (Z. Mus.); Velp (L. Mus.).
8. f. obsoleta Sheldon, l.c. : 103, pl. I, fig. 6. Als dilutana, maar
de vleugelwortel niet donker en de donkere dwarstekening niet
zo sterk ontwikkeld. Putten, Arnhem, Hillegom, Breda (Z. Mus.).
9. f. lathamiana Swederus, 1787, K. Vet. Acad. Nya Hand]. 8:
276. Vvls. licht bruingrijs, aan de wortel enkele donkere stippen,
een donkere middenvlek, en een aantal zwartachtige punten voor
de achterrand. Sepp, fig. 19; Seitz, pl. 40 d, fig. 3 (als ilicana).
Twello (Cold.); Vogelenzang (Z. Mus.).
10. f. ilicana Fabr., 1781, Spec. Ins. 2: 283 (punctana Hb., 1796,
l.c., fig. 9). Grondkleur der vvls. donkergrijs (,,fusco cinereis’),
overigens als de vorige vorm. Sepp, fig. 15. Putten, Leuvenum, El-
lecom, Arnhem, Nijmegen, Breda (Z. Mus.); Velp (in Sepp, l.c.:
150); Soest (Lpk.); Hilversum (Doets).
11. f. notata Sheldon, l.c. : 105, pl. I, fig. 7. Grondkleur der vvls.
licht zilverachtig grijs, overigens als de beide vorige vormen. Sepp,
fig. 18. Laag Soeren, Oosterbeek, Wageningen (Z. Mus.); Velp
(meSeppal.er23150))%
12. f. nigripunctata Sheldon, l.c. : 105, pl. I, fig. 8. Grondkleur
der vvls. roodachtig bruin ; middenvlek zwart, scherp afstekend;
aan weerszijden daarvan grijsachtige dwarslijnen van voorrand
tot binnenrand ; aan wortel en achterrand donkere stippen. Ooster-
beek (tr, Z. Mus.).
13. f. bifasciana Donovan, 1801, Nat. Hist. Br. Ins. 10: 86, pl.
357, fig. 3. Wortel en middenband licht bruinachtig, de twee
andere velden licht, scherp afstekend, op de vvls. de gewone don-
kere stippen van de groep. Sepp, fig. 13. Wageningen, Venlo
(Z. Mus.); Zeist (in Sepp, l.c. : 150).
C. Afzeliana-groep. Hoofdkenmerk een driehoekige
donkere vlek in het midden van de voorrand der vvls., die tot hal-
verwege de vleugels reikt, maar bij enkele vormen ontwikkeld is
tot een volledige middenband.
(505) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 95
14. f. afzeliana Swederus, 1787, Kon. Vet. Ac. nya Handl. 8:
276. Grondkleur der vvls. grijsachtig, aan de voorrand de grote
driehoekige donkere vlek. Keer, pl. 79, fig. 3. Arnhem, Baarn (Z.
Mus.); Nijmegen, Malden (Bo.); Wageningen (L. Wag.); Melis-
sant (Huisman). -
15. f. variegata Sheldon, l.c. : 123, pl. I, fig. 11. Als 14, maar
de grondkleur der vvls. grijsachtig bruin, het lichte gedeelte ook
meer met donker bruinachtig gevlekt. Barrett, pl. 251, fig. 3c; South,
p. 147, fig. 23, no. 6 (beide geciteerd door Sheldon). Putten (Z.
Mus.); Nunspeet (Vari); Bennekom (Cet.); Hilversum (Doets).
16. f. adusta Sheldon, l.c., fig. 12. (feusteli Osth., 1932, Schmett.
Südb.: 542, pl. 21, fig. 46). Als 15, maar de grondkleur donker
bruinachtig, waardoor de donkere costaalvlek minder duidelijk af-
steekt. Twello (Cold.); Nijmegen (Z. Mus.).
17. f. lichenodes Sheldon, Lc. : 124, pl. I, fig. 14. Grondkleur der
vvls. grijsachtig wit, donkergrijs gewolkt, met 3 gegolfde donkere
lijnen als afzetting van wortel- en middenveld, aan de voorrand
een donkergrijze driehoek, aan wortel en achterrand scherp af-
stekende donkere vlekken (de vlekken van de dilutana-groep !).
Barrett, pl. 251, fig. 3. Nijmegen, De Bilt (tr, Z. Mus.).
18. f. fasciata Sheldon, l.c. : 125, pl. I, fig. 15. Grondkleur der
vvls. lichtgrijs, de donkergrijze driehoek loopt als een volledige
band tot aan de binnenrand door, terwijl ook het wortelveld donker-
grijs is. Breda (Z. Mus.).
D. Undulana-groep. Donkere, somber gekleurde vlin-
ders. Evenals in Engeland behoort ook bij ons het grootste deel
onzer exx. tot deze groep.
19. f. undulana Hb., 1796, Samml. Eur. Schm., Tortr., fig. 7.
Grondkleur der vvls. donkerbruinachtig, met duidelijke donkere ge-
golfde dwarsliinen en met roodbruine middencelvlek. Over het ge-
hele land gerekend onze hoofdvorm.
20. f. plumbea Sheldon, Ic. : 126, pl. I, fig. 18. Vvls. licht lood-
kleurig met flauw zichtbare donkere dwarslijnen. Putten (L. Mus.
en Z. Mus.); Twello (Cold.); Soest (Lpk.); Hilversum (Doets).
21. f. melanosticta Sheldon, l.c., fig. 19. Als plumbea, maar vvls.
met scherp afstekende zwarte middenstip. Putten, Laren-Gdl. (Z.
Mus.).
22. f. nigricans Sheldon, l.c., fig. 20 (unicolor Osthelder, 1932,
Schmett. Südb. : 542, pl. 21, fig. 47). Vvls. donker zwartachtigbruin
met nauwelijks zichtbare tekening. Na undulana de gewoonste vorm
en plaatselijk zelfs overheersend. Zoo vond Ceton, dat bij Ben-
nekom bijna alle exx. er toe behoorden.
Teratol. ex. Linker avl. ontbreekt. Berg en Dal, el. (Bo.).
545, S, degenerana Hb. Uiterst zeldzaam en stellig niet inheems.
In Oost-Europa is de soort gewoon, maar naar het Westen toe
wordt zij steeds zeldzamer, om in onze streken nog slechts spora-
disch, waarschijnlijk als zwerver, voor te komen.
96 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (506)
Uit Denemarken slechts 1 ex. bekend, dat 25 Aug. 1929 te Boto
op Falster gevangen werd. Niet bekend uit Sleeswijk-Holstein, bij
Hamburg, bij Bremen, bij Hannover. Uit Westfalen vermeld van
Warburg. Niet in de Rijnprov. aangetroffen. Evenmin in België.
Uit Engeland vermeldt Sheldon (l.c.: 127) 1 ex, dat enige
jaren vòòr 1919 in het New Forest aan de Zuidkust gevangen
zou zijn. Ik zag het ex. bij een bezoek aan het Brits Museum.
Het is geen degenerana, maar een ab. van revayana met lichtgroene
grondkleur en donkere middenband (f. virescens Lpk., 1948, En-
tomologist 81 : 190).
[Wat de verspreiding in Frankrijk betreft, Lhomme vermeldt
in zijn ,, Catalogue” degenerana slechts van de Basses Pyrénées,
Basses Alpes, Savoye en de Vogezen.]
De oudste vermelding uit Nederland is die van De Graaf in
Bst. 3: 55 (bis), 1862, vindplaats: Doorn. Hierop doelt ook
Snellen, die degenerana als „eens in Nederland gevonden”
opgeeft (De Vlinders 1: 135). In Ent. Ber. 9: 153, 1935, toonde
ik echter reeds aan, dat het ex. van Doorn onjuist gedetermineerd
is.
Van vliegtijden en aantal generaties in onze streken uit de
aard der zaak vrijwel niets bekend. Het enige Nederlandse ex.,
dat ik gezien heb, werd in de tweede helft van Juni gevangen:
Vindpl. N.H.: Bussum, 22-6-1917, een prachtig gaaf ex.
(Wp.). N.B.: Breda (Heylaerts, 1869, T. v. E. 13: 147; onge-
twijfeld aanvaardbaar, daar H. een Duits vergelijkingsex. bezat,
dat nog in L. Mus. aanwezig is).
Opm. Als eerste vestigde Klos [1907, Verh. zool.-bot. Ges.
Wien 57: (173) ] er de aandacht op, dat revayana en degenerana
twee goede soorten moesten zijn, daar de biologie van beide aan-
merkelijk verschilt. Een door Meixner ingesteld onderzoek
van het genitaalapparaat bevestigde dit volkomen : op. cit. : (174)
— (177), met fig. van aedoeagus. Achteraf is het nauwelijks ver-
klaarbaar, dat beide ooit voor één soort gehouden zijn. De enige
verklaring is, dat de tekening bij beide soorten in aanleg dezelfde is.
Fig. 21. Voorvleugels van: 1. S. revayana Scop. f. ramosana Hb. 2. f. dilutana
Hb. 3. f. afzeliana Swed. 4. f. undulana Hb. 5. S. degenerana Hb.
S. degenerana maakt een forsere indruk dan S. revayana door de
bredere voorvls., terwijl ook de mooie lichtgroene grondkleur slechts
(507) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 97
uiterst zelden bij revayana voorkomt. Revayana is heel variabel,
doch degenerana variëert slechts in zeer bescheiden mate. De rups
van degenerana leeft uitsluitend op wilg (vermeld worden Salix
caprea L., S. viminalis L. en S. cinerea L.), die van revayana uitslui-
tend op eik.
Uitvoerig heeft Meixner de verschillen in de aedoeagi op-
gesomd. Deze zijn in hoofdzaak : de meerdere grootte bij degenerana
met veel grotere, minder gekromde cornutus en de vorm van het
distale en het proximale uiteinde.
Afgezien van een verschil in grootte van het copulatie-apparaat
der & & (degenerana iets groter dan revayana) vond Meixner
overigens geen verschillen van betekenis. Een blik op de hier bijge-
voegde tekeningen doet echter zien, welk een enorm verschil er is
in de aanhangsels van de valven met hun sterke beharing en be-
doorning, waardoor de eigenlijke vorm der valven zelf nauwelijks
te zien is.
Ook de 2,2 zijn gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. Zie de
figuren voor de verschilpunten.
LE 5
Fig. 22. Genitaalapparaatvan S.revayana Fig. 23. Genitaalapparaat van S. degene-
Scop. 5 + 17 x. rana Hb. gs + 17 x.
Observations. The first modern author who claimed spe-
cies right for degenerana, was Klos [1907, Verh. zool.-bot. Ges.
Wien 57: (173)]. He could establish important biological differences
between degenerana, the Salix species, and revayana, which is as-
sociated with oak. His view was fully confirmed by Meixner,
lc. : (174)—(177), who studied the male genitalia and found con-
siderable differences in the shape and size of the aedoeagus and
its cornutus, which were illustrated by excellent figures. Rather
good figures of this organ are also given by Nordström (1940,
Svenska Fjärilar : 201, fig. 152 and 153).
98 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (508)
Except a slight difference in size in favour of degenerana,M eix-
ner could not find any other really distinguishing features be-
tween the two species. This is rather incomprehensible. As my fig-
ures (made with a camera lucida) show, there are enormous dif-
ferences in the appendages of the valvae, which are as easily seen
when these parts are closed as when they are opened. The val-
Fig. 24. Aedoeagi van S. revayana
Scop. (nos. 119 en V.626) en S.
degenerana Hb. (nos. 142 enV .632).
a) 73) 5%
vae themselves are, especially with revayana, much wrinkled,
and this, combined with the many appendages with their long hairs
and spines, makes it rather difficult to detect the real shape of these
parts. They differ considerably from the usual type of our Agrotidae.
The enormous saccus and fultura inferior (juxta) are connected
with the great length of the aedoeagus. Cf. figs. 22, 23 and 24.
Fig. 25. Genitaalapparaat van S. reva-
gana Scop. 2 (links, no. V.418) en S.
degenerana Hb. ¢ (rechts, V.426), + 17 x.
The female genitalia also offer very clear differences (length
of apophyses, shape of ductus bursae and of bursa copulatrix)-
which may be easily seen in the figures. Cf. fig. 25.
The important differences which are offered by both sexes make
(509) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 99
it clear, that degenerana and revayana are not so nearly related
as has long been supposed.
The notes of Klos and Meixner doubtless escaped War-
ren's notice. He treats (1913, Seitz 3: 290) degenerana as a form
of revayana and even writes, that intermediates occur, which is of
course quite out of the question. His f. obscura, which should be
such a link, is no doubt a form of revayana according to its narrow
fore wings (pl. 53 c, fig. 9). Those of degenerana are broader. Still
stranger is that Drau dt in the suppl. to vol. 3 (1935, p. 210) also
omitted to give degenerana the rank it deserves. In many modern
publications, however, both species are treated correctly.
Westermanniinae.
Earias Hb.
546. E. clorana L. Verbreid door het gehele land op niet te
droge plaatsen, vooral in het lage land vaak gewoon. 2 gens., de
eerste tweede helft van Mei tot begin Juli (21-5 tot 10-7), de
tweede van de tweede helft van Juli tot eind Aug. (20-7 tot 28-8),
soms nog tot in Septr.: in L. Mus. een ex. van Septr. 1918 zonder
nauwkeuriger datum. De tweede gen. is partiëel, slechts een deel
der poppen komt nog hetzelfde jaar uit.
Vindpl. Fr. : Warga, Huizum. Gr. : Groningen. Dr. : Beilen.
Ov. : Ootmarsum, Denekamp. Gdl. : Nunspeet, Apeldoorn, Twello
(vrij geregeld in enkele exx.), Lunteren; Aalten, Didam, Lobith,
Herwen ; Wamel, Heerwenen. Utr. : Soest, Zuilen, Nigtevecht,
Abcoude. N.H.: Hilversum, Bussum, Ankeveen, Uitermeer, Am-
sterdam, Middelie, Haarlemmermeer, Vogelenzang, Terschelling.
Z.H.: Leiden, Den Haag, Rotterdam, Numansdorp. Zl. : Dom-
burg. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, ‘s-Hertogenbosch, Hintham,
Oisterwijk, Nuenen, Helmond. Lbg.: Venlo, Tegelen, Kerkrade,
Bemelen, Maastricht.
Var. Zeer gering. Een ex. uit Twello heeft geelgroene vvls.
(Cold.).
Bena Billberg.
547. B. fagana F. (prasinana auct. nec L.)!). Verbreid door het
gehele land op droge gronden, op de vindplaatsen vaak gewoon.
In de regel I gen., van eind April tot half Juli (24-4 tot 15-7). Cold.
bezit een zeer vroeg en reeds afgevlogen ¢ uit Twello van
18-3-1909, in elk geval een abnormale datum. Een tweede gen.
komt slechts bij zeer hoge uitzondering voor: 1 & van 24 Aug.
1926 (Cold.), 1 2 van 26 Aug. 1947 (Caron).
Vindpl. Fr. : Ris. Gr. : Groningen, Haren. Dr. : Paterswolde,
Hoogeveen. Ov. : Denekamp, Borne, Almelo, Diepenveen. Gdl.:
Putten, Leuvenum, Tongeren, Apeldoorn, Hoog Buurlo, Twello
1) Zie voor de naamsverandering van deze en de volgende soort: B. J.
Lempke, 1947, „Bena prasinana (Lep.): Another nomenclatorial diffi-
culty”, Entomologist 80: 128.
100 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (510)
(zelden op licht), Laag Soeren, De Steeg, Arnhem, Oosterbeek,
Renkum, Wageningen, Bennekom, Lunteren; Zutfen, Aalten, Bij-
vank, Babberich, Lobith, Berg en Dal, Beek-Nijmegen, Nijmegen.
Utr. : Maarsbergen, Zeist, De Bilt, Amersfoort, Soest, Soestdijk,
Baarn, Groenekan. N.H.: Hilversum, Bussum, Valkeveen, Naar-
den, Amsterdam (1872 en 1880), Heilo, Driehuis, Haarlem, Over-
veen, Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Den Haag, Dordrecht. N.B. :
Bergen op Zoom, Princenhage, Breda, Tilburg, Drunen, Waalwijk,
Nuenen, Helmond, Deurne. Lbg. : Venlo, Kerkrade, Rolduc, Vaals,
Mechelen.
Var. 1. gen. aest. Jiorii Costantini, 1911, Atti Soc. Nat. Matem.
Modena, serie IV, 13: 81, fig. (= hongarica Warren, 1913, Seitz
3 : 297, pl. 53 k, fig. 7, 8). Kleiner dan de eerste gen. ; vvls. bij het
& geelgroen, bij het 2 licht blauwachtig groen, met twee witte,
niet donkergroen afgezette dwarslijnen, die de vvls. vrijwel in 3
gelijke delen verdelen en waarvan de binnenste zwak en niet vol-
ledig is. Leuvenum, 1 4 24 Aug. 1926 (Cold.); Hooge Vuursche,
26-8-1947, een 2 (Caron).
[Oorspronkelijk werd fiorii als een afzonderlijke soort beschre-
ven, tot later de samenhang met fagana werd herkend (Kautz,
1932, Zeitschr. Oest. Ent. Ver. 17: 13, Weber, lc. : 43). Des
Abbayes en Pesson (1936) geven in Amat. de Papillons 8:
68, een kaart van de verbreiding van deze tweede gen. waarop
W arnecke (1937, lc. : 208) en Lhomme (p. 209) aanvullin-
gen publiceerden. De noordelijkste bekende vindplaatsen waren:
de omgeving van Wenen, Tessin in Zuid-Zwitserland, de Kai-
serstuhl in Baden en Amanlis in Ille-et-Vilaine (Bretagne). De
Nederlandse exx. zijn dus wel een bijzonder interessante vangst.]
2. f. sylvana F., 1794, Ent. Syst. 3 (2): 244. Op de vvls. ont-
breekt de binnenste van de 3 zilveren dwarslijnen. Soms is de
donkergroene afzetting ervan nog aanwezig, maar ook deze kan
ontbreken. Putten, Ermelo, Naarden, Amsterdam (Z. Mus.).
3. f. bilineata Slevogt, 1901, Soc. Ent. 16: 57. Op de vvls. ont-
breekt de buitenste van de 3 dwarslijnen. Putten, Breda (2 9 9,
Z. Mus.).
4. f. millieri Capronnier, 1883, Bull. Soc. Ent. Belg. 27: XCIV
(rubrostrigata Rebel, 1910, Berge, 9e ed.: 423). De middelste der
3 dwarslijnen en de binnenrand der vvls. rood. Putten (Z. Mus.);
Apeldoorn (de Vos); De Bilt (L. Mus.); Zeist (T. v. E., vol. 54, p.
XIII); Hilversum (Van der Vaart).
5. f. caerulescens nov. Grondkleur der vleugels blauwgroen!)
Aerdenhout, 1947 (Wiss.).
k Pseudoips Hb,
548. P. prasinana L., 1758 (bicolorana Fuessl., 1775). Verbreid
in de zand- en bosstreken van het gehele land, plaatselijk niet onge-
1) Ground colour of the wings blue-green.
(511) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 101
woon. 1 gen., tweede helft van Juni tot half Aug. (20-6 tot 12-8).
Vindpl.Fr.: Ris. Gr. : Groningen. Dr. : Veenhuizen, Schoon-
oord, Zweelo. Ov. : Denekamp, Hengelo, Almelo. Gdl.: Leuvenum,
Elspeet, Apeldoorn, Twello (ongeregeld in enkele exx.), Ellecom,
Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wageningen, Bennekom, Ede;
Warnsveld, Boekhorst, Lochem, Barchem, Vorden, Ruurlo, Aalten,
Bijvank, Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Zeist, De Bilt, Groenekan,
Soest, Maarseveen. N.H.: Hilversum, Bussum, Overveen. Z.H.:
Hillegom, Leiden, Den Haag, Loosduinen. N.B. : Breda, Ginneken,
Tilburg, Drunen, ‘s-Hertogenbosch, Rosmalen, Vught, Deurne.
Lbg. : Venlo, Steyl, Kerkrade.
Var. Zeer gering. Afgezien van de grootte is er enig verschil
in de afstand van de twee dwarslijnen op de vvls.
Catocalinae.
Catocala Schrank.
549. C. sponsa L. Verbreid in een groot deel van het land, voor-
namelijk in bosachtige streken, lokaal en zeldzaam. 1 gen., begin
Juli tot half September (10-7 tot 16-9).
Vindpl. Fr.: in L. Mus. 1 ex. met etiket ,,Friesland” zonder
nadere gegevens. Gr. : Groningen (Sterrenbos), Glimmen, Noord-
broek. Dr. : Paterswolde, Hoogeveen. Ov. : Boekelo, Borne, Dene-
kamp, Diepenveen. Gdl.: Putten, Ermelo, Apeldoorn, Hoog Soeren,
Empe, Velp, Oosterbeek ; Warnsveld, Warnsborn, Wapenvelde,
Lochem, Wientjesvoort, Doetinchem, Doesburg; Berg en Dal.
Utr. : Baarn. N.H.: Hilversum, Naarden, Amsterdam (1862, Z.
Mus.), Heemstede. Z.H. : Leiden, Loosduinen, Dordrecht. N.B.:
Breda, Oisterwijk. Lbg.: Venlo, Maasniel, Kerkrade, Rolduc,
Bunde, Maastricht.
Var. De tint der vvls. is vrij variabel, hoewel het in de regel
niet mogelijk is bepaalde vormen te onderscheiden.
1. f. demaculata Heinrich, 1916, Deutsche Ent. Z. : 523. De
witachtige vlekken in het midden van de vvls. door de donkere
grondkleur bestoven en daardoor niet afstekend. Paterswolde,
Warnsborn, Naarden (Z. Mus.) ; Breda (L. Mus.).
2. f. variegata nov. Het middenveld der vvls. lichter, grijsach-
tig!). Breda (8).
3. f. rosea nov. Grondkleur der avls. roserood?). Rolduc (Mus.
M.).
550. C. promissa Schiff. Zeer lokaal en zeldzaam, vooral in
loofbossen in het Oosten. Wanneer, zoals in onderstaande lijst
van vindplaatsen, voor zover mogelijk de vangdata opgegeven
worden, blijkt de vlinder slechts sporadisch in ons land voor te
1) The central area of the fore wings paler, greyish.
2) Ground colour of the hind wings rosy red.
102 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (512)
komen. Men zie bijv., hoe weinig vondsten slechts uit de twintigste
eeuw bekend zijn! Het is dan ook zeer twijfelachtig, of promissa
wel een inheemse vlinder is. Vermoedelijk moeten we het dier als
een zeer zeldzame immigrant (en dan misschien uit Oostelijke
richting) beschouwen.
In Denemarken zeer talrijk in Jutland, lokaal op de eilanden. In
Sleeswijk-Holstein in de gehele provincie in eikenbossen voor-
komend ; bij Hamburg verbreid in bosachtige streken, gewoner dan
sponsa; bij Bremen alleen in 1872 rupsen geklopt, in 1933 vlin-
ders in de Lüneburger heide ; bij Hannover zeldzaam (18 Juli 1925
[zie Leuvenum !] werden ongeveer 100 exx. op smeer gevangen,
doch in de volgende jaren geen enkel); in Westfalen in eikenbos-
sen; in de Rijnprovincie zeldzaam, slechts van enkele plaatsen be-
kend (bij Aken zeldzaam, Püngeler). In België zeldzaam, zeer
lokaal in het Oosten van het land. In Engeland in het Z. en O., spo-
radisch, alleen in het New Forest aan de Zuidkust wat meer ;
niet in lerland.
1 gen., half Juni tot tweede helft van Aug. (15-6 tot 18-8). Het
ex. van 15 Juni zal wel bijzonder vroeg zijn, maar voor Hannover
wordt toch ook als vliegtijd opgegeven : eind Juni en Juli. _
Vindpl. Fr. : „Friesland, zonder nadere gegevens (Z. Mus.);
Veenwouden (Onze Vlinders : 239). Gr. : Groningen, in het Ster-
renbos (Bst. 2: 169, drie maal gevangen, 1 van de exx. nog in Z.
Mus.). Ov. : Denekamp (1906, Lev. Nat. 11: 69). Gdl.: Leuvenum
(2-8-1918, Btk.; 24-7-1925 een zeer vers ex. gezien, maar niet
kunnen vangen, aantekening van Tutein; 3-8-26, Cold. ; 10-8-
26, Z. Mus.); Elburg (Bst. 1: 268); Apeldoorn, 11-7-1893,
24-7-'94, 26-7-1902 (alle el, de Vos), 13-7-1897, 19-7-1900, el.
(Z. Mus.), 20 en 21-8-26 (Wiss.); Velp, 2 oude exx. (De Roo
van Westm.); Arnhem, Aug. 1875 (Z. Mus.); Doetinchem (Bst.
1: 268); Keppel, + 1858 (aantekening van Brants); 's Heeren-
berg, 1928 (Botzen); Beek bij Nijmegen, 15 Juni (oud ex., Z.
Mus.); Nijmegen, 18-8-1881 (Z. Mus.). Utr. : Soest, 1 ex. z. d. en
1 ex. Juli 1875 (Z. Mus.). Z.H. : Den Haag (Bst. 1: 269, ex. in Z.
Mus.); Rotterdam (Onze Vlinders: 239). N.B: Breda, 15-1-1868
(e.l.), 29-7-1868, 30-7-1869 (e.l.), 10-8-1871, 15-7-1902 (alle L.
Mus.). Lbg.: Rolduc, 6-8-1918 (Latiers); Eperheide, 26-7-1934
(Wiss.).
Var. De typische vorm heeft grijs met bruin gemengde vvls.
1. f. grisescens nov. Grondkleur der vvls. grijs, zonder bruin,
tekening scherp!). Leuvenum (Z. Mus.).
2. f. variegata nov. Middenveld der vvls. lichtgrijs, scherp afste-
kend tegen het donkerbruinachtige wortel- en achterrandsveld?).
Apeldoorn, Soest (Z. Mus.).
1) Ground colour of the fore wings grey without brown, pattern sharp.
2) Central area of the fore wings pale grey, sharply contrasting with the dark
brownish basal and marginal area.
(513) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 103
3. f. contigua nov. De lichte vlek onder de niervlek raakt de
tweede dwarslijn!). Leuvenum (Cold.); Breda (7).
551, C. electa Vieweg. Zeer zeldzaam, zonder enige twijfel niet
inheems, maar een immigrant uit Zuidelijk Europa. Misschien wij-
zen de vangsten in twee opeenvolgende jaren te Dordrecht er op,
dat de vlinder zich daar korte tijd heeft kunnen handhaven, maar
zeker is dat natuurlijk niet.
Niet bekend uit Denemarken. In het omringende Duitse gebied
nergens waargenomen. Uit België slechts 4 oude vangsten be-
kend (Dinant, Schaerbeek, Leuven en Beverloo), stellig niet in-
heems. [Uit Frankrijk alleen bekend uit het Zuiden en midden,
niet uit het Noorden !] Uit Engeland slechts 3 exx. bekend ; het
ene werd in 1875 bij Brighton gevangen, het tweede in 1892 in
Dorset en het derde in 1927 te Hoddesdon in Hertfordshire, alle
dus in het Zuiden.
[Toch schijnt electa niet de gewone trekweg van de zuidelijke
immigranten te volgen. Terwijl deze toch aan de Engelse Zuid-
kust meer aangetroffen worden dan hier te lande, is electa hierop
een opvallende uitzondering. |
1 gen., Juli tot half September (14-9).
Vindpl. Gdl.: Laag Soeren, Juli 1914 (L. Mus.); Renkum,
19-8-1901, prachtig gaaf ex. (Z. Mus.). Z.H.: Alblasserdam,
16-8-1899 (Mus. Rd.); Dordrecht, 1858 (Mus. Rd.), 24-8-1900
(Z. Mus.), 31-8-1906 (Jch.), 14-9-1907 (Mus. Rd.). Lbg. : Geulem,
12-6-1946 (Botzen).
552. C. nupta L. In vrijwel het gehele land gewoon of zelfs tal-
rijk, niet alleen in het Z. en O., maar ook in de duinen en zelfs in
het polderland en op andere lage gronden. Zo is de vlinder gewoon
in de omgeving van Leeuwarden, in Waterland, om Amsterdam,
bij Woerden en Boskoop, om Rotterdam, te Vlaardingen, te Goes.
Bekend van Terschelling (gewoon). 1 gen., half Juli tot eind Oc-
tober (10-7 tot 29-10).
Var. De grondkleur der vvls. en de duidelijkheid van de te-
kening zijn zeer veranderlijk. Toch is het dikwijls heel moeilijk de
exx. tot bepaalde vormen te brengen, omdat ze vaak slechts zwak-
ke overgangen zijn.
1. f. grisescens Hannemann, 1917, Int. Ent. Z. Guben 11: 105.
Vvls. eenkleurig bruinachtig grijs, de lichte en donkere tekeningen
bijna onzichtbaar. Putten, Wijk aan Zee (tr, Z. Mus.).
2. f. dilutior Schultz, 1909, Ent. Z. 22 : 169. Grondkleur der vvls.
veel lichter dan bij normale exx., bruinachtig geel met iets donker-
der geelbruine tekening, of witachtig grijs met nauwelijks merk-
bare geelachtige tint. Bloemendaal (Z. Mus.).
3. f. variegata nov. Vvls. grijs, sterk geel gevlekt, tekening
1) The pale spot under the reniform stigma touches the outer line.
104 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (514)
scherp donker afstekend). Nunspeet, Wijk aan Zee, Breda (Z.
Mus.); Middelie (De Boer); Wassenaar (Wiss.).
4. f. fida Schultz, 1909, Ent. Z. 22: 169. Tussen de tweede
dwarslijn en de achterrand der vvls. een breed wit gezoomde
golflijn. Amsterdam (Z. Mus., zwakke trans.).
5. f. concubina Bkh., 1792, Naturgesch. Eur. Schm. 4: 21. De
zwarte middenband der avls. loopt door tot de binnenrand. Sepp
1, 4e stuk, tab. VII, fig. 7; door Borkhausen geciteerd, dus
type. Overal onder de soort, gewoon.
6. f. alterata Warren, 1913, Seitz 3 : 305. Banden der avls. grijs
in plaats van zwart. Twello, 6-8-1895 (L. Mus., afgebeeld T. v.
ESO Mol 8 iq N).
7. f. sanguinea nov. Grondkleur der avls. prachtig bloedrood?).
De Bilt, Leiden, Den Haag (L. Mus.); Amsterdam, Rockanje (Z.
Mus.); Wassenaar, Epen (Wiss.).
8. f. salmonea Cockayne, 1946, Ent. Record 58 : 75. Grondkleur
der avis. licht zalmkleurig rose. Enkele exx. met rose avls. uit Ne-
derland bekend : Breda (L. Mus.); Rolduc (Latiers); Belfeld (Ot-
tenheijm).
9. f. languescens Warren, 1913, Seitz, l.c.: 304, pl. 55a, fig. 4.
Grondkleur der avls. geelachtig wit met zwak rose tint. Amsterdam
(eo Z4 IM)
10. f. flava Schultz, 1906, Ent. Z. 20: 86. Grondkleur der avls.
geel. Hees, 16-8-1883 (L. Mus., afgebeeld T. v. E. 27, pl. 11, fig. 1).
11. t. caerulescens Cockerell, 1889, Entomologist 22 : 127 (brun-
nea Warren, 1913, Seitz, l.c. : 304, pl. 55 b, fig. 1). Het rood der
avls. bruinachtig met purperkleurige veerschijn. 3). Capelle aan de
IJsel, 28-8-1939 (Mus. Rd.).
12. f. nigra nov. Avls. eenkleurig zwart, het rood nog iets door-
schemerend4). Steyl, 1914 (Latiers).
13. Heylaerts vermeldt in T. v. E., vol. 13, p. 153, een ex.
met een rode V in de zwarte band der avls. Breda.
553. C. fraxini L. Door het gehele land, in de regel als grote
zeldzaamheid, en zoals uit de bijgevoegde data blijkt met zeer
onregelmatige tussenpozen, gevangen. Stellig geen inheemse
vlinder, maar een immigrant.
Denemarken : in Jutland plaatselijk, in de laatste jaren hier en
daar talrijker ; lokaal op de eilanden, talrijker op Bornholm. In
Sleeswijk-Holstein bij Flensburg, in O.-Holstein talrijker ; bij Ham-
1) Fore wings grey, strongly spotted with yellow, markings dark and sharply
contrasting.
2) Ground colour of the hind wings beautifully blood red.
3) At Tring I saw the types of brunnea Warren. The red of the hind wings
is replaced by dark brown shot with purple. There can be no doubt that this
form is the same as ab. caerulescens Ckll., though Cockerell's description is
very misleading. See for a good description: Frohawk, 1892, Entomologist
5 : 243. Also T utt, 1892, Brit. Noct. 4 : 131, and Mosley, 1898, Nat.
Journal 7 : 81.
4) Hind wings unicolorously black, the red colour still feebly perceptible.
(515) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 105
burg zeldzaam, maar verbreid; bij Bremen in de laatste jaren bij
Hambergen ; bij Hannover zeldzaam; in Westfalen verbreid,
maar niet zeer talrijk ; in de Rijnprovincie zeer verbreid, maar niet
gewoon. In België zeer lokaal en zeldzaam. In Groot-Brittannië zeer
zeldzaam ; van Ierland slechts twee oude vangsten bekend. In ge-
heel N.W.-Europa dus een zeldzaam dier en dat te meer, naarmate
de vindplaatsen westelijker liggen.
1 gen., half Juli tot eerste helft van Octr. (16-7 tot 9-10).
Vindpl. Fr. : Schiermonnikoog, 3 exx. in 1947 (Van Min-
nen); Terschelling, + 1936 (Bavenboer); Leeuwarden, 23-9-1901
(en 3 ab ovo hiervan gekweekte exx. van 1902, Z. Mus.). Gr.:
Glimmen (Bst. 2: 169: „meermalen”); Helpen (Bst., lc.). Dr.:
Veenhuizen, 7-9-1938 (Waning Bolt); Wijster, 19-9-1937 (Beije-
rinck). Ov.: Denekamp, 9-10-1936 (Natura Docet) ; Hengelo
(teste Knoop en Arends); Diepenveen, 31-8-1896 (Z. Mus.);
Hattem, 1922 (Botzen); Kampen, 15-8-1912 (Van Berk). Gdl.:
Apeldoorn, 1885 en 19-9-1905 (de Vos), 1898 (Z. Mus.); Twello,
2-9-1921 (Cold.); Laag Soeren (T. v. E. 65: XV); Velp, 2 oude
exx. (De Roo van Westmaas); Zutfen, Vorden, Doetinchem,
Doesburg (Bst. 1: 268); Slangenburg, 1922 (Botzen); Zelhem,
1898 (Cold.); Beek-Nijmegen, 23-8-1877 (Z. Mus.). Utr. : Zeist,
4-8-1901 (Baart de la Faille); De Bilt, 16-7-1947 (Passchier);
Soest, 1874 (Z. Mus.), 18-9-1937 (Lpk.). N.H.: Amsterdam
(Bst. 1: 268 ; Sept. 1887, Z. Mus.); Heilo, 1943 (Huisenga); Bak-
kum, 2-9-1947 (de Boer); Velzen, Sept. 1892 (L. Wag.); Haarlem
(Bst. 1, l.c.). Z.H. : Noordwijk (Bst. 1, Lc. ; ab ovo zonder datum,
Z. Mus. ; Sept. 1857 op Vinkeveld, 5 min. ten Z. van Noord-
wijk, Z. Mus.); Leiden (Bst. 1, l.c.); Den Haag, 5-9-1892 (de
Vos). N.B.: Breda (T. v. E. 13: 153: „Valkenberg, weg naar
Teteringen, Heylaer etc.”; in L. Mus. de volgende exx. van Breda:
1-9-1868, 15-9-1876, 2-9-1882 e.1., 10-9-1882 e. 1., 3-9 en 5-9-1886,
e. 1.); Tilburg, 1 ex. tussen 1914 en 1918 (De Goede); Deurne,
+ 1935 (Nies). Lbg.: Maastricht (T. v. E. 9: 182; 1905, Pater
J. Hoogeveen; 1929, Mus. M.); Kerkrade (Latiers); Gulpen,
25-8-1909 (dez.); Lemiers, 13-9-42 (Delnoye).
Var. 1. f. fraxini L. Vvls. licht grijsachtig met scherpe tekening.
Vrijwel al onze exx.
2. f. moerens Fuchs, 1889, Jahrb. Nass. Ver. für Nat. 42: 210.
Grondkleur der vvls. sterk verdonkerd, zwartgrijs, met scherp af-
stekende lichte vlek onder de niervlek. Seitz, pl. 54 d, fig. 2; Svens-
ka Fjärilar, pl. 29, fig. 20b. Deze vooral in Noord-Duitsland zo
overheersende vorm is bij ons zeer zeldzaam, een bewijs, dat onze
exx. niet of slechts bij uitzondering uit dit gebied afkomstig zijn!).
Wijster (Beijerinck); Denekamp (Natura Docet).
3. f. contigua Schultz, 1906, Ent. Z. 20 : 86. De lichte vlek onder
1) In Noord-Frankrijk (bijv. omgeving van Reims, teste Caruel) is de
soort inheems. Het is dus zeer goed mogelijk, dat onze schaarse immigranten uit
ten zuiden van ons land gelegen streken stammen.
106 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (516)
de niervlek in de lengte uitgerekt en de tweede dwarslijn rakend.
Seitz, pl. 54e, fig. 1. Leeuwarden, Noordwijk (Z. Mus.); Twello
(Cold.); Breda (7, 8).
4. f. angustata Schultz, lc. De blauwe middenband der avls.
duidelijk versmald. Leeuwarden (tr, Z. Mus.).
Phoberia Hb.
554. P. lunaris Schiff. Verbreid op de zandgronden van het ge-
hele Oosten en Zuiden en in de duinen, op de vindplaatsen soms
gewoon (29 Mei 1906 niet minder dan 44 exx. te Bilthoven, 31 Mei
43 exx., Cold.), dan weer jaren lang veel zeldzamer. Vermoedelijk
staat dit in verband met het feit, dat de westgrens van het ver-
breidingsgebied door ons land loopt (in Groot-Brittannië is de
soort uiterst zeldzaam en stellig niet inheems) en ook de noord-
grens niet veel verder reikt (uit Denemarken bijv. nog slechts
1 ex. bekend). Bovendien wordt de mate van voorkomen sterk be-
invloed door de hoeveelheid jong eikenloof, die tijdens de rups-
toestand aanwezig is (Lederer, 1943, Ent. Z. 57: 76).
1 gen, eind April tot begin Juli (25-4 tot 7-7). In Z. Mus. een
ex. van 28-3-1909, Breda, dat vermoedelijk wel gekweekt zal zijn.
Vindpl. Dr: Veenhuizen, Wijster. Ov.: Oud-Leusen, De-
venter. Gdl. : Garderen, Putten, Leuvenum, Hulshorst, Nunspeet,
Oldebroek, Apeldoorn, Hoog-Soeren, Twello (op licht meestal
weinig en ongeregeld), Laag Soeren, Dieren, De Steeg, Velp, Arn-
hem, Oosterbeek, Wolfheze, Wageningen, Bennekom, Lunteren,
Otterlo ; Eefde, Warnsveld, Zelhem, Aalten, Doetinchem, Mont-
ferland, Bijvank; Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Leersum, De
Bilt, Bilthoven, Amersfoort, Soest, Soestdijk, Baarn, Utrecht,
Loosdrecht. N.H.: Hilversum, ‘s-Graveland, Bussum, Huizen,
Amsterdam (1924, Lg., zwerver), Schoorl, Overveen. Z.H.:
Noordwijk, Dordrecht. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, Ginneken,
Bosschehoofd, Oudenbosch, Tilburg, Oosterhout, Oisterwijk,
Vught, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Venlo, Tegelen, Steyl, Roer-
mond, Linne, Echt, Brunsum, Maastricht, Sint Pieter.
Var. Schiffermüller (1775, Syst. Verz. : 94) geeft geen
beschrijving. Het enige kenmerk, dat hij vermeldt, is de donker ge-
vulde niervlek der vvls. De eerste bruikbare diagnose werd ge-
leverd door Fabricius (1787, Mantissa Ins.: 153 en 1794,
Entom. System. 3 (2): 178), die schreef: „Alae anticae basi
griseae tunc fuscae striga cinerea, in medio griseae puncto parvo,
atro lunulaque vel macula reniformi fusca, tunc striga cinerea,
demum fuscescentes fascia obsoleta, dentata cinerea punctisque
ante marginem nigris.’ (lc. 1787; in 1794 dezelfde diagnose,
doch een komma achter „basi griseae' en achter dentata’). Vol-
gens deze beschrijving zijn bij de typische vorm de vvls. grijs tot
de tweede dwarslijn, terwijl de buitenhelft franjewaarts van deze
lijn bruinachtig is met een lichte grijsachtige afzetting wortelwaarts
van de golflijn. Hoofdvorm bij de & 4, doch ook een aantal 2 2
(517) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 107
horen er toe. Over het algemeen hebben deze echter de neiging in
de wortelhelft een bruinachtige tint aan te nemen, al blijft deze dan
lichter dan de franjehelft. Daardoor ontstaan allerlei overgangen
naar brunnea en brunneogrisea, zoals bijv. het in Keer, pl. 60, fig. 5,
afgebeelde ex.
1. f. meretrix F., 1781, Species Insectorum 2: 507. Als de ty-
pische vorm, maar eerste en tweede dwarslijn wit in plaats van
geel (,,Alae griseae s. cinerae atomis numerosissimis fuscis puncto
baseos fusco, tunc striga albida, in medio punctum minutissimum
lunulaque magna, fusca, pone hanc striga altera, albida. Margo
posticus obscurior striga punctorum nigrorum’ ; beschreven naar
ex. van Hamburg). Zonder twijfel zeldzaam. Putten, 1 ex. met wit-
achtige dwarslijnen (Z. Mus.).
2. f. bitincta Dannehl, 1926, Ent. Z. 40 : 371. Wortel- en mid-
denveld der vvls. eenkleurig grijs, achterrandsveld gelijkmatig
donker. De lichte afzetting van de golflijn ontbreekt dus. Putten,
Oosterbeek (Z. Mus.); Breda (L. Mus.); Bijvank (Sch.); Tilburg
(Van den Bergh).
3. f. clara nov. Het achterrandsveld veel lichter dan bij de ty-
pische vorm, doordat de donkere tint beperkt is tot een zwakke be-
schaduwing van de tweede dwarslijn en de golflijn!). South, pl. 29,
fig. 1. Putten, Venlo (Z. Mus.); Wijster, Hoog Soeren, De Bilt
(L. Mus.); Apeldoorn (de Vos).
4. f. ochrea Krombach, 1919, Int. Ent. Z. Guben 12 : 186. Grond-
kleur geel getint. De Steeg, een |2 met geel getint middenveld (Z.
Mus.); Soest, .? met geelgetinte wortelhelft (Lpk.); Hilversum,
2 met geelgetinte vvls. (Doets). i
5. f. brunnea nov. Vvls. eenkleurig bruinachtig met duidelijke
tekening. Vermoedelijk uitsluitend een ?-vorm?). Oosterbeek,
Berg en Dal, Utrecht, Venlo (Z. Mus.); Soest (Lpk.).
6. f. brunneogrisea nov. Grondkleur der vvls. donker grijsbruin
met duidelijke tekening. Waarschijnlijk ook weer een 2 -vorm3).
‚Putten, Arnhem, De Bilt (Z. Mus.); Bijvank (Sch.); Nijmegen
(Wiss.); Bilthoven (Cold.); Hilversum (Doets).
7. f. obscura Favre, 1899, Faune du Valais: 220. Grondkleur
der vvls. zwartachtig bruin, tekening normaalt). Een zeer donker,
scherp getekend 19 van Soestdijk (Z. Mus.).
1) The marginal area much paler than with the typical form, because the
dark tint is restricted to a feeble shadowing of the outer line and the submar-
ginal line.
2) Here wings unicolorously brownish with clear markings. Presumably only
a Q form.
3) Ground colour of the fore wings dark grey-brown with clear markings.
Probably also again a 9 form.
4) F. obscura Favre is not identical with the Algerian f. maura Obthr., 1884,
Et. d'Ent. 11: 39, pl. III, fig. 13. Oberthür emphatically says: "Les des-
sins ordinaires sont généralement beaucoup moins accentués dans le type al-
gerien que dans le type francais.” His figure shows a from with unicolorously
brownish-black fore wings, of inner and outer line only the costal part visible,
submarginal line indistinct. Favre's name may therefore be used for the
brownblack form with clear yellowish transverse lines.
108 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (518)
8. f. privata Dannehl, l.c. : 370. De stipvormige ronde vlek ont-
breekt. Leuvenum (L. Wag.; Zelhem, Warnsveld, De Bilt, Bus-
sum (L. Mus.); Velp (De Roo van Westm.); Rhenen (Doets);
Hilversum, Plasmolen (Z. Mus.).
9. f. cingulata nov. De donkere vulling in de niervlek ontbreekt,
zodat alleen de omranding overblijft). Putten, Arnhem, Soest (Z.
Mus.); Nijmegen (Wiss.); Bennekom (v. d. Pol); Hilversum
(Doets).
10. f. clausa nov. Zie Cat. IV : (204). De Bilt (Z. Mus.).
Pathol. ex. Linker vvl. met donkere vlekachtige tekening.
De Bilt (L. Mus.).
Euclidimera Hampson.
555. E. mi Clerck. Door het gehele land op grazige plaatsen, zo-
wel op zandgrond als in het lage land, vrij gewoon tot gewoon.
Bekend van Texel (talrijk, Wiss.). Ameland (in aantal, Lukkien)
en Schiermonnikoog (Wiss.). Als regel stellig slechts 1 gen., begin
Mei tot eind Juni (5-5 tot 30-6); in L. Wag. een ex van 20-7, dat
mogelijk tot een dan overigens slechts zeer partiele tweede gen.
behoort. Snellen’s opgave van vliegtijd „Mei, Augustus” (De
Vlinders, I, p. 487) is in haar algemeenheid stellig onjuist. Geen
enkel Augustus-ex. is mij bekend.
Var. I £ mi Clerck, 1759, Tcones Ins, Rore
Grondkleur der avls. zuiver wit. Tamelijk zeldzaam, maar waar-
schijnlijk overal onder de soort voorkomend. Ermelo, Overveen,
Lisse, Meyendel, Breda, ‘s-Hertogenbosch, Rosmalen (L. Mus.);
Klarenbeek (Cold.); Lochem, Rijen, Oisterwijk, Cuyck, Kerkrade
(Z. Mus.). Steeds slechts in een enkel ex.
2. £. ochracea Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 58. Grondkleur der avis.
geel in plaats van wit. Seitz, pl. 62 h, fig. 5 en 6; South, pl. 26,
fig. 6. Veel gewoner dan de witte vorm, hoewel de meerderheid
der gele exx. niet de diepe tint heeft van de geciteerde figuren.
Meestal is het geel lichter, zodat de meeste exx. eigenlijk tussen mi
en ochracea in staan. Afbeeldingen van exx. met bleekgele avls. zijn
bijv. : Seitz, l.c. fig. 4 (als typische mi!); Svenska Fjärilar, pl. 30,
fig. 7 ; South, l.c., fig. 7; Keer, pl. 60, fig. 1, wel een bewijs, hoe
gewoon deze tussenvormen zijn (heterozygoten ?).
3. f. illuminata Warren, 1913, Seitz 3 : 343, pl. 62 h, fig. 8, 62 i,
fig. 1. Lichter dan normaal, de vvls. helder grijsachtig met scherp-
afstekende lichte tekening en daardoor bonter, op de avls. de
lichtgele of witte vlekken groter. Hiertoe behoort Keer, pl. 60, fig.
1. Apeldoorn, Overveen, Breda, Oisterwijk (Z. Mus.); Laren-
N.H. (Lpk.); Vogelenzang (Vari); Wassenaar, Bergen op Zoom
(MES IMG)
4. £. obscura nov. Vvls. eenkleurig donker grijsbruin met smalle
lichte omranding van de middenveldtekening en smalle of onduide-
1 The dark centre in the reniform stigma fails, so that the circumscription
only remains.
(519) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 109
lijke golflijn ; avis. normaal!). Anlo (Wiss.) ; Nijkerk, Breda,
Cuyck (Z. Mus.); Apeldoorn (de Vos); Wageningen, Den
Haag, Bergen op Zoom, ‘s-Hertogenbosch (L. Mus.); Hilversum
(Doets).
5. Dwerg. ‘s-Hertogenbosch (L. Mus.).
Ectypa Billberg.
556. E. glyphica L. Verbreid in het O. en vooral het Z., waar
de vlinder gewoon is, maar droge zandgronden blijkbaar mijdt ;
slechts van enkele vindplaatsen in het W. bekend. 2 gens, de
eerste eind April tot eind Juni (24-4 tot 30-6), de tweede begin
Juli tot half Aug. (9-7 tot 6-8).
Vindpl. Fr. : Wolvega. Gr. : Groningen. Dr. : Norg, Peizer-
made, Peize, Donderen, Lieveren, Veenhuizen, Wijster, Schoon-
oord, Hoogeveen. Ov. : Steenwijk, Denekamp, De Lutte, Agelo, Al-
bergen, Almelo, Lonneker, Markelo, Ommen, Colmschate, Die-
penveen, Olst. Gdl. : Harderwijk, Putten, Hulshorst, Leuvenum,
Wezep, Apeldoorn, Empe, Ellecom, De Steeg, Velp, Arnhem,
Oosterbeek, Wageningen, Bennekom; Warnsveld, Almen, Win-
terswijk, Aalten, Gendringen, Slangenburg, Doetinchem, Humme-
lo, Babberich, Montferland, Bijvank, Lobith, Herwen ; Nijmegen,
Groesbeek, Hatert; Elden, Lent, Geldermalsen. Utr. : Rhenen, De
Haar. N.H.: Valkeveen, Naarden, Muiderberg. Z.H.: Leiden,
Hoek van Holland, Dordrecht. N.B.: Bergen op Zoom, Breda,
Rijen, Tilburg, Oudenbosch, Oosterhout, Helvoort, Boxtel, Oister-
wijk, Geldrop, Cuyck. Lbg.: Mook, Plasmolen, Venlo, Blerick,
Tegelen, Steyl, Baarlo, Roermond, Odiliënberg, Weert, Meerssen,
Ha Pieter, Houthem, Valkenburg, Nuth, Kerkrade, Gulpen, Epen,
aals.
Var. De typische vorm heeft mooie bont getekende vvls. met
lichte grijsbruine grondkleur, waartegen de donkere banden scherp
afsteken. South, pl. 26, fig. 8 en 9; Seitz, pl. 23 i, fig. 5. Hoofd-
vorm hier te lande.
1. f. marginata Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 307. Achterrands-
veld der vvls. van de tweede dwarslijn tot de smalle donkere rand
lichter, witachtig geel ; grondkleur der avls. eveneens lichter. Seitz,
pl. 62 i, fig. 7. Zeldzaam. De Lutte, Breda (Z. Mus.) ; Wijster
(Beijerinck); Apeldoorn (de Vos); Wageningen (Doets).
2. f. suffusa Spuler, lc. Vvls. tussen tweede dwarslijn en achter-
rand niet lichter, daardoor bijna eenkleurig donkerbruin. Seitz, fig.
6. Veel minder dan de typische vorm, maar stellig overal onder de
soort voorkomend.
3. f. tristicula Schultz, 1908, Soc. Ent. 22: 186. Sterk verdon-
kerde vorm : vvls. bijna eenkleurig, zwartbruin, avls. op de boven-
1). Fore wings unicolorously dark grey-brown with narrow pale circumscrip-
tion of the markings of the central area and narrow or obsolete subterminal line ;
hind wings normal. [The latter character distinguishes the form at once from
f. suffusa Warren, 1913, Seitz 3 : 343, pl. 62i, fig. 3].
110 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (520)
zijde eenkleurig zwartbruin, zonder geel. Slechts een trans. ex. met
sterk verdonkerde avls. van Almen (Br.). (Ook het in Seitz afge-
beelde ex., pl. 62 i, fig. 9, is slechts een trans.).
4. f. meridionalis Strand, 1901, Nyt Mag. f. Naturvid. 39 (1):
55. De donkere costaalvlek der vvls. loopt van onderen spits toe
en is daardoor driehoekig. Zeldzaam1). Cuyck, slechts 1 ex. (Z.
Mus.).
5. f. costovata Foltin, 1942, Z. Wiener Ent. Ver. 27: 36. De
eerste en tweede dwarslijn der vvls. raken elkaar aan de binnen-
rand (de clausa-vorm dus). Venlo (Z. Mus.).
6. f. angustelineata nov. Op de vvls. ontbreken de brede don-
kere banden langs eerste en tweede dwarslijn. Bij het type is de
grondkleur van voor- en avls. bovendien lichter dan normaal?).
Wageningen (Doets).
7. £. obsoleta Strand, lc. : 54. De beide dwarsbanden op de
onderzijde der voor- en avls. ontbreken geheel of zijn zeer
zwak. Vrij gewoon. Olst, Arnhem, Valkeveen, Rijen, Venlo, Hou-
them (Z. Mus.); St. Pieter, Gronsveld (Lpk.).
8. f. lata Strand, l.c. Op de onderzijde is de binnenste dwarslijn
onduidelijk, terwijl de buitenste opvallend donker en breed gewor-
den is, tenminste op de avls. (op de vvls. zijn in dit geval vaak
beide banden onduidelijk). Welterberg, Epen (Wiss.).
Teratol. ex. Rechteravl. te klein. Hulshorst (Z. Mus.).
Plusiinae.
Plusia Ochs.
557. P. interrogationis L. Zeer zeldzame trekker, die tot nog toe
slechts eens in Nederland aangetroffen is. De vlinder is gebonden
aan vochtige bossen en venen, waar de hoofdvoedselplant van de
rups, Vaccinium uliginosum L., groeit, hoewel het dier nu en dan
ook op andere bosbessoorten en Calluna vulgaris Hull voorkomt.
V. uliginosum nu is bij ons een van slechts enkele vindplaatsen
bekende bosbes, een boreaal-alpine plant, welker Nederlandse
vindplaatsen aan de rand van haar verspreidingsgebied liggen.
Daardoor is de kans, dat interrogationis bij ons een standvlinder
zou kunnen zijn, vrijwel uitgesloten. De enige vindplaats ligt trou-
wens geheel buiten zijn normale biotoop. Maar als zovele Plusia's
is ook deze soort (misschien slechts in enkele gunstige jaren) een
trekker, zoals blijkt uit zijn optreden in het omringende gebied in
1937:
In Denemarken zeldzaam in Jutland en op de eilanden, zeer lo-
kaal, maar in 1937 op Fünen 13 exx. In Sleeswijk-Holstein bij Pin-
neberg (1 ex.) en bij Rendsburg aan de Lübeckerbocht in 1912 en
1) The opinion, expressed by Strand (l.c.), that the form with triangular
costal mark on the fore wings may be the Central-European subspecies, is not
justified. It is very rare, at least in Holland.
2) The broad dark bands along inner and outer line on the fore wings fail.
With the type the ground colour of fore and hind wings is moreover paler
than normal.
(521) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 111
1937; Hamburg: 1 & bij Wedel in 1919 (sic!) ; bij Bremen in
1937 in het Teufelsmoor ten N. van de stad ; uit Hannover alleen
bekend van Wolthausen in het gebied van de Aller en van de
Lüneburger Heide; in Westfalen bij Bochum, Kirchhellen en
Waldeck ; in de Rijnprov. op het Hohe Venn. In België uitsluitend
in de omgeving van de Fagnes de la Baraque Michel (Hockai, Sart-
lez-Spa, Bethane, Eupen, Spa). In Groot-Brittannië in Noord-
Engeland en Schotland op veenachtige heiden (,,moorlands”). In
Ierland gewoon op dezelfde terreinen en in de bergen.
Het ex. werd begin Aug. gevangen. (In Engeland 1 gen. in Juli
en Aug. ook in Pommeren 1 gen. van tweede helft Juni tot eind
Aug.).
Vindpl. Z.H.: Oegstgeest, 1-8-1919 (Martin, 1920, Ent.
Berichten 5: 221, 1920).
558, P. festucae L. Verbreid door het gehele land op niet te
droge plaatsen ; op vochtige terreinen vaak vrij gewoon tot ge-
woon (zie de vele vindplaatsen in het Westen !). 2 gens, de eer-
ste, die minder waargenomen wordt, van de tweede helft van Mei
tot eind Juli (24-5 tot 28-6), de tweede van half Juli tot in de
tweede helft van Septr. (20-7 tot 26-9). Hoofdvliegtijd Aug. en
begin Septr.
Vindpl. Fr.: Terschelling, Leeuwarden, Huizum, Warga,
Scherpenzeel. Gr. : Groningen. Dr. : Bunnerveen, Wijster, Hooge-
veen, Frederiksoord. Ov. : Albergen, Almelo, Borne, Dedemsvaart,
Staphorst, Kampen, Diepenveen, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Har-
derwijk, Putten, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (vrij geregeld),
Lochem, Aalten, Doetinchem, Laag Keppel, Doesburg, Babberich,
Lobith ; Beek bij Nijm., Nijmegen, Elden, Hatert; Wamel. Utr. :
Amerongen, Amersfoort, Eemdijk, Soest, Westbroek, Groenekan,
Maartensdijk, Utrecht, Maarseveen, Maarsen, Loosdrecht, Loe-
nen, Nigtevecht. N.H.: Holl. Rading, Hilversum, ‘s-Graveland,
Huizen, Aalsmeer, Buiksloot, Purmerend, Middelie, Assendelft,
Texel, Velzen, Aerdenhout, Heemstede, De Glip. Z.H. : Oegst-
merdam, Noordwijk, Warmond, Leiden, Leiderdorp, Oegst-
geest, Wassenaar, Den Haag, Reeuwijk, Loosduinen, Vlaardin-
gen, Schiedam, Rhoon, Rotterdam, Charlois, Spijkenisse, Numans-
dorp, Dordrecht, Molenaarsgraaf. Zl. : Serooskerke, Goes. N.B. :
Breda, Ginneken, Tilburg, Oisterwijk, ‘s-Hertogenbosch, Midde-
laar, Nuenen. Lbg. : Plasmolen, Venlo, Tegelen, Steyl, Roermond,
Weert, Voerendaal.
Var. 1. f. coalescens Schultz, 1905, Ent. Z. 19: 86 (marisola
Kroulik., 1908, Soc. Ent. 23: 11; festucella Strand, 1916, Archiv
für Nat. 82 A (2): 28; juncta Greer, 1920, Entom. 53: 43). De
2 zilvervlekken op de vvls. met elkaar verbonden. Seitz 3, Suppl.,
pl. 23g, fig. 1. Vrijwel overal onder de soort, maar steeds zeld-
zaam. Nunspeet (Mac G.); Apeldoorn (de Vos); Nijmegen (Z.
Mus.); Hatert, Wassenaar (Wiss.); Groenekan, Breda, 's-Herto-
genbosch (L. Mus.); Soest (Lpk.); Velzen (Heezen, alleen rechts);
112 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (522)
Rotterdam (T. v. E. 43 V.: 46); Dordrecht (Mus. Rd.); Goes
(Van Berk); Tegelen (Ottenheijm).
2. Dwergen. Wamel, Weert (Z. Mus.); ‘s-Graveland (Doets).
559, P. chryson Esp. Het eerste Nederlandse ex. van deze
prachtige Plusia werd in 1930 door Majoor R ij k gevangen en op
het ogenblik zijn in totaal 5 waarnemingen uit ons land bekend. On-
getwijfeld is ook chryson een zeldzame immigrant, die in het N.W.
van het Continent slechts sporadisch tot op onze breedte door-
dringt. Bovendien valt het op, dat alle, overigens ook zeer zeldzaam
voorkomende, vangsten in het omringende gebied (Engeland niet
inbegrepen) uit de laatste 25 jaar dateren, zodat het trekken naar
onze omgeving van tamelijk recente datum schijnt te zijn.
Uit Denemarken is slechts 1 ex. bekend van Hillerod op See-
land (1933). Niet waargenomen in Sleeswijk-Holstein, bij Ham-
burg, bij Bremen, in Hannover en in Westfalen. In de Rijnprov. bij
Aken (een gaaf ® 20-7-1925) en in de Hunsrück (,häufig”, teste
Kilian, 1932, Int. Ent. Z. Guben 26: 323; hier dus blijkbaar
standvlinder ?)1). In Luxemburg 1 ex. in 1918 te Glasbouren bij
de hoofdstad. In België bij Virton (1927) en Amée-Dave in de
omgeving van Namen (1925), telkens 1 ex. In Groot-Brittannië
in het zuiden van Engeland (hier wel standvlinder ; Tutt (1892),
spreekt in Br. Noct. 4: 25, van „great numbers of larvae’, het sta-
dium, waarin de soort overwintert) en van Wales. Niet bekend
uit Ierland. [Uit Frankrijk alleen van het uiterste zuiden bekend :
Haute-Garonne, Basses-Pyrénées, Haute-Savoie en Alpes-Mari-
times, teste L homme, Cat. Lép. de France et de Belg : 321 !]
1 gen. waargenomen tussen half Juli en half Aug. (16-7 tot
14-8).
Vindpl. Utr. : Zuilen, 18-7-1940 (ten Hove). Zl. : Koude-
kerke, 14-8-1939 (Br.). Lbg.: Rimburg, 16-7-1938 (Mus. Rd.);
Meerssen, 16-7-1938 (Rk.); Maastricht, 1-8-1930 (Btk.).
Var. 1 f. chryson Esp., 1789, Schmett. in Abb., 4: 446, pl.
CXLI, fig. 2 (= aurea Foltin, 1942, Z. Wiener Ent. Ver. 27 : 36).
De vlek op de vvls. goudkleurig. De exx. van Koudekerke, Rim-
burg en Meerssen.
2. f. virescens nov. De grote vlek op de vvls. groengeel?). De
exx. van Zuilen en Maastricht.
560. P. chrysitis L. Verbreid door het gehele land, vrij gewoon
tot gewoon. Vliegtijd tweede helft van Mei tot half Octr. (21-5 tot
15-10) in vermoedelijk 3 niet scherp van elkaar gescheiden gens.
De eerste vliegt door tot ongeveer eind Juli en gaat vrijwel zonder
onderbreking in de tweede over, waarvan de hoofdvliegtijd in
1) Zie ook Warnecke, 1928, „Zur Verbreitung von Plusia chryson Esp.
in Deutschland und Nachbargebieten”, Arch. f. Insektenk. des Oberrheingeb. 2:
237. Püngeler's mening (p. 238), gebaseerd op het ene gave 9, dat de
soort bij Aken inheems is, is ongetwijfeld onjuist:
2) The large spot on the fore wings green-yellow. [The type, as figured by
Esper, has a gold-coloured spot].
(523) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 113
Aug. en Septr. valt. De October-vangsten, die zeer schaars zijn
(1-10-1924, Doetinchem ; 4-10-1924, Twello ; 15-10-1930, Twello;
alle door Cold. waargenomen) behoren misschien tot een partiële
derde gen.
Var. De metaalkleurige banden op de vvls. wisselen nogal in
tint en in uitbreiding.
1. f. disiuncta Schultz, 1900, Ill. Z. f. Ent. 5 : 349 [disjunctaurea
Spuler, 1908, Schmett. Eur. 1: 3661)]. Banden der vvls. zuiver
goudkleurig, niet met elkaar verbonden. Seitz, pl. 64 f, fig. 2
(,disjuncta”). Zeldzaam. Warga (Z. Mus.); Holl. Rading
(Doets); Amsterdam (Z. Mus.); Den Haag, Bergen op Zoom (L.
Mus.).
2. f. aurea Huene, 1901, Berl. Ent. Z. 46: 313. Als 1, maar de
banden met elkaar verbonden. South, pl. 22, fig. 6, al is de tint
lang niet zo mooi als in Seitz. Eveneens zeldzaam. Groningen
(Wiss.); Holl. Rading (Doets); Amsterdam, Leiden, Den Haag,
Scheveningen, Rotterdam (L. Mus.).
3. f. chrysitis L., 1758, Syst. Nat., ed. X : 513. Banden der vvls.
kopergeel, vaak met zwakke groenachtige tint, niet met elkaar ver-
bonden. (,,P. Noctua spirilinguis cristata, alis deflexis : superioribus
orichalceis fascia grisea’; orichalcum = geel koper). Een prach-
tige afb. is Svenska Fjarilar, pl. 31, fig. 3; verder South, fig. 5;
Keer, pl. 59, fig. 5. Gewoon.
4. f. juncta Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 25. Als 3, maar de banden
met elkaar verbonden. Onze Vlinders, pl. 40, fig. 19 b; Seitz, pl.
64 f, fig. 7 (,,aurea’’). Onze gewoonste vorm.
5. f. disjuncta-virescens nov. Banden der vvls. groengeel, niet
met elkaar verbonden?). Seitz, pl. 64 f, fig. 1 (,,chrisitis’). Vrij
zeldzaam. Putten, Lochem, Arnhem (Z. Mus.).
6. f. virescens nov. Als 5, maar de banden met elkaar verbon-
den3). Seitz, pl. 64 e, fig. 5 (,,juncta’’). Vrij gewoon, op alle vind-
plaatsen aan te treffen.
7. f. disjuncta-scintillans Lpk., 1934, Ent. Ber. 9: 33. Banden
der vvls. blauwgroen, niet met elkaar verbonden. Seitz, pl. 64 f,
fig. 3 (scintillans). Veenhuizen (Waning Bolt); Borne (v. d.
Velden); Velp (Knf.); Loenen-Utr. (Kern); Holl. Rading, Hil-
versum (Doets); Amsterdam (v. d. M); Driehuis (Van Berk);
Heemstede (Wiss.).
8. f. scintillans Schultz, 1907, Int. Ent. Z. Guben 1: 32. Als
7, maar banden verbonden. Vrij gewoon. Garrelsweer, Zand-
voort, Heemstede, Wassenaar (Wiss.); Wolvega (v. d. Bergh);
Spankeren (Prince); Leeuwen (Z. Mus); Utrecht (L. Mus.);
Loenen-U. (Kern); Amsterdam (v. d. M.); Middelie (de Boer);
1) Schulz did not state the colour of the bands, as he did not distinguish
the different colour forms. So Speiser was fully justified in fixing disiuncta
for the form with gold-coloured separated bands (1902, Berl. Ent. Z. 47: 139).
His fixation must be considered definite and Spuler’s name falls as a syn-
onym.
2) Bands of the fore wings green-yellow, not connected with each other.
3) As disjuncta-virescens, but the bands connected with each other.
114 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (524)
Driehuis (Cet.); Goes (Van Willegen); ‘s-Hertogenbosch (Lanz);
Deurne (Nies); Meerssen (Rk.).
9. f. decorata Dannehl, 1933, Ent. Z. 47 : 20. De verbinding tus-
sen de 2 banden is zo breed, dat de bruinachtige vlek van de grond-
kleur aan de binnenrand bijna geheel verdwenen is. Bennekom
(Cet.); Wamel (F. F.); Amsterdam, Woerden, Rotterdam (Z.
Mus.); Den Haag (L. Wag.); Lith (L. Mus.).
10. f. croesus Bryk, 1923, Ent. Tidskr. 44: 116. De niervlek
goudkleurig gevuld. Stellig zeldzaam. Lobith (Lpk.); Helmond
(Visser).
11. Dwergen. Maartensdijk (Berk).
561. P. pulchrina Hw. Verbreid in de zandstreken en bosach-
tige gebieden (ook in de duinen), maar veel minder dan P. jota.
1 gen. half Mei tot half Juli (14-5 tot 11-7).
Vindpl. Gr. : Groningen. Ov. : De Lutte, Markelo. Gdl. : Nij-
kerk, Putten, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (zeldzaam), Brum-
men, Nijmegen. Utr. : Groenekan, Utrecht. N.H. : Driehuis, Sant-
poort, Haarlem, Overveen, Vogelenzang. Z.H.: Oegstgeest, Leiden,
Wassenaar, Den Haag, Rotterdam. N.B. : Breda, Oisterwijk. Lbg. :
Venlo, Kerkrade, Geule, Meerssen, Voerendaal.
Var. Bij de typische vorm zijn de twee zilvervlekken op de vvls.,
de droppel en de haak, niet met elkaar verbonden. Verreweg de
meeste exx.
1. f. percontafrix Auriv., 1888—1891, Nordens Fjärilar: 181
(juncta Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 29; ypsilon Riesen, 1901, Ent. Z.
Stettin 62: 166). De beide zilvervlekken op de vvls. met elkaar
verbonden. Zeldzaam. Nijkerk (Z. Mus.) ; Apeldoorn (de Vos) ;
Groningen, Breda (L. Mus.); Overveen (Btk.); Voerendaal (Br.).
2. f. incipiens -Schawerda, 1929, Z. Oest. Ent. Ver. 14: 107
(orbata Dahl, 1930, Ent. Tidskr. 51: 252, pl. I, fig. 4). De droppel
ontbreekt. Voerendaal (Br.).
3. f. gammoides Speyer, 1875, Ent. Z. Stettin 36: 103, noot.
Grondkleur niet roodachtig, maar violetgrijs. Svenska Fjärilar,
pl. 31, fig. 5 (Cf. de typische Engelse vorm bij South, pl. 24,
fig. 5 en 6 !). Natuurlijk kunnen ook bij deze kleurvorm de vlekken
los of verbonden zijn. Bij de inlandse exx., die ik zag, waren ze
steeds lost). Twello (Cold.) ; Nijmegen, Leiden, Oisterwijk, Venlo
(Z. Mus.).
562, P. jota L. Door het gehele land verbreid op zandgronden en
in bosachtige streken, over het geheel gerekend stellig gewoner
dan pulchrina. 1 gen. half Mei tot eind Juli (18-5 [-1945] tot
DEN),
Vindpl. Fr.: Olterterp. Dr.: Schoonoord, Wijster. Ov. : De
Lutte, Almelo, Colmschate. Gdl.: Barneveld, Nijkerk, Ermelo,
Harderwijk, Apeldoorn, Twello (vrij gewoon), Voorst, Brummen ;
1) Speyer zelf zegt van de vlekken niets. Hij beschreef gammoides uit-
sluitend als kleurvorm.
(525) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 115
Lunteren, Lochem, Aalten, Haarlo, Doetinchem, Montferland, Bij-
vank, Didam; Beek-Nijm., Nijmegen, Malden, Hatert. Utr.:
Zeist, Amersfoort, Soest. N.H. : Hilversum, Amsterdam (1 ex., Z.
Mus.), Driehuis, Haarlem, Overveen, Heemstede. Z.H. : Noord-
wijk, Oegstgeest, Rijnsburg, Leiden, Wassenaar. Den Haag, Voor-
schoten, Numansdorp, Dordrecht, Giesen. Zl.: Kapelle. N.B.:
Breda, Tilburg, Helvoirt, Helmond, Deurne. Lbg.. Mook, Stein,
Kerkrade, Voerendaal, Valkenburg, Aalbeek, Houthem, Epen.
Var. 1. f. baltica Speyer, 1875, Ent. Z. Stettin 36: 103, noot.
Grondkleur der vvls. veel donkerder, meer violetbruin in plaats
van roodachtig. Seitz, pl. 64k, fig. 2. Olterterp (Z. Mus.); Over-
veen (Btk.).
2. f. percontationis Treitschke, 1826, Schmett. von Eur. 5 (3):
184. De 2 zilvervlekken op de vvls. met elkaar verbonden. Zeld-
zaam. Wijster (Beijerinck); Almelo (v. d. M.); Twello (Cold; een
ander ex. heeft links de gamma verbonden, rechts in 3 delen ge-
splitst); Beek-Nijm. (Z. Mus.).
3. f. incipiens nov. Van de twee zilvervlekken ontbreekt de
droppel terwijl de haak normaal is!). Nijmegen, Amsterdam (Z.
Mus.); Overveen (Btk.); Kerkrade (Fr.); Valkenburg (L. Mus.).
4. f. inscripta Esper, 1788, Schmett. in Abb. 4 : 229, pl. 113, fig. 5.
Droppel en haak ontbreken beide. Valkenburg (L. Mus.). Een
trans. waarbij elk der beide vlekken tot een zeer klein stipje is
gereduceerd, van Apeldoorn (de Vos).
Opm. In de literatuur vermelde vindplaatsen van P. pulchrina
en P. jofa, waarvan de bewijsexx. niet meer in een collectie aan-
wezig waren, heb ik niet opgenomen, daar beide soorten veel met
elkaar verward worden. Zo wordt in T. v. E. 46 V.: 52, jota van
Venlo opgegeven, maar van deze vindplaats is alleen de niet ver-
melde pulchrina aanwezig.
Beide soorten zijn naar de volgende kenmerken van elkaar te
onderscheiden :
1. P. jota is groter dan P. pulchrina. :
2. P. jota is roder, pulchrina paarser, donkerder, en bonter.
3. Bij jota komt geen ronde vlek voor (bij zeer gave exx. is ech-
ter nog vaak een stukje van de onderrand der vlek te zien), terwijl
pulchrina een volledige donkere vlek heeft.
Afgevlogen exx. zijn alleen te herkennen, wanneer voldoende gaaf
materiaal van beide soorten ter vergelijking aanwezig is. Ze zijn zeer
nauw aan elkaar verwant, wat ook wel blijkt uit de geringe ver-
schillen in het copulatie-apparaat. Voor zover ik kon nagaan, be-
staat er bij de 3 & alleen een constant verschil in de vorm van
het proximale uiteinde van de cornutus, terwijl de 2 © iets makke-
lijker te onderscheiden zijn. Zie de figuren en de hieronder volgende
uitvoeriger Engelse tekst.
Observation. Plusia pulchrina and P. jota are very closely
1) The drop of the two silver spots fails, the hook is normal.
116 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (526)
related species as may be judged from the great resemblance in the
shape of the genitalia. Pierce (1909, Genit. Noct. : 77) gives for
both species the same description of the & sexual organs, so that
it is clear that he did not discover any difference. His figures (l.c.,
pl. XXIX) suggest distinguishing characters in the shape of the
clavus and the saccus, but on drawing these parts of several
specimens they appeared to be variable and not offering stable dif-
ferences. The same holds for the shape of the valvae and the place
Fig. 26. Cornuti van Plusia pulchrina Fig. 27. Genitaalapparaat van Plusia
Hw. (nos. 128 en V.631) en P. jota L. pulchrina Hw. 2 (links, no. 138) en
(V. 630 en 263). + 25 x. Plusia jota L. 2 (rechts, no. 131). #7 x.
of the strong spine-like hairs on them. I discovered, however, a
difference in the shape of the proximal end of the cornutus which
seems to be reliabe: in pulchrina it begins broad and in jofa
with a point (see fig. 26).
The female genitalia offer more points of difference, though they
are rather slight. 1. The end of the abdomen is in pulchrina less
chitinized than in jota. 2. The ostium of pulchrina possesses some
strong chitinous ridges. (In both species the ostium is scobinate,
that means : surface covered with rasp-like teeth, and not only in
pulchrina as Pierce writes in "The female genitalia of the Noc-
tuidae” : 57, 1942, though in jota the teeth are smaller). 3. The
ductus bursae is in pulchrina stronger chitinized than in jofa. 4. The
ductus of jota is much longer. 5. (Stated by Pierce, l.c.): the
bursa of pulchrina has a thickened patch at one side (see fig. 27).
563. P, gamma L. Eén van onze bekendste immigranten, die
(527) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 117
elk voorjaar uit het gebied van de Middellandse Zee naar noor-
delijker streken trekt. Een enkele maal, zoals in 1946, gebeurt dit in
enorm aantal, zodat de rupsen dan in sommige landbouwcentra
grote schade kunnen aanrichten. Hier te lande plant de vlinder zich
meestal 2 generaties voort en kan dan in gunstige zomers zeer talrijk
worden. In het najaar daalt het aantal individuen echter in korte
tijd tamelijk snel. Vrij zeker trekt het grootste deel dan weg in
zuidelijke richtingen om in gunstiger streken als imago de winter
door te brengen. Het is natuurlijk niet makkelijk dit emigreren in
ons land te constateren. Daarvoor zou een groot aantal statistische
gegevens uit verschillende delen van Nederland ter beschikking
moeten staan en zover zijn we nog niet. Wel is het met zekerheid,
en herhaaldelijk, waargenomen in Engeland, dat als eiland natuur-
lijk bijzonder gunstig voor dergelijke onderzoekingen is. Zie de
uitvoerige studie van Miss K. Fisher, 1938, „Migrations of the
silver-y moth (Plusia gamma) in Great Britain”, Journal of
Animal Ecology 7: 230—247. Reeds in Augustus komen daar
vluchten in zuidelijke richting voor en later, in de herfst, kunnen
deze herhaaldelijk opgemerkt worden.
Overwintering in onze streken komt slechts bij hoge uitzondering
voor. Kleinjan ving 12 en 20 December 1942 telkens 1 ex. bin-
nenshuis te Almelo. Dat een imago er echter in slaagde hier de
hele winter door te komen, is nog nooit waargenomen. Wel kan dit
een late rups, die in het najaar niet meer het popstadium bereikte.
Herwarth vond 1 April 1946 zo een ex. op Rumex te Heemstede,
dat 16 April verpopte en 10 Mei de vlinder leverde. Dit dier had
in Februari een vorstperiode moeten doormaken met een laagste
minimumtemperatuur van ongeveer — 10° C en in Maart een voor
die tijd van het jaar uitzonderlijke sneeuwval. Toch is dit onge-
twijfeld een hoge uitzondering, misschien mede veroorzaakt door
het feit, dat de najaarsvlinders zich als regel niet meer datzelfde
jaar voortplanten. Hun vetlichaam is zeer. omvangrijk, de eieren der
wijfjes daarentegen zijn onontwikkeld, eigenschappen, die in ver-
band staan met de naderende overwintering als imago (Fisher,
l.c.). Vermeldenswaard is, dat in hetzelfde voorjaar ook in Enge-
land overwinterde rupsen gevonden werden. Cooper trof ze in
Febr. en Maart op nog met sneeuw bedekte kool in North Riding
(Yorkshire) aan (1946, Entomologist 79 : 176).
Tussen de verbleekte immigranten worden bij ons in het voorjaar
soms zeer verse exx. opgemerkt. Mogelijk is daar dus wel eens
een hier ontwikkeld ex. bij, maar in het zoveel gunstiger Mediterrane
klimaat zullen late rupsen (en eventueel poppen) er stellig veel
lichter in slagen te overwinteren en deze kunnen dan zeer vroeg in
het jaar de imagines leveren. De vangsten hier bewijzen dan ook
niets.
De vlinder is in Nederland waargenomen van half April tot begin
November (16-4 tot 6-11). Alleen in vroege jaren beginnen de
immigranten reeds in April te komen, meestal verschijnen ze pas
in Mei, vliegen het drukst in Juni en zelfs nog begin Juli. De eerste
118 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (528)
inlandse generatie begint soms in Juni (23-6-1940 een ex. uit een
te Amsterdam gevonden pop, Lpk.), meestal in Juli, en, bereikt tegen
het einde van deze maand of begin Aug. haar hoogtepunt. Eind
Augustus of begin Septr. is meestal een duidelijke achteruitgang op
te merken, maar in de loop van Herfstmaand treedt weer een merk-
bare stijging op : de tweede Nederlandse gen. begint uit te komen.
Uiterlijk begin Octr. neemt het aantal individuen echter snel af.
Enkele nablijvers rekken het al naar het weer tot het einde der
maand of begin Nov. Binnenshuis gekweekte rupsen kunnen nog
zeer laat het imago-stadium bereiken: 28 Nov. 1941 (Prof.
Brouwer), 2 Dec. 1946 (Neijts).
Voor meer gedetailleerde gegevens verwijs ik naar de jaarlijks
in de Entom. Berichten gepubliceerde trekvlinderverslagen.
Bekend van Griend, Texel, Terschelling, Ameland en Schier-
monnikoog.
Var. De grondkleur variëert nogal in tint, terwijl hetzelfde
geldt van de gamma-tekening. De goudkleurige tint daarvan kan
geheel verbleken tot wit. Bij bijna alle immigranten kunnen we dit
opmerken, een bewijs, dat ze een overwintering als imago achter
de rug hebben. Ze houden daarbij geen winterslaap, maar net als
de atalanta blijven ze aan de Rivièra doorvliegen. (Vgl. de ver-
bleekte achterrand bij overwinterde exx. van Nymphalis antiopa
L.!) Variaties in de vorm van het gamma-teken zijn uiterst zeld-
zaam en dan niet zelden nog maar eenzijdig.
1. f. gamma L. In Syst. Nat., ed. X: 513 (1758) beschrijft
Linné de vvls. als ,,fuscis A aureo inscriptis”. In de Fauna Svecica,
p. 312 (1761) luidt de Descriptio : „Alae superiores fusco-nebulosae,
pulchre variegate”, terwijl de variabiliteit van de kleur der gamma
hem toen ook opgevallen was: ,,Variat Littera alarum argenteo &
aureo colore”. De typische vorm heeft dus de vvls. met een donker
bruingrijze grondkleur (de donkere gedeelten), waarover meest een
mooie violette gloed ligt. Svenska Fjärilar, pl. 31, fig. 6; Seitz, pl.
65 a, fig. 2 ; Keer, pl. 59, fig. 10. Hoofdvorm. Bijna even gewoon is
een vorm, waarbij de bruinachtige tint ontbreekt, zodat de grond-
kleur zwartgrijs wordt : South, pl. 26, fig. 1, een overgang van de
typische kleurvorm naar f. nigricans.
2. f. pallida Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 32. De lichte gedeelten van
de vvls. (franjeveld en grote voorrandsvlek franjewaarts van de
niervlek) zeer licht van kleur, witachtig grijs. South, fig. 2, is een
trans. Seitz, pl. 65 a, fig. 3 (als alle fign. van gamma te bruin).
Delfzijl (Wiss.); Putten, Amsterdam, Rotterdam (Z. Mus.);
Leuvenum, Lunteren (L. Wag.); Berg en Dal, Nijmegen, Mook
(Bo.).
3. f. rufescens Tutt, lc. De roodbruine vlek onder de gamma
groter dan gewoonlijk en meer in het oog vallend. Breda (28).
4. f. lilacina nov. De lichte delen van de vvls. prachtig licht
la Zeist. el. (Br):
5. f. nigricans Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 304 (purpurissa
1) The pale parts of the fore wings beautifully pale lilac.
(529) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 119
Warren, 1913, Seitz 3 : 351, pl. 65 a, fig. 61). Grondkleur der vvls.
zeer donker, zwartachtig met violette gloed. Boekelo (Herwarth);
Twello (Cold.); Nijmegen (Wiss.); Griend (Z. Mus.); Voeren-
daal (Br.).
6. f. comma Ostrejkówka, 1929, Trav. Soc. des Sc. et Lettres,
Classe des Sc. Math.-Nat. 1: 1. De gamma gereduceerd tot een
tamelijk dik, in het midden gebogen, staafje. Amsterdam, dwerg
(Vári); Gulpen (dwerg, rechts, Z. Mus.).
7. £. bipartita Orstadius, 1929, Ent. Tidskr. 50 : 251 ; 1930, op. cit.
51 : 256, fig. De gamma doorgebroken in een haak en een droppel.
Amsterdam, 2 exx. (alleen rechts, Vari), 1 ex. (idem, F. F.); Rotter-
dam (alleen links, 17).
8. f. tiltscheri Diöszeghy, 1935, Verh. und Mitt. Siebenb. Ver.
f. Naturk., 83-84: 130. Een verdere reductie van de gamma-
tekening : de droppel ontbreekt. Dordrecht of Velp (De Roo van
Westmaas)?).
9. f. minuscula Lbll., 1904, Cat. Lép. Belg. : 144. Dwergen, bijna
altijd ook met lichtere grondkleur. In de regel niet gewoon, maar in
1946 onder de in ons land geboren exx. vrijwel overal aangetroffen,
en plaatselijk zelfs in aantal.
564. P. confusa Stephens, 1850 (gutta Guenée, 1852). Uiterst
zeldzame trekker, die tot nog toe slechts driemaal in ons land is
waargenomen. Ook in het omringende gebied een nauwelijks op-
gemerkte immigrant.
Uit Denemarken 1 ex. bekend, dat in 1938 te Tisvilde op See-
land werd gevangen. Van het omringende Duitse gebied slechts
als zeer zeldzaam uit de Rijnprov. bekend (Kreuznach, oude vangst;
Stromberg in de Hunsrück, 18 en 22-9-1936, zie Ent. Z. 55 : 260).
In België bij Virton (2 exx., 23-9-1936) en Tourinne-la-Chaussée
(12-5-'46). Niet bekend uit Groot-Brittannië en Ierland. Zie ook:
G. Warnecke, „Phytometra confusa Stph. (Plusia gutta Gn.)
als Wanderfalter in Mitteleuropa”, Ent. Rundsch. 55: 123—
127, 1937.
Twee Nederl. exx. dateren van Augustus, &&n van October, blijk-
baar een latere generatie.
Vindpl. Utr.: Zeist, 10-8-1945 (Gorter). N.H.: Amster-
dam, Aug. 1934, 1 & in een seinhuis in A'dam-Oost, Clomp leg.
(vermeld door Ceton, 1935, Ent. Ber. 9: 145). N.B.: Deurne,
12-10-1945, een iets afgevlogen ex. (Nies).
565. P. ni Hb. Eveneens een uiterst zeldzame, nog slechts één
maal in Nederland opgemerkte trekker, die ook in de ons omrin-
gende landsdelen vrijwel even zeldzaam is als confusa.
Niet bekend uit Denemarken. Evenmin uit het omringende Duitse
1) I saw the types of purpurissa Warren in the Tring Museum. They per-
fectly correspond with the description of nigricans Spuler.
2) In deze oude collectie stond op het etiket van de soortnaam aangegeven,
van welke vindplaats(en) de exx. afkomstig waren. Aan de spelden zelf bevon-
den zich geen etiketten, zodat, indien De Roo een soort van meer dan één
vindpl. bezat, nooit uit te maken is, waar elk ex. gevonden werd.
120 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (530)
gebied, met uitzondering van Westfalen, waar 26 Aug. 1931 een ex.
bij Bochum-Weitmar werd gevangen. Niet bekend uit België. In
Groot-Brittannië zeer zeldzaam in het zuiden van Engeland en
Wales, stellig niet inheems. In lerland 11 exx. in 1931 te Ummera,
Co. Cork, 4 afgevlogen in Juni en 7 gave in Septr., waarvan ver-
moed wordt, dat ze zich ter plaatse ontwikkeld hebben (Dono-
van, Cat. Macrolep. Ireland : 65).
Het Nederlandse ex. werd begin Juli gevangen.
Viinidip Gdl twello; 3 jul 1931 (Cd
Polychrisia Hb.
566. P. moneta F. Deze voor het eerst in 1880 hier te lande
waargenomen uil (vermeld in T. v. E. 24 : XXIII) heeft zich bij ons
volkomen ingeburgerd, komt vrijwel door het gehele land voor en
kan in kwekerijen zelfs schadelijk worden.
2 gens, de eerste van tweede helft van Mei tot half Aug. (20-5
tot 17-8, hoofdvliegtijd Juli), de tweede, die zeer partiëel is en in
minder gunstige jaren zelfs geheel schijnt te ontbreken, van de
tweede helft van Aug. tot half Octr. (25-8 tot 10-10).
[W ijnbelt (1946, Entom. Berichten, 12: 21) wijst er op, dat
alleen de op Delphinium levende rupsen een tweede gen. kunnen
leveren, niet die, waarvan de eieren op Aconitum gelegd worden,
omdat deze daarvoor te vroeg verwelkt. Overigens zijn zijn conclu-
sies nogal aanvechtbaar. Ook Postel (Bull. Soc. Ent. France,
1910, p. 181) meldt voor het veel mildere Franse klimaat slechts
1 gen. op Aconitum. De rups mineert in de zachtste scheuten der
plant en overwintert zeer klein. Het blijkbaar kleine gedeelte, dat
(zeer waarschijnlijk ten gevolge van zijn genetische constitutie)
een tweede gen. behoort te leveren, gaat op Aconitum te gronde,
tenzij de neiging tot doorgroeien onder ongunstige omstandigheden
onderdrukt kan worden. Dit zal nog nader onderzocht moeten
worden. |
Vindpl. Fr.: Kollum, Veenwouden, Huizum, Heerenveen.
Gr. : Delfzijl, Groningen. Dr. : Veenhuizen, Wijster. Ov. : Lonne-
ker, Almelo, Borne, Colmschate. Gdl. : Ermelo, Putten, Leuvenum,
Millingen, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (tamelijk gewoon), Velp,
Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wageningen, Bennekom; Aalten,
Doetinchem, Babberich, Lobith; Lent, Nijmegen, Wamel, Tiel.
Utr. : Rhenen, Amerongen, Zeist, De Bilt, Utrecht, Amersfoort,
Soest, Groenekan, Maartensdijk, Zuilen, Maarseveen, Loenen,
Nigtevecht. N.H.: Hilversum, Aalsmeer, Amsterdam, Zaandam,
Broek in Waterland, Middelie, St. Pancras (in 1942 en 1945 scha-
delijk !), Driehuis, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Heemstede.
Z.H.: Leiden, Wassenaar, Voorburg, Den Haag, Vlaardingen,
Rotterdam, Numansdorp, Dordrecht, Melissant. Zl. : Middelburg,
Goes. N.B. : Breda, Eindhoven, Helmond. Lbg.: Venlo, Tegelen,
Steyl, Kerkrade, Voerendaal, Wittem, Aalbeek, Meerssen, Maas-
tricht, Epen.
Var. 1. f. pallescens nov. Grondkleur der vvls. bleek geelbruin.
(531) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 121
Alle exx. van de herfstgen. behoren tot deze vorm, die echter ook
in de eerste gen. voorkomt!): Nijmegen, Wamel, De Bilt, Groene-
kan (Z. Mus.); Breda (L. Mus.).
2. f. maculata nov. De grondkleur der vvls. verdonkerd, zodat de
middenschaduw niet meer afsteekt; de zwarte bestuiving in het
franjeveld verdicht tot zwarte vlekken tussen de aderen?). Apel-
doorn (een prachtig ex. in coll.-De Vos, een ander in L. Mus.).
3. f. aurea nov. Grondkleur der vvls. prachtig goudgeelbruin,
donkere bestuiving vrijwel geheel ontbrekend, middenschaduw
- lichtbruin3). Groningen, Wassenaar (Wiss.); Apeldoorn (L. Mus.,
de Vos).
4. f. renitangens nov. De niervlek raakt aan onder- en bovenzijde
de middenschaduwt). Kollum, De Bilt, Arnhem (Z. Mus.); Zeist
(Br.); Groenekan, Breda (L. Mus.).
5. Dwergen. Twello (Cold.).
Chrysoptera Latreille.
567. C. ce aureum Knoch. Lokaal, maar zowel in het oosten
en westen, als in het zuiden aangetroffen. De vlinder wordt zel-
den opgemerkt, maar de rups is op verschillende plaatsen in aan-
tal gevonden, ook in verschillende jaren op dezelfde vindplaats,
wat er wel op wijst, dat de soort hier inheems is. Waarschijnlijk is
het aantal vindplaatsen wel uit te breiden, mits maar naar de rup-
sen gezocht wordt. Men denke er echter om, dat zij uitsluitend
schijnen voor te komen op Thalictrum-planten, die op beschaduwde
plaatsen groeien. De noordwestgrens van het verbreidingsgebied
loopt door ons land, wat mede een verklaring is voor het verspreide
voorkomen.
In Denemarken alleen lokaal op Seeland, plaatselijk als rups
talrijk. In het omringende Duitse gebied alleen vroeger in West-
falen gevonden bij Munster (het laatst + 1880). In België alleen
zeldzaam in het oosten (Huy, Namen, Dinant, Ardennen, alle oude
vangsten). Ontbreekt in Groot-Brittannië en lerland.
1 gen., Juli (12-7 tot 28-7, naar gekweekte exx.).
Vindpl. Ov.: Colmschate (1939). Gdl.: Warnsveld
(1888)5); Lochem (1900, 1907); Vorden (1943); Almen (1923);
1) Ground colour of the fore wings pale yellow-brown. All examples of the
autumnal generation belong to this form, which is, however, also found in the
first: gen.
2) The ground colour of the fore wings darkened, so that the central shade
no longer contrasts ; the black powdering in het submarginal area condensed to
black spots between the nervures.
[G. H. Heath figures 2 exx. of this form in Entom. 46, pl. IV, fig. 1, 2,
1913, bred from caterpillars found at Boxmoor, Herts., in 1912].
3) Ground colour of the fore wings beautifully gold yellow brown, dark
sprinkling almost completely absent, central shade pale brown.
4) At its upper and lower edge the reniform stigma touches the central shade.
5) In T. v. E. 32: CXXXVII, door Snellen vermeld als van Zutfen.
Het ex. bevindt zich in L. Mus. en draagt Snellen's etiket: Warnsveld
bij Zutfen. Het kwam 28-7 uit de pop. De rups was gevonden door Groll
(IT Eno Ie)
122 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (532)
Laren (Lev. Nat. 5: 259). Utr. : Loosdrecht (1857). N.H.: Anke-
veen (1901). Z.H. : Rockanje (1920, 1929). N.B.: Breda (T. v.
Ent. 13: 153; 1929); Oisterwijk (1906, 1927).
Abrostola Ochs.
568. A. triplasia L. Verbreid door het gehele land, vrij gewoon
tot gewoon, vooral op licht. Vliegtijd van eind April tot begin
Octr. (28-4 tot 2-10), vrijwel zonder onderbreking, in 2 gens. in
gunstige jaren vermoedelijk nog een zwakke derde gen. Colde-
wey merkt over de vliegtijden op (in litt.) : „De begindatum
der eerste gen. ligt over de gehele Meimaand verspreid en zelfs
iets er buiten. In 1930 bijv. verscheen de eerste vlinder op 28-4 en
in 1929 en 1932 pas op 2-6. Geen wonder, dat in sommige jaren
gen. I wel tot half Juli kan doorvliegen, terwijl ze in andere jaren
begin Juli reeds ophoudt. Met zekerheid heb ik I nog vastgesteld
op 12-7, in 1934 waarschijnlijk nog op 17-7. De tweede gen. kan
met zekerheid beginnen op 16-7, en allicht al op 13-7; dikwijls
echter verschijnt ze eerst in de derde decade van Juli. Ze vliegt
soms door tot 12 of 13 Septr. In 1937 verscheen na 1-9 een ex.
op 27-9 en in 1938 na 23-8 een ex. op 18-9 en een ander op 21-9.
Zo komen we tot de volgende indeling: gen. I begin, midden of eind
Mei (in 1930 reeds eind April) tot begin of midden Juli; gen. II
midden of eind Juli tot begin of midden Septr.; gen. III tweede
helft van Septr. tot begin Octr. (18-9 tot 2-10).”
Vindpl. Fr. : Leeuwarden, Bolsward. Gr. : Delfzijl, Gronin-
gen. Dr. : Schoonoord, Hoogeveen. Ov.: Denekamp, De Lutte,
Borne, Almelo, Colmschate, Deventer, Diepenveen. Gdl. : Nijkerk,
Harderwijk, Putten, Nunspeet, Epe, Apeldoorn, Twello (zeer
gewoon), Empe, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wage-
ningen, Bennekom; Zutfen, Warnsveld, Lochem, Vorden, Aalten,
Doetinchem, Doesburg, Babberich, Lobith ; Nijmegen, Groesbeek,
Malden; Leeuwen, Wamel, Tiel. Utr.: Rhenen, Amerongen,
Doorn, Driebergen, Maarn, Zeist, Amersfoort, Soest, Maartensdijk,
Utrecht, Loosdrecht, Loenen. N.H.: Hilversum, ‘s-Graveland,
Aalsmeer, Amsterdam, Middelie, Haarlem, Heemstede, Vogelen-
zang. Z.H. : Oegstgeest, Leiden, Katwijk, Wassenaar, Rotterdam,
Rhoon, Oud-Beierland, Numansdorp, Dordrecht, Melissant. Zl. :
Goes. N.B.: Bergen op Zoom, Breda, Ginneken, Oudenbosch,
Tilburg, Oisterwijk, Geertruidenberg, Waalwijk, ‘s-Hertogenbosch,
Hilvarenbeek, Nuenen, Helmond. Lbg.: Mook, Venlo, Tegelen,
Steyl, Roermond, Weert, Brunsum, Kerkrade, Rolduc, Voerendaal,
Valkenburg, Houthem, Meerssen, Maastricht, Epen, Mechelen.
Var. 1. f. monotona nov. De lichte kleur op de vvls. ontbreekt,
overigens normaal!). Delfzijl (Wiss.).
2. f. juncta nov. Zie Cat. IV: (204). Bennekom (Cet.) ; Breda
(Z. Mus.).
3. f. semiconfluens nov. Zie Cat. IV, lc. Malden (Wiss.).
1) The pale colour on the forewings fails, for the rest normal.
(533) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 123
569. A. tripartita Hufn. Eveneens door bijna het gehele land
verbreid, maar minder gewoon dan triplasia. 2 gens., de eerste
half Mei tot eind Juli (16-5 tot 27-7), de tweede eerste helft van
Aug. tot begin Septr. (11-8 tot 9-9).
Vindpl. Gr.: Groningen. Dr. : Wijster, Hoogeveen, Wapser-
veen. Ov. : Colmschate. Gdl.: Harderwijk, Garderen, Apeldoorn,
Twello (ongeregeld en zeldzaam), Velp, Arnhem, Wageningen,
Bennekom ; Vorden, Aalten, Doesburg, Lobith, Herwen ; Berg en
Dal, Nijmegen, Groesbeek, Wamel, Tiel. Utr. : Doorn, De Bilt,
Amersfoort, Soest, Maartensdijk, Maarseveen, Harmelen, Loos-
drecht, Loenen, Vreeland, Nigtevecht, Botshol, Abcoude. N.H.:
Hilversum, ‘s-Graveland, Bussum, Naarden, Kortenhoef, Amster-
dam, Aalsmeer, Spanbroek, Wijk aan Zee, Haarlem, Overveen.
Z.H.: Bodegraven, Leiden, Oegstgeest, Endegeest, Wassenaar,
Voorschoten, Den Haag, Loosduinen, Delft, Zevenhuizen, Vlaar-
dingen, Rotterdam, Numansdorp, Dordrecht, Giesendam, Melis-
sant. Zl. : Domburg, Serooskerke, Goes, Kapelle, Wemeldinge.
N.B. : Bergen op Zoom, Ginneken, Breda, Oudenbosch, Ooster-
hout, Waspik, ‘s-Hertogenbosch, Uden, Nuenen. Lbg. : Plasmolen,
Venlo, Tegelen, Steyl, Weert, Roermond, Rimburg, Brunsum,
Kerkrade, Voerendaal, Valkenburg, Houthem, Geulem, Meerssen,
Maastricht, Mechelen, Epen.
Var. De typische vorm heeft een donker middenveld, terwijl
wortel en achterrand lichter van grondkleur zijn en sterk gemengd
met groenig wit. Hoofdvorm.
1. f. urticae Hb., 1814— 1817, Samml. Eur. Schm., fig. 625. Wor-
tel en achterrandsveld even donker als het middenveld, de eerste
dwarslijn wit afgezet, voor de achterrand een witte golflijn; de
overige witte tekening ontbreekt. Niet zeldzaam. Nijmegen, Wijk
aan Zee, Bodegraven, Delft, Rotterdam, Houthem (Z. Mus.);
Breda (14); Voerendaal (Br.).
2. f. plumbea Cockayne, 1947, Ent. Record 59: 15. Vvls. een-
kleurig donker loodgrijs zonder lichte tekening, gewone donkere
tekening zichtbaar ; avls. bijna eenkleurig donker ; abdomen don-
kergrijs, de haren aan de wortel niet lichter. Valkenburg (Z.
Mus.).
3. f. juneta nov. Zie Cat. IV : (204). Arnhem, Wijk aan Zee,
Overveen, Houthem (Z. Mus.); Nijmegen (de Vos).
4. f. semiconfluens nov. Zie Cat. IV, lc. Wamel, Naarden, Am-
sterdam, Rotterdam, Valkenburg (Z. Mus.); Breda (11—15);
Epen (Wiss.).
5. De Gavere (T. v. E. 10: 210) vermeldt een vorm: „a
tache réniforme divisée en deux.”
Episema Ochs.
570. E. caeruleocephala L. Verbreid door het gehele land op
alle grondsoorten, meer of minder gewoon, al naar de vindplaatsen
en jaren.
124 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (534)
1 gen., eind Aug. tot begin Nov. (30-8 tot 8-11), hoofdvliegtijd
October.
V ar. Bij de typische vorm zijn ronde vlek en niervlek met elkaar
verbonden, al zijn beide vlekken afzonderlijk nog duidelijk zicht-
baar (,,macula alba duplicato didyma”, Linné in Syst. Nat, ed.
X : 504, 1758). Hoofdvorm.
1. f. bipartita Strand, 1903, Archiv for Mathem. och Naturvid.
25 (9) : 12. Ronde vlek en niervlek geheel los van elkaar. Kollum,
Muiderberg, Amsterdam, Hillegom (Z. Mus.); Groningen, Hatert
(Wiss.); Kerkrade (Latiers).
2. f. orbimaculata Strand, l.c. Ronde vlek en niervlek met elkaar
verbonden ; tussen deze en de eerste dwarslijn een derde ronde
kleine vlek. Putten, Muiderberg, Amsterdam, Overveen, Voor-
schoten, Rotterdam (Z. Mus.); Breda (20, 24).
3. f. coalita Meves, 1914, Ent. Tidskr. 35: 14. Ronde vlek en
niervlek zo samengesmolten, dat ze 1 grote vlek vormen met 2 grijze
centra. Rijsen, Oosterbeek, Amsterdam, Overveen, Hillegom,
Noordwijk, Rotterdam (Z. Mus.); Haarlem (Wiss.); Leiden, Ber-
gen op Zoom, Breda (L. Mus.).
4. f. protensa nov. Ronde vlek uitgerekt en eerste dwarslijn ra-
kend!). Overveen (Z. Mus.).
5, f. obsoleta nov. Niervlek bijna of geheel verdwenen?). Til-
burg (Van den Bergh).
6. f. clausa nov. Zie Cat. IV : (204). Muiderberg, Overveen,
Rotterdam (Z. Mus.); Breda (23).
Ophiderinae.
Scoliopteryx Germar.
571. S. libatrix L. Algemeen door het gehele land, op allerlei
grondsoorten. Bekend van Texel, Terschelling en Schiermon-
nikoog.
De soort komt in ons land vrijwel zeker in 2 generaties voor. Dat
we bij een zo algemeen voorkomend dier niet volkomen op de
hoogte zijn van de duur der vliegtijden van elk, wordt vooral ver-
oorzaakt door het feit, dat er geen grens tussen de generaties te
vinden is. In het buitenland staat men voor dezelfde moeilijkheid.
Zo schrijft Urbahn in zijn reeds meermalen geciteerde uitste-
kende bewerking van „Die Schmetterlinge Pommerns” (p. 461,
1939): „Ob es sich um eine oder zwei Generationen handelt, ist
nicht geklärt."
De overwinterde exx. zijn tot half Juni waargenomen (laatste da-
tum : 17-6-1926, Oisterwijk, Tutein Nolthenius). Verse
exx. kunnen reeds eind Juni verschijnen. Ik bezit een ¢, dat
27-6-1936 uit de pop kwam, afkomstig van een te Amsterdam ge-
vonden rups. Coldewey nam 29-6-1940 een ex. waar te Twello,
nadat hij overwinterde dieren reeds op 8, 23 en 30 April had op-
gemerkt, Branger ving 1 Juli 1946 een vers © te Lunteren.
) Orbicular stigma lengthened and touching the inner line.
) Reniform stigma almost or completely disappeared.
1
2
(535) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 125
Overigens is Juni juist de maand, waarin de minste exx. voorkomen.
Cold. merkt op: „De overwinterde exx. zijn dan grotendeels ver-
dwenen en van de nieuwe komen pas de allervroegste te voor-
schijn. Vele verschijnen er verder in Juli en Augustus.” South
vermoedt, dat de dieren, die het vroegst uitkomen, het eerst gaan
overwinteren. Dat alle Juni-Juli-exx. dit zouden doen, lijkt me
echter uitgesloten. Eind Aug. en Septr. zijn rupsen en poppen zeer
gewoon en zelfs in October zijn ze nog te vinden. Bo t zen kweek-
te in 1944 bijv. nog 1 en 7 Dec. vlinders uit bij Amsterdam gevon-
den rupsen (in uit de aard der zaak onverwarmde kamer).
De mogelijkheid van het voorkomen ener tweede gen. hangt na-
tuurlijk af van de vraag, hoe lang de cyclus van ei tot imago
duurt. Helaas blijft, voor zover ik kon nagaan, de literatuur ons het
antwoord hierop schuldig. Zelfs Sepp laat ons hier in de steek,
evenals Buckler. Een nauwkeurige opgave van de duur van elk
stadium, getoetst aan de resultaten van enkele ab ovo kweken,
blijft dan ook zeer gewenst. Stellen we de duur der ontwikkeling
op 2 à 214 maand!), dan zijn alle exx. van 27-6 tot eind Aug. en
misschien nog begin Septr. afstammelingen van de overwinteraars,
dus eerste gen. Mogelijk overwintert een deel hiervan, en dan mis-
schien al vroeg, zoals South vermoedt (dus als bij Aglais urticae
L. ; maar wie heeft in ons land wel eens zulke vroege overwinteraars
waargenomen ?), terwijl de rest zich dan voortplant en een tweede
gen. levert, waartoe vele der in Septr. en Octr. vliegende exx. be-
horen?).
[De Gavere (T. v. E. 10: 209) schrijft zeer positief, dat som-
mige poppen „attendent la belle saison et quelques-unes donnent
le papillon en hiver, si le froid n'est pas trop rigoureux. Jen ai vu
éclore en Janvier et Février’. Bevestiging van deze waarneming
kon ik echter in de literatuur niet vinden. ]
Var. 1. f. pallidior Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 297. Grond-
kleur der vvls. licht grijsachtig. Amsterdam, Rotterdam, Domburg,
Ingen (Z. Mus.); Nigtevecht (13); Nuenen (Verhaak).
2. f. suffusa Tutt, 1892, Br. Noct. 3: 97. Grondkleur der vvls.
donkerder, het achterrandsveld zonder rode tint. Huizum (Natuur-
hist. Mus. Leeuw.); Putten (Z. Mus.); Apeldoorn (de Vos);
Twello (Cold.); Berg en Dal, Beek-Nijm. (Bo.); Utrecht, Hilver-
sum, Leiden, Breda (L. Mus.); Rosmalen (Van Willegen); Vree-
land, Wassenaar (Wiss.).
3. f. impuncta nov. De witte middenstip op de vvls. ontbreekt3).
Breda, een trans. van Austerlitz (Z. Mus.).
1) Deze tijdsduur is eerder te lang dan te kort: 6 Aug. 1945 vond ik te Am-
sterdam een zeer jonge rups van ruim 1 cm lengte. Deze spon zich 18 Aug. in,
verpopte 20-8 en leverde 9 September de vlinder.
2) Het vermoeden van South wordt tot vrij grote zekerheid door de door
Barrett gedane waarnemingen (1900, Brit. Lep. 6 : 242). In 1865 zag hij het
eerste ex. gaan overwinteren op 21-8, binnen de volgende 14 dagen kwamen
daar 4 exx. bij, en begin Octr. overwinterden al 27 exx. in hetzelfde gebouw.
Tegelijk vlogen er echter nog genoeg exx. buiten rond.
3) The white central dot on the fore wings fails.
126 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (536)
4. f. approximata nov. De eerste en tweede dwarslijn staan dicht
bij elkaar!). Soest (Lpk.); Haarlem (Wiss.).
5. f. unilinea nov. De eerste dwarslijn ontbreekt geheel?), Mid-
delie (De Boer); De Gavere vermeldt een ex. in T. v. E., vol. 10,
p. 210: „sans aucune trace de ligne extrabasilaire’, vermoedelijk
uit de omgeving van Groningen.
Lygephila Billberg.
572. L. pastinum Tr. Verbreid op de zandgronden (ook in de
duinen) en in Zuid-Limburg, plaatselijk niet ongewoon, maar over
het algemeen vrij zeldzaam. 1 gen., half Juni tot tweede helft van
Aug. (19-6 tot 20-8). In de warme, droge zomer van 1947 vloog bij
grote uitzondering een partiële tweede generatie. 10 Sept. ving
Nies 2 veel kleinere exx. te Deurne.
Vindpl. Fr.: Ameland, Schiermonnikoog, Wolvega. Ov.:
Denekamp, Agelo, Borne, Buursen, Colmschate, Diepenveen. Gdl.:
Nijkerk, Apeldoorn, Twello (zeer zeldz. op licht); Zutfen, Eefde,
Lochem, Vorden, Aalten, Doetinchem, Babberich ; Groesbeek, Ha-
tert. N.H. : Wijk aan Zee, Overveen, Heemstede. Z.H. : De Glip,
Hillegom, Wassenaar, Voorschoten, Hoek van Holland, Oost-
voorne, Rockanje, Oud-Beierland. Zl: ‘s-Gravenpolder. N.B.:
Bergen op Zoom, Breda, Oudenbosch, Nuenen, Deurne. Lbg.:
Venlo, Tegelen, Steyl, Belfeld, Swalmen, Roermond, Maasniel,
Echt, Brunsum, Kerkrade, Kunrade (Welterberg), Voerendaal,
Valkenburg, Houthem, Geulem, Bunde, St. Pietersberg, Gulpen,
Epen, Vaals.
Var. 1. f. pallida Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 43. Vvls. meer wit-
achtig grijs, de donkere dwarsbanden onduidelijk, vooral de ruimte
tussen tweede dwarslijn en golflijn; zeer weinig met donkere
schubben bestoven. Wijk aan Zee, Tegelen (Z. Mus.).
2. f. ludicra Hw., 1809, Lep. Brit. : 259. Het achterrandsveld
der vvls. sterk bruin bestoven. Eefde (L. Mus.); Doetinchem
(Cold.); Overveen, Venlo (Z. Mus.).
3. f. impuncta nov. De zwarte stip op de plaats van de ronde
vlek ontbreekt3). Wolvega (Wp.); Denekamp (L. Mus.); Diepen-
veen, Overveen, Wassenaar (Z. Mus.); Houthem (de Vos); Gul-
pen (Rk.).
Catephia O.
573. C. alchymista Schiff. Vermoedelijk vroeger geen indigeen,
maar òf een immigrant, òf een soort, die in gunstige jaren zijn areaal
naar het Noorden trachtte uit te breiden, doch zich hier niet kon
handhaven. In tientallen jaren werd de vlinder hier niet opgemerkt,
maar juist de laatste jaren maken hierop een gunstige uitzondering.
1) Inner line and outer line stand close together.
2) The inner line fails completely.
3) The black point in the place of the orbicular stigma fails.
(537) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 127
Dit verschijnsel kunnen we trouwens bij meer soorten waarnemen.
Over het geheel genomen moet alchymista bij ons echter als zeer
zeldzaam beschouwd worden. Alleen in het Oosten van Noord-
Brabant sinds 1942 geregeld tegen eiken, schijnt hier op het ogen-
blik inheems te zijn.
Niet waargenomen in Denemarken. In Sleeswijk-Holstein zeer
zeldzaam bij Lübeck; bij Hamburg idem, na 1903 niet meer ge-
vangen; bij Bremen 1 ex. in 1874; bij Hannover zeer zeldzaam,
het laatst 1 ex. in 1932 en 1 in 1933; in Westfalen bij Osnabrück
(slechts enkele malen de rups gevonden), in 1907 bij Herbede aan
de Roer, vroeger bij Munster en Höxtel ; in de Rijnprov. zeldzaam :
Eller en Hilden bij Düsseldorf, Aken, Barmen, Deutz, Trier. In
België zeldzaam, hoogstwaarschijnlijk is de situatie er als bij ons;
bekend van Antwerpen, Tremeloo-Aerschot, Wyneghem, Lover-
val en Marcinelle. In Groot-Brittannië alleen zeer zeldzaam in het
zuiden van Engeland (stellig immigranten); niet bekend uit ler-
land.
1 gen. waargenomen van eind April tot eind Juni (27-4 tot 30-6).
Vindpl. Gdl.: Wageningen, 1 rups in 1939 (Skm.); Aalten,
27-4-1948, vers ex. (v. G.); Huisen, 1874 (L. Mus.); Hees, 16-6-
1877 (Z. Mus., het ex., vermeld in Onze Vlinders, p. 237, van Nij-
megen). N.B. : Geldrop, 19-5-1942, 2 exx., er waren er dat jaar
meer (de Nijs); 13-5-1943; Mierlo, 1-6-1943; Deurne, 16 en
18-5-1943, 28-6-1944, 28-5-46 (alle door Nies); Maarheeze,
30-5-1936, 2 exx. (de Haan). Lbg.: Venlo, 18-6 (Z. Mus., ver-
meld in T. v. E., vol. 21, p. LXXXV, 1878); Kerkrade, 30-6-1903
(Latiers).
Parascotia Hb.
574. P. fuliginaria L. Verbreid door een groot deel van het land,
hoofdzakelijk op de zandgronden en in bosachtige streken, over het
algemeen niet talrijk. 1 gen. eind Juni tot tweede helft van Aug.
(25-6 tot 18-8).
Vindpl. Dr. : Schoonoord, Sleen, Hoogeveen. Ov.: Almelo,
Bathmen, Colmschate, Olst. Gdl. : Leuvenum, Nunspeet, Apel-
doorn, Twello (vrijwel ieder jaar in enkele exx.), Laag Soeren,
Dieren, Arnhem, Bennekom; Zutfen, Lochem, Vorden, Aalten,
Varseveld, Doetinchem, Lobith. Utr. : Rijsenburg, Zeist, Bilthoven,
Soest. N.H. : Hilversum, Driehuis. Z.H. : Rotterdam, Dordrecht.
N.B. : Breda, Oudenbosch, Eindhoven, Deurne. Lbg. : Mook, Plas-
molen, Venlo, Steyl, Maasniel, Sittard, Kerkrade, Voerendaal,
Meerssen, Bunde, Bemelen, Maastricht, Gulpen, Eperheide, Le-
miers.
Var. Enkele exx. zijn wat bonter dan de andere, vooral door
meer geelachtige tint in de gewaterde band.
1. f. variegata nov. Achterrandsveld van alle vleugels geelgrijs
met donkere strepen langs de aderen!). Deurne, 1 & 1946 (Nies).
1) Marginal area of all wings yellow-grey with dark lines along the nervures.
128 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (538)
Phytometra Hb.
575. P. viridaria Cl. Verbreid op de zandgronden van het Oos-
ten en Zuiden en in de duinen, in de regel niet talrijk. 2 gens., de
eerste begin Mei tot de eerste helft van Juni (1-5 tot 8-6), de
tweede half Juli tot in de tweede helft van Aug. (23-7 tot 19-8).
Van een ex. van 1 Juli durf ik niet uit te maken, tot welke gen. het
behoort.
Vindpl. Fr. : Ameland (algemeen, Lukkien). Dr. : Donderen.
Ov. : Hengelo, Markelo (Weldam), Elzen. Gdl.: Nijkerk, Put-
ten, Epe, Heerde, Apeldoorn, Tonderen, Laag Soeren. De Steeg,
Wageningen, Lunteren; Winterswijk, Aalten, Varseveld, Doe-
tinchem ; Malden, Groesbeek. N.H.: Camp, Driehuis, Overveen,
Zandvoort, Vogelenzang. Z.H.: Wassenaar, Meyendel, Den
Haag. ZI. : Domburg. N.B. : Woensdrecht, Bergen op Zoom, Bre-
da, Ginneken, Oudenbosch, Gilze, Rijen, Tilburg, Oisterwijk,
Vught. Lbg. : Plasmolen, Tegelen, Brunsum, Schinveld, Houthem.
Var. 1. f. viridaria Clerck. Grondkleur der vleugels olijfgroen-
achtig, op de vvls. een purperrode band in de niervlekstreek (die
door een lijn van de grondkleur gedeeld kan zijn, fig. van Clerck,
Icones, I, pl. 9, fig. 12) en één voor de achterrand, avls. met 1
of meer purperen lijnen. Svenska Fjärilar, pl. 32, fig. 2 a; Keer,
pl. 58, fig. 11. Hoofdvorm.
2. f. aenea Hb., 1803—1808, Samml. Eur. Schm., fig. 350.
(Haworth, 1809, Lep. Brit.: 266). Grondkleur der vvls. bruin-
achtig grijs, met de purperen banden, South, pl. 21, fig. 10. Nijkerk,
Overveen, Plasmolen (Z. Mus.).
3. f. semipurpurea Kiefer, 1941, Entom. Zeitschr. 55: 159. De
purperen middenband en die langs de achterrand der vvls. met
elkaar samengevloeid, zodat één brede purperkleurige franjehelft
ontstaat. Svenska Fjärilar, l.c., fig. 2 b (bij vergissing op de plaat
ljungdahli genoemd) is een overgang. Plasmolen (Wiss.).
4. f. reducta nov. Vvls. met scherp afstekende purperen midden-
band, de band voor de achterrand ontbreekt!). Wageningen
(Doets).
5. f. ljungdahli Nordström, 1940, Svenska Fjärilar : 213, pl. 32,
fig. 2 c. De purperkleurige banden vervangen door donker grijs-
groene banden. Apeldoorn, Bergen op Zoom (L. Mus.) ; Aalten
(Cold.) ; Putten, Overveen (Z. Mus.).
6. f. fusca Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 60. Vleugels eenkleurig
bruinachtig of groenachtig bruin zonder purperen banden. In
typische exx. vrij zeldzaam, gewoner zijn overgangsexx. met zwakke
resten van de banden. Putten, Overveen (Z. Mus.) ; Apeldoorn,
Den Haag, Bergen op Zoom (L. Mus.).
1 Fore wings with sharply contrasting purple central band, the one before
the outer margin fails.
(539) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 129
Rivula Guenée,
576. R. sericealis Scopoli. Verbreid door het gehele land op
vochtige plaatsen op alle grondsoorten, gewoon. Bekend wan
Texel en Terschelling.
Waargenomen van eind Mei tot eind Septr. (30-5 tot 29-9)
in 2 niet scherp van elkaar gescheiden gens. De tweede begint
omstreeks eind Juli of begin Aug. te vliegen. Coldewey merkt
op: „In 1925 eindigde I op 18-7 en begon II op 12-8. In de
meeste jaren zijn de generaties niet te scheiden. In de periode
van 21-6 tot en met 12-8 heb ik sericealis op alle dagen waar-
genomen, daarvoor en daarna op verreweg de meeste dagen’. De
mening van Oudemans (Nederl. Insecten : 478), dat de soort
„slechts één generatie per jaar heeft, die van Mei tot Juli uitkomt’,
kan niet juist zijn, omdat de vliegtijd veel langer duurt.
Var. 1. f. sericealis Scop., 1763, Ent. Carniolica : 242 (alboli-
vidalis Schille, 1926, Polskie Pismo Entom. 5 : 73). Grondkleur der
voorvleugels geelachtig wit tot lichtgeel, die der avls. witachtig, vvls.
alleen met de donkere middenvlek (typisch) of met zwakke sporen
der dwarslijnen!). De extreme, zowel door Scopoli als door
Schille beschreven vorm met geelachtig witte op de vlek na
ongetekende vvls. is vrij zeldzaam, maar zoals de vorm, om te
grote versplintering te voorkomen, hier omschreven is, is hij de bij
ons overheersende.
2. f. expressa nov. Vvls. witachtig geel tot bleekgeel met don-
kere middenvlek en twee duidelijke dwarslijnen?). Lochem, Dor-
drecht (Z. Mus.); Quatrebas-Fr. (Bo.); Barchem, Kerkrade (L.
Mus.).
3. f. lutea nov. Vvls. eenkleurig heldergeel, alleen met de donkere
middenvlek3). Wamel (Z. Mus.); Breda (L. Mus.).
4. f. laetior Spuler, 1907, Schmett. Eur. 1: 294. Vvls. geel tot
1) Schille has no doubt omitted to consult the original description of
Scopoli, which reads as follows:
“Tota subossea sed serici in modum nitens; alis anticis macula obsoleta fus-
cescente.
Habitat cum priore.
Oculi fusci.”
The German translation which Schille himself gave, lc., p. 76, of his
Polish text of p. 73, reads:
„Licht gelbweiss, ohne jede Zeichnung, mit Ausnahme der Nierenmakel, in
welcher 2 schwarze Punkte stehen ; die Makel ohne scharfe Ränder, ausgegos-
sen. Die Hfl. ebenfalls gelichtet, fast weiss, bei der typischen Form dunkelgrau.”
There cannot be the slightest doubt, that both authors describe the same form,
the extreme pallid one wih pale yellowish-white ground colour, the forewings
without any markings save the dark central dot. This form is rather rare in
Holland. In order to avoid, however, a too great splittering up of the forms,
I propose to extend the name to the examples with pale yellow fore wings and
(or) with slight traces of the transverse lines. Taken in this ampler sense, the
typical form is the preponderant one in Holland.
2) Fore wings whitish yellow to pale yellow with dark central dot and two
distinct transverse lines.
3) Fore wings unicolorously clear yellow, only with the dark central dot.
130 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (540)
bruingeel met meer of minder duidelijke tekening. Culot, pl. 69, fig.
8. Gewoon.
5. f. limbata Spuler, l.c. Achterrandsveld der vvls. (vanaf tweede
dwarslijn) en achterrand der avls. verdonkerd; van de niervlek
loopt schuin naar de binnenrand een donkere lijn. Nijmegen (Bo.);
Hatert, Overveen (Z. Mus.).
6. f. signata nov. Vvls. met scherpe tweede dwarslijn, avls. met
duidelijke dwarslijn!). Nunspeet (Vari).
7. f. oenipontana Hellweger, 1902, Verh. zool.-bot. Ges. Wien
52: 711 (brunnea Lbll., 1904, Cat. Lép. Belg.: 139). Vvls. grijs-
achtig wit, door bruingrijze bestuiving sterk verdonkerd, vooral naar
de achterrand. Bij extreme exx. (die nog niet uit Nederland bekend
zijn) zijn de vvls. bijna eenkleurig donker ,,roodbruin”. De geel-
achtige tint van de typische vorm ontbreekt geheel. (Lambil-
lion: „d'un gris brunätre foncé”, ongetwijfeld dus tot dezelfde
variatie-richting behorend). Seitz 3, Suppl., pl. 24 g, fig. 2. Don-
kergrijze tot bruingrijze, vrijwel ongetekende exx. komen nu en dan
bij ons voor: Oudetrijne (Bo.); Twello (Cold.); Nijmegen (Bo.
Z. Mus.); Arnhem, Ankeveen, Roermond, Houthem (Z. Mus.);
Haarlem (Wiss.); Groenekan (L. Mus.).
Hypeninae.
Laspeyria Germar.
577. L. flexula Schiff. Verbreid door het gehele land in bos-
achtige streken (ook in de duinen), vrij gewoon. 1 gen. eerste
helft van Juni tot tweede helft van Aug. (13-6 tot 17-8).
Vindpl. Er. : Friesland” (Z. Mus.). Dr. : Paterswolde, Veen-
huizen, Wijster. Ov. : Denekamp, Borne, Albergen, Almelo, Hol-
ten, Elzen, Rijsen, Nijverdal, Diepenveen, Colmschate. Gdl. : Nij-
kerk, Putten, Ermelo, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (meestal ge-
woon), Millegen, Loenen, Velp, Rozendaal, Arnhem, Oosterbeek,
Wolfheze, Bennekom; Zutfen, Laren, Lochem, Winterswijk, Aal-.
ten, Varseveld, Doetinchem, Laag Keppel, Bijvank ; Huisen, Nij-
megen. Utr. : Leersum, Doorn, Maarn, Zeist, Soest, Baarn. N.H.:
Holl. Rading, Hilversum, ‘s-Graveland, Bussum, Naarden, Drie-
huis, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Bentveld, Zandvoort. Z.H.:
Hillegom, Wassenaar, Delft. N.B.: Breda, Rijen, Hilvarenbeek,
Oisterwijk, Meiel. Lbg.: Plasmolen, Venlo, Tegelen, Meerssen,
Eperheide.
Var. De vlinder is vrij variabel in tint. De meest voorkomende
vorm is tamelijk lichtgrijs met paarse tint, langs de achterrand bruin-
achtig, de insnijding bij de vvl.-punt rood afgezet.
1. f. obscura nov. Grondkleur der vvls. donker paarsachtig
grijs, ook de avls. verdonkerd?). Leuvenum, Nijmegen (Z. Mus) ;
Bennekom (Cet.); Zeist (Br.).
1) Fore wings with sharp second line, hind wings with distinct transverse line.
2) Ground colour of the fore wings dark purplish grey, the hind wings also
darkened.
(541) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 131
2. f. girsea nov. Grondkleur der vvls. grijs (meestal vrij donker).
zonder roodachtige of paarsachtige tint‘). Bijna overal onder de
soort.
3. f. impuncta nov. De beide zwarte punten in het midden van
de vvls. ontbreken?). Wassenaar en een trans. van Doetinchem
(L. Mus.).
4. f. signata nov. Vvls. met witachtige golflijn3). Winterswijk
(EME
5. Dwergen. Wijster (Beijerinck).
Colobochyla Hb.
578. C. salicalis Hb. Alleen bekend uit Oost-Overijsel, Limburg
en het Oosten van Noord-Brabant. Hier tot nog toe steeds zeld-
zaam, maar stellig wel inheems, hoewel de Nederlandse vind-
plaatsen in het grensgebied van het areaal liggen.
In Denemarken voor het eerst aangetroffen op Fünen in 1945.
Niet bekend uit Sleeswijk-Holstein ; bij Hamburg zeldzaam, enkele
vangsten ; van Bremen alleen enkele zeer oude vondsten bekend ;
bij Hannover zeldzaam; zeer zeldzaam in Westfalen (Munster,
Hamm, Heddinghausen); in de Rijnprov. zeldzaam : Wijler (vlak
bij Berg en Dal, rups van Septr. tot Mei in rijshopent) op de Teu-
felsberg, Boldt), Oedt, Viersen, Crefeld, Trier. In België in het
Z.O. (Yernée, Claire Eau sous Buzenol, Virton), zeer zeldzaam.
In Groot Brittannië alleen in het Z. van Engeland, zeer lokaal en
zeldzaam. Niet in lerland.
. 1 gen., half Mei tot eind Juni (tot nog toe 20-5 tot 21-6, maar ge-
gevens nog te gering om juiste vliegtijd vast te stellen)5).
Vindpl. Ov.: Lenselo, 1945 (Kleinjan). N.B. : Eindhoven,
1945 (Verhaak); Nunen, 1946 (Neijts); Deurne, 1937 en 1947, tel-
kens 3 exx. (Nies). Lbg.: Venlo, 1894 (eerste ex., vermeld in T.
v. E. 38: LI en afgebeeld 40, pl. 12, fig. 4, ex. niet meer aanwe-
zig); Tegelen, 1934 (Stoffels); Stein, 1931 (Nat. Mbl. vol. 23, p.
70, 1934); Brunsum en Schinveld, 1932 (totaal 4 exx., Gielkens),
1942 (Pater Priems); Meerssen, 1932 (Rk.); Epen, 1911 (Z. Mus.)
en 1937 (Mus. Rd.).
1) Ground colour of the forewings grey (mostly rather dark), without reddish
or purplish tint.
2) The two black points in the centre of the fore wings are absent.
3) Fore wings with whitish subterminal line.
4) Dit wijst er op, dat de rups dezelfde levenswijze schijnt te voeren als die
van Zanclognafha. Urbahn, (1939, Stett. Ent. Z. 100: 649) gelukte het niet
a uit het ei op te kweken met wilg, volgens de literatuur de enige voedsel-
ant.
5) In 1947 (warme, droge zomer na laat voorjaar) ving Nies 3 exx. op
30 Juli en 1 Aug., nadat de soort daarvoor niet gezien was. Het is dan ook
lang niet zeker, dat deze exx. tot een tweede gen. behoren, die pas uit Zuid-
Zwitserland en Zuid-Frankrijk vermeld wordt. Voor de eerste gen. geeft Vor-
brodt (1930, Mitt. Schweiz. Ent. Ges. 14: 315) in Tessin, het warmste deel
van Zwitserland, een vliegtijd aan van 314 maand!
132 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (542)
Epizeuxis Hb.
579. E. calvaria F. Slechts één vondst uit Nederland bekend.
Stellig geen inheemse soort. Waarschijnlijk was het ex. een zwer-
ver. Het schijnt, dat deze meer zuidelijke soort vooral in de Rijnprov.
in bijzonder gunstige jaren met lange tussenpozen naar het Noor-
den tracht door te dringen, zonder dat evenwel een blijvende vesti-
ging mogelijk blijkt. Aldus kan ook onze vangst verklaard worden.
Niet bekend uit Denemarken. Evenmin uit Sleeswijk-Holstein,
de omgeving van Hamburg en van Bremen; van Hannover en
omgeving slechts 2 oude vondsten ; in Westfalen zeer zeldzaam, 3
vindplaatsen bekend (o.a. 2 exx. in 1895 bij Rietberg); in de Rijn-
prov. zeldzaam : Duisburg ; Crefeld ; Flingern, Hilden en Grafen-
berg bij Düsseldorf (,,in de laatste 60 jaar’! Voss, 1931, Int. Ent.
Z. 26: 262); Aken, 1 ex. in 1871 en „niet zeldzaam’ bij Alsdorf
in Aug. op smeer!) (Püngeler, p. 73); Trier. Niet bekend
uit België (ook niet uit Noord-Frankrijk !). Evenmin uit Groot-
Brittannië en Ierland.
De soort heeft 1 gen; het ex. werd gevangen in Juli.
Vindpl. N.B.: Cuyck, 1 & 30-7-1886 (Z. Mus.).
Trisateles Tams.
580. T. emortualis Schiff. Door bijna het gehele land in bos-
achtige streken (ook in de duinen) aangetroffen, maar niet gewoon.
2 generaties, de eerste van half Mei tot half Juli (18-5 tot 17-7), de
tweede (partiëel!) van eind Juli tot eind Aug. (23-7 tot 26-8).
Coldewey merkt op: „Mijn gegevens van de voorjaarsgen. lo-
pen vrij geregeld door tot 17 Juli. Mochten de exx. uit de derde
decade van Juli nog tot I behoren, wat mij ongeloofwaardig voor-
komt, dan omvat II alleen de Augustus-dieren.”’
Vindpl. Dr.: Assen. Ov.: Borne, Colmschate. Gdl.: Putten,
Nunspeet, Apeldoorn, Twello (bijna ieder jaar in enkele exx.),
Empe, Laag Soeren, Velp, Arnhem, Bennekom; Aalten, Doetin-
chem, Bijvank; Nijmegen. Utr.: Doorn, Zeist, Oud-Leusden,
Soestdijk. N.H.: Hilversum, Bussum. Z.H.: Hillegom, Wasse-
naar, Den Haag, Dordrecht. N.B.: Breda, Ginneken, Ulvenhout,
Hondsdonck, Hilvarenbeek. Lbg.: Mook, Plasmolen, Kerkrade.
Zanclognatha Lederer.
581. Z. tarsiplumalis Hb. Verbreid op zandgronden en in bos-
achtige streken, niet gewoon. 1 gen., begin Juli tot half Aug. (3-6
tot 12-8).
1) Dit zal toch ongetwijfeld slechts in een bepaald jaar geweest zijn! Stellig
is deze te algemene opgave het gevolg van het feit, dat de eminente Akense
lepidopteroloog niet meer zelf zijn werk persklaar heeft kunnen maken.
(543) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 133
(Bij een ab ovo kweek, die van een in 1897 bij de Plasmolen ge-
vangen 9 stamde, kwamen enkele vlinders reeds in September van
hetzelfde jaar uit, de rest in Juni en Juli 1898 ; zie T. v. E., vol.
40, p. 390. In natura is deze tweede gen. niet uit ons land bekend).
Vindpl. Gr.: Groningen. Ov. : Almelo. Gdl.: Putten, Apel-
doorn, Twello (1 ex.), Velp, Arnhem, Oosterbeek, Renkum, Wa-
geningen, Bennekom, Ede; Aalten, Berg en Dal, Beek bij Nijm.
Utr. : Rhenen, Utrecht. N.H. : Hilversum, Bussum, Naarden, Drie-
huis, Overveen, Bentveld. Z.H. : Hillegom, Wassenaar!). N.B.:
Helvoirt. Lbg. : Mook, Plasmolen, Tegelen, Houthem.
Var. De typische vorm (Sammlung Eur. Schm., Pyrales, fig.
125, 1796) heeft donker grijsbruine voorvls. Hiertoe behoren de
meeste exx.
1. f. brunnescens nov. Grondkleur der vvls. bruin, zonder de
grijze tint van de typische vorm, daardoor lichter?). Zeldzaam.
Oosterbeek, Ede, Plasmolen (Z. Mus.); Wageningen (L. Mus.).
582. Z. tarsicrinalis Knoch. Verbreid in het O. en Z. in bos-
achtige streken, ook hier en daar in en aan de rand van het duin-
gebied. Zeldzaam, behalve waarschijnlijk in Zd. Limburg. 1 gen.,
begin Juni tot begin Aug. (5-6 tot 5-8).
Vindpl. Ov. : Hengelo, Almelo. Gdl. : Nijkerk, Twello, Laag
Soeren, Bennekom; Vorden; Berg en Dal, Beek bij Nijm., Nij-
megen, Hatert. Utr. : De Bilt. N.H.: Hilversum, Haarlem. Z.H. :
Oostvoorne. N.B. : Deurne. Lbg.: Posterholt, Kerkrade, Valken-
burg, Houthem, Geule, Gronsveld, Eperheide, Epen, Vaals.
Var. De typische vorm (1782, Beitr. zur Insektengesch. 2: 75,
pl. IV, fig. 1) heeft lichtgrijze, donkerbruin bestoven vvls. („alis
glabris utrinque cinereo-fuscescente”, en p. 76: „hell aschgrau und
überall braun bestaubt’’). Hiertoe behoren de meeste exx.
1. f. diluta nov. Grondkleur der vvls. lichter, meer geelgrijs, door
het ontbreken van de donkere bestuiving3). Epen, Vaals (Wiss.).
583, Z. tarsipennalis Tr. Door het gehele land verbreid op zand-
gronden en in bosachtige streken, ook hier en daar uit het lage land
bekend, op de zandgronden vaak gewoon. 2 gens, de eerste begin
Juni tot half Aug. (1-6 tot 11-8), de tweede half Aug. tot eerste
helft van Octr. (15-8 tot 11-10).
[Boldt merkt op (in litt.): „Rupsen in takkenbossen, maar al-
leen in die, welke uit takken en twijgen bestaan, die kort voor of
1) In T. v. E. 36: 220, deelt Snellen mee, dat de soort bij Rotterdam
voorkomt en daar ook ab ovo gekweekt werd, waarbij een partiële tweede gen.
optrad. Dit moet op een vergissing berusten. Alle exx. van Rotterdam, gevan-
gen of gekweekt, die in de colls. (L. Mus, Z. Mus., Kallenbach) aanwezig zijn,
behoren tot Z. farsipennalis Tr.
2) Ground colour of the fore wings brown, without the grey tint of the typical
form, therefore paler.
[The typical form has dark grey-brown fore wings and is by far the com-
moner in Holland. |
3) Ground colour of the fore wings paler, more yellow-grey.
134 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (544)
gedurende de vliegtijd der © © afgehakt werden. Op takkenbos-
sen, die langer dan een jaar liggen, worden slechts bij hoge uit-
zondering eieren gelegd. Bijna alle soorten loofhout komen in aan-
merking.” |
Vindpl. Fr.: Bolsward. Ov.: Almelo, Weldam, Deventer.
Gdl. : Putten, Apeldoorn, Twello (talrijk), Velp, Bennekom, Ede :
Zutfen, Lochem, Doetinchem, Bijvank, Lobith; Berg en Dal, Nij-
megen, Hatert. Utr. : Doorn, Zeist, Soest, Groenekan, Nigtevecht.
N.H.: Hilversum, Laren, Bussum, Naarden, Amsterdam, Wijk
aan Zee, Overveen. Z.H. : Hillegom, Oegstgeest, Leiden, Zeven-
huizen, Rotterdam, Numansdorp, Dordrecht, Melissant. Zl. : Mid-
delburg. N.B. : Bergen op Zoom, Breda, ‘s-Hertogenbosch, Hilva-
renbeek, Deurne. Lbg. : Venlo, Tegelen, Houthem.
Var. Ook bij deze soort komen minstens twee duidelijk te onder-
scheiden kleurvormen voor. Treitschke (1835, Schmett. Eur.
10 (3) : 5) zegt van de typische vorm, dat deze donkerder (brui-
ner) is dan farsicrinalis. Daardoor is deze de lichte vorm van
tarsipennalis met bruinachtige tot bruingrijze vvls. Deze vorm is
duidelijk donkerder dan farsicrinalis en is de gewoonste.
1. f. obscura nov. Grondkleur der vvls. donker grijsbruin!). Een
extreem ex. van Overveen (Btk.) is haast zwartbruin. Vrij ge-
woon en stellig overal onder de soort voorkomend.
2. f. delineata nov. Op de vvls. ontbreken de eerste en tweede
dwarslijn2). Apeldoorn, Nijmegen, Venlo (Z. Mus.); Amsterdam
(EBEN
3. f. bidentalis Heinemann, 1859, Schmett. Deutschlands : 609.
De golflijn op de bovenz. der avls. niet hoekig gebroken, maar
vloeiend gebogen3). Stellig zeldzaam. Berg en Dal, Nijmegen, Ha-
tert (Bo.); Apeldoorn (de Vos); Leiden (34), Oegstgeest (44);
Breda (Z. Mus.).
584. Z. grisealis Schiff. Op alle zandgronden, ook in de duinen,
en in Zd. Limburg, gewoon. Buiten deze gebieden : Amsterdam
(1918, Wp.; 1934, v. d. M.). 2 gens., de eerste tweede helft van
Mei (20-5) tot midden of eind Juli, soms misschien begin Aug.;
de tweede, die zich niet alle jaren vertoont, vooral in Aug. (in som-
mige jaren vermoedelijk reeds in de tweede helft van Juli), maar
tot eind Septr. waargenomen (30-9-'38). Tussen de beide genera-
ties ligt gewoonlijk een tijd van 3 of 4 weken (Coldewey in
litt.).
1) Ground colour of the fore wings dark grey-brown. [The type is the paler
form with brownish to browngrey fore wings and is the commoner one].
2) The inner and the outer line fail on the fore wings.
3) Von Heinemann describes bidentalis after 4 specimens from Bruns-
wick. The colour is “purer gray” than with farsicrinalis and tarsipennalis, "with
feeble yellowish or reddish reflection”, the subterminal line on the hindwings
not broken with a hook, but rounded. The latter character is no doubt the most
important and I therefore propose to restrict the name to all specimens showing
it, independent of ground colour. The form is rare in Holland.
(545) B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER . 135
Var. De typische vorm (Hübner, 1796, Samml. eur. Schmett.,
Pyralides, fig. 4) heeft grijsbruine vvls. Hoofdvorm.
1. f. clara nov. Grondkleur der vvls. lichter, meer geelbruin, ook
de avls. lichter dan bij de typische vormi). Wel overal onder de
soort voorkomend.
2. Dwergen. Oosterbeek, Doorn (Z. Mus.).
585. Z. cribrumalis Hb. Verbreid, op vochtige plaatsen (ook op
zandgronden, en daardoor eveneens in de duinen voorkomend),
lokaal, maar op de vindplaatsen soms niet ongewoon of zelfs talrijk.
1 gen. half Juni tot tweede helft van Aug. (20-6 tot 17-8).
Vindpl. Fr.: Wartena. Ov.: Borne, Volthe. Gdl.: Laren,
Bredevoort, Aalten, Babberich ; Nijmegen, Neerbosch, Malden,
Hatert. N.H. : ‘s-Graveland, Kortenhoef, Wijk aan Zee (Lycklama,
T.v.E. 55: XXXV : ‘savonds bij honderden !), Haarlem, Over-
veen, Bentveld, Zandvoort, Heemstede, Vogelenzang. Z.H. : Was-
senaar, Zevenhuizen, Rotterdam, Delfshaven, Hoek van Holland,
Rockanje, Numansdorp (Dulfer, Lev. Nat., vol. 16, p. 36, 1911:
vond de rupsen Mei 1910 bij het uitkloppen van slootkanten), Dor-
drecht. N.B.: Breda, Nuenen, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Gen-
nep, Venlo, Roermond, Melick.
Var. 1. f. cribrumalis Hb., 1793, Vögel und Schmett., pl. 15.
Vvls. beenwit, met middenstip en twee rijen streepjes op de plaats
van de tweede dwarslijn en de golflijn, avls. met middenstip. Seitz,
pl. 72 e, fig. 6. Hoofdvorm.
2. f. nigrostriata Urbahn, 1939, Stett. Ent. Z. 100: 653. Mid-
denstip door een zwarte streep verbonden met de buitenste lijn.
Dordrecht (2).
3. f. basilineata nov. Behalve de 2 rijen streepjes op de vvls. nog
een zigzaglijn aan de wortel (de eerste dwarslijn)?). Wartena, Ha-
tert (Bo.); Zandvoort (Btk.); Heemstede, Vogelenzang (Wiss.).
4. f. tangens nov. Als de vorige vorm, maar de tweede dwars-
lijn springt boven de binnenrand met een tand naar binnen en
raakt daardoor de onderste uitstekende punt van de zigzaglijn3).
Hatert (Bo, 1 ex.).
5. f. reducta nov. De rij streepjes op de plaats van de tweede
dwarslijn ontbreekt4). Hatert (Bo.); Haarlem (Cold.); Zandvoort
(Wp.).
6. f. obsoleta nov. Vvls. zonder middenstip, dwarslijnen zeer
flauw5). Hatert (Bo., 1 ex.).
1) Ground colour of the fore wings paler, more yellow-brown, the hind wings
also paler than with the typical form.
[The typical form has grey-brown fore wings.]
2) Besides the two rows of stripes on the fore wings there is also a zigzag
line at the base (the inner line).
3) As basilineata, but the outer line recedes above the inner margin with a
tooth and it thereby touches the undermost projecting point of the zigzag line.
4) The row of short stripes in the place of the outer line fails.
5) Fore wings without central spot, transverse lines obsolete.
136 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (546)
7. £. modestalis Boldt, 1928, Lep. Rundschau 2: 6. Vvls. alleen
met middenstip, avls. ongetekend. Seitz, l.c., fig. 5. Hatert (Bo.);
Wijk aan Zee, Plasmolen (Z. Mus.); Zandvoort (Btk.); Was-
senaar (Wiss.); Dordrecht (Jch.).
8. f. grisescens nov. Grondkleur der vvls. niet beenwit, maar
donkerder grijsachtig; avls. eveneens verdonkerd, vooral langs de
achterrand!). Hatert (Bo.); Vogelenzang (Cold.); Plasmolen (5).
Paracolax Hb.
586. P. derivalis Hb. Verbreid door bijna het gehele land op
zandgronden en in bosachtige streken, vrij gewoon. 1 gen. half
Juni tot half Aug. (18-6 tot 11-8).
Vindpl. Fr.: Ris. Dr. : Lheebroekerzand. Ov. : Denekamp,
Elzen, Rijsen, Bathmen, Ommen. Gdl. : Putten, Leuvenum, Millin-
gen, Hoenderlo, Hattem, Heerde, Apeldoorn, Twello (vrij ge-
woon), De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Ede,
Lunteren ; Boekhorst, Aalten, Doetinchem, Montferland, Bijvank;
Berg en Dal, Beek-Nijm., Nijmegen. Utr. : Amerongen, Doorn,
Soest. N.H.: Hilversum, ‘s-Graveland, Laren, Valkeveen, Bus-
sum ; Bergen, Velzen, Haarlem, Overveen, Zandvoort. Z.H. : Den
Haag, Loosduinen. N.B.: Bergen op Zoom, Ulvenhout, Breda,
Oisterwijk, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Tegelen, Steyl, Venraai,
Roermond, Melick, Brunsum, Kerkrade, Eperheide.
Var. De typische vorm (Samml. Eur. Schm., Pyrales, fig. 19,
1796) heeft geelbruine zwak bestoven vvls. Deze lichtere vorm
is de hoofdvorm.
1. f. delicata Dannehl, 1925, Ent. Z. 39: 12. Grondkleur geel-
bruin, zonder donkere bestuiving, en daardoor lichter (geler) dan de
typische vorm ; dwarslijnen fijn, maar duidelijk afstekend. Putten,
Apeldoorn, Loosduinen (Z. Mus.).
2. f. suffusa nov. Grondkleur sterker donker bestoven, daardoor
meer vuilbruin, overigens normaal?). Veel minder dan de typische
vorm, maar wel op de meeste vindplaatsen aan te treffen.
3. f. latelineata nov. Dwarslijnen opvallend verbreed, overigens
normaal3). Oosterbeek (Z. Mus.); Bennekom (Cet.).
4. f. fangalis Dhl., lc. Grondkleur donker, grijsbruinachtig, door
sterke donkere bestuiving ; dwarslijnen verbreed; op de vvls. voor
de achtterrand een rij donkere vlekken, die een donkere band
kunnen vormen. Een vrij zwak ex. van Putten (Z. Mus.).
5. f. signata nov. Golflijn duidelijk, donker afgezet4). Nunspeet
(Vari).
1) Ground colour of the forewings not bone-white, but darker, greyish ;
hindwings also darkened, especially along the hind margin.
2) Ground colour stronger suffused with dark, therefore more dirty-brown,
for Ga ie normal. [The typical form has a yellow-brown ground colour and
is paler.
3) Transverse lines strikingly enlarged, for the rest normal.
4) Subterminal line clear, bordered with dark.
(547) B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 137
6. f. obsoleta nov. Middencelvlek der vvls. heel flauw, overigens
normaal! ). Bennekom (Cet.); Overveen (Z. Mus.).
7. f. unilineata nov. Op de vvls. ontbreekt de eerste dwarslijn?).
Denekamp (Knf.); Apeldoorn (Z. Mus.); Eperheide (v. d. M.).
8. f. delineata nov. Dwarslijnen op voor- en avls. ontbreken8).
Twello (Cold.).
Herminia Latreille.
587. H. barbalis Cl, Overal op de zandgronden en in bosach-
tige streken, gewoon. Buiten deze gebieden: Amsterdam, 1937
(Vári).
1 gen, tweede helft van Mei tot begin Juli (23-5 tot 5-7).
Var. De vlinder is vrij variabel in de tint van de grondkleur
en de scherpte van de tekening. Als typisch worden de exx. met
lichtgrijze, geelachtig of bruinachtig getinte grondkleur beschouwd.
Zij vormen verreweg de meerderheid.
1. f. cinerea nov. Grondkleur der vvls. zuiver lichtgrijs, zonder
geelachtige of bruinachtige tint4). Valkeveen (Z. Mus.); De
Bilt (Cold.).
2. f. pectitalis Hb., 1796, Samml. Eur. Schm., Pyralides, fig. 122.
Grondkleur der vvls. donkergrijs tot donker bruingrijs. Niet gewoon,
maar stellig vrijwel overal onder de soort voorkomend (ook in de
duinen).
3. f. signata nov. Dwarslijnen opvallend scherp afstekend5).
Vogelenzang (Wiss.) ; Noordwijk (maar zonder middencelvlek !
Z. Mus.).
4. f. demaculata nov. De middencelvlek ontbreekt, overigens
normaal6). Eefde, Wolfheze (L. Mus.); Noordwijk (Z. Mus.);
Ginneken (de Vos).
5. f. obsoleta nov. Alle tekening slechts zeer flauw zichtbaar”).
Reeds vermeld door De Gavere van Groningen in T. v. E., vol.
10, p. 210, met de woorden: „Quelques individus ont les ailes
antérieures d'un gris presque uniforme, sans aucune ligne bien
visible”. Verdere vindplaatsen : Colmschate (Luckien) ; Renkum
(Z. Mus.).
6. f. approximata nov. De eerste en tweede dwarslijn staan dicht
bij elkaar8). Hilversum (v. d. M.).
7. Dwergen. Soest (Lpk.); De Bilt, Hilversum (L. Mus.).
1) Central spot of the fore wings obsolete.
2) The inner line on the fore wings fails.
3) Transverse lines on fore and hind wings fail. [Is distinguished from f.
misera Dannehl by the presence of the central spot.]
4) Ground colour of the fore wings pure pale grey, without yellowish or
brownish tint.
5) Transverse lines sharply contrasting.
6) The central spot fails, for the rest normal.
7) All markings obsolete.
8) The inner and the outer line are close together.
138 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (548)
Bomolocha Hb.
588. B. crassalis F., 1787, Mant. Ins. 2: 217 (fontis Thunberg,
1788, Mus. Naturalium 6: 72, fig. 5). Verbreid in bosachtige
streken door het gehele Oosten en Zuiden van het land, op de
vindplaatsen vaak gewoon. 1 gen., eind Mei tot begin Aug. (27-5
tot 7-8).
Vindpl. Fr.: ,,Friesland”, zonder nadere plaatsaanduiding
(Onze VI, p. 244). Ov.: De Lutte, Almelo, Nijverdal, Diepen-
veen. Gdl.: Putten, Ermelo, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn,
Laag Soeren, Imbosch, Ellecom, Rhederoord, De Steeg, Velp,
Oosterbeek, Wolfheze, Renkum, Bennekom, Ede ; Eibergen, Aal-
ten, Montferland, Bijvank ; Berg en Dal, Übbergen, Beek-Nijm.,
Nijmegen, Groesbeek. Utr.: Amerongen, Maarn, Oud-Leusden,
Soest. N.B.: Princenhage, Breda, Ginneken. Lbg.: Mook, Plas-
molen, Tegelen, Belfeld, Weert, Kerkrade, Bunde, Maastricht,
Aalbeek, Wittem, Mechelen, Eperheide, Epen.
Var. De vlinder is zeer variabel, doch bij nader onderzoek
blijkt dit gedeeltelijk daardoor veroorzaakt te worden, dat hij
sexueel dimorph is. De lichte dieren zijn (9.9, de donkere ¢ 4.
Verdere studie aan grote series zal echter moeten uitmaken, of
ook bij deze soort geen uitzonderingen op de regel voorkomen.
De beide donkere exx., afgebeeld in Svenska Fjärilar, pl. 32, fig.
12 a en 12 c, en die aangegeven zijn als 2 2, zijn & 4, zoals
Nordström zo vriendelijk was mij mee te delen, nadat hij de
beide door Ljungdahl als model gebruikte exx. onderzocht
had.
1. f. crassalis F. (fontis Thunberg). De grote costaalvlek der
vvls. donkerbruin (,,alae anticae fuscae'"'!), binnenrand en achter-
rand grijsachig. Tot deze donkere vorm behoort de grote meerder-
heid der & &. Als typische vorm van de |? 2 beschouw ik die,
waarbij de costaalvlek lichter bruin is, terwijl ook de binnenrand
en achterrand lichter grijs zijn dan bij de typische & vorm (ook de
avls. zijn lichter). Eveneens hoofdvorm der 2/9 (= rufa Tutt,
1892, Br. Noct. 4: 68!) Typisch 3: South, pl. 35, fig. 8 ; Seitz, pl.
73 c, fig. 5 ; Svenska Fjärilar, l.c., fig. 12a ; typisch © : Keer, pl. 63,
fig. 7 ; Seitz, l.c., fig. 6; Svenska Fjärilar, l.c., fig. 12 b.
2. f. & terriculalis Hb., 1811—1813, Samml. Eur. Schm., Py-
ralides, fig. 163. Nog donkerder dan de typische ¢ &. De gehele
vvl. is eenkleurig zwartbruin op de geelachtige tweede dwarslijn
en de witte vlekjes aan de golflijn na. Svenska Fjärilar, l.c., fig. 12 c.
Niet gewoon, maar stellig op de meeste vindplaatsen aan te tref-
fen. Apeldoorn, Ubbergen, Nijmegen, Maastricht, (Z. Mus.); Beek-
Nijm. (Br.); Bennekom (Cet.); Breda, Tegelen (L. Mus.); Soest
(Lpk.).
3. f. achatalis Hb., 1790, Beitr. Schmett. 2 (1) : 15, pl. II, fig. I.
Lichter dan de typische 9,9. Binnenrand en achterrand der vvls.
niet grijs, maar wit. Een prachtige vorm, die eveneens waarschijn-
lijk overal onder de soort, maar niet talrijk, voorkomt. South, fig. 9.
(549) B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER 139
Poor Ellecom, Nijmegen, Breda, Mook (Z. Mus.); Bijvank
(Cold.); Almelo (v. d. M.).
Hypena Schrank.
589. H. proboscidalis L. Door het gehele land voorkomende,
vrijwel overal gewoon. Bekend van Texel en Schiermonnikoog. 2
gens., de eerste van begin Mei tot begin (soms tot half) Juli (10-5
tot 7-7, in 1931 to 17-7), de tweede van half Juli tot begin Octr.
(18-7 tot 6-10). In Twello eindigde gen. I in 10 opeenvolgende
jaren tussen 29-6 en 7-7 (1 maal 17-7) en begon gen. Il in dezelfde
jaren tussen 26-7 en 10-8 (Coldewey, in litt.).
Var. 1. gen. vern. proboscidalis L. De over het algemeen grotere
voorjaarsgen.
2. gen. aest. parva Hannemann, 1917, Int. Ent. Z. Guben 10:
122. Kleiner dan de eerste gen. In series van beide gens. naast
elkaar is de zomergen. duidelijk kleiner, er komen echter zowel
grotere zomer-, als kleinere voorjaarsexx. voor, zodat er geen
scherpe scheiding is.
Afgezien van het tenminste voor ons land tamelijk problemati-
sche verschil tussen de beide gens, is de vlinder vrij variabel.
Linné schrijft (1758, Syst. Nat. ed. X: 553): „alis cinereo-griseis:
strigis ferrugineis. In Fauna Svecica, ed. Il: 350 (1761) geeft hij
de volgende uitvoeriger Descriptio: „Alae superiores griseae e
pallide cinereo, atomis ferrugineis : Fasciae tres, subferrugineae,
anticae obliteratae ; quarum primo exterius recurva ; media trans-
versa; postrema transversa aliquot punctis albidis obliteratis
punctata.
Het meest nabij deze beschrijving komt de donkerbruingrijze
vorm met 3 dwarslijnen op de vvls., die ik daarom als de typische
beschouw. Soms bevinden zich, in overeenstemming met Linn és
Descriptio, sporen van witte vlekjes langs de golflijn, maar meest-
al ontbreken ze. Ook deze exx. reken ik echter tot de typische
vorm. South, pl. 35, fig. 10, soms echter nog grijzer, minder bruin.
Gewoon.
3. f. bilineata nov. Grondkleur bruingrijs, de golflijn ontbreekt!)
Putten (Z. Mus.); Lonneker (v. d. M.); Groenekan, Bergen op
Zoom (L. Mus.).
4. f. obsoleta nov. Grondkleur bruingrijs, alle dwarslijnen zeer
flauw2). Warnsveld (Z. Mus.); Lonneker (v. d. M.).
5. f. brunnea Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 64. Grondkleur der vvls.
helder bruinachtig. Svenska Fjärilar, pl. 32, fig. 14. Gewoon.
6. f. brunnea-bilineata nov. Grondkleur der vvls. helder bruin-
achtig, de golfliin ontbreekt3). Putten, Venlo (Z. Mus.); Utrecht
(L. Mus.); Rhoon (Mac G.).
7. £. purpurascens nov. Grondkleur der vvls. lilabruin, tekening
normaalt). Bussum (6); Rotterdam (8).
1) Ground colour brown-grey, the subterminal line fails.
2) Ground colour brown-grey, all transverse lines obsolete.
3) Ground colour of the fore wings clear brownish, the subterminal line fails,
4) Ground colour of the fore wings purplish brown, markings normal.
140 _B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (550)
8. £. infuscata Spuler, 1908, Schmett. Eur. 1: 330. Grondkleur
der avls. even donker bruingrijs als die der vvls. Voerendaal (Br.).
9. Dwergen. Kerkrade (Latiers).
590. H. rostralis L. In een groot deel van het land waargenomen,
het meest in bosachtige streken. Bekend van Texel en Schiermon-
nikoog.
Vliegtijd van eind Juli tot (na overwintering als imago) de
tweede helft van Juni (31-7 tot 18-6). Ver Huell (Sepp, serie 2,
vol. 1, p. 20, 1858) schrijft, dat in Aug. en Septr. rupsen van een
tweede gen. te vinden zijn, die dan nog laat in de herfst de vlin-
ders leveren. Zo kwam nog 20 Sept. 1944 een ex. uit de pop
(Korringa) en 19 Octr. een ex. bj De Roo (zie Sepp).
Daar staat tegenover, dat Doetsen Tolmanin Aug. en Septr.
1945 in de omgeving van Hilversum en Soest geen enkele rups
vonden bij het uitkloppen van hop, wat zij op mijn verzoek ver-
scheiden malen herhaald hebben. De vlinder is op beide plaatsen
gewoon. Het schijnt dus, dat de tweede gen. niet regelmatig voor-
komt. Te constateren is dit alleen door te zoeken naar de herfst-
rupsen, daar de vliegtijden geen hiaten vertonen. Coldewey is
van mening (in litt.), dat tenminste in sommige jaren in de tweede
helft van Septr. en in Octr. een herfstgen. verschijnt, terwijl dan
tegelijkertijd ook nog exx. van de eerste gen. zouden rondvliegen.
Ik beveel dit probleem ter oplossing aan bij hen, die daartoe in de
gelegenheid zijn!).
V ar. Onafhankelijk van de verschillende tinten kunnen de vlin-
ders in twee groepen verdeeld worden, de eenkleurige en de bonte.
Bij de eerste zijn de vvls. effen van tint en zijn de dwarslijnen òf
geheel verdwenen, òf slechts de tweede is zwak zichtbaar. Bij de
bonte exx. zijn beide dwarslijnen aanwezig, de tweede steekt scherp
af en is franjewaarts licht afgezet, terwijl de franjehelft der vvls.
meestal lichter is dan het gedeelte wortelwaarts van de tweede
dwarslijn. In beide groepen komen exx. voor met licht afstekende
voorrand.
Valle (1927, Not. Entom. 7: 114) heeft deze beide groepen
op de sekse onderzocht en bevond, dat van ongeveer 70 Finse exx.
alle bonte dieren |9 9 waren en alle eenkleurige 4 4. De soort
bleek hem dus sexueel dimorph te zijn. Ik heb dit resultaat getoetst
aan 308 Nederlandse exx., waarbij van alle dieren de sprieten en
het vleugelhaakje gecontroleerd werden, en stelde vast, dat de
door de Finse auteur gevonden regel ook voor onze exx. geldt,
doch dat uitzonderingen zeer zelden voorkomen. Ik vond tot
nog toe 1 bont 4 en 4 eenkleurige 2 ® (zie bij de vormen). In het
algemeen kunnen we dus zeggen, dat de factor „eenkleurig en de
factor „bont aan het geslacht gekoppeld zijn, maar uitzonderingen
zijn mogelijk. Een dankbaar genetisch probleem dus, dat grote
1) In L. Mus. is een 4 van Nigtevecht, afkomstig uit de coll.-De Vries. Het
etiket van dit ex. vermeldt als datum: 24-4-1887, el. ! Als deze gegevens juist
zijn, vormen zij een puzzle te meer.
(551) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 141
overeenstemming vertoont met het sexuele dimorphisme (en de
uitzonderingen daarop) bij Triphaena pronuba L.!
1. f. & ochrea Tutt, 1892, Br. Noct. 4: 64. Vvls. okerkleurig of
grijsachtig okerkleurig, eenkleurig. Stellig zeer zeldzaam. Maas-
tricht (Rk.).
2. f. 2 ochrea-variegata Tutt, lc. Als 1, maar vvls. bont. Sepp,
serie 2, vol. 1, pl. IV, fig. 10 ; Seitz, pl. 73 h, fig. 5. Eveneens een
zeldzaamheid. Breda (trans. Z. Mus.).
3. f. & unicolor Tutt, Le. Vvls. lichtgrijsachtig of licht bruingrijs,
eenkleurig. Seitz, fig. 3. Vrij zeldzaam, maar wel haast overal onder
de soort aan te treffen. Van deze vorm zag ik ook vier © © ! Nun-
speet (Mac G.), Wassenaar, 2 exx. (Wiss.) en Epen (Vári).
4. f. 2, varia nov. (rostralis Tutt nec L.) Vvls. licht grijsachtig
of licht bruingrijs, bont!). Niet zeldzaam.
5. f. & vittatus Hw., 1809, Lep. Brit. : 367. Vvls. licht grijsachtig
tot licht bruingrijs, met brede lichte voorrand, eenkleurig. Niet
zeldzaam. Putten, Arnhem, Oosterbeek, Ubbergen, Loosdrecht (Z.
Mus.); Soest (Lpk.); Hilversum (Caron); Utrecht, Bergen op
Zoom (L. Mus.); Wassenaar (Wiss.).
6. f. 9 vittata-variegata nov. Als 5, maar vvls. bont?). Niet ge-
woon. Paterswolde (Wiss.); Apeldoorn (De Vos, Z. Mus.); Twel-
lo, Doetinchem (Cold.); Bennekom, Soest (Lpk); Holl. Rading
(Doets); Leiden (L. Mus.).
7. f. & brunnea nov. Vvls. helder bruinachtig, zonder grijze
tint, eenkleurig3). Zeldzaam. Twello (Cold.); De Steeg, Breda
(L. Mus.); Nunspeet (Mac G.); Holl. Rading, ‘s-Graveland
(Doets) ; Bussum (Z. Mus.).
8. f. © brunnea-variegata nov. Als 7, maar vvls. bont4). Svenska
Fjärilar, pl. 32, fig. 15a; Keer, pl. 63, fig. 10. Niet zeldzaam.
Nunspeet (Mac G.); Apeldoorn, Rhederoord, Oosterbeek, Breda,
Venlo (Z. Mus.); Lochem, Breda, Vught (L. Mus.); Hatert
(Wiss.); Holl. Rading (Doets); Hilversum (Caron).
9. f. & palpalis F., 1787, Mant. Ins. 2: 217. Vvls. donker-
grijs tot donkerbruingrijs, soms zwartachtig, eenkleurig. Sepp, l.c.,
fig. 7; Seitz, l.c., fig. 4; South, pl. 35, fig. 11. Hoofdvorm van de
4 & in ons land!
10. f. 2 rostralis L., 1758, Syst. Nat., ed. X: 533. Als 9, maar
vvls. bont. Sepp, fig 11; Seitz, fig. 1; South, fig. 12. Hoofdvorm
van de ® ® in ons land, maar ook uiterst zeldzaam bij de & &
voorkomend ! Tot nog toe zag ik slechts 1 ex., Hilversum (Caron).
Het verschil in tint tussen de twee voorvl.helften is iets minder dan
het gewoonlijk bij de 9 2 is, doch het ex. kan in geen geval tot de
eenkleurige vorm gerekend worden.
11. f. 4 spectans Dannehl, 1926, Ent. Z. 40 : 399. Grondkleur
der vvls. als rostralis, eenkleurig, ronde vlek wit geringd, scherp
1) Fore wings light greyish or pale brown grey, mottled.
2) As vittatus Hw., but fore wings mottled.
3) Fore wings clear brownish, without grey tint, unicolorous.
4) As brunnea, but fore wings mottled.
142 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (552)
afstekend. Apeldoorn (de Vos, Kallenbach); Twello (Cold.);
Vught (L. Mus.).
12. f. & radiatalis Hb., 1796, Samml. Eur. Schm., Pyr., fig. 134.
Grondkleur der vvls. als bij palpalis, met brede lichte voorrand,
eenkleurig. Seitz, fig. 2 (,,radialis"). Zeldzaam. Almelo (v. d. M.);
Epe (Z. Mus.); Lunteren (Branger); Aerdenhout (L. Mus.);
Wassenaar (Wiss.).
13. f. .2 radiatalis-variegata nov. Als 12, maar vvls. bont!).
Sepp, l.c., fig. 9. Minder zeldzaam. Wijster, Groenekan, Loos-
duinen (L. Mus.); Almelo (v. d. M.); Hengelo (Btk.); Deventer
(Cold.); Lunteren (Branger); Boekhorst, Arnhem, Breda (Z.
Mus.); Wassenaar (Wiss.).
Teratol. ex. De beide linker vleugels die van een dwerg ex,
de beide rechter vleugels normaal. Holl. Rading (Doets).
Observations. Tutt's definition of typical rostralis : „Pale
greyish, with distinct markings’ (1892, Br. Noct. 4: 64) is not
correct. It is true, that Linné first wrote: „alis subgriseis’, but
in the ampler Fauna Svecica, ed. 2: 350 (1761) he gave the fol-
lowing Descriptio : ,,Alae superiores obscure grisescentes, posterius
minus saturate: in area anteriore obscuriore aliquot puncta albida
fuscaque prominentia...”. From this description it is clear, that
the typical form is the one with dark greyish-brown to blackish-
brown forewings, the basal part darker than the exterior part,
by far the commonest form of the female (= f. variegata Tutt,
which falls as a synonym).
This is excellently confirmed by Linne's citation of Roe-
sel: „I. phal. 4 t. 6”. Fig. 4 of plate 6 is a blackish-brown © (fig.
5 a & of radiatalis Hb.). Warren's synonymy in Seitz 3: 435,
1913, is correct.
2. The forms of rostralis can be divided into two groups. The first
has unicolorous forewings, the inner line absent, the outer line
either absent or feebly marked. The second is the mottled one:
transverse lines clearly visible, the outer line edged with pale, outer
half of the fore wing nearly always paler than the basal part.
Valle (1927, Not. Entom. 7: 114) found that of a series of
about 70 Finnish examples all unicolorous ones were 4 4 and all
mottled ones 2 9. I have examined a large series of Dutch spec-
imens in order to investigate, if this rule also holds good for
our populations. As a result I can fully confirm. the conclusion
arrived at by Valle. I must add, however, that exceptions
occur, but they are extremely rare. Among the 308 specimens
examined I only found 5! It is, therefore, clear that the factors for
"unicolorous’ and “mottled” are very probably partially sex-
controlled, so that only in very rare cases one sex is able to produce
the form of the other. This resembles the rule I found for the colour
1) As radiatalis, but fore wings mottled.
(553) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 143
forms (of the fore wings) of Triphaena pronuba L. (see Zeitschr.
Wiener Ent. Ges. 28: 10, 1943).
I do not know, if all forms can be reproduced by both sexes,
but as the possibility exists, it is necessary to have a name for
every male form and for every corresponding female form.
Further investigations will perhaps show that some of them are
superfluous.
I met with some cases in literature which seem to contradict the
rule. Culot writes (1913, Noct. et G&om. 2: 226): „Les deux
sexes sont semblables” and figures (pl. 80, fig. 15) a mottled ex.
from Boulogne-sur-Seine, of which he saysitisa 3. Ver Huell,
who gave some excellent figures in Sepp, second series, 1, pl. IX
(1858), represents a unicolorous palpalis (fig. 7), of which he
says it isa|9, and a mottled rostralis (fig. 11), which should be a
8. And Dannehl writes in his original description of f. spectans,
that he had one & from Sigmundskron and two 2 9 from the
Cibin Mts. (Carpathians). I observed, however, that it is often
impossible to determine the sex of rosfralis when only examining
the dried abdomen. Lepidopterists like Sn ellenandHeylaerts
were even mistaken sometimes as could be seen by looking at their
labels! Culot was of course wrong, but I am convinced that this
was also the case with Ver Huell and probably with Dan -
nehl. The sex of rostralis is only to be made out with certainty
by examining the antennae or the frenulum, which is easily done
with a binocular. I have done so with all Dutch examples checked
by me.
I append a table of all the forms of rostralis known from Hol-
land which shows how they were divided between the two sexes
with the specimens checked and which at the same time gives an
excellent idea of the rate at which the different forms occur in our
country.
Name of the form Number of gg. Number of 99.
ochrea Tutt :
ochrea-variegata Lpk. .
unicolor Tutt .
varia Lpk. .
vittatus Hw. ER
vittata-variegata Lpk. .
brunnea Lpk. . jee
brunnea-variegata Lpk.
palpalis F. . ER kiaed
rostralis L. . .
spectans Dhl. .
radiatalis Hb. NE DIE
radiatalis-variegata Lpk. .
1.
22
She
4.
5.
6.
7.
8.
9.
lno=slololsll
el l SLS sl oee |
Schrankia Hb.
591. S. taenialis Hb, Tot nog toe slechts van enkele vindplaatsen
in het ©. en Z. bekend, zeldzaam, maar ongetwijfeld nogal eens
over het hoofd gezien.
dos B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (554)
In Denemarken niet aangetroffen. In Sleeswijk-Holstein in Oost-
Holstein, bij Rendsburg en Flensburg ; bij Hamburg zeldzaam ;
niet bekend van Bremen ; bij Hannover 2 exx. in 1926, sinds 1933
talrijk; nog niet bekend uit Westfalen; in de Rijnprov. alleen ‘
nog bij Aken (1 4 1871 op smeer, 1 3 18-9-1915 op licht). In
België zeldzaam, lokaal: in de Kempen, bij Maredsous-sous-
Denée, Hal en Marcinelle. In Groot-Brittannië verbreid in de zui-
delijke helft van Engeland, plaatselijk in het midden, in het zuiden
van Wales. Niet bekend uit Ierland.
2 gens. De meeste rupsen overwinteren volwassen, doch enkele
verpoppen reeds in de herfst en leveren een partiële tweede gen.
(zie Urbahn, 1932, Stett. Ent. Z. 93: 305). De eerste gen. in
Juli (3-7 tot 26-7), de tweede in Septr. (tot nog toe slechts 2 vang-
sten van 5 en 14-9 bekend).
Vindpl. Gdl: Apeldoorn, 5-9-91 (T.v. E. 41: 88); Ooster-
beek (3-7 in L. Mus., 10 exx. van 5-7 tot 26-7-1886 in Z. Mus.);
Winterswijk (T. v. E. 33 : 177). Lbg. : Geulem, 15-7-1930, 21-7 en
24-7-1931 (Btk.), 24-7-1936 (Rk.), 14-9-1947 (Btk.).
Var. De typische vorm (Hübner, 1800—1809, Samml. Eur.
Schm., Pyralides, fig. 151) heeft geelbruine vvls. met 2 scherpe
dwarslijnen. Hoofdvorm.
1. f. obsoleta nov. Dwarslijnen zeer flauw!). Oosterbeek, 1 ex.
(Z. Mus.).
592, S. costaestrigalis Stephens. Verbreid over bijna het gehele
land op vochtige plaatsen, maar meestal niet gewoon. 2 gens, de
eerste eind Mei tot begin Juli (30-5 tot 9-7), de tweede begin
Aug. tot begin Nov. (2-8 tot 1-11[-1925, een ex. van Melick in
coll.-Fransen]).
Vindpl. Fr.: Lekkum. Dr.: Wijster. Ov.: Volthe. Gdl.: Apel-
doorn, Twello (tamelijk weinig), Velp, Arnhem, Bennekom;
Warnsveld, Lochem, Kruisberg, Montferland, Bijvank, Lobith;
Hatert, Wamel. Utr. : Loosdrecht. N.H. : Holl. Rading, Hilversum,
Bussum, Ankeveen, Amsterdam. Z.H. : Roelof Arendsveen. N.B. :
Breda. Lbg.: Plasmolen, Venlo, Melick, Roermond, Meerssen,
Maastricht.
Var. 1. f. costaesfrigalis Stephens, 1834, Haust. 4: 21. Vvls.
grijsachtig bruin met een donkere enigszins driehoekige wit afge-
zette vlek aan de voorrand bij de vleugelpunt. South, pl. 36, fig. 6 ;
Seitz, pl. 73 1, fig. 4; T. v. E., vol. 33, pl. 7, fig. 1. Vermoedelijk de
meest voorkomende vorm.
2. f. monotona nov. Vvls. eenkleurig, bruinachtig, zonder don-
kere costaalvlek, de 2 dwarslijnen duidelijk, meestal geelbruin af-
gezet?). Haast even gewoon als de typische vorm.
3. f. unicolor nov. Vvls. eenkleurig bruinachtig zonder dwars-
1) Transverse lines obsolete.
DI
2) Fore wings unicolorously brownish, without dark costal spot, the 2 trans-
verse lines distinct, as a rule bordered by yellow-brown.
(555) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 145
ljnen!). Apeldoorn (de Vos); Arnhem, Lochem (Z. Mus.); Kor-
tenhoef (Doets); Breda (4).
Tholomiges Lederer.
593. T. turfosalis Wocke. Zeer lokaal, meest in een enkel ex.
aangetroffen, slechts van een paar vindplaatsen in aantal bekend.
Stellig echter meer in ons land te vinden.
In Denemarken plaatselijk in Jutland en op de eilanden. In
Sleeswijk-Holstein in Oost-Holstein, bij Flensburg; bij Hamburg
jaren geleden in het Eppendorfer Moor; niet bij Bremen; bij
Hannover talrijk in de veenmoerassen ; niet in Westfalen; in de
Rijnprov. 1;9 in 1916 bij Aken. Niet bekend uit België. In Groot-
Brittannië door een groot deel van Engeland in met heide be-
groeide venen (wel het voornaamste biotoop van de soort !), zeer
lokaal in Schotland. In Ierland talrijk in de venen bij Kerry en
ongetwijfeld op vele andere plaatsen (Barrett, 1900, Br. Lep.
6 : 309).
Vliegtijd tweede helft van Mei tot eind Aug. (23-5 tot 21-8).
Mogelijk treedt een partiële tweede gen. op, maar zekerheid be-
staat hierover niet. In 1946 ving Doets de soort op 25 Mei, 23
en 25 Juni, 1 en 24 Juli, telkens 1 ex. daarna weer 4 gave op
3 Aug. Een duidelijke grens vind ik in elk geval niet, zodat ook een
ongelijke ontwikkeling van de eerste stadia mogelijk is.
Vindpl. Fr.: Kuikhorne (De Vlinders 1: 496; in Z. Mus.
2 exx. met etiket „Friesland zonder verdere gegevens). N.H.:
‚Kortenhoef, 9 exx. in 1946, veel in 1947 (Doets); Amsterdam (De
Vlinders, l.c.); Overveen, 27-8-1926 (Btk.). N.B.: Breda, 12-8-
1881 tegen de avond tussen Calluna vulgaris Hull (T. v. E. 26:
CL), in L. Mus. een ex. van 1889; Rijen, 3-8-1884 (L. Mus.).
Lbg. : Plasmolen, Ottersum. Het uitgestrekte veen aan de voet van.
de Sint Jansberg is met de Kortenhoefse plassen tot nog toe de
belangrijkste vindplaats van turfosalis gebleken. In Z. Mus. zijn
20 exx. van dit gebied van 1886, 1912, 1920, ‘22, 29 en 31. In
Tijdschr. v. Ent. 56: XVII, deelt Sc hu ij t mee, dat de vlinders in
1912 ‘savonds „herhaaldelijk om de lantaarn fladderden.
Var. 1. f. turfosalis Wocke, 1850, Breslauer Ent. Z., pl. 5,
fig. 17, 3 en 2 (geen tekst). De eerste gekleurde afbeelding is
die van Herrich-Schäffer, 1852, Syst. Bearb. 2, fig. 620,
met licht bruingrijze voorvls. Dwarslijnen duidelijk, evenals in de
figuren van Wocke. Deze typische vorm met licht bruingrijze
tot witgrijze vvls. is de hoofdvorm.
2. f. bicolor nov. Wortelhelft der vvls. donker, franjehelft licht2).
(Voet van) St. Jansberg, 1 ex. (Z. Mus.).
3. f. obscura nov. Vvls. eenkleurig donkergrijs met de normale
dwarslijnen3). (Voet van) St. Jansberg, 2 exx. (Z. Mus.).
1) Fore wings unicolorously brownish without transverse lines. [At any rate
distinguished from the Tyrolese subsp. lugubralis Dannehl by its normal ha-
bitus.]
2) Basal half of the fore wings dark, outer half pale.
3) Fore wings unicolorously dark grey with the normal transverse lines.
146 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (556)
Geometridae.
Hiermee zijn we bij de laatste familie der „Macrolepidoptera”,
die nog ter behandeling overblijft, aangekomen. Het spreekt wel
van zelf, dat als basis de bewerking der Spanners van Louis Beet-
hoven Prout in het vierde deel van Seitz (1912—1915) is ge-
nomen en dat het Supplement daarop (tot en met de Larentii-
nae geschreven door Prout, 1934— 1939, vanaf de Geome-
trinae door de bekende Zwitserse Geometridenspecialist Dr
Eugen W ehrli, 1939— 1941 ; het slot moet nog volgen) geregeld
geraadpleegd is. De Sterrhinae zijn echter geheel volgens de
monografie van Dr J. Sterneck gerangschikt (1940—1941,
Versuch einer Darstellung der systematischen Beziehungen bei den
palaearktischen Sterrhinae, Zeitschr. Wiener Ent. Ver. 25: 6 en
volgende, 26 : 17 en volgende).
Over de systematiek van de familie is stellig nog niet het laatste
woord gesproken. Prout heeft oorspronkelijk zoveel mogelijk de
rangschikking van de Catalog van Staudinger-Rebel
(1901) gevolgd. Bij de samenstelling van dit werk was de studie
van het copulatie-apparaat echter nog maar nauwelijks begonnen.
En van welk een ingrijpende betekenis deze kan zijn, blijkt wel uit
het door Wehrli bewerkte gedeelte. We zullen er dan ook op
voorbereid moeten zijn, dat bij voortgezette bestudering van de fa-
milie nog menige verandering noodzakelijk zal blijken. Daar zijn
trouwens reeds verschillende aanwijzingen voor. Zo wijst Prout
er op (1914, l.c. : 158), dat Ortholitha zeer nauw verwant is aan
Cidaria, een verzamelgenus, dat tegenwoordig algemeen in talrijke
afzonderlijke geslachten gesplitst wordt. Ook Heydemann
heeft enkele waardevolle opmerkingen over de systematiek der fa-
milie gemaakt (1936, D. ent. Z. Iris 50: 30).
De variabiliteit der Geometriden is minstens even interessant
als die der Agrotiden. Ook hier treffen we enige telkens terug-
kerende (en vrijwel zeker erfelijke) afwijkingen van het normale
Fig. 28. 1. approximata-type ; 2. fangens-type ; 3. cofangens-type ; 4. margaritata-
type ; 5. planicolor-type.
(557) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 147
type aan. Voor zover dergelijke vormen nog niet benoemd zijn zul-
len hiervoor steeds de volgende namen en diagnosen gelden :
1. f. approximata, De beide dwarslijnen, die het middenveld der
vvls. begrenzen, staan opvallend dicht bij elkaar.
2. f. tangens. De beide dwarslijnen, die het middenveld der vvls.
begrenzen, raken elkaar onder het midden en lopen dan weer uit
elkaar.
3. f. cotangens. De beide dwarslijnen, die het middenveld der
vvls. begrenzen, raken elkaar onder het midden en blijven dan ver-
enigd.
4. f. margaritata. De beide dwarslijnen, die het middenveld be-
grenzen, raken elkaar op meer dan één plaats (margarita = parel).
5. f. planicolor. Het middenveld der voorvls., dat normaal lichter
is begrensd door 2 donkere lijnen, is eenkleurig donker van tint.
6. f. impuncta. De middenstip der voorvls. ontbreekt!)
In de oudere collecties en ook bij vele beginners is de familie
maar heel matig vertegenwoordigd. De oorzaak hiervan is, dat
lichtvangst eigenlijk de enige goede methode is om Spanners te
verzamelen. Moge de hier volgende behandeling der dikwijls zo
sierlijke en prachtig getekende vlinders er toe bijdragen, dat velen
zich tot de studie van deze groep aangetrokken zullen voelen.
Archiearinae.
Archiearis Hb.?)
594, A. parthenias L. Op zandgrond door bijna het gehele land,
op de vindplaatsen meest gewoon. 1 gen., begin Maart tot in de
tweede helft van Mei (6-3 tot 23-5), hoofdvliegtijd eind Maart,
begin April.
Vindpl. Fr.: „Friesland, zonder nadere vindpl. (Z. Mus.).
Gr.: Appelbergen. Dr: Noordlaren, Hooghalen, Wijster, Lee, Dol-
dersum, Havelte. Ov: Hengelo, Colmschate. Gdl.: Putten, Ermelo,
Leuvenum, Asselt, Apeldoorn, Nunspeet, Epe, Otterlo, Laag Soeren,
1) For some recurrant forms in this family the following names will be used
(see fig. 27). For the diagnosis will always be referred to this page.
1. f. approximata, The two transverse lines which border the central area of
the fore wings, are close together.
2. f. tangens. The two transverse lines which border the central area of the
fore wings, touch each other below the middle and then separate again.
3. f. cotangens. The two transverse lines which border the central area of the
fore wings, touch each other below the middle and then remain united.
4. f. margaritata. The two transverse lines which border the central area of
the fore wings, touch each other on more than one spot.
5. f. planicolor. The central area of the fore wings, which is normally paler
and bordered by 2 darker lines, is of a unicolorously dark tint.
6. f. impuncta. The central spot of the fore wings is absent.
2) De genusnaam Brephos O. (1816) moet helaas vervallen, daar deze ge-
preoccupeerd is door Brephos Hb., 1813, Samml. exot. Schmetterl. 1, pl. 198,
waar Brephos (dubium) julia Hb. afgebeeld is, een exotische soort, die in geen
enkel opzicht verwant is aan de soorten, waarvoor enkele jaren later dezelfde
genusnaam zou worden gebruikt.
148 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (558)
Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Wageningen, Bennekom,
Ede, Lunteren; Ruurlo, Aalten, Laag Keppel; Didam, Bijvank ;
Nijmegen. Utr: Amerongen, Doorn, Zeist, De Bilt, Bilthoven, Groe-
nekan, Maartensdijk, de Pan, Amersfoort, Soest. N.H.: Hilversum,
Bussum, Amsterdam (1919, Piet; zwerver), IJmuiden, Velzen, Drie-
huis, Santpoort, Zandvoort, Vogelenzang. Z.H. : Wassenaar, Mei-
endel, Den Haag. N.B. : Breda, ‘s-Hertogenbosch, Deurne. Lbg. :
Plasmolen, Venlo, Belfeld, Tegelen, Roermond, Linne, Kerkrade,
Rolduc, Meerssen, Rothem, Maastricht, Nyswiller, Vaals.
Var. De soort is sexueel dimorph. De ‚9 9 hebben veel bon-
tere (meer witachtig gevlekte) vvls. dan de 6 4, hoewel een enkele
maal wel eens een 9 voorkomt met de meer eenkleurige vvls. van
het ai).
1. f. unicolor Heinrich, 1916, Deutsche ent. Zeitschr. : 524. Vvls.
zonder spoor van witachtige tekening, behalve in de gevlekte franje,
grondkleur overigens normaal. Hengelo (Btk.); Putten, Driehuis
(Z. Mus.); Oosterbeek (v. d. Pol); Bijvank (Sch.); Amersfoort
(Langeveld); Soest (Br.); Hilversum (Doets); Bussum (F.F.).
2. f. variegata nov. Grondkleur der vvls. veel lichter bruin en
sterk wit gevlekt. Extreem lichte 9 vorm?). Arnhem, Plasmolen (Z.
Mus.) ; Apeldoorn (Wiss.) ; Velp (v. d. Bergh) ; Wolfheze (8) ;
Ruurlo (Sch.) ; Bilthoven (Br.) ; Hilversum (Doets).
3. f. contrasta nov. Wortelhelft der vvls. eenkleurig zwart, een
grote, witachtige, scherp afstekende vlek voor de kleine niervlek,
franjehelft der vvls. eenkleurig donker bruingrijs?). Apeldoorn
(Wiss.).
4. f. luteata de Hennin, 1910, Rev. Mens. Soc. Ent. Nam. : 67.
Grondkleur der avls. geel. Een prachtig ex. van Santpoort, 1939
(v. d. Vaart).
5. f. intermedia nov. Grondkleur der achtervls. oranjegeel4).
Arnhem (Z. Mus.) ; Hilversum (Lg.); Vogelenzang (Wiss.).
6. f. muliercula Stephan, 1923, Int. ent. Zeitschr. Guben 17 : 85.
De zwarte middenstip der avls. geheel losstaand van de zwarte
wortelbestuiving. Apeldoorn (6), Wageningen, Bilthoven (L.
Mus.) ; Putten, Arnhem (Z. Mus.) ; Velp (v. d. Bergh) ; Gorsel
(Cold.) ; Doorn (Lpk.) ; Amerongen (Btk.) ; Hilversum (Doets) ;
Bussum (v. d. Weij) ; Meerssen (Rk.).
7. f. fasciata nov. De zwarte middenstip der avls. niet alleen
met de wortelbestuiving, maar ook met de voorand verbonden,
1) Waarschijnlijk is f. dilutior Heinrich, 1916, Deutsche ent. Zeitschr.: 524:
„Kleiner als die typische Form, die weissen Zeichnungscharaktere der Vfl. stark
vermindert,” en n.z. bij Berlijn, niets anders dan de normale 4 vorm.
2) Ground colour of the fore wings of a much paler brown and strongly
spotted with white. Extreme pale © form.
3) Basal half of the forewings unicolorously black, a large whitish and sharply
contrasting spot before the small reniform stigma, outer half of the forewings
unicolorously dark brown-grey.
4) Ground colour of the hind wings orange-yellow. [It is very doubtful if this
form has genetically anything to do with lufeata.]
(559) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 149
zodat een doorlopende band ontstaat!). Vrij ‘gewoon, bijna overal
onder de soort voorkomend.
Oenochrominae.
Alsophila Hb.
595, A. aescularia Schiff. Gewoon door vrijwel het gehele land,
vooral in bosachtige streken. 1 gen., half Februari tot eind April
(13-2 tot 25-4), hoofdvliegtijd half Maart tot begin April.
Var. 1. f. albina Lucas, 1912, Cat. Lép. Quest de la France:
191. Grondkleur der vleugels witachtig. De donkere bestuiving
ontbreekt vrijwel geheel, de dwarslijnen zijn duidelijk zichtbaar.
Twello (Cold.) ; Velp (de Roo v. Westmaas) ; Arnhem (19, Z.
Mus.) ; Bennekom (v. d. Pol).
2. f. brunnea Hannemann, 1917, Int. entom. Zeitschr. Guben 11:
57 (afb.: 1917, Suppl. entom. 6, fig. 21). Grondkleur der vvls.
zwartachtig bruin, de 2 dwarslijnen licht afstekend. Colmschate
(Lukkien) ; Bennekom, Wolfheze (v. d. Pol) ; Bijvank (tr., Sch.) ;
Wassenaar (Wiss.) ; Den Haag (Btk.).
3. f. asfrigaria Rebel, 1913, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 53: (53).
Dwarslijnen der vvls. geheel ontbrekend. Arnhem, Nijmegen (Z.
Mus.).
4. f. fasciata nov. Vvls. met donker afstekende middenband?).
Paterswolde (Nat. Mus. Groningen); Bennekom (v. d. Pol); Bij-
vank (Sch.); Middelie (De Boer); Amsterdam (Botzen); Uden-
hout (L. Wag.). i
5. £. tangens nov. Zie p. (557). Den Haag (Btk.).
6. Dwerg. Middelie (De Boer).
Teratol. ex. Linker vleugels veel te klein. Bennekom (v. d.
Pol).
596. A. aceraria Schiff.3). Verbreid in een groot deel van het
land, in hoofdzaak in bosachtige streken op zandgronden, minder
gewoon dan de vorige soort.
1 gen., begin Octr. tot half Dec. (5-10 tot 17-12), bij uitzonde-
ring pas in de nawinter : 6-2-1900, Kollum, en 25-2-1873, e.l., Oos-
terbeek (beide in coll.-Z. Mus.). Hoofdvliegtijd November.
Vindpl. Fr. : Kollum. Dr. : Paterswolde. Ov. : Borne, Almelo,
Colmschate, Diepenveen. Gdl.: Putten, Leuvenum, Apeldoorn,
Twello (weinig), Empe, Laag Soeren, Dieren, Arnhem, Ooster-
beek, Renkum, Wageningen, Bennekom, Ede; Vorden, Aalten, Bij-
vank ; Nijmegen. Utr. : Rhenen, Doorn, Huis ter Heide, De Bilt,
Soesterberg, Soest. N.H.: Hilversum, ‘s-Graveland, Blaricum, Bus-
sum, Overveen. Z.H. : Rotterdam (Bst. 2: 180), Dordrecht. N.B. :
1) The black central spot of the hind wings is not only connected with the
basal suffusion, but also with the costa, so that a continuous band results.
2) Fore wings with darker contrasting central band.
3) Geometra aceraria Schiff, 1775, is not a homonym of Phalaena aceraria
Hufn., 1767 (= Ph. G. afomaria L., 1758). Prout (1912, Seitz 4: 3) is wrong
in this case.
150 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (560)
Bergen op Zoom, Breda, Oudenbosch, Tilburg. Lbg. : Venlo, Roer-
mond, Linne.
Var. 1. f. obscura nov. Vvls. donkerbruin, dwarslijnen heel
flauw!). Paterswolde (Wiss.).
2. f. obsoleta nov. Dwarslijnen nauwelijks zichtbaar, grondkleur
normaal?). Aalten (Sch.); Velp (de Roo v. Westmaas).
Aplasta Hb.
597, A, ononaria Fuessly. Uiterst zeldzame immigrant, tot nog
toe slechts eens in ons land aangetroffen.
Niet bekend uit Denemarken. In het aangrenzende gebied van
Duitsland alleen enkele malen in de Rijnprov. opgemerkt : Keulen,
Neuss, Bonn en Wied-Selters (rechter Rijnoever, schuin onder
Bonn). In België bekend van Ostende, Torgny en Virton. In Enge-
land uitsluitend bekend van de Zuidkust. Van 1869 tot 1934 wer-
den hier ruim een tiental exx. gevangen, de meeste bij Folkestone,
een enkel in het New Forest en bij Romney Marsh. In 1937 werd
de vlinder in aantal bij Folkestone opgemerkt en heeft zich daar
toen kunnen handhaven, zeker nog tot in 1945, Mededelingen hier-
over zijn o.a. te vinden in Entomologist 71 : 145, 1938, en volgende
jaargangen. In 1947 werd een ex. gevangen in het Tilgate Forest
(Sussex).
Het Nederlandse ex. stamde uit September.
Utr. : Soest, 7-9-1934, 1 ex. (Tolman leg, in coll-Lpk.).
Odezia Bsd.
598, O, atrata L. Alleen aangetroffen in het Zuiden van Lim-
burg en daar misschien inheems. De vlinder heeft nl. niet zelden
uiterst kleine vlieggebieden van slechts enkele vierkante meters
groot, waar hij in aantal te vinden is, terwijl hij daar buiten niet
voorkomt, zodat het ontdekken daarvan van het toeval afhangt
(zie Groth, 1938, Entom. Zeitschr. 52: 36).
In Denemarken verbreid op de eilanden en in Jutland. In Slees-
wijk-Holstein zeer lokaal in het N. en Z.O., plaatselijk (Flensburg)
zeer talrijk. Niet met zekerheid bekend van Hamburg. Van Bremen
alleen vermeld door Rehberg (1879), zeer waarschijnlijk een
vergissing (Warnecke in litt.). Niet bekend van Hannover. In
Westfalen alleen in het bergland. In de Rijnprov. zeldzaam bij
Burtscheid op sommige bosweiden, talrijk bij Stollberg en op het
Hohe Venn (Püngeler, p. 78), en nog enkele andere vindplaat-
sen (in totaal 7). In België in de Ardennen en op Jura (het Zuiden
van Luxemburg), plaatselijk talrijk. Verbreid over Groot-Brittannië,
maar zeer lokaal. In Ierland zeer zeldzaam. De Nederlandse vind-
plaatsen zijn de uiterste voorposten van het vlieggebied gevormd
door Ardennen en Hohe Venn.
1) Fore wings dark brown, transverse lines very faint.
2) Transverse lines obsolete, ground colour normal.
(561) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 151
De vlinder vliegt in Juni en Juli in de zonneschijn. Voor zover
bekend stammen onze exx. uit begin Juli.
Vindpl. Lbg.: Rolduc, 1904 (Latiers); Piet Haan bij Vaals,
2 Juli 1903 (Jeswiet, 1904, Lev. Nat. 9: 85).
[Ter Haar schrijft hierover (1904, Tijdschr. v. Ent. 47: XV):
„Deze soort was in de eerste helft van Juli te Piet Haan bij Vaals
in de weilanden zeer algemeen en is aldaar overdag vliegende ge-
vangen door de heer J. Jeswiet te Haarlem”. Deze schreef zelf in
Lev. Nat. Ic. : „Maria ving nog een paar exemplaren van een klein
zwart vlindertje, reeds op de vorige wei door mij buitgemaakt...
Exemplaren van deze vlinder zijn aanwezig in de collecties van de
heren M. Stakman, M. Fick en J. D. Jeswiet te Haarlem”. Van al
deze exx. is er slechts 1 over, aanwezig in coll.-Z. Mus. De coll.-
Fick heb ik evenwel niet kunnen ontdekken. |
Hemitheinae.
Pseudoterpna Hb.
599. P. pruinata Hufn. Verbreid door het gehele O. en Z. op
zandgronden, ook in de duinen (Schoorl), vooral in heidestreken, en
daar dikwijls vrij gewoon. 1 gen., begin Juni tot eind Aug. (6-6 tot
27-8).
V ar. Een zeer interessante spanner, die een speciale studie zeker
waard is. De gekweekte exx. zijn vaak bijzonder mooi, vooral de
groene, buiten verschieten ze spoedig.
1. subsp. pruinata Hufn. Grondkleur der vleugels groen, dwars-
liinen donkergroen, onderzijde lichtgroen. Keer, pl. 65, fig. 1 ; Onze
Vlinders, pl. 43, fig. 14 b; Seitz, pl. 1 f, fig. 2; Svenska Fjärilar, pl.
32, fig. 23 a; Culot, pl. 1, fig. 3. In typische exx. zeldzaam en tot
nog toe alleen uit het Zuiden bekend. Nijmegen, een prachtig ©, 3
vrij goede ab ovo exx. van Woensdrecht (Z. Mus.); Ginneken
(Mus. Rd.); Rijen, 1 ex. (Jch.); Oisterwijk (8); Brunssum, Vaals
(Lpk.).
Er komen ook overgangen naar afropunctaria voor, waarbij de
bovenzijde nog vrijwel de typische kleur heeft, alleen de dwars-
linen soms wat donkerder, maar waarbij de onderzijde reeds de
bruinachtige tint van genoemde vorm heeft.
2. subsp. atropunctaria Walker, 1862, List Lep. Ins. Brit. Mus.
26: 1673 (nigrolineata Schwingenschusz, 1918, Verh. zool.-bot.
Ges. Wien 68: (151)). Dwarslijnen op de vvls. zwart in plaats
van groen, onderzijde der vleugels donkerbruinachtig. South, pl.
38, fig. 6 en 8; Seitz, Suppl. IV, pl. 2 a, fig. 1 (,,nigrilineata’’), pl.
18 h, fig. 4 (verbleekte type van Walker). Verreweg onze
meeste exx. behoren tot deze vorm, de overheersende in de gebieden
om de Noordzee. De typische atropunctaria is ongetwijfeld de groene
vorm, daar de grijze in Engeland zeer zeldzaam is en vooral de
groene tot een witachtig dier verkleurt zoals ook Walker's type
geworden is.
152 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (562)
3. f. grisescens Reutti, 1898, Uebersicht Lep. Fauna Baden, 2e
Aufl.: 110. Grondkleur der vleugels grijs in plaats van groen, bij
extreme exx. zelfs zwartgrijs. Svenska Fjärilar, pl. 34, fig. 1 (grijze
vorm van atropunctaria). Waarschijnlijk overal onder de soort
voorkomend, maar in wisselend percentage. De Gavere (1867,
Tijdschr. voor Ent. 10 : 210) schreef, dat de grijze vorm bij Gro-
ningen gewoner was dan de groene. In het Zuiden van het land
daarentegen schijnt de grijze veel zeldzamer te zijn. Nauwkeurige
gegevens over verschillende plaatsen zijn zeer gewenst.
Een dankbare opgave is ongetwijfeld een onderzoek naar de
genetische verhouding tussen de grijze en de groene vorm. Er kan
geen twijfel aan bestaan of beide kleurvormen zijn erfelijk. Uit de
kweekresultaten van Van der Meulen blijkt vrijwel zeker,
dat de grijze vorm dominant is over de groene!).
[In onze oudere literatuur is de vorm meermalen vermeld onder
de naam coronillaria Hb. Dit is geen vorm van pruinata, maar een
| goede soort, verbreid in Zuid-Europa en Noord-Afrika en ook
uiterlijk makkelijk te onderscheiden van f. grisescens.]
4. f. albolineata Wagner, 1922, Int. ent. Zeitschr. Guben 16 : 40.
Exx. van afropunctaria met opvallend dikke witte golflijn. Lon-
neker (v. d. M.).
5. f. mixta nov. Voorvleugels groen, achtervleugels grijs?). El-
zen, Rijssen, Vasse (v. d. M.); Vierhouten (Vari); Apeldoorn (de
Vos); Rheden (Z. Mus.); Bakkeveen, Bennekom (L. Wag.); Hil-
versum (Doets); Bussum (Lpk.).
6. f. fuscomarginata nov. Grondkleur groen, maar gehele ruimte
tussen golflijn en franje zwartgrijs bestoven; aderen meestal zwart-
achtig3). Rijssen (v. d. M.); Rheden (Z. Mus.); Malden (Bo.).
7. f. tangens nov. Zie p. (557). Vasse (v. d. M.); Almelo (Plan-
tenziektenk. Dienst); Apeldoorn (links, de Vos); Bennekom (v. d.
Pol); Hilversum (Lg.); Huizen (Vari); Bussum (rechts, Lpk.);
Esch-N.B. (Z. Mus.); Helmond (Visser).
8. f. approximata nov. Zie p. (557). (Maar in tegenstelling tot f.
fasciata Prout het middenveld niet verdonkerd!). Vledder (Br.);
Arnhem (L. Wag.; Z. Mus.); Ede (L. Wag.); Lochem (Mus.
Rd.; Z. Mus.); Vorden (Mus. Rd.); Nijmegen, Mook (Z. Mus.);
Malden (Bo.); Hilversum (Doets); Deurne (Nies).
1) There can be no doubt, that f. grisescens is a hereditary form. The breeding
results of Van der Meulen are the following:
1. Wild grey © from Lonneker (prov. of Overijsel), taken in 1933. All descen-
dants are grey (about two dozen).
2. Wild green © from Vasse (same prov.), taken in 1941. Five descendants,
4 grey, 1 green.
3. Wild green © from Elzen (same prov.), taken in 1944. Eight descendants,
2 green, 3 grey, 3 mixta (probably an allelomorph to grisescens).
This makes it pretty certain that the grey form is dominant to the green one.
The white subterminal line is very varying in intensity, but rather uniform in
each series. This points to the possibility that it depends on a number of factors.
2) Fore wings green, hind wings grey.
3) Ground colour green, but the whole space between subterminal line and
fringe powdered with black grey ; nervures as a rule blackish.
(563) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 153
9. f. reducta nov. Op de vvls. ontbreekt de binnenste dwarslijn!)
De Punt (EF. F.); Venlo (Z. Mus.).
10. f. bilineata nov. De witte golflijn ontbreekt, de donkere
dwarslijnen aanwezig?). Vasse, Elzen (v. d. M.); Nijkerk (Z.
Mus.).
11. f. unilineata Lpk., 1936, Entom. Berichten 9: 290 (unilinearia
Prout, 1938, Seitz (Suppl.) 4: 217). Alleen de tweede dwarslijn
aanwezig, de golflijn en (op de vvls.) de antemediaanlijn ontbreken.
Deurne (Nies).
12. f. agrestaria Duponchel, 1829, Hist. Nat. Lép. France, Noc-
turnes 4 (2) : 257, pl. 152, fig. 4. Groene exx., waarbij alleen de
witte golflijn aanwezig is. Culot, pl. 3, fig. 44. Beschreven naar
Zuidfranse exx., doch mijns inziens ook te gebruiken voor de groene
exx. van subsp. afropunctaria Wkr., die beide donkere lijnen missen,
Oosterhout (Mus. Rd.).
13. f. extrema nov. De donkerste exx. van f. grisescens, waarbij
alleen de witte golflijn nog zichtbaar is3). Groningen (De Gavere,
[Een
Teratol. exx. a. Linker vvl. te klein. Malden (Bo.).
b. Rechter vvl. te klein. Bussum (Van der Weij).
c. Beide vvls. veel te klein. Ede (Van de Pol).
d. Beide linkervleugels te klein. Tilburg (Priems).
Hipparchus Leach.
600. H. papilionaria L. Verbreid op de zandgronden van het
gehele land, ook in de duinen, doch eveneens op verschillende
plaatsen in het lage land aangetroffen : Leeuwarden, Leeuwen,
Ankeveen, Maarsen, Loenen-U., Nigtevecht, Amsterdam, Pur-
merend, Middelie, Leiden, Schiedam, Rotterdam, Zevenhuizen,
Goes. Bekend van Texel en Terschelling.
1 gen., half Juni tot eind Aug. (10-6 tot 27-8).
Var. 1. f. deleta Burrows, 1905, Entom. Record 17 : 203. Op
v.- en avls. ontbreekt de rij witte vlekken voor de achterrand.
Apeldoorn (de Vos) ; Putten, Lochem, Breda (Z. Mus.) ; Benne-
kom (Lanz) ; Den Dolder (Botzen) ; Kortenhoef (Doets); Deurne
(Nies); Voerendaal (Br.).
2. f. subobsoleta Burrows, l.c. : 202. Op de vvls. ontbreekt de
binnenste dwarslijn, op alle vleugels de rij witte vlekken. Alleen
de postmediaanlijn blijft dus over. Putten (Z. Mus.); Lunteren
(Branger); Rijswijk (Hardonk); Oisterwijk (L. Mus.).
3. f. obsoleta Osthelder, 1929, Schmett. Südb. : 380. Alle dwars-
lijnen en de rij vlekken ontbreken. Stellig zeldzaam. Bennekom (v.
d. Pol); Amsterdam (v. d. M.).
1) The antemedian line fails on the fore wings.
2) The white subterminal line fails, the darker transverse lines are present.
3) The darkest specimens of f. grisescens, in which only the white subterminal
line is still visible.
154 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (564)
Comibaena Hb.
601. C. pustulata Hufn. Verbreid op de zandgronden en in bos-
achtige streken in het O. en Z., ook hier en daar in de duinen;
meestal vrij zeldzaam. 1 gen., eind Mei tot begin Aug. (26-5 tot
5-8).
(Scholten kweekte in 1925 uit eieren een kleinere tweede
gen., die in Septr. uitkwam ; tot nog toe echter niet in natura waar-
genomen).
Vindpl. Fr. : Veenklooster. Gr. : Groningen. Ov. : Hengelo,
Almelo, Markelo, Colmschate. Gdl. : Putten, Tongeren, Apeldoorn,
Twello (op sterk licht geregeld, soms vrij talrijk), Velp, Arnhem,
Renkum, Bennekom, Lunteren, Tongeren ; Vorden, Lochem, Boek-
horst, Aalten, Bijvank, Babberich ; Nijmegen, Malden, Hatert.
Utr. : Baarn. N.H.: Hilversum, Bussum, Valkeveen, Driehuis,
Overveen, Zandvoort, Aerdenhout, Heemstede. Z.H. : Den Haag.
N.B. : Breda, Princenhage, Ulvenhout, Chaam, Nuenen, Helmond,
Deurne. Lbg.: Venlo, Roermond, Meerssen, Geulem, Houthem,
Valkenburg, Brunsum, Kerkrade, Epen.
Var. Bij sommige exx. zijn de dwarslijnen zwak ontwikkeld.
1. f. tangens nov. Zie p. (557). Waarschijnlijk een vrij gewone
vorm. Veenklooster, Lochem, Bijvank, Nijmegen (Z. Mus.); Twel-
lo (Cold.); Hatert (Wiss.); Overveen (Sch); Aerdenhout
(Wiss.).
Hemithea Duponchel.
602. H. aestivaria Hb. (strigata Müller, 1764, nec Scopoli, 1763
= Cabera pusaria L.). Vooral een dier van zandgronden en bos-
achtige streken, maar door de polyphage levenswijze der rups ook
op meerdere plaatsen in het lage land aangetroffen : Lobith, Leeu-
wen, Wamel, Amsterdam, Zaandam, Rotterdam, Numansdorp. Be-
kend van Schiermonnikoog, Terschelling en Texel.
1 gen. begin Juni tot half Aug. (6-6 tot 13-8). In Z. Mus. een
ex. van Amsterdam, 22 April 1940 (zeer gunstig voorjaar !), onge-
twijfeld toch wel een grote uitzondering.
Var. Zeer gering. De dwarslijnen variëren iets in duidelijkheid.
Wiss. heeft een vers ex. van Heemstede, waarbij de costaalhelft van
het achterrandsveld op beide vvls. geelachtig is.
1. Dwerg. Zeist (Br.).
Chlorissa Stephens.
603. C. viridata L. Vooral verbreid in het O. en Z., maar over
het algemeen vrij zeldzaam. 1 gen., half Mei tot eind Juni (15-5 tot
24-6).
Vindpl. Fr.: Fochtelo, Beetsterzwaag. Gr. : Groningen. Dr.:
Eelderwolde, Norg, Veenhuizen, Zeegse, Donderen, Anlo, Assen,
Wijster, Dwingelo, Kralo, Havelte, Vledder. Ov.: Agelo, Om-
men. Gdl.: Garderbroek, Putten, Ermelo, Nunspeet, Apeldoorn,
(565) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 155
Eerbeek, Tonderen, Laag Soeren, Bennekom; Winterswijk, Aal-
ten; Beek bij Nijmegen. Utr. : Leersum, Soest, De Bilt, Utrecht.
Z.H. : Rotterdam (Bouwstoffen 2: 401). N.B. : Breda, Ginneken,
Rijen, Gilze, Tilburg, Oisterwijk, Sint Oedenrode, Hilvarenbeek,
Sint Anthonis, Deurne. Lbg. : Plasmolen, Milsbeek, Ottersum, Ven-
lo, Blerick, Roermond, Brunsum, Kerkrade.
Var. 1. f. subobsoleta nov. Op de vvls. ontbreekt de binnenste
dwarslijn!), Groningen (Z. Mus.); Breda (Mus. Rd.).
2. f. approximata nov. Zie p. (557). Bennekom (v. d. Pol).
3. Dwerg. Plasmolen (Wiss.). ‘
Thalera Hb.
604. T. fimbrialis Scop. Verbreid in heidestreken van het O. en
Z. en daar vrij gewoon, daarbuiten weinig (in Twello bijv. zelden
op sterk licht).
1 gen., begin Juni tot half Aug. (8-6 tot 12-8).
V ar. Zeer gering.
1. f. tangens nov. Zie p. (557). Apeldoorn (bijna; Z. Mus.).
2. f. approximata nov. Zie p. (557). Assel, Hoog Soeren (Wiss.);
Lonneker (v.d. M.).
3. Dwerg. Leuvenum (L. Wag.).
Hemistola Warren.
605, H. chrysoprasaria Esp., 1794 (vernaria Hb., 1789, nec Linné,
1761)2). Verbreid in Zuid- en Midden-Limburg en meer naar het
Noorden in het stroomgebied van Waal en IJsel, waar nog Cle-
matis groeit (doch hier veel zeldzamer).
Ontbreekt in Denemarken, in Sleeswijk-Holstein, bij Hamburg
en Bremen. Bij Hannover vroeger niet gewoon, in de laatste decen-
niën echter niet meer waargenomen. In Westfalen zowel in de
bergen als in het laagland, waar de voedselplant groeit. In de Rijn-
prov. (slecht bekend !) waargenomen bij Krefeld, Bonn en Neuen-
ahr. In België alleen plaatselijk in de Ardennen opgemerkt. In En-
geland uitsluitend in het Zuiden, meest op kalkgrond, en niet noor-
delijker dan Worcestershire (vrijwel op dezelfde geografische
breedte als Deventer en Hannover !). In Ierland zeer zeldzaam en
lokaal, waarschijnlijk ingevoerd met Clematisplanten (Donovan,
1936, Cat. Macrolep. Ireland: 68). De Noordgrens van het ver-
breidingsgebied loopt dus door ons land.
1 gen. eind Juni tot begin Septr. (25-6 tot 3-9).
Vindpl. Ov.: Colmschate (1937, Lukkien). Gdl.: Twello
(zeldzaam), Nijmegen. Lbg.: Roermond, Bemelen, Meerssen,
1) On the fore wings the basal transverse line fails.
2) Prout (1938. Seitz, Suppl. 4: 219) is van mening, dat (Geometra) imma-
culata Thunberg (1784) tot deze soort hoort en dan de oudste geldige naam er
voor is. Nordström (1940, Svenska Fjärilar: 223) geeft H. immaculata
echter als afzonderlijke soort en citeert het vermoeden van Aurivillius,
dat het enige bekende ex. in Zweden geïmporteerd kan zijn.
156 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (566)
Maastricht, Eysden, Aalbeek, Geulem, Houthem, Valkenburg, Eper-
heide, Epen, Vaals.
Jodis Hb.
606. J. lactearia L. De soort met de rechte dwarslijnen (Keer, pl.
65, fig. 10; South, pl. 43, fig. 4 en 7 etc.). Algemeen verbreid op
de zandgronden, ook in de duinen voorkomend (Alkmaar, Haar-
lem, Hillegom).
Vliegtijd eind April tot in de tweede helft van September
(30-4 tot 17-9). Vóór half Mei wordt de vlinder echter zelden ge-
zien. De hoofdvliegtijd begint eind Mei en duurt tot begin Juli,
waarbij enkele late exx. het tot in de tweede helft van deze maand
weten te rekken (25-7). 12 en 15 Aug. 1944 zag Korringa ech-
ter weer exx. te Bergen op Zoom, 12 Aug. 1945 en 5 Aug. 1947
werden te Bennekom gave exx. gevangen (Vande Pol). 20 Aug.
1946 ving Her warth een prachtig fris ex. te Rhenen, gevolgd
door een iets minder mooi op 26 Aug. Coldewey zag de vlin-
der 23 Aug. 1935 en 4 Sept. 1934 te Twello. Tolman ving in 1933
op 15 en 17 Septr. volkomen gave exx. te Soest.
Het is mogelijk, dat sommige poppen pas laat in het seizoen uit-
komen, een verschijnsel, dat inderdaad bij enkele Geometriden
voorkomt, maar vooral de heel late exx. doen toch wel sterk aan een
partiële tweede gen. denken. Zie in dit verband ook Scholten,
1938, Tijdschr. voor Ent. 81: 191. Mogelijk is dit geval parallel
met dat van Chesias rufata F. (zie no. 663).
Var. 1. f. approximata nov. Zie p. (557). Montferland (Vari).
607. J. putata L. De soort met de getande dwarslijnen (Keer, pl.
65, fig. 9). Met de bosbes verbreid door het gehele Oosten en op
sommige plaatsen in het Zuiden, op de vliegplaatsen in de regel
gewoon. Ongetwijfeld zijn van deze soort nog vele nieuwe vind-
plaatsen te ontdekken. 1 gen. begin Mei tot eind Juni (5-5 tot 29-6).
Vindpl. Ov. : De Lutte, Volthe. Gdl. : Putten, Hulshorst, Leu-
venum, Apeldoorn, Twello (zelden), Arnhem, Renkum, Bennekom;
Aalten, Didam, Montferland, Bijvank; Berg en Dal, Beek bij Nij-
megen. Utr. : Maarsbergen, Oud-Leusden, Amersfoort, Soest. N.B.:
Breda, Hilvarenbeek. Lbg. : Plasmolen, Echt, Epen, Holset.
Var. Scholten verkreeg uit een ab ovo kweek enkele exx.
met bijna rechte dwarslijnen, die uiterlijk dus nauwelijks van lac-
tearia te onderscheiden zijn.
Sterrhinae.
Sterrha Hb.
608. S. ochrata Scop. Verbreid door het gehele duingebied van
de Zeeuwse eilanden tot Schiermonnikoog en hier niet zelden ge-
woon. De oude Utrechtse vindplaats beschouw ik als een relict
van de vroegere kustfauna uit het Atlanticum, de Zuidlimburgse
(567) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 157
is waarschijnlijk een uitloper van de Middeneuropese stam.
(In Denemarken komt de vlinder niet voor, in het omringende
Duitse gebied alleen op het eiland Borkum, in Groot-Brittannië al-
leen aan de Zuid- en Zuidoostkust van Engeland. In België is de
vlinder nog niet waargenomen, maar stellig te verwachten in het
duingebied langs de Noordzee. Langs beide zijden van de Noord-
zee komt ochrata in dezelfde subspecifieke vorm voor. Het is een
warmteminnende zuidelijke soort, die in onze streken de uiterste
noordgrens van haar areaal bereikt).
1 gen. half Juni tot begin Aug. (22-6 tot 6-8).
Vindpl. Fr.: Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlie-
land. N.H. : Texel (Koog), Camperduin, Wijk aan Zee, Driehuis,
Zandvoort, Overveen, Haarlem, Heemstede, Aerdenhout, De Glip,
Vogelenzang. Z.H. : Noordwijkerhout, Noordwijk, Katwijk, Was-
senaar, Scheveningen, Den Haag, Loosduinen, Staalduin, Hoek van
Holland, Ouddorp. Zl. : Domburg, Vlissingen. Utr. : De Bilt (1877,
Kallenbach). Lbg. : Maastricht, 14 Juli 1939, & (Kortebos).
Var. Vergeleken met Middeneuropese exx. uit Wenen (Z.
Mus.), is er een duidelijk verschil tussen deze en onze duinvorm. Zij
zijn groter. Onze vorm behoort tot :
1. subsp. cantiata Prout, 1913, Seitz 4: 91. Klein, somberder ge-
kleurd, minder rood getint dan de typische vorm, vrij licht. South,
pl. 50, fig. 3.
Het ex. uit De Bilt behoort tot dezelfde vorm, terwijl dat uit
Maastricht in tint en tekening ook geheel met de duinvorm over-
eenstemt. In grootte evenaart het de grootste exx. van cantiata
(afstand midden thorax tot vvl.punt 1215 mm.). Naar één enkel ex.
is echter moeilijk uit te maken of het tot een andere subsp. behoort.
609. S. serpentata Hufn., 1767 (similata Thunberg, 1784). Tot
nog toe slechts van één vindplaats in een paar exx. bekend. Vooral
in het Z.O. van ons land moet scherp naar deze soort uitgekeken
worden. De middenstip der avls. staat op de binnenste dwarslijn of
franjewaarts er van, bij ochrata wortelwaarts (indien zij aanwezig
is), de sprietleden der & & zijn dikker dan bij ochrata en hun ach-
terschenen zijn ongespoord.
In Denemarken bekend van Seeland, Lolland en Bornholm en
Oost- en Midden-Jutland (dikwijls talrijk). In Sleeswijk-Holstein
tamelijk verbreid; op verschillende plaatsen in de omgeving van
Hamburg, zeldzaam ; van Bremen alleen een oude vermelding ; bij
Hannover tamelijk gewoon op bosweiden. Uit Westfalen alleen be-
kend van Warburg, Osnabrück en Bochum (hier een ® in 1931).
Uit de (slecht bekende) Rijnprovincie alleen vermeld van Keulen
en Trier (zeer oude opgaven). In België van verscheiden vindplaat-
sen in het O. bekend. In Engeland zijn slechts 2 exx. gevangen in
1865 en 1869, beide in Surrey.
De weinige Nederlandse exx. zijn in Juli gevangen.
Vindpl. N.B.: ‘s-Hertogenbosch, 6-7-1921, 3 en © (ten
Hove).
158 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (568)
610. S. muricata Hufn. Door vrijwel het gehele land op zand-
gronden aangetroffen, vooral als deze enigszins moerassig zijn,
ook in plassengebieden, op de geschikte terreinen vaak niet zeld-
zaam. De droge duinen vormen een volkomen afwijkend biotoop.
Vroeger waren zij echter veel vochtiger en het is de vlinder blijk-
baar gelukt zich aan het veranderde milieu aan te passen. 1 gen.
half Juni tot eind Juli (16-6 tot 25-7).
Vindpl. Gr. : Groningen, Appelbergen. Dr. : Peize, Eelde, De
Punt, Zweelo, Dwingelo. Ov. : Elzen, Twekkelo, Boekelo, Hengelo,
Eerde bij Ommen. Gdl. : Tongeren, Empe, Laag Soeren ; Lochem,
Ruurlo, Aalten, Gaanderen, Hummelo, Drempt, Montferland, Bij-
vank, Babberich, Lobith; Berg en Dal, Nijmegen, Hatert, Heumen,
Malden, Groesbeek. Utr. : Soest (veen), Loosdrecht, Botshol. N.H.:
Bergen, Egmond aan Zee, Heemskerk, Wijk aan Zee, Velzen,
Overveen, Zandvoort, Aerdenhout, Vogelenzang. Z.H. : Katwijk,
Wassenaar, Den Haag, Loosduinen, Hoek van Holland. N.B.: Bre-
da, Rijen, Tilburg, Hilvarenbeek, Oirschot, Oisterwijk, Waalwijk,
‘s-Hertogenbosch, Vught, Helvoirt, Eindhoven, Aalst, Nuenen,
Deurne, Sint Antonis. Lbg. : Mook, Plasmolen, Ottersum, Tegelen,
Baexem, Echt, Meerssen, Houthem, Voerendaal, Brunsum, Kerk-
rade, Epen, Eperheide, Vaals.
Var. 1. f. lutescens Prout, 1913, Seitz 4: 99. De purperrode kleur
beperkt tot een smalle streep langs de voorrand der vvls. en langs de
achterrand van v.- en avls. Montferland (Lpk.); Wassenaar
(Wiss.).
2. f. tofarubra Lambillion, 1905, Catal. Lépid. Belgique: 242.
Voor- en avls. geheel purperrood met een klein geel vlekje in het
midden. South, pl. 45, fig. 4 ; Culot, fig. 71. Groningen (De Gavere,
1867, Tijdschr. voor Ent. 10: 210); Peize (Wiss.); Soesterveen
(Vari); Velzen (tr, Z. Mus.).
611. S. rusticata Schiff. Verbreid op zandgronden in het Oosten
en in de duinen, maar ook aangetroffen op meerdere plaatsen in
het Westen, midden in het polderland, meestal niet talrijk. Bij de
lijst van vindplaatsen valt het geheel ontbreken van Noordneder-
landse lokaliteiten op, verder de naar verhouding sterke verbreiding
in het Westen van het land en tenslotte het geringe aantal vond-
sten in Limburg.
2 gens., de eerste van de eerste helft van Juni tot in de tweede
helft van Aug. (12-6 tot 24-8), de tweede, die zeer partiëel is, van
begin Septr. tot in Octr. (9-9 tot 1-10 in natura waargenomen, in L.
Mus. ab ovo exx. van 13 en 17 Oct. 1871, vindpl. Nijmegen).
Vindpl. Ov.: Colmschate. Gld.: Barneveld, Putten, Leuvenum,
Nunspeet, Heerde, Apeldoorn, Twello (zeldzaam), Beekbergen,
Oosterbeek, Bennekom, Ede, Lunteren ; Doetinchem, Lobith ; Nij-
megen. Utr. : Leersum, Doorn, Zeist, Soesterberg, Amersfoort,
Soest, Soestdijk, Groenekan, Maarseveen, Loenen, Nigtevecht.
N.H. : Hilversum, ‘s-Graveland, Laren, Bussum, Amsterdam, Am-
stelveen, Middelie, Driehuis, Bloemendaal, Haarlem, Overveen,
Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort, Heemstede. Z.H. : Wassenaar,
(569) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 159
Rotterdam, Dordrecht, Oostvoorne, Numansdorp, Melissant. ZI. :
Westenschouwen, Domburg, Serooskerke, Goes, Tholen. N.B.:
Bergen op Zoom, Oudenbosch, Breda, Ulvenhout, Ginneken,
Oisterwijk, Vught, Hintham, Eindhoven, Deurne. Lbg.: Venlo,
Maastricht.
Var. De soort variëert bij ons uitsluitend in de uitbreiding van de
zwarte tekening.
1. f. albomarginata nov. Franjewaarts van het middenveld zijn
de voorvleugels eenkleurig wit!). Apeldoorn, Hilversum, Domburg
(Z. Mus.).
Observation. The specific nomenclature of the species has
become rather puzzling. As is well known there is a group without
spurs on the hind tibiae of the 4 and another with two spurs.
In 1913, when Prout wrote his text for Seitz (4: 131), he
directed the attention to the breeding results of Speyer (1863,
Stett. Ent. Z. 24: 156) who caught and bred specimens with two
spurs and without them, who also caught a specimen with one spur,
all from the neighbourhood of Mainz. Prout therefore concluded
that there was only one species,
Wehrli (1924, Iris 38: 72) mentioned from the South of
France 1 4 without spurs, 1 4 from Nice with one spur and 29
specimens with two spurs. He also stated that the length of the
spurs varies considerably. Of a large Central European series
(Switzerland, Austria etc.) only 6 specimens were without spurs, a
sole specimen had only one spur, all the others possessed two spurs.
The black marked form as well as the reddish one (figured by
Herrich-Schäffer, 1851, Syst. Bearb. 6, fig. 473 and 474,
under the name of vulpinaria) occur with a variable number of spurs.
Wehrli therefore considers it the best thing not to look at the
number of the spurs, but to divide the specimens after the colour of
the markings and to name all black ones rusticata Schiff., all red
ones vulpinaria H.S., both belonging to one specific unit.
Notwithstanding these facts Prout completely changed his
mind. In the Suppl. of Seitz (1935: 54) vulpinaria and rusticata
are treated as two specific units. But the only morphological dif-
ference stated by him is the number of the spurs. And the transitions
are not mentioned at all now !
Prout is followed bij Sterneck in his monography "Versuch
einer Darstellung der systematischen Beziehungen bei den palae-
arktischen Sterrhinae” (1940-41, Z. Wien. Ent. Ver. 25 and 26).
He neither could find any difference except that of the number of
spurs (1940, op. cit. 25 : 107). But as this difference is clearly not
stable, I prefer considering both forms the members of one specific
unit, at any rate till better differences will be found.
All Dutch specimens have black markings, and all specimens
that I checked had two spurs.
1) The whole outer part of the fore wings beyond the central area is uni-
colorously white.
160 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (570)
612. S. laevigata Scop. Uitsluitend aangetroffen in Zuid-Limburg
en daar zeer waarschijnlijk inheems blijkens de vrij talrijke vangsten,
die de laatste jaren genoteerd konden worden.
Ontbreekt in Denemarken. In het omringende Duitse gebied ver-
meld van Westfalen (Münster, niet geheel zeker) en de Rijnprovin-
cie. Püngeler vermeldt de vlinder van Rheydt en van zijn bui-
ten Paffenbroich (hier meermalen); verder bekend van Neuenahr
en Trier. Uit België zijn tot nog toe slechts 2 exx. vermeld : één
van Molenstede-Diest en het tweede van Tourinne-la-Chaussée in
1947. Hoogstwaarschijnlijk komt de vlinder in het Oosten van dat
land meer voor.
In Groot-Brittannië alleen bekend van Durham, waarschijnlijk
van + 1927 met verpakkingsmateriaal (cocosvezels) geïmporteerde
rupsen (Heslop-Harrison, 1927, Entomologist 60: 222).
Niet bekend uit Ierland. De Nederlandse vindplaatsen liggen dus
aan de uiterste Noordwestgrens van het areaal.
In ons land waargenomen van half Mei tot in de tweede helft van
Aug. (15-5 tot 18-8). Uit elk jaar echter zijn zo weinig gegevens
bekend, dat hieruit niet op te maken is, of in ons land 1 of 2 gens.
voorkomen.
Vindpl. Lbg.: Venlo, 15-5 (-1903, zie Tijdschr. voor Entom.
46 V : 52), 2-7 (Z. Mus.); Heerlen (Tijdschr. voor Entom. 46:
249); Bunde (1887, op cit. 30: 223); Meerssen, 8-8 en 18-8-34,
10-7 en 11-7-35, 27-6-37, 6-6-44 (Rk.); Maastricht, 23-6 en 7-7-40
(Kortebos); Valkenburg (teste Rk.); Epen, 6-7-1910 (Z. Mus.).
613. S. sylvestraria Hb., 1796—99 (straminata Treitschke, 1835).
Vooral verbreid op droge zandgronden (ook in de duinen), over
het algemeen geen gewone soort. 1 gen., half Juni tot tweede helft
van Aug. (18-6 tot 18-8).
Vindpl Fr.: Ameland. Dr.: Veenhuizen, Wijster. Ov.: Weer-
selo, Hengelo, Nijverdal, Rijssen, Okkenbroek, Colmschate. Gdl. :
Putten, Ermelo, Hulshorst, Leuvenum, Apeldoorn, Twello (weinig), ©
Beekbergen, Eerbeek, Imbosch, Laag Soeren, Rhederheide, Velp,
Rozendaal, Beekhuizen, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Renkum,
Bennekom, Ede; Gorsel, Laren, Barchem, Lochem, Aalten, Doe-
tinchem, Bijvank; Berg en Dal, Nijmegen. Utr. : Zeist, De Bilt,
Soestduinen, Soest. N.H.: Holl. Rading, Hilversum, Laren, Bus-
sum, Haarlem, Overveen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H. :
Numansdorp(!). N.B. : Bergen op Zoom, Hoogerheide, Halsteren,
Breda, Rijen, Oisterwijk, Uden, De Peel. Lbg. : Plasmolen, Venlo,
Gulpen.
Var. 1. f. sylvestraria Hb., 1796—1799, Samml. Eur. Schmett.,
Geom., fig. 94. Grondkleur der vleugels geelachtig grijs, dwarslijnen
zwak ontwikkeld. Seitz, pl. 4 d, fig. 9; South, pl. 45, fig. 9 en 12.
Hoofdvorm hier te lande.
2. f. circellata Guenée, 1858, Spec. Gén. Lép. 9 : 482. Wat don-
kerder getint, dwarslijnen scherp, de punten op de postmediaanlijn
meest zeer opvallend. Seitz, Suppl. 4, pl. 5 k, fig. 4; South, pl. 61, fig.
3. Exx. met deze scherpe tekening, maar vaak niet donkerder dan
(571) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 161
de typische vorm, komen op vrijwel alle Nederlandse vindplaatsen
voor, maar zijn in de regel verre in de minderheid tegenover de
normaal gekleurde.
3. £. minuta Heydemann, 1934, Schriften naturw. Ver. Schlesw.-
Holstein 20 (2): 20. Kleiner dan de typische vorm en lichter. Be-
schreven als subsp. van het Waddeneil. Amrum „en ook aan de
Hollandse kust voorkomend’. Ik weet niet, hoe Heydemann
hieraan komt. Slechts een enkel duinex. behoort tot de vorm, de
meeste zijn even groot als exx. uit het binnenland. Vogelenzang
(Wiss.).
4. f. clausa nov. Zie Cat. IV : (204). Apeldoorn (Z. Mus.). (De
middenschaduw ontbreekt bij dit exemplaar).
614,S. biselata Hufn., 1767 (bisetata Rott., 1777). Verbreid door
een groot deel van het land, op allerlei grondsoorten. Vrij gewoon.
2 gens., de eerste half Juni tot in de tweede helft van Aug. (19-6
tot 22-8), de tweede, die zeer partiëel is en waarschijnlijk alleen in
gunstige jaren voorkomt, eind Aug. en begin Septr. (28-8 tot 2-9).
In Mus. Maastr. een ex. van 15-5-42, Kerkrade, stellig wel een uit-
zondering
Vindpl. Fr. : Veenklooster, Kollum, Garijp, Beetsterzwaag,
Wolvega. Gr. : Slochteren. Dr. : Paterswolde, Dwingelo. Ov. :
Denekamp, Agelo, Lonneker, Enschede, Delden, Colmschate. Gdl. :
Putten, Nunspeet, Apeldoorn, Twello (gewoon, vaak zeer talrijk),
Laag Soeren, Rhederoord, Velp, Arnhem, Scherpenzeel, Lunteren ;
Lochem, Warnsveld, Vorden, Ruurlo, Aalten, Laag Keppel, Bij-
vank, Montferland, Wehl, Lobith ; Berg en Dal, Beek bij Nijm., Ub-
bergen, Nijmegen, Hatert. Utr. : Zeist, Soest, Lage Vuursche,
Maarseveen. N.H. : Holl. Rading, Hilversum, Blaricum, Valkeveen,
Ankeveen, Velzen, Santpoort, Bloemendaal, Overveen, Bentveld,
Vogelenzang, De Glip. Z.H. : Hillegom, Lisse, Warmond, Leiden,
Wassenaar, Den Haag, Loosduinen, Staelduin, Rotterdam, Dor-
drecht, Oostvoorne, Melissant. Zl. : Serooskerke, Domburg. N.B. :
Bergen op Zoom, Breda, Ulvenhout, Rijen, Hilvarenbeek, Ooster-
hout, Oisterwijk, Nuenen, Deurne, Helenaveen. Lbg. : Plasmolen,
Venlo, Roermond, Meerssen, Gronsveld, Geulem, Houthem, Val-
kenburg, Voerendaal, Wijnandsrade, Kerkrade, Sint Geertruid,
Schin op Geul, Eperheide, Epen, Vijlen, Vaals.
Var. 1. f. biselata Hufn. De typische vorm heeft een bleekgele
grondkleur, terwijl op de vvls. de ruimte tussen postdiscaallijn en
golflijn donker bestoven is.
2. f. extincta Stgr., 1897, D. ent. Z. Iris 10: 15. De donkere be-
schaduwing langs de golflijn ontbreekt geheel. Culot, fig. 157. Vrij
zeldzaam. Putten, Blaricum, Velzen, Houthem (Z. Mus.); Twello
(Cold.); Hatert, Vogelenzang (Wiss.); Zeist (Gorter); Geulem
(Btk.).
3. f. fimbriolata Stephens, 1831, Ill. Brit. Ent, Haust. 3: 306.
Het gehele achterrandsveld, op een smalle of onderbroken golf-
liin na, verdonkerd. South, pl. 46, fig. 10. Wolvega (Wp.); En-
schede (v. d. M.); Putten, Vorden, Winterswijk, Laren-N.H.,
162 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (572)
Plasmolen (Z. Mus.); Twello (Cold.); Bijvank (Sch.); Valkeveen,
Valkenburg (Doets); Wassenaar (13), Rijen (18); Roermond
(Lek.); Meerssen (Jch.); Houthem (de Vos); Wassenaar, Geulem,
Sint Geertruid, Epen (Wiss.).
4. f. griseata Preissecker, 1922, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 72:
(93). Alle vleugels, vooral de wortelhelft, dicht grijs bestoven. Al-
leen de normaal donker beschaduwde golflijn en de franje blijven
zuiver geelachtig. Zonder enige twijfel een erfelijke vorm ! Delden
(22), Breda (28, 29); Colmschate (Lukkien); Twello (Cold.); Laag
Soeren (Kuchlein); Rijs, Arnhem, Berg en Dal, Beek-Nijm., Ub-
bergen, Nijmegen (Z. Mus.) ; Hatert (Wiss, Z. Mus.) ; Montfer-
land (Sch.); Valkeveen (Doets); Ulvenhout (Jch.); Valkenburg
(19).
5. f. infuscata Prout, 1913, Seitz 4: 127. De gehele bovenzijde
eenkleurig zwartgrijs bestoven, waardoor de tekening zeer on-
duidelijk wordt. Valkeveen (Doets).
6. Dwergen. Eperheide (v. d. M.).
615. S. inquinata Scop., 1763 (herbariata F., 1798). De laatste
jaren herhaaldelijk in het Zuiden gevangen en ook vroeger meer-
malen binnenshuis aangetroffen. Vrijwel zeker bij ons een voorraad-
dier, ook al worden de exx. soms buitenshuis opgemerkt.
In Denemarken in 1936 te Aarhus gevonden. In het omringende
Duitse gebied alleen bekend van Hannover (talrijk in de stad),
Westfalen (enige exx. in Hagen) en de Rijnprovincie (Krefeld,
geregeld sinds 1936 in woningen ; Viersen, 1940 ; Stromberg, Aken
herhaaldelijk in huis, eens een © op smeer, Idar-Oberstein, Eiffel).
In België door het gehele land in gedroogd plantenmateriaal aange-
troffen. In Engeland enige malen opgemerkt in winkels in Londen.
De Nederlandse exx. zijn van 22 Maart tot 8 October gevangen.
Regel is bij ons 1 gen. (zie ook Heylaerts, 1878, Ann. Soc. Ent.
Belg. 21: 8), die van begin Juni tot half Aug. is waargenomen
(2-6 tot 14-8). Het ex van 22 Maart heeft zich hoogstwaarschijn-
liik op een warme plaats snel kunnen ontwikkelen, dat van 8 Octr.
is wel een ex. van een zeer partiële tweede gen.
Vindpl. Z.H.: Den Haag, 1-7-1893 (gaaf, in huis, L. Mus.) ;
Rotterdam, 2-6-1884 (id.). N.B.: Breda (in L. Mus. diverse exx.
van 1876, 77, 78 en 79, in Z. Mus. 2 van 1876 en 1877; zie
Heylaerts, 1877, Tijdschr. voor Entom. 20: LXXXIX en
1878, 21: XXVI). Lbg.: Stein, 11-6-47 (Pater Munsters) ; Maas-
tricht, van 1937 tot 1942 geregeld gevangen (Kortebos en via deze
in verschillende colls.: 1938 &&n ex. op 22 Maart, ongeveer 35 van
24-6 tot 27-7 en 1 op 8-10; 1939 : 12 exx. van 24-6 tot 27-7 ; 1940:
8 exx. van 28-6 tot 17-7 ; 1941 : 2 exx. op 2 en 10-7 ; 1942 vijf exx.
Zie ook Kortebos, 1938, Natuurhist. Maandbl. 27 : 48 en 1940,
29975).
Var. 1. f. aestiva Fuchs, 1899, Jahrb. Nass. Ver. 52: 139. Klei-
ner, met fijnere tekening, de golfliin wortelwaarts slechts heel on-
duidelijk gevlekt. Een ex. van Maastricht, 4-7-1940 (Kortebos),
beantwoordt geheel aan deze beschrijving.
(573) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 163
616. S. fuscovenosa Goeze, 1781 (interjectaria Bsd., 1840). Ver-
breid op zandgronden en in bosachtige streken, maar ook op ver-
schillende plaatsen in het lage land gevonden, hier en daar niet on-
gewoon. Tot nog toe geen enkele vindplaats uit het Noorden be-
kend !
1 gen., half Juni tot begin Aug. (17-6 tot 8-8).
Vindpl. Ov. : Almelo. Gdl. : Twello (op sterk licht vrij gere-
geld); Lochem, Aalten, Doetinchem, Lobith, Herwen. Utr. : Soest.
N.H.: Hilversum, Blaricum, Naarden, Amsterdam, Texel, Wijk
aan Zee, Driehuis, Santpoort, Haarlem, Overveen, Aerdenhout,
Bentveld, Zandvoort, Heemstede, Vogelenzang. Z.H. : Noordwijk,
Katwijk, Wassenaar, Den Haag, Loosduinen, Hoek van Holland,
Staelduin, Rotterdam, Krimpen aan de Lek, Giesendam. Zl. : Dom-
burg. N.B. : Hoogerheide, Bergen op Zoom, Breda. Lbg. : Venlo,
Brunsum, Maastricht, Bemelen, Geulem, Houthem, Slenaken, Eper-
heide, Epen.
Var. De dwarslijnen variëren in duidelijkheid, De middenstip der
vvls. staat soms op de middenschaduw, maar in de regel franje-
waarts er van.
617. S. humiliata Hufn. In Nederland hoofdzakelijk verbreid in
de duinen en hier gewoon, verder van enkele plaatsen in het Zui-
den bekend. De Limburgse vindplaats is verklaarbaar door de Duitse
vondsten in de Rijnprovincie.
In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland aangetrof-
fen. In het omringende Duitse gebied gevonden bij Lübeck, zeld-
zaam bij Hannover, bij Bochum (Westfalen) en in de Rijnprov. (ook
op de linker Rijnoever). In België lokaal in de Oosthelft (sluit aan
bij de Rijnprov. en Limburg) en in de duinen. Er zijn hier dus dui-
delijk 2 door een wijde gaping gescheiden vlieggebieden. In Enge-
land alleen bekend van het eiland Wight.
1 gen, half Juni tot in de tweede helft van Juli (18-6 tot 24-7).
Vindpl. N.H.: Heemskerk, Wijk aan Zee, Velzen, Bloemen-
daal, Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H.: Katwijk,
Wassenaar, Den Haag, Scheveningen, Loosduinen, Hoek van Hol-
land, Staelduin, Rotterdam, Oostvoorne, Rockanje. N.B: Ginne-
ken, Breda. Lbg. : Venlo.
Var. De middenstip der vvls. staat soms op de middenschaduw,
soms franjewaarts er van.
1. f. impuncta nov. Zie p. (557). Vrij zeldzaam onder de soort.
618. S. seriata Schrank, 1802 (virgularia Hb., 1796—99)1). Door
het gehele land verbreid, algemeen. Bekend van Terschelling en
Texel. Vermoedelijk 2 generaties, de eerste van eind April tot begin
Aug. (28-4 tot 8-8), de tweede van omstreeks half Aug. tot half
1) Geometra virgularia Hb., 1796— 1799, is geen nieuwe naam, maar een ver-
betering en verkeerde interpretatie van Geometra virgulata Schiff, 1775. Prout
(1913, Seitz 4 : 112) heeft daarom ongetwijfeld gelijk Hübner s naam als
ongeldig te beschouwen en de jongere van Schrank voor de soort te ge-
bruiken.
164 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (574)
Octr. (11-8 tot 11-10). De grens tussen beide gens. is onzeker.
Vroege exx. zijn zeldzaam. (31-5-1921, 28-4-1926, 7-5-1933, 14-5-
1938, Coldeweyen Van Wisselingh). Het normale be-
gin van de eerste gen. is de eerste week van Juni.
Var. 1. f. calcearia Zeller, 1849, Ent. Z. Stettin, 10: 217.
Grondkleur der vleugels zuiver wit, zonder donkere bestuiving, te-
kening even variabel als bij de typische vorm!). Nunspeet, Ren-
kum, Rotterdam (Z. Mus.); Nijmegen, Epen (Wiss.); Amster-
dam (Vari).
2. f. fuscomarginata nov. De ruimte tussen tweede dwarslijn en
franje donker bestoven, zodat een brede donkere band langs de ach-
terrand ontstaat; overigens normaal”). Leeuwarden (16); Volthe (v.
d. M.); Domburg (Z. Mus.).
3. f. mediofasciata nov. Vleugels met opvallend verbrede mid-
denschaduw?). Twello (Cold.); Leiden (40).
4. f. lutescens nov. Grondkleur geelachtig bruin4). Haarlem
(Wiss.).
5. £. grisescens De la Harpe, 1864; Neue Denkschr. Schweiz. Ges.
Nat. 20 : 4 (obscura Millière, 1883, Ann. Soc. Linn. Lyon 29 : 168).
Vleugels donker bestoven, maar de tekening blijft zichtbaar. Seitz
4, pl. 4 d, nr. 3 (,,cubicularia”). Putten, Boekhorst, Lochem, Laren-
N.H., Amsterdam, Overveen (Z. Mus.); Apeldoorn (de Vos);
Heemstede (Herwarth); Haarlem, Wassenaar (Wiss.).
6. f. cubicularia Peyerimhoff, 1862, Bull. Soc. Hist. nat. Colmar
2: 156. Vleugels eenkleurig donkergrijs of zwartachtig, zonder
tekening. Svenska Fjärilar, pl. 34, fig. 2 e. Dominant ten opzichte
van de typische vorm (Cockayne, 1916, Journal of Genetics 5:
86). Haarlem, Overveen (Z. Mus.); Wassenaar (Wiss.).
7.Dwergen. Aalten (Sch.); Zeist (Gorter); Wassenaar (Wiss.);
Meerssen (Rk.).
619. S. dimidiata Hufn. Verbreid door het gehele land op allerlei
gronden. Bekend van Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland en
Texel.
2 gens, de eerste van half Juni tot in de tweede helft van Aug.
(15-6 tot 19-8), de tweede, die partiëel is en slechts in sommige
jaren voorkomt, van eind Aug. tot eind Septr. (28-8 tot 30-9).
Var. 1. f. delictata Prout, 1913, Seitz 4: 99. De donkere vlek-
ken aan de achterrand der vvls. ontbreken geheel. Culot, fig. 73 ;
Svenska Fjärilar, pl. 33, fig. 27 b. Colmschate (Lukkien); Holl.
Rading, Hilversum (Doets); Amsterdam (v. d. M.); Hillegom (Z.
Mus.); Wassenaar (Wiss.).
2. f. lutescens nov. Grondkleur der vleugels strogeel, de distaal-
1) Zeller writes that calcearia is identical with his var. c, the white colour
form, of his australis (1847, Isis: 511), the South European form of S. virgu-
laria. It seems to me quite correct to use the name for the white colour form
of every subsp. of the moth.
2) The space between second transverse line and fringe powdered with dark,
so that a broad dark band along the hind margin results; for the rest normal.
3) Wings with strikingly enlarged central shade.
4) Ground colour yellowish brown.
(575) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 165
vlekken der vvls. opvallend donker 1). Twello, 2 (Cold.).
3. f. fuscomarginata nov. Voor- en avls. met sterk verdonkerde
achterrand, zodat de gewone donkere vlekken niet meer opvallen?).
Lobith (Sch.); Hatert (Wiss.).
4. f. mediofasciata nov. Voor- en avls. met opvallend duidelijke
middenschaduw3). Lonneker (v. d. M.); Colmschate (Lukkien);
Doetinchem (Cold.).
5. f. suffusa nov. Vleugels geheel met zwarte schubben bestoven,
maar tekening duidelijk4). Arnhem (gevangen en ab ovo, uit welke
kweek ook enkele overgangen en typische exx. stammen; zeer
waarschijnlijk erfelijke vorm), Lochem (trans.) (Z. Mus.).
620, S. subsericeata Hw, Uitsluitend in het Zuidwesten van het
land aangetroffen, vooral in de kuststreek.
In Denemarken zijn enkele exx. bekend van Seeland en Funen.
In het omringende Duitse gebied alleen bekend uit de Rijnprovin-
cie, waar de soort eerst kort geleden in de Hunsrück werd ontdekt,
en van de „Mittelrhein. In België uitsluitend; bekend uit het uiterste
Zuiden (Virton). In Groot-Brittannië verbreid in Engeland en
Wales, zeldzaam in Schotland. In Ierland zeer lokaal, in de zuide-
lijke helft gewoon.
2 gens, de eerste half Mei tot eind Juli (14-5 tot 31-7), de
tweede, ongetwijfeld zeer partiëel, in Septr. (alleen een ex. van
3-9-1926 van Middelburg in Z. Mus.).
Vindpl. Z.H. : Rockanje, Numansdorp, Dordrecht (op een
klein plekje aan de spoorlijn naar Sliedrecht, teste Jch.). Zl.: Haam-
stede, Middelburg.
Var. 1. f. impuncta nov. Zie p. (557). Zeldzaam onder de
soort.
621. S. trigeminata Hw. Slechts één reeds zeer oude Nederlandse
vangst is van deze soort bekend. De vlinder komt niet in Dene-
marken voor, In het omringende Duitse gebied alleen bekend uit de
Rijnprovincie (Stromberg, Idar-Oberstein en Eifel). In België op
verschillende plaatsen in de Ardennen aangetroffen, een vliegge-
bied, dat dus samenhangt met het Duitse, In Engeland alleen be-
kend uit de zuidelijke graafschappen (ook die tegenover onze kust),
lokaal, maar plaatselijk niet ongewoon. Ook van een Schotse vind-
plaats vermeld, doch niet in Ierland voorkomend.
Het Nederlandse ex. is niet gedateerd.
Vindpl. N.H.: De Glip, 1 ¢ zonder datum (L. Wag.). (Ver-
meld door Snellenvan Vollenhoven, 1873, Tijdschr. voor
Entom. 16: LXXV).
1) Ground colour of the wings straw yellow, the distal spots of the fore wings
strikingly dark.
2) Fore and hind wings with strongly darkened outer margin, so that the
usual dark spots no longer contrast.
3) Fore and hind wings with strikingly clear central shade.
4) Wings completely powdered with black scales, but markings distinct.
166 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (576)
622. S. emarginata L. Verbreid door een groot deel van het land,
niet aan een bepaald biotoop gebonden, maar toch lang niet overal
gewoon.
1 gen., half Juni tot half Aug. (20-6 tot 15-8).
Vindpl. Er: Terschelling, Kollum, Beetsterzwaag, Rijs, Wol-
vega. Gr.: Groningen. Dr.: Paterswolde, Norg, Assen, Echteld,
Wijster. Ov: Agelo, Oldenzaal, Lonneker, Delden, Markelo, Giet-
hoorn. Gdl.: Nijkerk, Putten, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn,
Twello (zeer zelden op licht), Empe, Laag Soeren, De Steeg, Velp,
Wageningen, Bennekom, Ede; Zutfen, Vorden, Lochem, Aalten,
Bijvank; Nijmegen, Heumen, Hatert, Ophemert. Utr: Veenendaal,
Groenekan, Soest, Maarseveen, Nigtevecht. N.H.: Holl. Rading,
Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen, Bussum, Valkeveen, Ankeveen,
Kortenhoef, Muiderberg, Amsterdam, Westzaan, Texel, Heemskerk,
Wijk aan Zee, Overveen, Zandvoort, Aerdenhout, Vogelenzang,
Heemstede. Z.H. : Hillegom, Noordwijkerhout, Noordwijk, Leiden,
Wassenaar, Den Haag, Rotterdam, Krimpen a. d. IJsel, Lekker-
kerk, Dordrecht, Melissant N.B.: Breda, Princenhage, Ulvenhout,
Rijen, Vught, Tilburg, Oisterwijk, Oirschot, Hilvarenbeek, Deurne.
Lbg.: Plasmolen, Arcen, Venlo, Roermond, Kerkrade, Meerssen,
Gronsveld, Geulem, Gulpen, Epen, Vaals.
Var. De soort is sexueel dimorph : bij het 4 is de middenscha-
duw zwak, bij het ? breed en sterk.
1. f. pallida nov. Grondkleur der vleugels witachtig geel!). Kol-
lum, Ophemert, Haarlem (Z. Mus.); Overveen, Zandvoort (Btk.);
Wassenaar, vers & (Wiss.).
2. f. brunnescens nov. Grondkleur der vleugels bruingeel, dus
veel bruiner dan bij normale exx.?). Aerdenhout, 2 (Wiss.).
3. f. mosquensis Heyne, 1899, Soc. Entom. 14: 105. Grondkleur
donker roodachtig bruin, tamelijk dicht bestoven met fijne zwarte
schubben, alleen de voorrand der vleugels en het lichaam licht;
middenschaduw zeer breed en opvallend, dwarslijnen scherp.
Culot, fig. 191. Blijkbaar een sterk verdonkerde © vorm. Uit Ne-
derland alleen in overgangen bekend: Leuvenum (Cold.); Bijvank
(Sch.); Hatert (Wiss.); Holl. Rading (Doets); Breda (Z. Mus.).
4. £. obsoleta nov. De dwarslijnen nauwelijks zichtbaar3). Agelo
(v.d. M.); Zandvoort (Wiss.).
623. S. aversata L, Verbreid op zandgronden en in bosachtige
streken, gewoon. Ook hier en daar in het lage land aangetroffen :
Amsterdam, Middelie, Zevenhuizen. Bekend van Schiermonnikoog.
2 gens, de eerste begin Juni tot half Aug. (6-6 tot 11-8), de
tweede is zeer partiëel en vliegt van de tweede decade van Aug. tot
begin Septr. (11-8 tot 6-9). „Deze tweede gen. komt hier in Twello
slechts in enkele jaren voor. De 3 exx. van 17-8-39 horen zeer
1) Ground colour of the wings whitish yellow.
2) Ground colour of the wings brown-yellow, so much browner than with
normal specimens.
3) The transverse lines hardly visible.
(577) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 167
waarschijnlijk hiertoe, evenals het ex. van 11-8-34, waarbij ik een
v. (vers) heb aangetekend” (Coldewey in litt.).
Var. 1. f. aversata L., 1758, Syst. Nat, ed. X : 526. Vleugels
grijsachtig met donkere middenband. Seitz, pl. 4 g, fig. 5 ; Svenska
Fjärilar, pl. 34, fig. 10 a. Niet al te talrijk, maar stellig op vrijwel
alle vindplaatsen aan te treffen.
2. f. lividata Clerck, 1759, Icones 1, pl. 5, fig. 10. Als de vorige
vorm, maar bovendien ook de ruimte tussen subterminaallijn en
achterrand donker bestoven. Sv. Fjärilar, l.c., fig. 10 b. Paterswolde
(Wiss.); Apeldoorn (de Vos); Arnhem (Z. Mus.); Bennekom (v.
d. Pol); Ruurlo (7); Breda (28); Nijmegen (Bo.); Zeist, Soest
(Br.); Wijk aan Zee (v. d. M.).
3. f. remutata L., 1758, Syst. Nat, ed. X : 528 (spoliata Stgr.,
1870, Horae Soc. Ent. Ross. 7 : 150). Vleugels grijsachtig, vaak met
zwak geelachtige tint (,„flavescentibus” !), zonder de donkere mid-
denband, alleen met dwarslijnen en middenstip. Seitz, l.c., fig. 6;
Sv. Fjar., l.c., fig. 10 c. Hoofdvorm.
4. f. aurata Fuchs, 1900, Jahrb. Nass. Ver. 53 : 48. Vleugels geel,
met donkere middenband. South, pl. 46, fig. 5. Vrij zeldzaam, hoe-
wel de vorm vrijwel overal onder de soort voorkomt. Hengelo-Ov.
(Btk.); Nunspeet (Mac G.); Twello, Doetinchem (Cold.); Lun-
teren (Branger); Zutfen (Wilmink); Nijmegen, Bloemendaal,
Haarlem (Z. Mus.); Zeist (Gorter); Kraailo, Driehuis (Vari);
Heemstede (Herwarth); Wassenaar (Br.); Dordrecht (Jch.);
Haamstede, Epen, Plasmolen (Wiss.); Breda (L. Mus.); Roer-
mond (Lck.); Kerkrade (Latiers).
5. f. aureo-spoliata Boldt, 1925, Entom. Zeitschr. Frankfurt 39 :
134. Vleugels geel, zonder donkere middenband. South, fig. 4;
Svenska Fjär., fig. 10 c. Voorkomen ongeveer als de vorige vorm.
Veenhuizen (Waning Bolt); Hengelo-Ov. (Btk.); Colmschate
(Lukkien); Deventer (Cold.); Apeldoorn (de Vos); Lunteren
(Branger); Bennekom, Nijmegen, Alkmaar, Velzen, Overveen (Z.
Mus.); Zeist, Wassenaar (Br.); Bussum (Vári); Middelie (De
Boer); Haarlem, Overveen (Heezen); Driehuis (Van Berk); De
Glip (L. Wag.); Vasse, Wassenaar, Ginneken, Epen (Wiss.);
Den Haag, Breda (L. Mus.); Eindhoven (Verhaak); Helmond
(Visser) } Roermond (Lck.); Gulpen, Wittem, Eperheide (v. d. M.).
6. f. diluta Hannemann, 1917, Int. ent. Zeitschr. Guben 11: 57.
Grijze gebande vorm, waarbij de buitenste dwarslijn van de band
ontbreekt, zodat de tekening onscherp wordt. Ik reken er ook de
exx. toe, waarbij juist de binnenlijn ontbreekt (komt meer voor).
Ommen, Arnhem, Wijk aan Zee (Z. Mus.); Den Haag (L. Mus.).
7. f. auro-diluta Hannemann, 1917, l.c. Als 6, maar grondkleur
geel. Nijmegen, Overveen, Venlo (Z. Mus.).
8. f. dilutata Preissecker, 1923, Verh. zool.-bot. Ges. Wien 72:
(93). Ruimte tussen middenschaduw en buitenste dwarslijn zwak,
maar toch nog duidelijk, donkerder dan de rest van de vleugels ;
middenschaduw en beide dwarslijnen zwak ontwikkeld. Extremer
dus dan de beide voorgaande vormen. Twello (Cold.); Lochem,
Soestdijk, Breda, Plasmolen (Z. Mus.); Wassenaar (Wiss. ).
168 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (578)
9. f. latefasciata Wehrli, 1913, in Vorbrodt, Schmett. Schweiz 2:
638. De band op de voorvls. zo verbreed, dat de donkere midden-.
stip er in valt. Culot, fig. 188. Groningen (De Gavere, 1867, Tijd-
schr. voor Ent. 10: 211); Wassenaar (Wiss.).
10. f. tenuifasciata nov. De donkere middenband sterk ver-
smald!). In L. Mus. een inlands ex. zonder vindplaats.
11. f. suffusa nov. De gehele grondkleur zwart bestoven, waar-
door een grijze tint ontstaat, de dwarslijnen normaal?). Berg en Dal,
Nijmegen (Z. Mus.).
12. f. unilineata nov. Ongebande exx., waarbij alleen de buiten-
ste dwarslijn op voor- en avls. over is3). Groenekan (Berk); Epen
(Wiss.).
13. f. impuncta nov. Zie pag. (557). Een klein ex. van Naalden-
veld, tegelijk lividata (Wiss. ).
De middenstip der vvls. staat in de regel wortelwaarts van de
middenschaduw, maar bij alle daarvoor in aanmerking komende vor-
men komen exx. voor, waarbij de stip de middenschaduw raakt. Zij
zijn echter ver in de minderheid.
Genetica. Hawkins (1937, Entomologist 70: 25—27) en
Bergmann (1938, Entom. Zeitschr. Frankf. 52: 247) hebben
zich bezig gehouden met het onderzoek van de erfelijkheid van ver-
schillende vormen. Beiden vonden, dat de gebande vorm dominant
is over de ongebande, terwijl Berg mann ontdekte, dat de gele
grondkleur recessief is ten opzichte van de typische grijsachtige.
Een serie gebande exx. maakt overigens volstrekt geen homo-
gene indruk. De band variëert sterk in intensiteit. Waarschijnlijk is
deze afhankelijk van de werking van polymere factoren. Dat fac-
toren van deze zelfde groep ook de verdonkering van de achter-
rand van f. lividata zouden veroorzaken, is in elk geval niet zeker,
omdat ook bij de ongebande exx. dieren met verdonkerde achterrand
voorkomen.
(Zie ook nog Cockayne, 1945, Ent. Record 57: 41, die de
erfelijkheid van de nog niet uit ons land bekende f. amoenata Fuchs
behandelt).
624. S. inornata Hw. Verbreid op de zandgronden, ook in de
duinen, over het algemeen geen gewone soort.
2 gens., de eerste eind Juni tot half Aug. (28-6 tot 12-8), de
tweede, die zeer partiëel is, en alleen onder gunstige omstandigheden
verschijnt, van de tweede helft van Aug. tot begin Octr. (23-8 tot
3-10). Vooral de warme zomer van 1947 leverde verscheiden exx.
van deze gen.
Vindpl. Gr.: Groningen. Dr. : Schoonoord. Ov.: Elzen, Ol-
1) The dark central band strongly narrowed.
2) The whole ground colour powdered with black, which causes a grey tint,
the transverse lines normal.
[The form has genetically doubtless nothing to do with the quite blackish
f. atrata Fuchs.]
3) Specimens without the dark band in which only the outer transverse line
on fore and hind wings is present.
(579) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 169
denzaal, Lonneker, Colmschate. Gdl. : Putten, Leuvenum, Apeldoorn,
Twello (tamelijk weinig), Dieren, Velp, Arnhem, Oosterbeek,
Wolfheze, Bennekom, Ede; Warnsveld, Boekhorst, Aalten, Doetin-
chem, Lobith ; Beek-Nijm., Nijmegen, Malden, Hatert, Groesbeek.
Utr. : Doorn, Driebergen, Soest. N.H.: Holl. Rading, Hilversum,
Laren, Bussum, Schoorl, Wijk aan Zee, Velzen, Haarlem, Over-
veen, Bentveld, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H. : Hillegom, Wasse-
naar, Den Haag, Loosduinen. N.B.: Bergen op Zoom, Breda,
Deurne. Lbg. : Venlo, Roermond, Kerkrade.
Var. 1. f. agrostemmata Guenée, 1858, Spéc. Gén Lép. 9: 512,
Tekening zwak, lijnen nauwelijks zichtbaar. Culot, fig. 183. Apel-
doorn (Wiss.) ; Nijmegen (Z. Mus., Cold., Wiss.).
2. f. impuncta nov. Zie pag. (557). Nijmegen (Z. Mus.).
Scopula Schrank.
625. S. immorata L. Tot nog toe slechts 1 werkelijk betrouwbaar
ex. uit Nederland bekend ! Wel staat in Bouwst. 2: 203 (1856):
„Gelderland : Harderwijk, Putten enz. in Mei, Aug. en Septr. (v.
M. d. Rooij)’, maar terecht hebben zowel Snellen (1867, De
Vlinders 1 : 564) als Ter Haar (1899-1904, Onze Vlinders, ed. I:
257), deze opgave verworpen. Zeer waarschijnlijk heeft Van
Medenbach een of andere vorm van Ematurga atomaria L.
voor deze soort aangezien. Ook Prout schrijft (1913, Seitz 4:
57), dat immorata dikwijls in heidestreken tegelijk met afomaria
vliegt en dan licht over het hoofd gezien kan worden. Verwarring
in omgekeerde zin is dus evenmin uitgesloten, vooral een eeuw gele-
den. Dat de soort in onze literatuur als „inlands beschouwd wordt,
berustte tot nog toe uitsluitend op de mededeling van Snellen
(1.c.) : „In de collectie van wijlen den heer van Eijndhoven bevon-
den zich exemplaren uit Gelderland”. Gepubliceerd heeft Van
Eijndhoven deze vangsten nergens (al schrijft Ter Haar van
wel) en het enige ex., dat nog bestaat, is bovendien ongeëtiketteerd,
zodat we van de eventuele vindplaats niets met zekerheid weten.
Bovendien staat in het ex. van de Bouwstoffen, dat vroeger aan
Van Eijndhoven behoord heeft (nu in het bezit van Col-
dewey) geen aantekening van een vindplaats, zodat er geen
enkele zekerheid is, dat eerstgenoemde de soort inderdaad zelf
hier te lande gevangen heeft.
In Denemarken op de eilanden en in Jutland (hier zeldzaam).
In Sleeswijk-Holstein lokaal ; in Hannover niet zeldzaam bij de stad ;
in Westfalen bij Waldeck en in 1922 bij Bottrop ; in de Rijnprov.
bij Bonn. In België alleen lokaal in het Zuidoosten. In Groot-Brit-
tannië alleen aangetroffen op een heideachtige plek in Sussex, waar
de soort nog steeds voorkomt. De vondsten in Gelderland hangen
blijkbaar samen met die in Westfalen.
Als regel in onze streken 1 gen. maar van Nederlandse vliegtijd
uiteraard weinig bekend.
Vindpl. Gdl. : Vorden, Juli 1901, 1 4 (Mus. Rd, gevangen
170 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (580)
door Lindemans). Bovendien bevindt zich in L. Mus. een ex.
e coll. Snellen met etiket : „ex coll. V. Eijndhoven".
626. S. corrivalaria Kretschmar. Slechts van enkele moerassige
plaatsen ten Zuiden van Nijmegen bekend en ook uitsluitend op
zulke terreinen te verwachten. Kretschmar (1862, Berliner
Entom. Zeitschr. 6: 136) schrijft in zijn oorspronkelijke beschrij-
ving eveneens, dat de vlinder voorkomt op „Moorwiesen”, dus
moerassige weiden, en overdag met vlak uitgespreide vleugels op
de bovenzijde van de bladeren der moerasplanten zit. De soort is
slechts van weinige Europese vindplaatsen bekend. In Denemarken
is zij aangetroffen op Falster, waar zij in 1938 ontdekt werd in een
moeras en in talrijke exx. gevangen werd. In het gehele omringende
Duitse gebied werd corrivalaria alleen op een paar plaatsen in de
Rijnprovincie gevonden. Püngeler vermeldt de vlinder uit het
Gangelter Bruch (vlak over de grens bij Schinveld), dat nu echter
vrijwel geheel gecultiveerd is. Müller en Jung vingen hem in
1937 op licht bij Elmpt (10 km oostelijk van Swalmen) aan de
rand van een bijna geheel verlande plas (1942, Iris 56: 133). Er
bestaat dus nog alle kans, dat de vlinder op de weinige resterende
moerassige plaatsen aan de Limburgs-Duitse grens te ontdekken is.
Het is overigens een soort, die groot gevaar loopt hier uit te sterven,
daar haar biotoop door ontginning steeds meer verdwijnt.
In België aangetroffen in de moerassen van Herbières bij Hau-
trage (Henegouwen). Niet bekend uit Groot-Brittannië,
1 gen., half Juni tot half Juli (21-6 tot 12-7). (Bij Elmpt 12-6
gevangen, dus ook bij ons reeds in de eerste Juni-helft te vinden).
Vindpl. Gdl.: Hatert (Boldt leg. door de aanleg van het -
Maas-Waal kanaal ziin de Hatertse Vennen vrijwel geheel ver-
dwenen !). Lbg. : uitsluitend bekend uit het veen aan de voet van
de Sint Jansberg ten O. van de Plasmolen en ten N. van Gennep
(vandaar, dat deze beide plaatsnamen, soms ook Mook, telkens in
onze literatuur genoemd worden). Snellen ontdekte de vlinder
daar in 1878, Brants vond hem later herhaaldelijk terug en
kweekte hem ook met succes uit het ei.
Var. Snellen (1882, Vlinders van Ned. 2: 1170) schreef,
dat zijn inlandse exx. veel sterker zwart bestoven waren en hun te-
kening donkerder was dan bij enige exx. uit Duitsland, die hij bezat.
Bentinck (1924, Entom. Berichten 6: 247) is nog veel positie-
ver: „Opmerkelijk is het, dat de exemplaren uit Limburg aanmer-
kelijk in kleur verschillen van de Noordduitse exemplaren’. Dit
verleidde Prout (1935, Seitz 4, Suppl. : 43) er toe een nieuwe
subsp. limburgensis te benoemen. Dahm en Jung (1942, Ic.) be-
twijfelden reeds sterk, of deze naam enige reden van bestaan had,
daar de Elmpter exx. geheel overeenstemden met de Noordduitse en
het natuurlijk hoogst onwaarschijnlijk is, dat 60 km verder in het-
zelfde biotoop en op een vindplaats, die vroeger door een rij van
moerassen langs de grens samenhing met de Duitse, een andere
subsp. zou voorkomen.
Ik heb deze kwestie grondig tee en het resultaat gepubli-
(581) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 171
ceerd in Zeitschr. Wiener entom. Ges. 29: 213—216 (Juli 1944).
Daar ik de separata echter nooit ontvangen heb en van het Juli-
nr. maar een heel enkel ex. in Nederland aankwam, zal ik kort mijn
conclusies herhalen. Onze exx. behoren niet tot een aparte subsp.
Deze onjuiste bewering is ontstaan door een veel te gering verge-
lijkingsmateriaal en door het niet raadplegen van de oorspronke-
lijke beschrijving. De door Kretschmar beschreven en afge-
beelde (lc. pl. 1, fig. 6a 3,6b 2) vorm is een donkere, met dui-
delijke dwarslijnen en donker bestoven onderzijde der voorvls. met
nog donkerder dwarslijnen. Dit is precies dezelfde vorm als die,
waartoe de 8 exx. uit coll.-Bentinck behoren, alle afkomstig uit
dezelfde eikweek van Brants. Prout's limburgensis is daar-
door een synoniem. Naast deze donkere vorm komt ook een lichte
voor met niet opvallend afstekende dwarslijnen en niet opvallend
donker bestoven onderzijde. Deze vorm lijkt sterk op de roomwitte
vorm van Scopula immutata L. Toevallig behoren nu alle Duitse
exx., die ter vergelijking beschikbaar waren (5 in het Leids Mu-
seum, 1 in coll.-Bentinck, bovendien nog 2 in Zoöl. Mus. Am-
sterdam) tot deze lichte vorm. Maar in laatstgenoemde collectie be-
vinden zich Nederlandse exx., die volkomen met deze lichte vorm
overeenstemmen. Ook overgangen komen voor (Nederlandse exx.
en 1 uit Polen in Z. Mus.!) Dat de exx. van de eikweek van
1921/22 (ook in Amsterdam zijn er enige) alle tot de donkere (ty-
pische) vorm behoren, wijst er op, dat we òf met een erfelijke vorm
te doen hebben, öf met een modificatie, die ontstaat onder invloed
van bepaalde oecologische factoren („environmental factors”), daar
alle exx. natuurlijk onder dezelfde omstandigheden werden opge-
kweekt.
De zg. ,,Noordduitse’’ vorm, de lichte, die dus van de donkere
typische afwijkt, noemde ik:
1. f. pseudo-immutata Lpk., 1944, Zeitschr. Wiener ent. Ges. 29 :
216. Grondkleur geelachtig wit tot bruinachtig wit, dwarslijnen niet
scherp afstekend, onderzijde der vvls. zwak donker bestoven.
„Mook (Z. Mus.).
627. S. umbelaria Hb. Uiterst zeldzaam, al vele jaren niet meer
waargenomen. Niet bekend uit Denemarken. In het omringende
Duitse gebied alleen bekend van Diiren ten N.W. van Keulen. In
België alleen aangetroffen in het uiterste Zuiden van de provincie
Luxemburg (voorloper van het Franse vlieggebied!). Niet in Groot-
Brittannië aangetroffen.
De Nederlandse vindplaatsen zijn wel de uiterste voorposten van
het areaal in West Europa. Blijkbaar is de vlinder niet in staat
zich duurzaam in dit grensgebied te handhaven.
1 gen. Alle vangsten zijn van Juni.
Vindpl. Gdl.: Apeldoorn (Kallenbach, meegedeeld door
Snellen, 1906, Tijdschr. voor Entom. 49 : 207); Oosterbeek, 2-6
en 23-6-1867 (Z. Mus.); Ede, 20-6-1849 (Z. Mus.). Lbg. : Val-
kenburg, 7-6-1895 (Z. Mus.).
172 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (582)
628. S. nigropunctata Hufn., 1767 (strigilaria Hb., 1796—99).
Vooral verbreid in bosachtige streken in het Oosten van het land,
in het Westen veel minder. In dit verband is het wel interessant op
te merken, dat de vlinder in Engeland alleen bekend is uit Kent.
1 gen., eind Mei tot half Aug. (25-5 tot 13-8). Een (partiële) twee-
de gen. is hier in natura nog nooit waargenomen. Wel bevinden
zich in Z. Mus. enkele ab ovo exx. (zonder vindplaats), die 20 en
21-9-1880 uitkwamen.
Vindpl. Fr.: Hemrik. Gr. : Groningen, Meeden. Ov. : Vasse,
Reutum, Borne, Hengelo, Lonneker, Holten, Colmschate, Giet-
hoorn. Gdl. : Putten, Hulshorst, Leuvenum, Nunspeet, Apeldoorn,
Twello (vrij gewoon), Ellecom, Oosterbeek, Wolfheze, Renkum,
Wageningen, Ede, Lunteren; Almen, Boekhorst, Lochem, Bar-
chem, Baak, Vorden, Ruurlo, Winterswijk, Aalten, Doetinchem,
Bijvank, Montferland, Babberich; Berg en Dal, Beek-Nijm., Nij-
megen, Heumen, Hatert. Utr. : Rhenen, Soestduinen. N.H. : Voge-
lenzang. Z.H. : Den Haag. Zl: Kapelle. N.B.: Princenhage, Breda,
Ginneken, Ulvenhout, Rijen, Hilvarenbeek, Eindhoven, Nuenen.
Lbg.: Plasmolen, Ottersum, Roermond, Echt, Bunde, Meerssen,
Houthem, Geulem, Bemelen, Maastricht, Gronsveld, Valkenburg,
Schin op Geul, Voerendaal, Kerkrade, Rolduc, Gulpen, Eperheide,
Epen, Lemiers.
Var. 1. f. anastomosaria Preissecker, 1926, Verh. zool.-bot. Ges.
Wien 74-75: 182. De eerste dwarslijn en de middenschaduw ge-
heel of gedeeltelijk samengevloeid. Twello (alleen links, Cold.).
2. f. basinuda nov. Op de vvls. ontbreekt de binnenste dwars-
ljnt). Ede, Venlo (Z. Mus.); Plasmolen, Epen (Wiss.).
3. f. crassestrigata nov. Alle of de meeste dwarslijnen verdikt?).
Rhenen (Doets).
629. S. ornata Scopoli, Verbreid op zandgronden (ook in de
duinen) en in bosachtige streken, echter nog niet in het Noorden
van het land aangetroffen
Twee in elkaar overgaande generaties, de eerste van begin Met
tot begin Juli (9-5 tot 6-7, afgevlogen ex.), de tweede van de eerste
helft van Juli tot half Septr. (7-7, gaaf ex. van Venlo, tot 11-9).
Vindpl. Ov. : Olst, Deventer, Colmschate. Gdl. : Harderwijk,
Nunspeet, Twello (weinig), Voorst, Ellecom, Velp, Arnhem ; Zut-
fen, Warnsveld, Eefde, Aalten, Doetinchem, Babberich, Bijvank,
Lobith ; Berg en Dal, Huisen, Lent, Nijmegen. Utr. : Grebbe, Rhe-
nen, Doorn. N.H.: Bussum, Egmond aan Zee, Castricum, Wijk
aan Zee, Driehuis, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Aerden-
hout, Vogelenzang, Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Was-
senaar, Meiendel, Scheveningen, Den Haag, Ouddorp, Kralingen
(1870, Kallenbach). N.B.: Breda, ‘s-Hertogenbosch, Vught, Cuyck.
Lbg. : Mook, Venlo, Tegelen, Roermond, Echt, Sittard, Meerssen,
Maastricht, Bemelen, Houthem, Geulem, Valkenburg, Schin op
1) On the fore wings the basal line fails.
2) All or most transverse lines thickened.
(583) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 173
Geul, Ransdaal, Rolduc, Kunrade, Gulpen, Heijenraat, Epen, Wijl-
re, Vaals.
Var. 1. f. obsoleta nov. De donkere tekening aan weerszijden
van de golfliin ontbreekt bijna geheel, het achterrandsveld van
voor- en avls. daardoor slechts flauw verdonkerd!). Bemelen, 1939
(Rk.).
630. S. decorata Schiff. Sporadisch waargenomen in heideach-
tige streken. De meeste vangsten zijn al van oude datum ; het lijkt
er dan ook op, dat de vlinder hier vroeger meer voorkwam dan nu?).
In Denemarken alleen bekend van Bornholm. In het omringende
Duitse gebied vroeger bij Hamburg (laatste vangst in 1892), bij de
stad Hannover( in tientallen jaren niet meer waargenomen), in de
omgeving van Munster en te Mombach bij Mainz. Ook hier dus
een duidelijke achteruitgang.
In België zeer plaatselijk aangetroffen op droge terreinen in de
provincie Limburg (o.a. Beverlo). Niet bekend uit Groot-Brittan-
nie en lerland.
Blijkbaar slechts 1 gen. in ons land, van begin Juli tot in de
tweede helft van Aug. (8-7 tot 20-8).
Vindpl. [Dr.: Diever, zie noot 2]. Ov.: Elzen, 16-7-1942, 4 & 3
(v. d. M.); Rijssen, 8-7-1942, 2 (dez.). Gdl. : De Steeg, Juli 1889
(Z. Mus.); Velp, 2 exx. z. d. (De Roo van Westmaas; vermeld :
1863, Tijdschr. voor Ent. 6: 171). Utr.: De Bilt, 20-8-1876 (L.
Mus.); Soest, 20-7-1872, & (Kallenbach). N.H. : Hilversum, 17-7-
1881 (Z. Mus.). Lbg. : Venlo, 20-7, 2 (Z. Mus.).
Var. 1. f. decorata Schiff. De vlekken op de avls. tussen post-
discaallijn en golflijn licht blauwgrijs, op de vvls. de derde en vier-
de van de binnenrand af en de bovenste drie, de andere donker
bruinachtig. Het ex. van Hilversum is een overgang tussen decorata
en aequata, waarbij de lichte vlekken reeds iets bruinig getint zijn
en daardoor in kleur tussen beide vormen instaan. Ook de 3 3 &
van Elzen en het ex. van Rijssen (v. d. M.) zijn zulke overgangen.
2. f. aequata Stgr., 1879, Horae Soc. Ent. Ross. 14: 440. Alle
vlekken langs de achterrand der vleugels donkerbruin, waardoor
deze vorm donkerder is dan de typische. Alle andere Nederlandse
exx.
631. S. rubiginata Hufn. Verbreid op de zandgronden van het
gehele land. 2 gens., de eerste van de tweede helft van Mei tot
half Juli (21-5 tot 18-7), de tweede eind Juli tot eind Septr. (25-7
tot 25-9). Waarschijnlijk is er geen scherpe grens.
Vindpl. Fr.: Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog. Gr. :
1) The dark markings on both sides of the subterminal line fail almost com-
pletely, the marginal area of both wings therefore only feebly darkened.
2) De Gavere (1867, Tijdschr. voor Entom. 10: 211) schrijft: „Très
commun dans les bruyères à Diever.” Snellen noch Ter Haar vermelden
deze vindplaats. Helaas is geen enkel ex. in de musea aanwezig. Ik zou echter
niet weten, met welke vlinder uit dit biotoop decorafa verwisseld kan worden.
Met het oog op de klaarblijkelijke achteruitgang van de soort in later tijd is haar
vroegere voorkomen op de Drentse heiden zeer wel mogelijk.
174 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (584)
Groningen. Dr.: Peizerwolde, Veenhuizen. Ov: Denekamp, Elzen,
Lonneker, Ommen, Raalte. Gdl. : Harderwijk, Putten, Leuvenum,
Apeldoorn, Twello (slechts 1 ex. op licht), Empe, Hoenderlo, Loe-
nen, Laag Soeren, Zijpenberg, Rhederhei, De Steeg, Beekhuizen,
Rozendaal, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Bennekom, Ede, Lun-
teren ; Boekhorst, Lochem, Vorden, Barchem, Groenlo, Aalten,
Varseveld, Doesburg, ‘s-Heerenberg, Montferland, Bijvank, Lobith;
Nijmegen, Groesbeek. Utr. : Leersum, Doorn, De Bilt, Groenekan,
Soest, Soestdijk, Lage Vuursche. N.H.: Hilversum, Laren, Blari-
cum, Bussum, Naarden, Amsterdam, Zaandam, Texel, Camp, Wijk
aan Zee, Driehuis, Bloemendaal, Haarlem, Overveen, Bentveld,
Aerdenhout, Zandvoort. Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Wassenaar,
Den Haag, Monster, Hoek van Holland, Oostvoorne, Rockanje,
Ouddorp. Zl: Domburg, Zoutelande. N.B.: Zundert, Breda,
Bavel, Rijen, Loon op Zand, Tilburg, Oisterwijk, Deurne, Helena-
veen, Sint Antonis. Lbg. : Mook, Plasmolen, Venlo, Tegelen, Bel-
feld, Roermond, Melick, Meerssen, Vaals.
Var. 1. f. rubiginata Hufnagel, 1767, Berl. Mag. 4: 610. „Rost-
farbig mit 3 dunklern ausgeschwungenen Querstreifen”. De ty-
pische vorm heeft dus een bruinachtige, iets rood getinte grond-
kleur. De grote meerderheid onzer exx. behoort tot deze vorm, die
overigens nogal in tint variëert, soms donkerbruinachtig geel zon-
der enig spoor van rood is, dan weer een enigszins grijze tint ver-
toont.
2. f. rubricata Schiff, 1775, Syst. Verz. : 1101). Grondkleur der
vleugels prachtig purperrood. South, pl. 50, fig. 1; Seitz, pl. 4 h,
fig. 1; Svenska Fjarilar, pl. 33, fig. 18. Veel minder dan de typi-
sche vorm. Lochem, Wijk aan Zee, Rockanje, Domburg (Z. Mus.) ;
Hilversum (Doets); Driehuis (Väri); Overveen (Btk.); Zandvoort,
Aerdenhout, Wassenaar (Wiss.); Ouddorp (Lpk.).
3. f. clarirufa nov. Grondkleur der vleugels helder lichtrood?).
Wassenaar (Wiss.).
4. f. ochraceata Stgr., 1901, Cat. ed. 3: 273. Grondkleur der
vleugels geelachtig. Culot, fig. 198. Bussum, Venlo (Z. Mus.); Am-
sterdam (Z. Mus.).
5. f. fuliginosa Strand, 1917, Ent. Mitt. 6: 298. Grondkleur der
vleugels zwartbruin, tekening iets donkerder. Nijmegen, Laren-
N.H. (Wiss.) ; Bussum (Väri) ; Breda (Mus. Rd.).
6. f. brunneomarginata Schawerda, 1916, Verh. zool.-bot. Ges.
Wien 66 : 241. Op voor- en avls. de ruimte tussen postdiscaallijn en
franje eenkleurig donkerbruin, zodat een donkere achterrandsband
ontstaat. Nijmegen (Wiss.).
7. f. pallifasciata nov. Op voor- en avls. de ruimte tussen golflijn
en postdiscaallijn lichter dan de grondkleur, zodat een lichte mid-
1) This is the oldest name for the purple-red form (which is much rarer here
than the typical reddish-brown one). Schiffermüller's definition „Röthel-
steinfarbener dunkelstriemigter Spanner” is not very clear, but Fabricius's
description of Schiffs specimen(s) (1787, Mantissa 2: 210) „alis purpura-
scentibus settles the question.
2) Ground colour of the wings clear pale red.
(585) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 175
denband ontstaat!). Svenska Fjärilar, pl. 33, fig. 18 (kan natuur-
lijk ook bij andere kleurvorm voorkomen). Leuvenum (Cold.); Rhe-
derhei (Sch.); Hatert, Zandvoort, Wassenaar (Wiss.).
8. f. rufolineata nov. De wortellijn der voorvls. en de midden-
schaduw rood, de golflijn rood beschaduwd?). Laren-N.H. (Wiss.).
632. S. marginepunctata Goeze, De vlinder heeft in ons land twee
ver van elkaar gescheiden vlieggebieden : de duinen en Limburg.
Bovendien zijn een paar oude vindplaatsen bekend, die als uitlopers
van deze twee territoria beschouwd kunnen worden. De versprei-
ding in ons land wijst sterk op een bevolking vanuit twee verschil-
lende centra.
In Denemarken bekend van Bornholm, waar de vlinder in 1948
in 1 ex. ontdekt werd. In het omringende Duitse gebied aange-
troffen in Hannover (zeldzaam bij de stad en bij Osnabrück),
in Westfalen (Waldeck en in 1922 bij Bottrop) en de Rijnprov.
(vrij gewoon). In België verbreid in het Maasbekken, ook bekend
uit het Forêt de Soignes bij Brussel en uit de duinen langs de
Noordzeekust (aansluitend dus aan onze beide vlieggebieden).
In Groot-Brittannië langs de kust van Engeland en Wales en plaat-
selijk in Z. Schotland. In Ierland gewoon langs de kusten. De
Noordgrens van het verbreidingsgebied loopt dus door ons land.
Twee generaties, die waarschijnlijk zonder scherpe grens in el-
kaar overgaan, de eerste van tweede helft van Mei tot half Juli
(23-5 tot 10-7), de tweede half Juli tot tweede helft van Septr.
(21-7 tot 19-9).
Vindpl. Gdl.: Arnhem (De Graaf, 1863, Tijdschr. voor Ent.
6: 171). N.H. : Haarlem, Overveen, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H.:
Wassenaar, Den Haag, ‘s-Gravenzande, De Beer, Rockanje, Oud-
dorp, Rotterdam (Snellen, 1867, De Vlinders 1 : 557). Zl.: Westen-
schouwen, Koudekerke, Serooskerke, Groede. Lbg. : Venlo, Roer-
mond, Brunsum, Rolduc, Voerendaal, Valkenburg, Meerssen,
Maastricht, Sint Pieter, Epen.
Var. De vlinder variëert vrij sterk in de tint van de grondkleur.
Sommige exx. zijn donker bestoven, andere zijn juist opvallend
licht door het ontbreken van de geelachtige tint. Geen enkel ex.
behoort echter tot de reeds beschreven melanistische en lichte
kleurvormen.
1. f. griseofasciata Turati, 1914, Atti Soc. It. sc. nat. 53: 556,
fig. 3. De ruimte tussen wortellijn en middenschaduw donker ge-
vuld. Wassenaar (Wiss.).
633. S. imitaria Hb. Alleen bekend uit Zeeland (en daar gere-
geld voorkomend) en van een paar oude vindplaatsen in het Oosten
van het land. .
Niet bekend uit Denemarken. In het omringende Duitse gebied
nergens aangetroffen (in geheel Duitsland zelfs onbekend), hoewel
1) On fore and hind wings the area between submarginal line and postdiscal
line paler than the ground colour, so that a pale central band results.
2) The basal line of the fore wings and the central shade red, the subterminal
line shadowed with red.
176 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (586)
de vlinder waarschijnlijk wel in de Rijnprov. te verwachten is. In
België zeer zeldzaam, vermeld van Brussel, Dinant (oude opgaven)
en Virton. In Groot-Brittannië verbreid in Engeland en Wales. In _
Ierland zeer lokaal in de Zuidelijke helft. Ook deze soort bereikt in
ons land dus de Noordgrens van haar verbreidingsgebied op het
Continent.
1 gen., half Juli tot begin Aug. (16-7 tot 5-8), vliegtijd hier te
lande echter nog onvoldoende bekend.
Vindpl. Gdl.: Vorden (reeds vermeld in 1856, Bouwstoffen
2: 204). Zl. : Domburg, 16-7 tot 3-8-1912 en ab ovo in 1913 (Z.
Mus.); Serooskerke, 16 exx. tussen 26-7 en 5-8-1938 (Br.); Mid-
delburg (vermeld door De Graaf, 1863, Tijdschr. voor Ent. 6: 171).
N.B. : Cuyck, 21-7 en 22-7-1885 (L. Mus. en Z. Mus.).
634. S. immutata L. Verbreid door het gehele land, vooral op
vochtige plaatsen, op allerlei grondsoorten, op de vindplaatsen dik-
wijls gewoon. 1 gen., begin Juni tot eind Aug. (3-6 tot 28-8).
Vindpl. Fr.: Terschelling, Kollum, Leeuwarden, Hieslum,
Garijp, Eernewoude, Beetsterzwaag, Peperga, Wolvega, Scher-
penzeel. Gr. : Groningen, De Punt. Dr. : Veenhuizen, Donderen,
Norg, Peize, Assen, Echten, Rolde, Diever. Ov. : Denekamp, Olden-
zaal, Volthe, Vasse, Twekkelo, Lonneker, Borne, Delden, Elzen,
Nijverdal, Okkenbroek, Colmschate, Giethoorn. Gdl.: Nijkerk,
Harderwijk, Putten, Nunspeet, Leuvenum, Assel, Apeldoorn,
Twello (gewoon), Empe, Laag Soeren, Ellecom, Velp, Arnhem,
Bennekom, Lunteren ; Gorsel, Barchem, Lochem, Vorden, Win-
terswijk, Korenburgerveen, Bredevoort, Aalten, Varseveld, Doe-
tinchem, Babberich, Bijvank, Herwen, Lobith ; Nijmegen, Heumen,
Hatert, Groesbeek, Wamel. Utr. : Zeist, Bilthoven, Utrecht, Har-
melen, Maarseveen, Nigtevecht, Soesterveen. N.H. : Holl. Rading,
Kortenhoef, Ankeveen, Weesp, Amsterdam, Aalsmeer, Haarlem-
mermeer, Halfweg, Westzaan, Zaandam, Middelie, Texel, Wijk
aan Zee, Bloemendaal, Zandvoort, Aerdenhout, Vogelenzang. Z.H.:
Hillegom, Noordwijk, Wassenaar, Den Haag, Kijkduin, Oude-
water, Waarder, Zevenhuizen, Kapelle a. d. IJsel, Rotterdam, Dor-
drecht, Heenvliet, Numansdorp, Melissant, Goeree. Zl: Dom-
burg, Goes. N.B.: Bergen op Zoom, Princenhage, Breda, Ulven-
hout, Dommelen, Vught, ‘s-Hertogenbosch, Oisterwijk, Oirschot,
Sint Michielsgestel, Cuyck, Nuenen, Deurne. Lbg. : Mook, Plas-
molen, Milsbeek, Venlo, Roermond, Thorn, Echt, Brunsum, Kerk-
rade, Voerendaal, Schinveld, Rijckholt, Bunde, Meerssen, Vaals.
Var. 1. f. myrtillata Dadd, 1912, Berl. ent. Z. 57: (11). Witter
dan de gewone vorm, de donkere beschaduwing aan weerszijden
van de golflijn bijna geheel ontbrekend, waardoor het hele veld
franjewaarts van de derde dwarslijn op voor- en avls. eenkleurig
witachtig is. Wolvega (Wiss.); Apeldoorn, Vorden, Hatert (Z.
Mus.); Twello (Cold.); Amsterdam (v. d. M.); Texel (Lpk.).
2. f. coarctata V. Schultz, 1931, Int. ent. Z. Guben 25: 179. De
eerste en tweede dwarslijn (vanaf de wortel) staan dicht bij elkaar,
(587) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 177
zodat bijna een smalle band ontstaat. Lonneker (v. d. M) ; Hatert,
Plasmolen (Wiss.); Laag Keppel, ‘s-Hertogenbosch (L. Mus.).
3. f. juncta nov. De eerste en tweede dwarslijn op de vvls. in het
midden door een horizontale dwarsstreep verbonden!). Ankeveen
(Vári).
4. f. & flavescens nov. Grondkleur der vleugels geelachtig. Ex-
treme kleurvorm der 3 32). Lonneker, Volthe, Kijkduin (v. d.
M.); Westzaan (Westerneng); Wolvega, Aerdenhout (Wiss.).
5, f. grisescens nov. Grondkleur der vleugels grijs met witte golf-
lijn voor de achterrand3). Giethoorn (Branger).
6. Dwergen. Amsterdam (Botzen).
Vrij gewoon zijn exx., waarbij de middenstip der vvls. ont-
breekt.
635. S. ternata Schrank, 1802 (fumata Stephens, 1831). Pas in
1948 in één enkel ex. in ons land ontdekt (Coldewe y, 1948, En-
tom. Ber. 12 : 296), zodat het nog niet zeker is, dat we met een indi-
geen te doen hebben, hoewel het biotoop hier genoeg voorkomt.
In Denemarken zowel bekend van de eilanden (behalve Fünen)
als van vele plaatsen in Jutland, op de vindplaatsen (bossen met
Vaccinium Myrtillus L.) in de regel niet zeldzaam. In Sleeswijk-
Holstein verbreid, tot nog toe van 8 vindplaatsen bekend. In de om-
geving van Hamburg overal in bossen met V. Myrtillus, niet zeld-
zaam. Evenzo in het gebied van de Lüneburger Heide, bij Bremen
en in de omgeving van de stad Hannover. In Westfalen tot nu toe
van 5 vindplaatsen vermeld. In de Rijnprovincie, waar bosbessen
voorkomen, verbreid en plaatselijk talrijk: Krefeld (oude opgave),
Aken, Hohes Venn (hier talrijk in Juni en Juli, Püngeler, p. 77),
Düren, Westerwald, Taunus. In België bekend van enkele vind-
plaatsen in het Oosten : Beverlo (in Limburg !), Hockai. Talrijk in
Schotland en Noord Engeland, verbreid door West Engeland en in
Wales, plaatselijk gewoon. In Ierland zeer zeldzaam, tot nog toe
alleen in het Zuiden.
1 gen. (Juni en Juli in de omringende gebieden); het Nederlandse
ex. was van midden Juni.
_ Vindpl. Gdl.: Twello, 13-6-1948, & op licht (Cold.).
636. S. floslactata Hw., 1809, Lep. Brit. : 351 (remutaria Hb.,
1796— 1799 ; lactata Hw., 1809, 1.c.)*). Algemeen verbreid in bos-
1 The first (basal) and second transverse lines on the fore wings joined in
the middle by a horizontal line.
2) Ground colour of the wings yellowish. Extreme colour form of the & &.
5) Ground colour of the wings grey with white subterminal line.
4) Geometra remutaria Hb., 1796—99, is geen nieuwe naam, maar een ver-
betering van Geometra remutata Schiff., 1775. Ook dit was geen nieuwe naam,
maar een onjuiste interpretatie van Ph. G. remutata Linné, 1758. Daarom heeft
Prout (Seitz 4 : 66) ongetwijfeld gelijk deze namen te verwerpen. Hoewel
lactata Hw. pagina-prioriteit heeft over floslactata Hw., is deze laatste naam
door het Seitz-werk geheel ingeburgerd. De status er van zal echter officieel
geregeld moeten worden.
178 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (588)
achtige streken in het Oosten en Zuiden van het land, in het Westen
veel minder voorkomend.
1 gen, begin Mei tot begin Aug. (6-5 tot 7-8), hoofdvliegtijd
eind Mei en Juni.
V ind pl. Fr. : Beetsterzwaag. Dr. : Veenhuizen, Wijster, Vled-
der. Ov.: Oostmarsum, Denekamp, Agelo, Albergen, Volthe, De
Lutte, Hengelo, Almelo, Rijssen, Colmschate, Deventer, Zwolle.
Gdl.: Putten, Ermelo, Hulshorst, Leuvenum, Apeldoorn, Twello
(niet talrijk op licht), Wilp, Empe, Hoenderlo, Laag Soeren, Die-
ren, Ellecom, De Steeg, Velp, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Ren-
kum, Wageningen, Bennekom, Lunteren ; Barchem, Vorden, Ruur-
lo, Winterswijk, Aalten, Bijvank, Babberich ; Berg en Dal, Ubber-
gen, Nijmegen, Hatert, Malden, Groesbeek. Utr. : Amerongen,
Maarn, Zeist, Oud-Leusden, Amersfoort, Soest, Soestdijk. N.H.:
Holl. Rading, Hilversum, Huizen, Valkeveen, Bussum, Bergen,
Overveen, Aerdenhout, Zandvoort. Z.H.: Leiden. N.B. : Bergen
op Zoom, Princenhage, Ginneken, Breda, Ulvenhout, Rijen, Oister-
wijk, Eindhoven, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Venlo, Roermond, Me-
lick, Brunsum, Schinnen, Bunde, Meerssen, Bemelen, Houthem,
Geulem, Voerendaal, Wijlre, Gulpen, Wittem, Mechelen ; Eper-
heide, Epen, Vijlen.
Var. 1. f. flavescens nov. Grondkleur der vleugels lichtgeel!).
Volthe, Almelo (v. d. M.); Apeldoorn, 9 (de Vos); Wilp, :9
(Cold.); Bijvank, © (Sch.); Hilversum, 3 (Doets); Overveen, 2
(Btk.); Oisterwijk, & (Mus. Rd.); Epen, 2 (Wiss.).
2. f. exstirpata Fuchs, 1901, Ent. Zeitschr. Stettin 62: 133. Alle
dwarslijnen op de vleugels ontbreken. Svenska Fjärilar, pl. 33, fig.
20 b. Bijvank (Sch.); Plasmolen, Epen (Wiss.); Gulpen, Wittem
(oa ol ME)
3. f. anastomosaria Preissecker, 1923, Verh. zool.-bot. Ges. Wien
72: (94). Op de vvls. raken de eerste en tweede dwarslijn elkaar
geheel of gedeeltelijk. Wolfheze, Malden, Soestdijk, Oisterwijk (Z.
Mus.); Bijvank (Sch.); Hilversum (Doets); Overveen (Btk.); Bre-
da (Mus. Rd.).
4. f. quadripuncta nov. Zowel de voor- als de avls. met een dui-
delijke middenstip?). Prout (1913, Seitz 4: 66) zegt, dat deze vorm
zeer zeldzaam is, maar in ons land is hij bijna overal onder de
soort te vinden.
5. f. impuncta nov. Zie pag. (557). Veel zeldzamer. Apeldoorn,
Nijmegen, Epen (Wiss.); Bijvank (Sch.); Bussum, Breda (L.
Mus.); Gulpen (v. d. M.).
Teratol ex. Zeer smalle voor- en avls. Wijlre (Mus. Rd.).
637. S. emutaria Hb. Uitsluitend bekend uit het Westen van
het land, vooral in het duingebied.
Niet in Denemarken aangetroffen. In het omringende Duitse ge-
bied alleen bekend van de Wadden-eilanden Sylt en Borkum.
1) Ground colour of the wings yellowish.
2) Both fore and hind wings with a distinct central spot.
(589) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 179
Niet bekend uit België, maar daar misschien in het duingebied te
verwachten. In Engeland uitsluitend in enige Zuidelijke graafschap-
pen langs de kusten van de Noordzee en Het Kanaal (Essex, Kent,
Sussex, Hampshire en Dorset).
[In Frankrijk komt de vlinder in het Zuiden en Westen voor,
maar is niet noordelijker gevonden dan de Vendée. Verder is hij
ook bekend van Zuid-Tirol, Kustland, Kroatië, Dalmatië, Honga-
‘rije en Zevenburgen, maar is overigens een bewoner van Zuid-
Europa en Noord-Afrika. Zijn voorkomen in ons land is dus uiterst
merkwaardig. Vermoedelijk een relict uit het warme Atlanticum. |
1 gen. begin Juli tot eind Aug. (5-7 tot 30-8). (Zie echter het
ex. van Van Goethem).
Vindpl. Fr. : Ameland-Nes, 20 en 24-7-1939 (Br.); Vlieland-
Meeuwenduinen, 5-7 en 11-7-1937 (Z. Mus.). N.H.: Texel, 13-7-
1912 (Jch.) en 1916 (Doorman, 1919, Tijdschr. voor Ent. 61:
LVI). Z.H. : Vlaardingen, 30-8-1945 (Van Katwijk). Zl. : Wes-
tenschouwen, 21-8-1936 (Br.); Domburg, 5-8-1913 (Z. Mus.); Se-
rooskerke, 24-8-1938 (Br.); Koudekerke, 8-8-1939 (Br.); Kapelle,
10-8 en 11-8-1897 (de Vos). N.B. : Bergen op Zoom, Juni (Van
Goethem, 1911, Tijdschr. voor Ent. 54: LII).
Rhodostrophia Hb.
638. R. vibicaria Clerck. Verbreid op droge zandgronden in het
Oosten en vooral in de duinen, in het Zuiden weinig aangetroffen.
Stellig slechts 1 gen. (ab ovo gekweekte exx. kwamen bij mij pas
in Juli uit), eerste helft van Juni tot eerste helft van Aug. (13-6 tot
9-8). In coll-Franssen (Mus. M.) bevindt zich een ex. van
Den Haag, gedateerd 13-5-1920. Als deze datum juist is, valt hij
toch wel volkomen buiten de normale vliegtijd.
Vindpl. Fr.: Terschelling, Oldeberkoop. Gdl. : Harderwijk,
Garderen, Ermelo, Hoenderlo, Apeldoorn, Woeste Hoeve, Terlet,
Dieren, Velp, Arnhem, Elden, Oosterbeek, Wolfheze ; Vorden,
Aalten ; Berg en Dal, Nijmegen, Malden, Groesbeek. Utr. : Dart-
huizer berg, Zeist, Soestduinen, Soesterberg, Soest. N.H.: Texel,
Camperduin, Bergen, Egmond aan Zee, Castricum, Heemskerk,
Wijk aan Zee, Velzen, Driehuis, Overveen, Aerdenhout, Zandvoort.
Z.H. : Noordwijk, Katwijk, Leiden, Wassenaar, Den Haag, Hoek
van Holland, Oostvoorne. Zl. : Haamstede. N.B.: ‘s-Hertogen-
bosch, Vught. Lbg. : Plasmolen.
Var. Een interessante soort, die zeer zeker een speciale studie
waard is. Van de genetica der mooie rode vormen is nog niets be-
kend ! Het feit, dat er een complete serie overgangen van f. vibi-
caria tot f. rosans bestaat, doet denken aan een werking van poly-
. mere factoren. De extremere vormen zijn echter uitsluitend uit de
duinen bekend, d.w.z. uit het biotoop met het warmste micro-
klimaat, wat weer zou kunnen wijzen op een invloed van oecologi-
sche factoren („environmental factors’). Het is niet uitgesloten,
dat beide groepen factoren hier samenwerken.
Al onze populaties, ook die van de Waddeneilanden, behoren tot
180 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (590) —
de typische subsp. dus niet tot de kleine subsp. minuta Heyde-
mann (1933, Int. ent. Z. Guden 27: 371), beschreven van het
Noordfriese Waddeneiland Amrum.
1. f. adulterina Heydemann, 1933, Int. ent. Z. Guben 27: 371.
Vleugels eenkleurig groenig geel met 3 rode lijnen op de vvls. en 2
op de avis. De Graaf in Sepp, 2e serie 4, pl. 36, fig. 17 ; Seitz 4, pl.
2 k, fig. 2 (nec fig. 3). Hoofdvorm hier te lande.
2. f. vibicaria Clerck, 1759, Icones 1, pl. 3, fig. 2. Als de vorige
vorm, maar franjewaarts van de tweede dwarslijn een vrij brede
rode bestuiving. Keer, pl. 66, fig. 20; Sepp, fig. 15 ; Seitz, pl. 2 k,
fig. 1; Svenska Fjärilar, pl. 33, fig. 8. Typisch veel minder dan
de vorige vorm, door allerlei overgangen er mee verbonden.
3. f. rubrifasciata Hufnagel, 1767, Berl. Mag. 4: 612. De ruimte
tussen tweede en derde dwarslijn geheel rood gekleurd. Er ontstaat
dus een rode band. Overveen (Btk.) ; Noordwijk (Cold.) ; Was-
senaar (Wiss.).
4. f. intermedia Kempny, 1896, Jahrb. Wiener Ent. Ver. 6: 63.
De ruimte tussen middelste dwarslijn en achterrand roodachtig. De
gehele achterrandshelft is dus rood. Terschelling (Lpk.) ; Overveen
(Btk.) ; Hoek van Holland (Mus. Rd.).
5. f. rosans Prout, 1935, Seitz 4 Suppl. : 24. Als f. intermedia,
maar ook het wortelveld roodachtig. Er blijft dus een geelachtige
middenband over. Seitz, Suppl., pl. 3 h, fig. 4; Sepp, fig. 18. Zeld-
zame vorm. Terschelling (Lpk.); Texel (Jch.); Wijk aan Zee, Over-
veen (Z. Mus.); Zandvoort (Wiss.); Noordwijk (Cold.); Hoek
van Holland (Mus. Rd.).
6. f. rectilinearia Meves, 1914, Ent. Tidskr. 35 : 124. De middel-
ste dwarslijn loopt niet met een boog om de middenvlek heen,
maar als een rechte lijn dwars er over heen. Garderen (Z. Mus.);
Malden (Wiss.) ; Zandvoort (Mus. Rd.) ; Noordwijk (alleen op
de avls., Cold.).
7. f. obsoleta nov. Dwarslijnen bijna geheel verdwenen!). Apel-
doorn, & (de Vos).
Cosymbia Hb.
639. C, albipunctata Hufn. (pendularia auct. nec Clerck). Alge-
meen op zandgronden. Bekend van Texel.
Twee gens, de eerste van begin April tot in de tweede helft
van Juni (9-4 tot 23-6), de tweede van de eerste helft van Juli tot
eind Aug. (11-7 tot 30-8).
Ver. Vooral interessant om de donkere roodgetinte vormen.
Genetisch is niets hiervan bekend.
1. f. depulsa Bastelberger, 1907, Iris 20: 263. Het oog op de
avl. (soms bovendien ook op de vvl.) gereduceerd tot een klein
donker of rood puntje. Seitz 4, pl. 4 n, fig. 5. Zonder twijfel zeld-
zaam. Hatert (Bo.).
1) Transverse lines obsolete.
(591) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 181
2. f. magnocellata nov. Voor- en avls. met opvallend grote
ogen!). Oisterwijk (Mus. Rd.).
3. f. obsoletaria Lambillion, 1905, Cat. Lép. Belg. : 248. De wor-
telliin op voor- en avls. vrijwel verdwenen. Vrij gewoon. De Punt
(Wiss.); Putten, Velp, Bussum, Oisterwijk (Z. Mus.); Barchem (L.
Mus.); Bijvank (Sch.); Hatert (Bo.); Soest (Lpk.).
4. f. linearia Lbll., 1905, lc. Voor- en avls. met duidelijk ontwik-
kelde donkere middenschaduw. Barret 7, pl. 328, fig. 2 c. Borne (v.
d. Velden); Putten, Arnhem, Renkum, Oisterwijk (Z. Mus.); Twello
(Cold.); Emst, Princenhage (Wp.); Hatert (Bo.); Bussum (6);
Hilversum (Doets); Epen (Wiss.).
5, f. mediofasciata nov. Voor- en avis. met donkere breed uitge-
vloeide middenschaduw, zodat de indruk gewekt wordt van een
band. De ruimte tussen eerste en tweede dwarslijn is er echter niet
geheel mee gevuld?). Korenburgerveen (Sch.).
6. f. striata nov. De stippen van de eerste en tweede dwarslijn
duidelijk streepvormig verlengd). Barrett, l.c., fig. 2 c.
7. f. hatertica V. Schultz, 1931, Int. Ent. Z. Guben 25: 180, fig.
35. In het middenveld der vvls. zwarte aderstralen, die van de
tweede dwarslijn wortelwaarts lopen en naar de binnenrand toe
steeds langer worden, zonder evenwel de eerste dwarslijn te be-
reiken. Hatert (Schultz, e coll. Boldt).
8. f. foliata nov. Op alle vleugels een rij donkere vlekken in het
achterrandsveld4). Zeldzaam. Groningen (De Gavere, 1867, Tijd-
schr. voor Entom. 10: 212); Montferland (Sch.); Nijmegen
(Wiss.); Tegelen (Stoffels).
9. f. albescens nov. Grondkleur der vleugels witachtig door het
bijna ontbreken der donkere schrapjes5). De Lutte, Sint Pieter
(Btk.); Lonneker (v. d. M.); Putten, Venlo (Z. Mus.); Nunspeet
(Vári); Barchem, Breda (L. Mus.); Babberich (Elfrink); Hatert
(Bo.); Rijen (Kallenbach).
10. £. brunnearia Lambillion, 1905, l.c. Vleugels sterk bruinachtig
(beter : roodachtig) bestoven. Putten, alleen de voorvls. (Z. Mus.).
12. f. griseata nov. Grondkleur der vleugels donkergrijs met
scherp afstekende lichte postmediane band, overigens normaal®).
Putten (Z. Mus.); Nunspeet (Vári); Slangenburg (Cold.); Soest
(Lpk.); Texel (Btk.); Epen (Wiss.). |
13. f. subroseata Woodforde, 1902, Entomologist 35: 276. Grond-
kleur der vleugels donkergrijs, het middenveld der voorvleugels
1) Fore and hind wings with distinctly enlarged eye spots.
2) Fore and hind wings with dark strongly broadened central shade, so that
there is the impression of a band. The space between first and second transverse
lines is. however, not completely filled with it.
3) The points of the first and the second transverse line distinctly lengthened
to streaks.
4) On all wings a row of dark spots in the marginal area.
5) Ground colour of the wings whitish, because the dark striae fail almost
completely.
6) Ground colour of the wings dark grey with sharply contrasting pale post-
medial band, for the rest normal. [The form is completely identical with f. sub-
roseata, but the red tint in the central area of the fore wings fails.]
182 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (592)
rood bestoven. Zeldzame vorm, maar toch vrijwel overal onder
de soort te verwachten. Lonneker (v. d. M.); Nunspeet (Mac G.);
Emst (Wp.); Bennekom (Pl. Z. D.); Babberich (Elfrink); Berg en
Dal (Bo.); Wolfheze, Texel (Wiss.); Hilversum (Caron, Doets);
Driehuis (van Berk); Rockanje (Jch.); Oisterwijk (Mus. Rd.):
Deurne (Nies).
14. f. decoraria Newman, 1861, Zoologist 19 : 7798. Grondkleur
der vleugels zwartgrijs, dus veel donkerder dan de vorige vorm,
middenveld der vvls. rood getint, franjewaarts afgezet door een
scherpe witte band. Seitz 4, Suppl., pl. 4 d, fig. 1 ; komt, wat de
donkere tint van de grondkleur betreft, goed overeen met de exx.,
die ik in de coll. van het Museum te Tring zag, maar de rode tint
op de vvls., die inderdaad heel duidelijk is, is in deze fig. nauwe-
lijks te zien. Veel zeldzamer dan subroseata ! Het is wel verleide-
lijk om te veronderstellen, dat subroseata de heterozygote van de-
coraria is, doch er is geen enkel bewijs voor ! Nijmegen (Z. Mus.).
15. f: rufescens nov. Grondkleur van voor- en avls. eenkleurig
roodachtig, langs de voorrand der voorvls. en langs de achterrand
van alle vleugels donkergrijs bestoven ; middenstippen en dwars-
lijnen witachtig, scherp afstekend!). Roermond (Z. Mus.).
640. C. annulata Schulze, Zeer zeldzaam op enkele verspreide
vindplaatsen in het Westen en Oosten, wat meer in het Zuiden,
maar ook hier verre van gewoon.
In Denemarken alleen bekend van de eilanden. In Duitsland in
Oost-Holstein, zeldzaam bij Hannover, van slechts 5 vindplaatsen
in Westfalen bekend, in de Rijnprovincie niet zeldzaam, plaatselijk
zelfs gewoon (Aken nog zeldzaam). In België bekend van een vrij
groot aantal vindplaatsen in de Oostelijke helft, van Teuven (vlak
over de grens bij Epen, 1 ex. in Z. Mus.) tot Virton bij de Franse
grens, ook bij Brussel. In Engeland vooral verbreid in het Zuiden,
maar ook in Norfolk en Yorkshire aangetroffen. Niet in Schotland
en lerland.
Ons land ligt dus in het grensgebied van het areaal, en ook de
esdoorn, de voornaamste voedselplant, is hier al geen echte inheem-
se boom meer. Dit alles is een gerede verklaring voor de zeldzaam-
heid van de vlinder hier te lande.
2 gens, de eerste begin Mei tot tweede helft van Juni (5-5 tot
21-6), de tweede half Juli tot tweede helft van Aug. (17-7 tot 24-8).
Vindpl. Gdl. : Laag Soeren, 16-8-1892 (Z. Mus.); Wolfheze,
12-5-1865 (Mus. Rd.). Z.H. : Scheveningen, rups in Sept. 1863
op Acer campestre L. (De Graaf, 1865, Tijdschr. voor Ent. 8: 35);
Dordrecht, 1 & z. d. (De Roo van Westmaas). N.B. : Breda („très
rare , Heylaerts, 1870, Tijdschr. voor Ent. 13: 154 ; in L. Mus. de
volgende exx. : 17-6-1870, &, 6-5-1879, 4, 5-5-1883, 2 2:2, 10-5-
1887, 3 e.l., 4 exx. el. 19-5 en 3 exx. el. 29-5 zonder jaartal ; 7-5-
1) Ground colour of fore and hind wings unicolorously reddish, powdered
with dark grey along the costa of the fore wings and the hind margin of all
wings; central spots and transverse lines whitish, sharply contrasting.
(593) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 183
1888, Kallenbach); Ginneken, 3-6-1909 (Mus. Rd.); Deurne, 24-
8-1935 (Nies). Lbg. : tussen Rothem en Geulem (Maurissen, 1866,
Tijdschr. voor Ent. 9: 183); Gronsveld, 7-8-1922 Lck.); Hout-
hem, 6-8-1891 en 31-7-1892 (Z. Mus.) ; Rolduc (Latiers) ;
ieee 21-6-1933 (F. F.); Epen, 9-6-1934 (Wiss.), 5-6-1938
elas).
Var. 1. gen. aest. aestiva Prout, 1913, Seitz 4: 145. Kleiner
dan de eerste generatie, vleugels sterker bestoven met grijze weinig
opvallende schubben. Te oordelen naar de zeer weinige Neder-
landse exx., die ter vergelijking aanwezig zijn, beantwoordt onze
zomergeneratie aan deze beschrijving.
2. f. fasciata nov. Op voor- en avls. franjewaarts van het oog
een donkere middenband, doordat de ruimte tussen de midden-
schaduw en de tweede dwarslijn geheel donker gevuld ist). Breda
(L. Mus.); Houthem (Z. Mus.).
641. C. pendularia Clerck, 1759 (orbicularia Hb., 1796— 1799).
[De eerste auteur, dieC lerck's naam voor de soort met de on-
getande dwarslijnen gebruikte, was De Geer (1771, Mém. 2 (1):
360, pl. 6, fig. 7), een fout, die in deze begintijd der entomologie
wel te excuseren is, al beeldt Clerck heel duidelijk een vlinder
af met getande dwarslijnen. Dat deze fout pas na bijna 2
eeuwen ontdekt werd (Nordström, 1941, Ent. Tidskr. 62:
127-130), is voornamelijk toe te schrijven aan de grote zeldzaam-
heid van Clerc k's Iconographie. |
Uitsluitend verbreid in het Oosten en Zuiden van het land en
ook daar over het algemeen verre van gewoon.
Twee generaties, de eerste begin Mei tot half Juni (9-5 tot 12-6).
de tweede eind Juni tot tweede helft van Aug. (30-6 tot 18-8).
Vindpl Fr.: Rijs. Ov.: Ootmarsum, Denekamp, De Lutte, Age-
lo, Albergen, Almelo, Hengelo, Borne, Boekelo. Gdl. : Apeldoorn,
Twello (1 ex.), Klarenbeek, Empe, Arnhem, Lunteren ; Boekhorst,
Haarlo, Korenburgerveen, Doetinchem ; Hatert. N.B. : Breda, Te-
teringen, Rijen, Oirschot, Oisterwijk, Eindhoven, Deurne. Lbg.:
Plasmolen, Oefelt, Venlo, Tegelen, Maasbree, Brunsum.
Var. 1. f. namurcensis Lambillion, 1905, Cat. Lép. Belg : 249.
Grondkleur der vvls. eenkleurig zwartgrijs, middenveld der vvls.
roodachtig, lichte dwarslijnen en ogen in de regel duidelijk. Snellen,
1895, Tijdschr. voor Ent. 38, pl. 4 B, fig. 4 (type !). Boekelo (Her-
warth); Agelo, Borne (v.d. M.); Korenburgerveen (Sch.); Doetin-
chem (Cold.); Breda (Z. Mus.); Oisterwijk (Wiss.). Vrijwel over-
al dus onder de soort aan te treffen. Ook deze donkere vorm is gene-
tisch onbekend !
“642. C. puppillaria Hb. Tot nog toe slechts 1 ex. van deze
Zuideuropese soort aangetroffen. Een oude, reeds lang geleden
door Heylaerts (1876, Tijdschr. voor Entom. 19: CXIV) ver-
1) On fore and hind wings distally from the eye spot a dark central band,
because the space between central shade and postdiscal line is completely filled
in with dark.
184 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (594)
melde vondst, waarvan de determinatie vaak in twijfel getrokken is
(o.a. door Bastelberger, 1898, Ill. Zeitschr. für Ent. 3: 258,
die schrijft, dat deze opgave ongetwijfeld betrekking heeft op C. ru-
ficiliaria H. S., terwijl de soort in de lijst van Püngeler, 1937,
Iris 51 : 77, met een vraagteken van Breda vermeld is) en waaraan
in onze eigen literatuur nooit enige aandacht geschonken is. Ge-
lukkig was het ex. nog in de collectie L. Mus. en stond daar door
Van Eecke gedetermineerd als ruficiliaria H.S. In 1942 maak-
te ik een praeparaat van de genitaliën, waarbij me bleek, dat
Heylaerts' opgave inderdaad juist is geweest. Zie figuur. Dat
hij zelf het ex. voor iets bijzonders aanzag, blijkt wel hieruit, dat hij
het ter revisie naar Zeller zond, zoals nog te zien is aan een apart
etiketje aan de speld : „3 vid. Zeller”.
Vooral de vangsten van enkele exemplaren in de ons omringende
gebieden in moderne tijden wijzen op een zekere neiging tot trek-
ken bij deze soort en verklaren tevens de vondst in ons land.
In Denemarken werd 1 ex. aangetroffen op Moen in 1934. In het
omringende Duitse gebied werd 10 Sept. 1946 een vers 9 te Biele-
feld in Westfalen gevangen. Niet bekend uit België. In Engeland
aangetroffen op de Scilly-eilanden (2 exx. in 1882) en op Wight
(2 op 2 Octr. 1946).
Vindpl. N.B.: Breda, gaaf 3, 7 Septr. 1871 (L. Mus.).
Var. Het ex heeft niet de typische lichte grondkleur, maar is
een overgang naar de roodachtige f. badiaria Stgr., 1870, Cat., ed.
222153:
\
5
Opm. De vlinder lijkt op C. porata L., maar de voorvl.punt is
spitser, op de vvls. staat een wit donker geringd oog, van de
tweede dwarslijn is alleen het begin aan de voorrand duidelijk.
Achtervls. met een tweede dwarslijn als porafa, maar het oog is
kleiner. Grondkleur der vleugels als regel roseachtig geel.
643. C. ruficiliaria H.S, Tot nog toe alleen bekend uit Gelder-
land, Noord-Brabant en het Noorden van Limburg, maar onge-
twijfeld wel meer in het Oosten en Zuiden aan te treffen.
Niet bekend uit Denemarken. Uit het omringende Duitse gebied
bekend van Westfalen (4 vindplaatsen) en de Rijnprov. (Wijler
bij Berg en Dal, 1938 ; Aken, niet zeldzaam, in 1924 1 © op Paf-
fenbroich ; Stromberg; Ahrweiler). Nog niet bekend uit België.
Niet aangetroffen in Groot-Brittannië en Ierland. De Noord- en
Westgrens van het areaal lopen dus door ons land.
Twee gens, de eerste Mei en Juni (4-5 tot 11-6), van de tweede
is slechts 1 ex. van eind Juli bekend en 1 van begin Aug.
2
J Fig. 29. Genitaalapparaat van Cosymbia puppillaria Hb.,
P76 4 , Breda, 1871. 10 X.
(595) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 185
Min dplGdl: Putten, 7-5-1915,42, el. * 11-5-1915, 8, 4.6
1928, & (alle Z. Mus.); 4-5-1928, 3 (Cold.); Apeldoorn, 3-8-1887,
2 (de Vos); 17-5-1896, &, e.l.; 26-5-1896, & (beide Z. Mus.);
30-5-1896, 2, el. (de Vos); 11-6-1896, 2; 17-5-1900,
& (beide Z. Mus.); 22-5-1900, 3; 18-5-1901, 9, el. ; 22-5-1901,
4, el.; 1-4-1902, 4, el; 25-5-1905, 9, el. (alle de Vos); Arn-
hem, 2-5-1869, ¢, el. (Z. Mus.); Nijmegen, 26-7-1887, 9 (Z.
Mus.). N.B. : Breda, 22-5-1885, ?, el. (Z. Mus.). Lbg. : Plasmo-
len, 23-5-1923, 2 (Wiss.).
Var. 1. f. mattiacata Bastelberger, 1898, Ill. Zeitschr. für Ent.
3: 275. Middenschaduw dik, scherp afstekend, de rij stippen op
de plaats van de tweede dwarslijn duidelijk, grondkleur iets don-
kerder dan bij de typische vorm. Seitz 4, pl. 4 o, fig. 11. Putten
(Cold.); Apeldoorn (de Vos, Z. Mus.); Arnhem (Z. Mus.); Plas-
molen (Wiss.).
2. f. privataria Bastelberger, 1898, l.c. Middenschaduw en stippen-
rijen ontbreken vrijwel geheel, bestuiving minder sterk dan bij de
typische vorm. Seitz, pl. 5 c, fig. 3. Beschreven als vorm van de
zomergen., maar : Putten, 7-5-1915, el. (Z. Mus.); Apeldoorn, 3-8-
1887 (de Vos).
3. f. circumdataria Bastelberger, 1898, l.c. : 274. Het oog op de
achtervls. duidelijk zwartachtig geringd. Volgens de auteur nu en
dan onder de zomergeneratie. Apeldoorn 30-5-1896 (el. !) en 3-8-
1887 (de Vos).
[Hoogstwaarschijnlijk worden de beide laatste vormen veroor-
zaakt door hogere temperatuur tijdens het gevoelige stadium van
de pop. Het verschijnen van een dergelijke vorm in de eerste gen,
wanneer die gekweekt wordt onder gunstiger Hs © dan
voor de soort normaal is, is dus zo vreemd niet. ]
644. C. quercimontaria Bastelberger. Verbreid over ongeveer
hetzelfde areaal in ons land als de vorige soort. Stellig plaatselijk al-
thans geen al te ongewone soort, als er maar goed naar gezocht
wordt. De vlinders zijn licht uit eikenstruiken op te jagen. Bij Groes-
beek vond Boldt de rupsen vooral op eikenbosjes aan de rand
van heiden. Pas in 1933 werd de soort voor het eerst uit ons land
vermeld (Boldt, 1933, Entom. Zeitschr. Frankfurt 47 : 89), maar
reeds in 1926 had Oudemans een ex. te Putten gevangen, dat
onherkend tussen zijn punctaria-serie stond !
In Denemarken zowel op de eilanden als in Jutland. In het om-
ringende Duitse gebied bekend van Holstein, lokaal en zeldzaam bij
Hamburg en in de Rijnprovincie bij Wijler en Elmpt (maar ook hier
stellig veel meer te vinden). Nog niet bekend uit België, maar zonder
twijfel ook hier wel voorkomend. Niet in nr en
lerland.
Twee generaties, de eerste van begin Mei tot half Juni (13-5
tot 14-6), de tweede half Juli tot eind Aug. (20-7 tot 25-8).
(Scholten kweekte in begin November een paar exx. van een
derde gen.; in natura onbekend).
Vindpl. Gdl.: Putten, Dieren, Bennekom (hier stellig vrij
186 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (596)
gewoon) ; Bijvank,’ Montferland (vrij gewoon) ; Berg en Dal,
Nijmegen, Heumen, Malden, Groesbeek. N.H.: Amsterdam, 26-3-
1933, el. (L. Wag. e coll.-Ceton). Lbg. : Mook.
Var. 1 f. nigrosparsaria Heydemann, 1938, Ent. Zeitschr.
Frankf. 51: 392. Grondkleur grof en dicht bruinrood en zwart-
achtig besprenkeld en daardoor sterk verdonkerd. Montferland,
_& (type, Sch.).
2. f. privataria Heydemann, 1938, l.c. De middenschaduw ont-
breekt, de beide rijen punten zijn aanwezig. Putten (Z. Mus.) ;
Montferland (type, Sch.) ; Berg en Dal, Groesbeek (Bo.).
3. f. communifasciata nov. De middenschaduw is aanwezig,
terwijl de beide stippenrijen ontbreken!). Montferland (Sch.) ;
Groesbeek (Bo.).
4. f. uniformata nov. Zowel de middenschaduw als de beide
stippenrijen ontbreken?). Putten (Z. Mus.) ; Berg en Dal (Bo.).
Opmerking. Jaren lang hebben 11 van de 19 thans bekende
Nederlandse exx. van C. ruficiliaria H. S. in de collectie van J. Th.
Oudemans gestaan, zonder dat hij er zich bewust van is geweest.
Evenmin was het hem bekend, dat hij het eerst C. quercimontaria
hier te lande had gevangen. Al deze exx. stonden tussen C. punctaria
L., ten dele zelfs in de dupla-collectie als exx., waar weinig prijs
meer op gesteld werd, en één was aan Vander Beek geschon-
ken. En Oudemans was toch niet de eerste de beste | Dit moge
voor ieder lepidopteroloog aanleiding zijn elk ex. van C. punctaria,
dat van het gewone type afwijkt, zorgvuldig te bestuderen. Van
8 van de 10 Nederlandse exx. van C. ruficiliaria, die op het ogen-
blik in het bezit zijn van de coll. van het Zoöl. Museum te Amster-
dam, is een genitaalpreparaat gemaakt, zodat hier een kleine, maar
betrouwbare serie ter vergelijking aanwezig is. Van het ex. van
Breda is het abdomen verloren gegaan, maar dit ex. en het oudste
& van Arnhem zijn zo kenbaar door hun grondkleur en rode franje,
dat elke twijfel uitgesloten is. Van de 7 exx. uit coll-de Vos, die
eveneens onherkend tussen de punctaria-serie stonden, zijn geen
preparaten gemaakt. De dieren stemmen volkomen met de Am-
sterdamse serie overeen.
Scholten (1938, Tijdschr. voor Ent. 81: 192—195) heeft uit-
voerig over de verschillen tussen C. quercimontaria en C. punctaria
L. geschreven. Zeer goed is ook de bespreking van de verschillende
Cosymbia's door Prout in Seitz 4 (1913), zodat ik hier slechts
enkele van de voornaamste kenmerken aangeef. Zowel ruficiliaria
als quercimontaria hebben op de vvls. een vrij duidelijke witachtige,
maar niet donker geringde middenstip. Ook op de achtervleugels
komt bij beide soorten een klein wit oogje voor. De eerste dwarslijn
op de vvls. bestaat bij punctaria uit een rij vrij grove stippen, terwijl
ruficiliaria in de regel een fijne sterk gebogen doorlopende dwarslijn
heeft. C. quercimontaria heeft een zeer zwakke of uit enkele stippen
!) The central shade is present, but the two rows of dots fail.
2) Both the central shade and the two rows of dots fail.
(597) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 187
Fig. 30. Vleugeltekening van: 1. Cosymbia ruficiliaria H.S. ; 2. C. quercimontaria
Bastelb. ; 3. C. punctaria L.
Fig. 31. & genitaalapparaat, van Cosymbia ruficiliaria H.S. (links, no. 154),
C. quercimontaria Bastelb. (midden, no. 218) en C. punctaria L. (rechts, no. 68).
10 X.
Fig. 32. Bursa der 9:9 wan Cosymbia ruficiliaria H.S. (links, no. 176),
C. quercimontaria Bastelb. (midden, no. 179) en C. punctaria L. (rechts, no. 184).
2510
188 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (598)
bestaande basaallijn. C. ruficiliaria heeft een iets bruinachtig getinte
grondkleur, de veel kleinere quercimontaria heeft op alle vleugels een
roodachtige bestuiving. Is de middenschaduw aanwezig, dan is die
bij laatstgenoemde soort zowel op de voor- als avls. duidelijk rood-
achtig getint. C. ruficiliaria heeft, zoals de naam aangeeft, een
roodachtig getinte franje, maar dit schijnt niet altijd het geval te zijn.
De genitaliën zijn duidelijk verschillend, ook bij de 9 9. Zie hier-
voor de figuren 31 en 32.
645, C. porata L. Verbreid op zandgronden en in bosachtige
streken door het gehele land, maar over het algemeen minder tal-
rijk dan C. punctaria L. Enkele vindplaatsen buiten deze biotopen,
meest van zwervers, zijn : Lobith, 1934 en 1936 (Sch.); Amsterdam,
1906 (Z. Mus.), 1937 (Vári); Middelie, 1946 (De Beer). Bekend
van Texel en Terschelling.
Twee, bij uitzondering zelfs misschien wel drie generaties; de
eerste van eind April tot eind Juni (25-4 tot 26-6), de tweede van
begin Juli tot begin Septr. (9-7 tot 8-9), een derde zeer partiële
generatie soms eind Septr. (20-9-38 1 ex. te Twello, Coldewey).
In 1945 kweekte Wittpen een enkel ex. van een derde gen, dat
25 Octr. uitkwam. Het lijkt me daarom minder waarschijnlijk, dat
de exx. van begin Septr. ook reeds tot deze gen. zouden behoren.
Var. Vrij variabel. De tweede gen. is in de regel iets kleiner
dan de eerste, maar waarschijnlijk komt bij onze exx. geen constant
verschil tussen beide gens. voor.
1. f. depulsa nov. Op de voorvls. of op alle vleugels is het zwart-
gerande oog gereduceerd tot een vrijwel onzichtbaar puntje. Even-
als bij C. annulata begint de reductie het eerst op de voorvls., ter-
wijl bij C. albipunctata het oog op de achtervls. het eerst verdwijnt! ).
Groningen (De Gavere, 1867, Tijdschr. voor Ent. 10 : 212); Leuve-
num (L. Wag.); Hatert, Groesbeek (Bo.); Bergen op Zoom (Snij-
der); Breda (15).
2. f. uniformata nov. Op de ogen na ontbreekt alle tekening?)
Apeldoorn (Lpk.); Bergen op Zoom (Snijder).
3. f. linearia Lambillion, 1905, Cat. Lép. Belg. 250. Schaduwlijn
opvallend duidelijk. Extreme exx., die de naam verdienen, zijn zeld-
zaam. Barrett 7, pl. 326, fig. 1 ben 1 c. Colmschate (Lukkien);
Paterswolde ; Nunspeet, Vogelenzang (Väri); Twello (Cold.);
Arnhem (Z. Mus.); Aerdenhout, Wassenaar (Wiss.); Loosduinen,
Breda (L. Mus.); Ulvenhout (Jch.); Bergen op Zoom (Snijder);
Eperheide (v. d. M.).
4. f. rubearia Lambillion, 1905, l.c. Het midden der vvls. sterk
roodachtig bestoven. De naam kan alleen voor extreme exx. gebruikt
worden, daar ook de typische exx. reeds een enigszins rood be-
stoven middenveld hebben. Twello (Cold.); Colmschate (Lukkien);
1) On the fore wings or on all the wings the eye spot with black circumscrip-
tion reduced to a hardly visible point. The reduction first begins on the fore
wings, as with C. annulafa, whereas with C. albipunctata the eye on the hind
wings disappears first.
2) All markings fail with the exception of the eye spots.
(599) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 189
Emst, Zandvoort (Wp.); Renkum, Nijmegen, Breda (Z. Mus.);
Bennekom (Pl. Z. D.); Hatert, Groesbeek (Bo.); Rhenen (Caron);
Holl. Rading (Doets); Den Haag (9); Bergen op Zoom (Snijder).
5. f. nigrosparsaria nov. Grondkleur grof en dicht bruinrood en
zwartachtig besprenkeld en daardoor sterk verdonkerd!). Twello
(Cold.); Renkum (Z. Mus.); Montferland, Bijvank (Sch.); Nij-
megen, Groesbeek (Bo.); Aerdenhout (Wiss.).
6. f. punctularia Lambillion, l.c., 1905. Op alle vleugels een rij
duidelijke donkere achterrandsvlekken. Vrijwel uitsluitend vorm
van de zomergeneratie, niet gewoon. Steenbergen-Dr. (Blom);
Bathmen (Lpk.); Colmschate (Lukkien); Nunspeet (Vári); Wage-
ningen (Mus. Rd.); Bennekom (L. Wag.); Bijvank (Sch.); Hatert
(Bo., een ex. van gen. I; zie opmerking bij C. ruficiliaria H. S., f.
privataria Bastelb.); Baarn, Naarden (Z. Mus.); Noordwijkerhout
(L. Mus.); Wassenaar (Wiss.).
7. f. visperaria Fuchs, 1884, Stett. Ent. Z. 45 : 266. Kleiner dan
de voorjaarsvorm, fijner en minder bruin bestoven, zwakker gete-
kend. Seitz, pl. 4 o, fig. 7. Beschreven als de tweede gen. van het
Wisperdal bij Gerolstein. Slechts een zeer klein deel van onze
zomerexx. beantwoordt geheel aan de beschrijving, vele zijn even
groot als die der eerste generatie. Twello (Cold.); Bennekom (L.
Wag.); Malden, Harderwijk (Bo. het laatste een ex. van gen.
vern.); Nijmegen, Loosduinen (Z. Mus., het laatste een ex. van
gen. vern. ; zie opmerking bij C. ruficiliaria H. S., f. privataria Bas-
telb.); Nunspeet, Wageningen, Hilversum (Lpk.); Aerdenhout
(Wiss.).
646. C. punctaria L. Algemeen verbreid op zandgronden en in
bosachtige streken, stellig onze gewoonste Cosymbia. Bekend van
Terschelling. Ook van Amsterdam (1937 V ari, 1946 Lpk.).
Twee generaties, de eerste van half April tot eind Juni of zelfs
begin Juli (14-4 tot 5-7 ; in 1942 op deze late datum nog een afge-
vlogen voorjaarsex. te Twello, Coldewey), de tweede van de
eerste helft van Juli tot begin Septr. (11-7 tot 1-9).
Var. De tweede generatie is in de regel kleiner dan de eerste,
terwijl vaak donkere vlekken langs de achterrand der voorvls. en
soms ook langs die der avls. optreden. Vrijwel altijd is een vlek
boven de binnenrand der voorvls. aanwezig. Exx. der zomergen.,
die deze vlek missen, zijn zeldzaam. Tot nog toe zag ik daarvan
alleen enkele 2 9.
Soms bezitten ook gekweekte exx. van de eerste gen. de vlekken-
band. Zie voor de verklaring hiervan de opmerking aan het slot
van deze soort.
1. f. naevata Bastelberger, 1900, Iris 13: 84. Langs de achter-
rand der voorvls. een doorlopende rij donkere vlekken, die bijna het
gehele franjeveld innemen. Bij ons een vrij zeldzame vorm in de
zomergen. Groningen (De Gavere, 1867, Tijdschr. voor Ent. 10:
1) Ground colour coarsely and densely powdered with red-brown and blackish
and therefore strongly darkened.
190 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (600)
212); Apeldoorn, Hilversum, Loosdrecht, Hillegom (Z. Mus.);
Montferland (Sch.); Malden (Bo.). (Ook een 4 Arnhem, 5-5-
1869, el. en © Bussum, 18-1-1902, e.l., beide Z. Mus.). Een vrij
sterk wild trans. & van Aerdenhout, 18 Mei 1931 (Väri).
2. f. foliata Fuchs, 1900, Jahrb. Nass. Ver. 53 : 49. Extreem van
de vorige vorm : zowel op voor- als avls. een rij samenhangende
donkere vlekken. Nog minder voorkomend. Oosterbeek, Nijmegen,
Valkenburg (Z. Mus.); Almelo, Bennekom (PI. Z. D.); Hilversum
(Doets); Den Haag (Cold.); Breda (F. F.).
3. f. radiomarginata De Joannis, 1908, Bull. Soc. Ent. France : 45.
In het achterrandsveld van voor- en avls. een rij donkere stralen
langs de aderen, die door lichte strepen van elkaar gescheiden zijn.
Twello (Cold.); Montferland (Sch.); Groesbeek (Bo.); Helmond
(jole).
4. f. demptaria Fuchs, 1900, l.c.: 49. De middenschaduw ont-
breekt, de 2 rijen punten zwak of ontbrekend. Groningen (De Ga-
vere, 1867, l.c.); Boekelo (Herwarth); Putten (Z. Mus.); Emst
(Wp.); Bijvank (Postema); Bussum (F.F.); Bergen op Zoom
(Snijder); Deurne (Nies); Vierlingsbeek (Lpk.); Epen (Wiss.).
5. f. communifasciata Donovan, 1808, Nat. Hist. Br. Ins. 13 : 49,
pl. 456. Alleen de middenschaduw (dun tot vrijwel normaal) is
aanwezig, de overige tekening ontbreekt. Bennekom (Pl. Z. D.);
Bijvank, Montferland (Sch.); Nijmegen, Malden (Bo.); Huizen,
Bussum, Vogelenzang (Vári); Haarlem, Meerssen (Rk.); Bergen
op Zoom (Snijder).
6. f. cingulata Fuchs, 1900, Ic. : 48. De twee puntrijen van eerste
en tweede dwarslijn zwak of ontbrekend, middenschaduw opvallend
verbreed. Vaker zijn de puntrijen volkomen normaal, terwijl de
middenschaduw duidelijk verdikt is. Ook voor deze exx. moet de
naam natuurlijk gebruikt worden. Agelo (v. d. M.); Aalten (v. G.);
Groesbeek (Bo.); Veenendaal, Vaals (Wiss.); Santpoort, Voge-
lenzang, Diependal (Väri); Noordwijk (Z. Mus.); Bergen op
Zoom (Snijder).
7. f. pulcherrimata Fuchs, 1900, l.c.: 48. Als cingulata, maar de
eerste en tweede dwarslijn bestaan uit dikke zwarte punten en de
ruimte tussen middenschaduw en tweede dwarslijn is bruin bestoven.
Groesbeek (Bo.).
8. f. subangularia Haworth, 1809, Lep. Brit. : 313. De midden-
schaduw der avls. bijna rechthoekig gebogen. Nijmegen (Z. Mus.).
9. f. ochreifusa Prout, 1913, Seitz 4: 149. Grondkleur geelachtig
of okerkleurig getint in plaats van roodachtig (niet te verwarren
met oude afgevlogen exx. !). Delden (Wiss.); Colmschate (Luk-
kien); Twello (Cold.); Groesbeek (Bo.); Vught (L. Mus.).
10. f. erythrescens Preissecker, 1922, Verh. zool.-bot. Ges. Wien
72: (94). Vleugels sterk rood bestoven, behalve het wortelveld en
een smalle streep aan voor- en achterrand. Ik gebruik de naam voor
alle sterk rood bestoven exx. Borne (Van der Velde); Hulshorst
(Vári); Twello (Cold.); Bijvank (tr., Sch.); Deurne (Nies).
11. f. infuscata Reuter, 1890, Ent. Tidskr. 11: 202. Voor- en
avls. dicht donker gesprenkeld, de middenschaduw op het midden
(601) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 191
der vvls. vlekvormig verbreed (anders kan ik tenminste niet uit de
Latijnse en Zweedse tekst opmaken, de beschrijving is verre van
duidelijk). Het lijkt me de beste oplossing de naam te gebruiken
voor alle grof besprenkelde exx. Bijvank (Sch.).
12. Dwergen. Lunteren (Branger); Laren-N.H. (Botzen).
Teratol. ex.? 2, links eenkleurig geelachtig met midden-
schaduw en stippenrijen op vvls., rechts is de tekening op voor- en
avls. normaal en zijn deze vleugels bedekt met de gewone donkere
schrapjes. Misschien somatische mozaiek. Hilversum (Doets).
Opmerking. Merrifields temperatuur-experimenten
met poppen van C. punctaria (1893, Trans. Ent. Soc. London: 65—
67) hebben wel duidelijk gemaakt, dat enkele vormen hun ontstaan,
althans gedeeltelijk, aan oecologische factoren (i.c. temperatuur) te
danken hebben. Van een legsel eieren (dus alle van hetzelfde 2!)
kreeg hij 113 vlinders. 21 daarvan waren van poppen, die blootge-
steld waren aan een temperatuur van 32° C en na 4 tot 5 da-
gen uitkwamen. 22 ontwikkelden zich in de temp. van de kamer
(+ 21° C) en kwamen na 10 tot 11 dagen uit. Van de eerste groep
bezaten alle op één na de donkere vlekken langs de achterrand (M.
geeft geen verdere bijzonderheden over de ontwikkeling der vlek-
ken), van de tweede alle op 4 na. De exx. van de tweede groep
waren meer met donkere schubben bestoven en hun tekening was
iets donkerder.
17 poppen werden in een kelder geplaatst, temp. + 17° C, en
kwamen na 22 tot 27 dagen uit. Grondkleur iets donkerder, midden-
schaduw opvallend verdonkerd, slechts 7 tot 8 exx. met randvlekken.
13 werden in de koelkast gezet, temp. + 7° C, en kwamen na 57
tot 70 dagen uit. Grondkleur en middenschaduw weer donkerder,
slechts 3 exx. met zeer flauwe sporen van randvlekken.
Bastelberger (1900, Iris 13 : 84) schrijft, dat kweken hem
bewees, dat f. naevata erfelijk is, daar de afstammelingen van een
® dezer vorm bijna alle de randvlekken bezitten.
Deze mededeling is vrijwel onbruikbaar, daar B. niet aangeeft:
1. hoe beide ouders van de afstammelingen er uitzagen, 2. in
welke generatie de vorm met de vlekken optrad en 3. aan welke
temperatuur de poppen blootgesteld geweest waren. Het lijkt mij
vrijwel uitgesloten, dat reeds bijna alle exx. van de F, (d.w.z. de
volgende voorjaarsgen.!), onder normale omstandigheden
gekweekt, tot f. naevata zouden behoren. Want onder de voorjaars-
gen. komt deze vorm (normaal!) toch wel uiterst zeldzaam voor.
Toch is het zeer goed mogelijk, dat ook Bastelberger
gelijk heeft, in zoverre, dat f. naevata erfelijk is, maar zich alleen
kan manifesteren, als de temperatuur tijdens het gevoelige stadium
van de pop hoog genoeg is. Daarop wijzen Merrifield's
resultaten. Immers, niet alle exx. reageerden precies gelijk op de
temperatuur waaraan ze als pop blootgesteld waren geweest.
Ook de verschillen tussen naevata, radiomarginata en Joliata
wijzen duidelijk op de werking van erfelijke factoren (polymere
factoren ?). Het gehele probleem is veel gecompliceerder, dan
192 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (602)
in Merrifield's tijd gedacht werd en vereist ongetwijfeld
een nadere bestudering. Een prachtige opgave voor iemand, die
over een thermostaat beschikt !
647. C. linearia Hb. Verbreid in bosachtige streken in het
gehele Oosten en Zuiden en in de duinen, over het algemeen niet
talrijk.
Twee generaties, de eerste eind April tot begin Juli (30-4 tot
5-7), de tweede van de eerste helft van Juli tot begin Septr. (8-7
tot 3-9).
Vindpl. Fr. : Oranjewoud. Dr. : Paterswolde Ov. : De Lutte,
Delden, Colmschate. Gdl. : Nijkerk, Putten, Ermelo, Elspeet, Leu-
venum, Apeldoorn, Twello (zeer zeldzaam), Laag Soeren, Dieren,
Ellecom, Velp, Beekhuizen, Arnhem, Doorwerth, Renkum, Wage-
ningen, Bennekom; Warnsveld, Vorden, Slangenburg, Doetin-
chem, Bijvank, Babberich; Beek-Nijmegen, Nijmegen. Utr.:
Rhenen, Amerongen, Leersum, Doorn, Maarn, Austerlitz, Zeist,
De Bilt, Groenekan, Soesterberg, Amersfoort, Soest, Baarn. N.H.:
Holl. Rading, Hilversum, Bussum, Naarden, Amsterdam (1900,
Snijder), Haarlem, Overveen. Z.H.: Leiden, Den Haag. N.B.:
Bergen op Zoom, Princenhage, Breda, Ulvenhout, Ginneken,
Hilvarenbeek, Deurne. Lbg.: Plasmolen, Roermond, Brunsum,
Kerkrade, Voerendaal, Meerssen, Neder-Canne (maar op Holl.
gebied), Eperheide, Epen, Vaals.
Var. De typische voorjaarsgen. heeft okergele grondkleur der
vleugels.
1. f. hybridaria De Sélys, 1844, Mém. Soc. roy. Sc. Liege 2
(Enum. Ins. Lep., sep.): 34 (strabonaria Zeller, 1851, Bresl. Ent. Z.
5 : 66). De zomergeneratie ; kleiner, grondkleur rood getint, dwars-
lijnen gemiddeld zwakker, ogen in de regel duidelijker. Bij gevlogen
exx. verdwijnt de rode tint reeds vrij spoedig en zo kunnen ze even
geel worden als afgevlogen exx. van de eerste gen. Ook bij ge-
kweekte exx. in collecties verdwijnt deze tint voor een belangrijk
gedeelte, hoewel er toch altijd nog wel iets van te zien blijft.
Oudemans (1897, Tijdschr. voor Ent. 40: V. 20—21)
schrijft, dat, hoewel niet alle vlinders hetzelfde jaar uitkomen, hun
uiterlijk toch steeds overeenkomt met de tijd waarin zij vliegen.
Daaruit volgt dus, dat hybridaria een oecologische vorm is. Toch is
ook hier weer het probleem ingewikkelder dan vroeger leek.
Prout (1913, Seitz 4: 149) schrijft, dat in Engeland en andere
gebieden zeer zelden okergele zomerexx. zijn waargenomen. V.
Schultz (1930, Int. Ent. Z. Guben 23: 445) kweekte in Fe-
bruari en Maart 1929 onder een aantal normale voorjaarsdieren
een ex. van hybridaria, hoewel alle poppen op dezelfde wijze be-
handeld werden. Hij vermoedt, dat ook erfelijkheidsfactoren een
rol spelen.
Waarschijnlijk is de oplossing iets anders. De echte hybridaria
is zonder twijfel een oecologische vorm. Daarnaast komt echter
onder de voorjaarsgeneratie een roodachtige kleurvorm voor, die in
tint op de zomervorm lijkt, maar overigens alle kenmerken van de
eerste gen. heeft. Deze vorm is hoogstwaarschijnlijk een zeldzame
erfelijke kleurvorm (zie no. 2).
(603) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 193
Wat de gele door Prout vermelde exx. van de zomergen. be-
treft, als dit geen verkleurde, gevlogen exx. zijn moet er een andere,
dan waarschijnlijk ook erfelijke vorm bestaan, die de gele grond-
kleur ook bij de hogere zomertemperatuur handhaaft. Ook deze
soort geeft dus aanleiding genoeg tot verder experimenteel onder-
zoek.
2. f. rufescens nov. Exx. van de voorjaarsgen. (dus krachtige
dwarslijnen, ogen onduidelijk, grootte normaal) met rood getinte
grondkleur!). Slangenburg, &, 24 Mei 1922 (Cold.).
3. f. demptaria Prout, 1913, Seitz 4: 150. Voorvls. eenkleurig,
zonder spoor van dwarslijnen of stippenrijen. Alleen een paar zeer
flauw getekende overgangen: Putten, Soest (Z. Mus.); Lage
Vuursche (v. d. M.).
4. f. simplificaria Culot, 1917, Noct. et Géom. 3 : 95, pl. 14, fig.
283. Alleen de middenschaduw is aanwezig, de andere dwarslijnen
ontbreken. Putten (Z. Mus.); Apeldoorn (de Vos); Epen (Wiss.).
5. f. cingulata nov. Voor- en avls. met opvallend dikke midden-
schaduw?). Lage Vuursche (v. d. M.).
6. f. mesoorthia V. Schultz, 1930, Beitr. Kenntn. Lippischen
Groszschm. (Wissensch. Beilage Jahresber. Städt. Freiligrathschule
in Lage (Lippe) 1929-30): 19. De middenschaduw staat op de
voorvls. precies tussen eerste en tweede dwarslijn in, op de avls. iets
dichter bij de eerste dan bij de tweede. Putten (Z. Mus.); Nijmegen
(Wiss.).
7. f. fasciata Prout, 1913, Seitz 4: 150. De ruimte tussen de mid-
denschaduw en de tweede dwarslijn dicht donker bestoven. Een
zwakke trans., waarbij alleen op de achtervls. deze ruimte ver-
donkerd is. Putten (Z. Mus.).
8. f. ophthalmaria Oberthiir, 1916, Lep. Comp. 12: 154, pl. 395,
fig. 3352, 3353. Op alle vleugels staat een duidelijk zichtbaar oog.
Culot, fig. 282. Komt in beide generaties voor. Apeldoorn (Wiss.);
Twello (Cold.); Doorwerth (v. d. Pol); Nijmegen (L. Mus ; door
Snellen gedetermineerd als ruficiliaria H. S.! Genitaalpraep. no.
75 Lpk.); Soestdijk (Vari); Lage Vuursche (v. d. M.); Breda (Z.
Mus.).
Calothysanis Hb.
648. C. amataria L., 1761 (amata auct., nec L., 1758 = Phalaena
punctaria L., 1758)3). Algemeen verbreid door het gehele land op
allerlei grondsoorten. Bekend van Texel, Terschelling en Ameland.
1) Specimens of the first generation (so strong transverse lines, eye spots
indistinct, span normal) with reddish tinted ground colour.
[The form has nothing to do with f. hybridaria De Sélys, which depends on
environmental factors. It is very probably a rare hereditary colour form. It is
likely this form which was bred by V. Schultz (1930, Int. ent. Z. Guben 23:
445) among the spring form.]
2) Fore and hind wings with strikingly thick central shade.
3) Zie voor deze nomenclatuurkwestie: Nordström, F., 1943, Zur Deu-
tung einiger Linnéscher und Clerckscher Schmetterlingsarten, II. Was ist Pha-
laena Geometra amata L.?, Folium Entomologicum (Festschrift z. 60. Geburtstage
von F. Bryk): 14—19.
Nordström heeft mi. volkomen gelijk: Phalaena amata L., 1758, is
194 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (604)
Drie generaties, waargenomen tussen eind April en half No-
vember (28-4 tot 16-11). Over de vliegtijden merkt Coldewey
op (in litt.):
„In de loop van 20 jaren nam ik deze soort in Doetinchem en
Twello waar op vrijwel alle dagen tussen 5 Mei en 6 October, in 2
of 3 generaties. Meestal vertoont amata zich hier voor het eerst in
de tweede helft van Mei, zelden vroeger (bijv. 5 Mei 1933, 7 Mei
1923). De hoofdvliegtijd valt gewoonlijk tussen half Juli en half
Aug. tijdens de vlucht van de tweede generatie. Dan volgt — maar
niet in alle jaren waargenomen — een derde gen. in (de tweede
helft van) September en de eerste week van October. [In Z. Mus.
een 9 van 16-11, dat wel bijzonder laat is. |
In sommige jaren kunnen we met tamelijke zekerheid — al blijft
de waarneming natuurlijk steeds onvolledig — de grens tussen
de vermoedelijke generaties trekken, zo bijv. in 1933: I van
5 Mei tot 21 Juni, II van 6 Juli tot 25 Aug. III van 5 tot 26 Septr.
Maar dikwijls gaan I en II, en vooral II en III, onmerkbaar in el-
kaar over. Bovendien vliegen meestal verse en gehavende exx. ter
zelfder tijd dooreen; de tere kleuren worden spoedig flets, zodat we
hieraan weinig houvast hebben. Naar het mij voorkomt, begint de
tweede gen. vrijwel geregeld in de eerste helft van Juli voor de dag
te komen om tegen eind Aug. te verdwijnen. In Septr. kàn dan nog
een derde gen. volgen.”
Var. De in 1761 door Linné beschreven vorm komt alleen
voor in Scandinavië en de Baltische landen. Meer naar het Zuiden,
en ook in ons land, vliegt :
Subsp. brykaria Nordström, 1943, Folium Entom.: 19, fig.
lets kleiner dan de Noordelijke vorm, vleugels zwak bestoven, met
gelere grondkleur, vvls. met duidelijke middenstip en dikwijls met
vrij duidelijke wortellijn.
Vrij variabel wat de rode tekening betreft, hoewel extreme exx.
uiterst zeldzaam zijn.
Prout (Seitz 4: 48, 1913) schrijft, dat exx. van de tweede gen.
kleiner zijn dan die van de eerste en minder donker bestoven.
Schneider (1924, Int. ent. Z. Guben 17 : 159) schrijft, dat de
tweede gen. kleiner en kortvleugeliger is dan de eerste, terwijl
de derde weer gelijk is aan de voorjaarsgeneratie. Gemiddeld komt
dit voor onze exx. wel uit, hoewel het ter beschikking staande
materiaal niet voldoende is om een definitief oordeel uit te spreken.
1. f. impuncta nov. Zie p. (557). Zeldzaam ! Harderwijk, 1 4 en
1 2 (Bo.); Hummelo, Groenekan (L. Mus.); Nijmegen (Wiss.);
Amsterdam (Botzen, Vári).
Phalaena (nu Cosymbia) punctaria L., terwijl Phalaena amataria L., 1761, de
Geometride is, die tegenwoordig door iedereen Calofhysanis amata genoemd
wordt.
Volgens de nomenclatuurregels is de naam amafaria L. ongeldig, daar Linné
in 1761 niet bewust een andere soort beschreef, doch alleen de naam corrigeren
wilde, wat niet geoorloofd is. Er zal echter voorgesteld worden deze naam toch
geldig te verklaren, waardoor slechts een geringe verandering in onze tot nog
toe gebruikte nomenclatuur nodig zou zijn.
(605) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 195
2. f. derufata nov. Bijna elk spoor van roodachtige bestuiving
ontbreekt en de schuine dwarslijn is zuiver donkerbruin!). Een vrij
gewone vorm, die stellig wel overal onder de soort is aan te tref-
fen.
3. f. crassestrigata nov. De schuine dwarslijn is opvallend dik,
maar overigens is de tekening volkomen normaal. Komt zowel bij
exx. met de typische roodachtige, als bij die met de bruine dwars-
lijn voor?). Appelbergen (Lpk.); Wijster (Beyerinck); Denekamp
(F.F.); Colmschate (Lukkien); Winterswijk (Knf.); Harderwijk
(Bo.); Nunspeet (Vári); Twello (Cold.); Arnhem, Renkum, Hees,
Venlo (Z. Mus.); Amsterdam (Väri); Deurne (Nies); Kerkrade
(Mus. M.).
4. f. rufomarginata nov. Met brede rode bestuiving langs de
achterrand der vleugels, tot ongeveer halverwege de fijne lijn3).
Ermelo (Botzen); Nunspeet (Mac G.); Malden, Hatert (Bo.); Den
Haag (F.F.); Oisterwijk (28).
5. f. effusaria Klemensiewicz, 1894, Verh. zool.-bot. Ges. Wien
44 : 184. Het rose van de schuine lijn zeer breed naar buiten ver-
vloeiend, op de binnenrandshelft van de achtervls. zelfs tot aan de
buitenste scherp getekende dwarslijn reikend. Slochteren (Wiss);
Zeist (zowel op voor- als avls. de ruimte tussen schuine lijn en
buitenste fijne lijn rood gevuld ; Gorter).
6. f. extrema nov. Voorvleugel met breed uitgevloeide midden-
streep, achtervleugels geheel purperkleurig, de middenstip en op
beide vleugels de schuine dwarsstreep scherp afstekend4). Velp |
(De Roo van Westmaas). Afgebeeld in Sepp, serie 2, 2, pl. XLIX,
fig. 10.
Rhodometra Meyrick.
649, R. sacraria L. Zeer zeldzame immigrant, tot nog toe slechts
2 keer waargenomen. Maar deze vindplaatsen zijn dan ook de
noordelijkste op het westelijk gedeelte van het Continent !
Niet bekend uit Denemarken. In het gehele omringende Duitse
gebied alleen 1 ex. aangetroffen in de Rijnprovincie (1947, Huns-
rück). In België nog niet waargenomen. In Engeland vooral in het
Zuiden herhaaldelijk opgemerkt, in 1947 echter over het gehele
Zuiden en midden. Alleen op Wight werden al 300 exx. gevan-
gen, terwijl het totaal aantal vermelde exx. over het gehele land
dat jaar 1200 bedroeg ! Slechts een enkele maal vermeld uit Noord-
Engeland, Schotland en Ierland.
Onze beide exx. zijn in Augustus gevangen.
1) Almost every trace of the reddish suffusion fails and the oblique transverse
line is purely dark brown.
2) The oblique transverse line is strikingly thick, but the markings are for the
rest quite normal.
3) With broad red suffusion along the hind margin of the wings up to about
half-way the thin line.
4) Fore wings with broadly diffused oblique transverse line, hind wings com-
pletely purplish, the central spot and on both wings the thin submarginal line
sharply contrasting.
196 B. J. LEMPKE, CATALOGUS DER (606)
Vindpl. Z.H.: Wassenaarsche Slag, 15-8-1925, 2 (Cold.
vermeld in 1932, Tijdschr. v. Ent. 75: XVII). N.B.: Nuenen, 4-8-
1944, 3 (Verhaak).
Addendum.
Op p. (502) na Emmelia trabealis Scop. aan het slot van de
Eustrotiinae toevoegen :
Tarache Hb.
650. (543a.) T. lucida Hufn. Het eerste ex. van deze in N.W.-
Europa uiterst zeldzame migrant werd in 1947 in ons land gevan-
gen.
Niet bekend uit Denemarken. In geheel Duitsland nu een uiterst
zeldzaam dier, dat daar vroeger echter meer voorkwam en tot in
Pommeren zelfs inheems geweest schijnt te zijn. Sinds tientallen
jaren is de vlinder daar echter niet meer aangetroffen. Slechts 1
vangst van meer recente datum is uit Duitsland bekend: 15 Aug.
1934 te Weitmar in het Roerkolengebied. In Zwitserland is de soort
alleen zeer zelden in Wallis gevonden. Blijkbaar is het dier overal
ten Noorden van de Alpen een immigrant.
Uit België zijn geen vondsten bekend. (Lhomme, 1923—1935,
Cat. Lép. France et Belgique: 735, schrijft: „Belgique : Baraque
Michel (Derenne)”’. Dit moet een vergissing zijn). Voor Frankrijk
geeft Lhomme op (lc. : 300) „Partout. Zonder enige twijfel is
dit onjuist. Uit Engeland zijn slechts 8 exx. bekend, alle in het
Zuiden gevangen, het laatste in 1859 te Brighton. Niet aangetrof-
fen in lerland.
Het Nederlandse ex. werd hoogstwaarschijnlijk in Juli gevangen
(het was niet gedateerd).
Mn NGB RRS it Michielsgestel, Juli (niet geheel zeker)
1947, op licht (Knippenberg).
Var. Het ex. behoort niet tot de typische vorm, die o.a. afge-
beeld is in Seitz (pl. 52 i, fig. 3) en Keer (pl. 58, fig. 1), doch
evenals alle in Engeland gevangen exx. tot:
1. £. albicollis F., 1781, Spec. Ins. 2: 218. Kop, thorax en wortel-
helft der vvls. eenkleurig wit (vaak ook het abdomen), avls. wit met
smalle donkere achterrand. Seitz, l.c., fig. 4; South, pl. 19, fig. 9.
Corrigenda.
. Deel VII, p. (399), r. 6 v.o. fig. 9 moet zijn: fig. 10.
1
2° pr (401)} tr 9) v.08 figs skmoetzijnkstignds
3. p. (404), r. 12 vo. vol. |moet zijn volte
4. p. (406), r. 1 v.b. vol. 42 moet zijn: vol. 41.
5. p. (413), r. 17 v.o. lelsum moet zijn : Jelsum.
6: p. (434), r. 17, v-b. fig. 13° bi moet zijn izes
fp, (441), x. 6.0. fig. 6 moet zijn: tiga 7
(607) NEDERLANDSE MACROLEPIDOPTERA. 197
(442), r. 11 v.b. lic. moet zijn: Trans. Ent. Soc. London,
NOD
on (EON 23 nv ple46) ce moetzin 437e.
10. (455), r. 20 v.b. anarismene moet zijn: enarismene.
(460). Tussen r. 4 en r. 5 v.b. inlassen : Procus Oken.
12: (461), r. 10 v.b. vervalt.
13: (461), r. 13 en 14 v.b. schrappen : Met furuncula (bico-
loria).
r. 14 v.b. stellig wordt: Stellig.
Or Evo, p: 120) moet zyn7pX 448.
=
Se Varia) a
— 198 —
REGISTER
ARACHNOIDEA.
Epeira Walck. XXIV.
Thomisus decipiens Forb. 11.
COLEOPTERA.
Acanthoscelides obtectus Say
[LXVII, LXVIII, LXXV.
Adalia bipunctata v. 4-pustulata
[Scop. 4.
Adrastus pallens F. 27.
Aegialia arenaria F. 26.
Aleochara Grav. LXIV, LXXV.
algarum Fauv. 26.
bilıneata Gyll. LXVI.
Amara brunnea Gyll. XLVI.
indivisa Putz. XLVI.
Anchomenus Bon. 48.
lissus Andr. 48.
Anomala aenea a. frischii F. 26.
Anthonomus cinctus Koll. LXXIV.
Anthrenus Geoffr. LXIV,
[LXVI, LXXV.
Aphodius fossor L. 26.
Apion aeneum a. obscurum
[Gabr. XLVI.
—— viciae Payk. 28.
a. griesbachii Stph. 28.
violaceum Kby. 28.
Araecerus fasciculatus de G.
[LXXV.
Aromia moschata L. XXIV.
Attagenus pellio L. LXXV.
Bagous claudicans Boh. 8.
glabrirostris Hbst. 28.
Batrisius delaportei Aubé XLV.
formicarius Aubé XLV.
—— venustus Rttr. XLV.
Bledius Mnnh. XLV.
limicola Tott. XLV.
——- spectabilis Kr. XLV.
ssp. germanicus
[Wen. XLV.
Brachylacon murinus L. 27.
Brachypterus glaber Stph. 27.
Bruchus rufimanus Boh. LXVII.
Cafius xantholoma Grav. 26.
Calathus melanocephalus L. 26.
Callispa 12-maculata Chap. 54, 56.
Cantharis fulvicollis F. 27.
rufa L. 27.
Carabidae 45.
Carabus auratus L. XLV.
a. labittei Clém. XLV.
Catascopus carinatus Louw. 48.
a. auratoides Rttr. XLV.
|
|
Cateretes pedicularius L. 26.
a. pallens Rey 27.
—— —— a. scutellaris Leinb. 27
Ceuthorhynchus Germ. XXIV.
contractus Mrsh. LXIX.
napi Gyll. LXXI, LXXII.
pleurostigma Mrsh. LXVI,
[LXX.
quadridens Pnz. XXIV,
[LXVITI—LXXI, LXXIV.
rapae Gyll. LXIV,
[LXVIII—LXXII, LXXIV.
Cercyon litoralis Gyll. 26
Chlaenius bimaculatus Dej. 46.
—— mouhoti Chaud. 46.
Chrysomelina XVII, XVIII.
Cicindela maritima Latr. 25.
silvatica L. 25.
Coccinella 10-punctata
[a. humeralis Schall. 27.
— a. pellucida Wse. 27.
—— 7-punctata L. 27.
—— —— a. 5-notata Haw. 27.
11-punctata L. 27.
Coleoptera LXIV, LXV,
IED
| Colpodes Me. L. 45.
—— doesburgi Louw. 46.
latus Louw. 47.
louwerensi Andr. 45.
Colymbetes fuscus L. 26.
Creagris rubrothorax Louw. 51.
Crepidodera interpunctata
[v. sublaevis Motsch. 28.
transversa Mrsh. 28.
Crypticus quisquilius L. 27.
Cryptophagus vini v. pillosus
[Heer 27.
Cryptorrhynchus lapathi L. 13.
Crypturgus cinereus Hbst. XLVI.
Cteniopus flavus Scop. 27.
Demetrias monostigma Sam. 26.
Deporaus betulae L. 8.
Dermestidae LXVI.
Dichirotrichus pubescens Payk. 26.
Dirotus reflectus Andr. 46.
subiridescens Me. L. 46.
Dolichoctis maxillosus Louw. 49.
Donacia thalassina Germ. 27.
a. porphyrogenita
Westh. 27.
Dyschirius impunctipennis Daws 25.
lüdersi H. Wagn. 25.
obscurus Gylh. 25.
thoracicus Rossi 25.
a niger Ahr. 25.
REGISTER. 199
Dytiscus marginalis L. 26.
Erirrhinus nereis Payk. 28.
Euryusa obtabilis Heer XLV.
Galerucella Crotch XXIII.
Gnypeta carbonaria Mnnh. 26.
Gyrinus natator L. 26.
Harpalus aeneus F. 26.
Helophorus F. LXIV.
brevipalpis Bed. 26.
porculus Bed. LXV, LXVI.
rugosus Ol. LXV, LXVI.
Hispinae 56.
Holcoderus dentatus Louw. 50.
marginalis Louw. 50.
Holotrichia bidentata Burm.
[ XXIII.
Hydrophilidae LXV.
Hydroporus erythrocephalus v.
subcostatus Gerh. 26.
Hygrotus inaequalis a. fasciatus
D. T. 26.
Hyphydrus ovatus L. 26.
Lagria hirta L. 27.
Latargus balteatus Lec. XLVI.
Leptinotarsa Stal LXXXIV.
decemlineata Say LXXXIV.
Lesticus vandoesburgi Stran. 45.
Limnobaris T-album v. pusio
Boh. 28.
Macrocheilus macromaculatus
[Louw. 51.
Magdalis memnonia Gylh. 28.
Malachius marginellus v. pseudo-
[sardous Recl. & v. d. Wiel 27.
Mecyclothorax Shp. 48.
doesburgi Louw. 48.
lissus Andr. 48.
Meloë brevicollis Pnz. 27.
Metabacetus vandoesburgi
[Stran. 45.
Miccotrogus picirostris F. 28.
Noterus clavicornis de G. 26
Ochthebius marinus Payk. 26.
Olibrus affinis Stm. 27.
Parena fasciata Chaud. 51.
—— v. unicolor Louw. 51.
Philopedon plagiatum a.
[parapleurum Mrsh. 28.
Phylan gibbus F. 27.
Phyllopertha horticola L. 26.
Phytalus smithii XXIII.
Pityogenes chalcographus L.
[LXIV, LXXII.
Platyrrhinus resinosus Scop.
[XLV.
Plegaderus dissectus Er. XLV.
Pogonoglossus Chaud. 45.
augustae Louw. 52.
Popillia japonica Newm. VII,
[LXXXIV.
Prasocuris phellandrii L. 27.
Prosternon holosericeus Ol. 27.
Ptinus fur L. IV.
—— tectus Boield. III, IV.
Rhagonycha fulva Scop. 27.
Rhamphus pulicarius Hbst. 28.
Rhantus notatus F. 26.
Rhipidius pectinicornis Thnbg. 7.
Scarites indus Mc.L. 45.
macleayi Andr. 45.
semirugosus Chaud. 45.
Scolytidae LXXII.
Scolytus carpini Ratz. XLVI.
Scydmaenus perrisi Rttr. XLV.
Sitona griseus F. 28.
Smicronyx reichii Gyll. 28.
Staphylinidae LXVI.
Stricklandia Me. L. 45.
Styphlomerus brunneiventris
[Louw. 53. .
Tachyporus hypnorum F. 26.
Taridius stevensi Andr. 46.
Telephorus spec. LXVI.
Wallaceana dactylifera Maulik 56.
Xyloterus signatus F. XLVI.
DERMATOPTERA.
Anisolabis annulipes Luc. 10.
Dermaptera 17, 19.
Hemimerus hanseni Shp. 10.
Forficula auricularia L. 10, 19.
DIPTERA.
Acidoxantha bombacis de Meij. 13.
Agromyza erythrinae de Mey. 7.
Agromyzidae LXXII.
Anthomyia funesta Kühn 8.
Anthomyidae 33.
Anthomyza gracilis Fall. 14.
—— sordidella Zett. 12.
Aphiochaeta paludosa Wood 11.
Arctophila bombiformis Fall. 10.
Ascodipteron Adens. 8.
Asilidae 32.
Bengalia latro de Meij. 8.
Bigonichaeta Rond. 7.
Brachyglossum brevirostre
[Germ. 7.
Cacoxenus indagator Löw 14.
Callomyia amoena Mg. 5.
Carnus hemapterus Nitzsch 8.
Catabomba pyrastri v. unicolor
Curt. 5.
Cecidomyia rosaria Löw 4.
Cecidomyiidae LXXII.
Cephenomyia sp. 6.
Ceratitis capitata Wied. 13.
Ceratopogon Mg. 11.
venustus Msg. 4.
Ceromasia inclusa Htg. 12.
Chilosia Mg. 11.
Chionea araneoides Dalm. 8.
Chironomidae 17.
200 REGISTER.
Chloromyia formosa Scop. 32.
Chloropisca notata Mg. 11.
Chrysopilus auratus F. 32.
Chrysops relictus Mg. 32.
Chrysozona pluvialis L. 32.
Clytocosmus Skuze 10.
Coccopsis marginata de Meij. 5.
Coenosia intermedia Fall. 33.
Conocephalus Wand. 8.
Contarinia Rond. 8.
pisicola de Meij. 8.
ribis Kieff. 8.
Craneiobia lawsonianae
[de Meij. 13.
Cryptochaetum chalybeum
[de Meij. 9.
Ctenophora Mg. 6.
Culex morsitans Theob. 7.
—— theobaldi de Meij. 7.
Culicoides impunctatus Gtgh. 13.
nubeculosus Mg. 13.
Cyclopodia horsfieldi de Meij. 5.
Cyclorrapha 5.
Dalmannia punctata F. 6.
Dasyneura Rond. LXIV.
mali Kieff. LXXII, LXXIV.
piri Bché. LXXII, LXXIV.
Diploneura cornuta Big. 13, 14.
Diplostichus janithrix Htg. 12.
Diptera LXIV, LXXII, LXXXI,
[LXXXII, 17, 32.
Dizygomyza Hend. 11.
Dolichopodidae 9, 32.
Drosophila funebris L. 5.
Echinomyia grossa L. 5, 12.
Elachiptera costata Löw LXXIII.
Ephelia marmorata Mg. 10.
Ephydridae 9.
Epicypta Winn. 11.
Epistrophe auricollis Mg. 32.
balteata de G. 32.
Eriozona syrphoides Fall. 11.
Eristalinus sepulcralis L. 33.
Eristalis horticola de G. 33.
intricaria L. 33.
Eumerus lunulatus Mg. 6.
Geomyza bimaculata Mg. 12.
Glabellula arctica Zett. 11.
Graphomyia maculata Scop. 33.
Haematobia stimulans Mg. 33.
Harpagomyia splendens
[de Meij. 8.
Heleidae 32.
Hexatoma pellucens F. 6.
Hilara sartor Beck. 13.
Holometopa 6.
Homalomyia canicularis L. 5.
Homoneura discoglauca Walk. 14.
Hoplodonta viridula F. 32.
Hydrellia nigripes Zett. 14.
Hydromyza livens F. 4, 5, 14.
Hydrophorus balticus Mg. 32.
Hydrotaea dentipes F. 6.
Hijpoderma lineatum Vill. 10.
Lasiopticus pyrastri L. 33.
Leptomorpha walkeri Curt. 10.
Leucopis annulipes Oldenk. 12.
Limnobiidae 10.
Limoniidae 3.
Liogma glabrata Mg. 6.
Liriomyza Mik. 11, 13.
pusilla Mg. 11.
Lispa uliginosa Fall. 33.
Lonchaea gibbosa de Meij. 13.
Lonchoptera Mg. 5.
Lonchopteridae 5.
Loxocera Mg. 14.
Loxoneura decora F. 6.
Lucilia silvarum Mg. 33.
Lule lunaris de Meij. 9.
Lyperosia irritans L. 33.
Melanagromyza aeneiventris
[Fall. 11.
— centrosematis de Meij. 14.
—— theae Green 13.
Melanostoma hyalinatum Fall. 5.
Metopia leucocephala Rossi 6, 14.
Molophilus Curt. 10.
—— armatus de Meij. 10.
Monardia vanderwulpi de Meij. 5.
Monocera rhinoceros de Meij. 9.
Mycetaulus bipunctatus Fall. 12.
Myennis fasciata F. 10.
Naupoda imitans de Meij. 9.
Nemotelus uliginosus L. 32.
Nepenthosyrphus de Meij. 13.
Notiphila brunnipes Rob. Desv. 14.
Odinia maculata Mg. 13.
Oncodes gibbosus L. 13.
Ophiomyia Braschn. 11, 13.
curvipalpis Zett. 12.
Orphnephila testacea Ruthe 10.
Orthorrapha brachycera 8.
Oscinella Macq. 10.
Oxydiscus de Meij. 15.
Oxyrhiza de Meij. 15.
Palloptera saltuum L. 12.
Paranthomyza nitida Mg. 14.
Paregle aestiva Mg. 33.
Pegomyia bicolor Wied. 33.
hijoscijami v. betae Curt.
[LXXV.
Peletieria nigricornis Mg. 33.
prompta Meg. 33.
Phalacrosera replicata L. 5, 10.
Phaonia gracilis Stein 13.
perdita Mg. 33.
Philonicus albiceps Mg. 32.
Phyllomyza pallida de Meij. 14.
Physocephala chrysorrhoea Mg. 7.
rufipes F. 6.
vittata F. 6.
Phytagromyza buhri de Meij. 14.
Phytomyza aquifolii Gour. 11.
crasseta Zett. 11.
flavofemorata Strobl 11.
REGISTER. 201
Phytomyza ilicis Curt. 11.
spec. LXXII.
Piophila apii Westw. 8.
Platycephala planifrons F. 9.
Platyparea Löw LXIV.
—— poeciloptera Schrk. LXXII.
Platypeza Mg. 8.
infumata Hal. 7.
Plecia fulvicollis F. 7.
Pollenia atramentaria Mg. 4.
Polyodaspis endogena de Meij.
[13, 14.
Porphyrophora polonica L. 7.
Prosophora de Meij. 7.
Protocalliphora azurea Fall. 11.
Pseudomilichia de Meij. 7.
Ptochomyza Her. 14.
Puliciphora Dahl 6, 7.
Rhabdophaga pierrei Kieff. 12.
Rhagionidae 32.
Rhamphomyia Mg. 10.
Rhingia campestris Mg. 32.
Sapromyza Fall. 6.
Sarcophaga Mg. 14.
Sayomyia fusca Staeg. 7.
Scaptomyza graminum Fall.
[LXXTII.
Sepsis Fall. 6.
Sicus Scop. 8.
ferrugineus L. 6.
Simulium Latr. 15.
nobile de Meij. 7.
Siphonella funicola de Meij. 6.
Solva marginata Mg. 10.
Sphaeromias candidatus Lw. 32.
Sphaerophoria scripta L. 33.
Steganopsis de Meij. 7.
Stratiomyidae 32.
Sturmia inconspicua Mg. 12.
Syrphidae 32.
Syrphus balteatus de G. 11.
bifasciatus F. 8.
corollae F. 33.
—— vitripennis Mg. 33.
Systropus Wied. 9.
—— blumei Sn. v. V. 13.
—— numeratus de Meij. 9.
roepkei de Meij. 9.
Tabanidae 32.
Tachina janithrix Htg. 13.
larvarum L. 5
Tachinidae 33.
Tephritis angustipennis Lw. 33.
Tethina 12.
Thereva nobilitata F. 32.
Therevidae 32.
Trishormomyia crassipes Lw. 10.
Trypetidae LXXIII, 33.
Tubifera pendula L. 33.
trivittata F. 33.
Vermileo Macq. XXIII.
comstocki Wheeler XXIII.
—— vermileo L. XXIII.
Volucella bombylans L. 11.
zonaria Poda 6.
Xiphidium dorsale F. 5.
Xylomyia Rond. 8.
Xylophagus Mg. 8.
EPHEMEROPTERA.
Caenis horaria L. 19.
macrura Stph. 19.
moesta Bgtss. 19.
Cloeon dipterum Bgtss. 19.
simile Eat. 19.
Ephemeroptera LXXXI, 17, 19.
Procloeon bifidum Bgtss. 19.
HYMENOPTERA.
Agathis minuta Niez. 30.
Ametastegia glabrata Fall. 28.
Ammophila Kby. XVI.
campestris Jur. 31.
sabulosa L. 31.
? Angitia ? armillata Grav. 29.
? tibialis Grav. 29.
Anoplius fuscus L. 31.
Anthophora Latr. XV.
furcata Pnz. 31.
Apanteles sp. 30.
Aphidiidae 29.
Aphidius crepidus Hal. 29.
Apidae 31.
Apis mellifica L. LXXVIII, 32.
Ascogaster bidentulus Wesm. 30.
clypealis Thms. 30.
Bassus laetatorius F. 29.
Bethylidae 30.
Bethylus fulvicornis Curt. 30.
—— fuscicornis Jur. 30.
Blasticotoma filiceti Kl. 6.
Bombus cognatus (Stph.)
[Schmied. 32.
—— derhamellus K. 32.
— hortorum L. 32.
— lapidarius L. 32.
—— ? lucorum L. 32.
—- terrestris L. 5, 32.
Bracon F. LXXI.
fuscicoxis Wesm. 29.
Braconidae 29.
Cerceris arenaria L. 31.
Chalcididae 30.
Chelonus retusa Nees 29.
Chrysis ignata L. 30.
Cinxaelotus erythrogaster
[Holmgr. 28.
Coelinius viduus Hal. 30.
Colletes marginatus Sm. 31.
Conoblasta fronticornis Grav. 29.
Crematogaster difformis Smith 7.
Crossocerus imitans Kohl XXIII.
wesmaeli v. d. Lind. XXIII.
Cynipidae LXXXII.
202 REGISTER.
Dioctes exareolatus Ratz. 29.
Dolerus Pnz. XX.
anticus Kl. XXI.
v. schulthessi
anthracinus Kl. XXI.
bimaculatus Geoffr. XX.
carbonarius Zadd. XXI.
coruscans Knw. XXI.
dubius Kl. XX.
ferrugatus Lep. XXI.
germanicus F. XX.
v. mediater Ensl. XX.
—— v. nigripes Knw. XX.
gibbosus Htg. XXI.
haematodes Schrnk. XXI.
——. v. rufatus Ensl. XXI.
liogaster v. rufonotatus
madidus v. schulthessi
[Knw. XXI.
megapterus Cam. XXI.
nitens Zadd. XXI.
oblongus Cam. XXI.
palustris Kl. 8.
pratensis L. XX.
v. atratus Ensl. XX.
—— v. desertus KI. XX.
—— v. timidus Kl. XX.
schulthessi Knw. XXI.
thomsoni Lep. XXI.
thoracicus Fall. XXI.
triplicatus Kl. XX.
tristis F. XX.
uliginosus Kl. XXI.
Epeolus cruciger Pnz. 31.
AES MAARRE EPEN
rufibarbis F. 31.
fusco-rufibarbis
[For. 31.
Formicidae 31.
? Glypta longicauda Htg. 29.
Gunomeria macrodactyla
[Holmgr. 29.
Homocidus signatus Grav. 29.
Hygroplitis russata Hal. 30.
Hymenoptera LXKXVIII—LXXX,
[LXXXII, 28.
aculeata LXXIX, 6.
Ichneumon lamentator Thnbg. 28.
trentepohli Wesm. 28.
Ichneumonidae 28.
Isurgus interstitialis Thms. 29.
Itoplectis maculata F. V noot.
scanica Grav. V noot.
Lasius alienus Först. 12.
[Knw. XXI.
v. terminater Ensl. XX.
v. muliebris Ensl. XXI.
[Ensl. XXI.
f. marginatus Bisch. 31.
Lasius brunneus L. XLV.
niger auct. 31.
Lissonota artemisiae Tschek. 29.
Lophyrus Latr. 12.
Lygaeonematus ambiguus
v. parvus Htg. 28.
Macrocentrus ? marginator
[Nees 30.
Megachile circumcincta K. 31.
—— maritima K. 31.
Meniscus agnatus Grav. 29.
Meteorus ? scutellator Nees 30.
Microgaster sp. 30.
Mutilla europaea L. 30.
Mutillidae 30.
Myrmica laevinodis Nyl. 31.
ruginodis Nyl. 31.
Neuroterus Htg. LXXXI.
Nototrachys foliator F. 29.
Omorgus difformis Gmel. 29.
? ferinus Holmgr. 29.
Opius sp. 30.
Perilitus sp. 30.
Phaeogenes ischiomelinus
[Grav. 29.
Pheidologeton diversus Jerd. 7.
Philanthus triangulum F. 7.
Pimpla instigator F. V noot, 29.
ras terrestris Pfank. 29.
—— nucum Ratz. 29.
Podalonia Spin. XVI.
? Polysphincta anomala
[Holmgr. 29.
Pompilidae XVI.
Pompilus F. XVI.
Pristiphora aquilegiae Voll. 8.
Psammochares fuscus L. 31.
Psammocharidae XVI, 31.
Psammophila Kohl XVI.
Psithyrus Lep. 11.
bohemicus Seidl. 31.
—— distinctus Per. 31.
—— rupestris F. 31.
Pteronidea Rohw. LXXXII.
—— pavida Lep. 28.
Rhopalum tibiale F. 10.
Selandria serva F. 28.
—— v. mascula Fall. 28.
Sphecoidea XVI.
Sphegidae 31.
Stenichneumon culpator
[Schr. V noot.
Stylocryptus profligator F. 29.
Tenthredinidae 28.
Tetramorium caespitum L. 31.
Tiphia popilliavora Roh. LXXXIV.
Trichogramma Westw. V.
Vespa L. LXXXII.
crabro L. XLI.
germanica L. 7.
REGISTER. 203
LEPIDOPTERA.
Abrostola Ochs. 122.
tripartita Hufn. 123.
f. juncta Lpk. 123.
—— f. plumbea
—— f. semiconfluens
—— f. urticae Hb. 123,
—— triplasia L. 122.
f. juncta Lpk. 122.
—— f. monotoma Lpk. 122.
—— f. semiconfluens
[Lpk. 122.
Acherontia atropos L. XVIII.
a. imperfecta Tutt
[XVIII.
Acidalia aversata L. XLV.
ochrata Scop. 25.
Acronicta tridens Schiff. XX.
—— c-nigrum L. XXII.
—— corticea Schiff.
[71 noot 2 sub 6.
glareosa Esp. XXII.
ruris Hb. 71 noot 2 sub 6.
segetum Schiff.
vestigialis Rott. 25.
xanthographa F. XXII.
lsophila Hb. 149.
aceraria Schiff. 149.
f. obscura Lpk. 150.
f. obsoleta Lpk. 150.
aescularia Schiff. 149.
f. albina Luc. 149.
—— f. astrigaria Reb. 149.
—— f. brunnea Hann. 149.
—— f. fasciata Lpk. 149.
—— f. tangens Lpk. 149.
Alucita pentadactyla L. 24.
Amphipyra Ochs. 86.
perflua F. 87.
pyramidea L. 87.
. fusca Rocci 88.
. lineata Lpk. 88.
melaleuca Lenz 88.
. pallida Lbll. 88.
. pyramidea L. 88.
. reducta Lpk. 88.
. Striata Lpk. 88.
. virgata Tutt 88.
tragopoginis L. 86.
f. brayi Lbll. 86.
— f. conjuncta Lpk. 87.
—— f. demaculata
Le
>
NN
Ph Hh Hh Eh Eh Eh Eh Eh
FREUE
—— f. grisea Vorbr. 86.
[Cockayne 123.
[Lpk. 123.
clavis Hufn. 71 noot 2 sub 6.
[71 noot 2 sub 6.
[Nordstr. 87.
Amphipyra tragopoginis f.
[nigrescens Splr. 86.
f. variegata Lpk. 87.
Amphipyrinae 61.
Anaitis plagiata L. IX, XIX.
Anchoscelis lunosa Hw. VIII.
Apamea Tr. 61.
abjecta Hb. 70.
aquila Donzel 66.
f. confluens Lpk. 66.
— f. disjuncta Lpk. 66.
— ssp. funerea Hein. 65.
brasilinea Schiff. 68, 69.
characterea Hb. 66.
f. characterea Hb. 67.
—— f. epomidion Hw. 67.
f. extrema Lpk. 67.
crenata Hufn. 67.
f, alopecurus auct.
nec Esp. 68.
—— f. atepecurus Esp.
[68 noot.
. combusta Hb. 68.
. confluens Lpk. 68.
. crenata Hufn. 68.
flavo-rufa Tutt 67.
. intermedia Tutt 67.
. Juncta Lpk. 68.
. nigro-rubida Tutt 68.
ochrea Tutt 67
. pallida Heinr. 67.
. rurea F. 67.
. subrurea Pet. 68.
fissipuncta Hw. 83.
furva Schiff. 73, 75.
f. freyeri Boie 74.
f. silvicola Ev. 74.
gemina Hb. 75.
hepatica Bkh. 66, 67.
lateritia Hufn. 64.
f. albicingulata Warn. 65.
—— f. borealis Strand 65.
—— f. contraria Hdm. 65.
|
[I]
Fh ER Eh Hb Eh Eh Eb Eh Eh Eh Fh
f
f. derufata Warr. 64.
f. grisescens Lpk. 65.
f. lateritia Hufn. 64.
f. melania Lbll. 65.
f. nigricans Meves 65.
f. obsoleta Stephan 65.
f. unicolor Heinr. 64.
lithoxylaea Schiff. 61.
lunulina Hw. 70.
—— f. abjecta Hb. 71.
f. fribolus Bsd. 71.
f. juncta Lpk. 71.
f. lunulina Hw. 71.
f. nigro-distincta
[Tutt 71.
f. unicolor Tutt 71.
—— f. variegata Stgr. 71.
monoglypha Hufn. 62, 68.
—— f. aethiops Tutt
[62 noot 2, 63.
dii (ERETTE KEELEE] AE | ARTT]
204
REGISTER.
Apamea monoglypha f
Be ea el
[benesignata Lpk. 63.
. brunnea Tutt
[62 noot 2, 63.
. contraria Lpk. 63.
. grisea Lpk. 63.
. infuscata Buch.-
[White 62 noot 2, 63.
. intacta Pet. 63.
. juncta Lpk. 64.
. monoglypha Hufn. 63.
. obscura Th. Mieg.
[62 noot 2, 63.
. obscura Tutt nec
[Th. Mieg. 63.
. pallida Lpk. 63.
. pallida-fasciata
[Lpk. 63.
. rosea Schönf. 64.
. semiconfluens
[Lpk. 64.
. uniformata Weym. 63.
ophiogramma Esp. 76, 79, 81.
fe
f.
biloba Hw. 82.
rufescens Lpk. 82.
remissa Hb. 75.
f.
intermedia-grisea
[Tutt 76.
. intermedia-rufa
[Tutt 76.
. obscura Hw.
[75, 76 noot.
. remissa Hb. 76.
. rufescens Tutt 75.
submissa Tr. 76.
supermissa Splr. 76.
rubrirena Tr. 74.
rurea F. 67.
scolopacina Esp. 82.
. abbreviata Hw. 82.
. scolopacina Esp. 82.
de
unicolor-brunnea
[Wagn. 82.
secalis L. 68, 76.
f. albistigma Tutt 80.
it
1%
FR
Fh HR Eh Fh Eh Fb
clausa Lpk. 81.
didyma Esp. 78,
[79 noot.
. didyma-flavo
[Tutt 78.
. flavistigma Lpk. 80.
. furca Hw. 79.
furca-flavo Tutt 79.
. grisea-flavo Tutt 77.
. i-niger Hw. 77.
. I-niger-albo Tutt
[77, 80.
. juncta Lpk. 81.
. leucostigma Esp.
[79, 80.
Apamea secalis f. leucastigma
ae ele Re le Se MEH il
DRAM BEEN SE SEH: Pel
EEE
Fh Fh Fh Fh FR Eh Eh Fh Hh Fh
Rh ep ERE FR RR ER ER ER eR HER ER Hb Eh
[Tutt nec Esp. 80.
. lilacina Warr. 81.
. lilacina-flavo
[Wightm. 81.
. lugens Hw. 80.
. lugens-flavo Tutt 80.
. nictitans Esp. 78.
. nictitans-linea
[Tutt 78.
. nigra-albo Tutt 79.
nigra-flavo Tutt 79.
. obsoleta Lpk. 81.
. ochracea Turner 79.
oculea Gn. 78, 79, 81.
. oculea-flavo Tutt 78.
. pulverosa Warr. 80.
rava Hw. 78.
rava-flavo Tutt 78.
. reticulata-albo
[Tutt 77.
. reticulata-flavo
[Tutt 77.
. rufa-albo Tutt 78.
. rufa-flavo Tutt 78.
. secalina Hb. 78, 80.
. secalina Hw.
[nee Hb. 77.
. secalina-albo Tutt 77.
. secalina-flavo
[Tutt 77.
. secalina-linea
Tutt 78.
5 secalis LPC
. semiconfluens
[Lpk. 81.
. struvei Ragusa 80.
. struvei-excessa
[Turn. 80.
. uniformis Splr. 81.
. virgata-albo
Tutt 77, 80.
virgata-flavo Tutt Te
sordens Hufn. 68.
. alinea Turn. 69.
. cinerascens Tutt 69.
. cruda Lpk. 69.
. juncta Lpk. 69.
. nictitans Lpk. 69.
. pallida Tutt 69.
. reducta Lpk. 69.
. sordens Hufn. 69.
. unicolor Tutt 69.
sordida Schiff. 71.
f. anceps Hb. 73.
. engelhartii Duurlo 73.
. juncta Lpk. 73.
. lactea Cock. 73.
. nigrescens Hann. 72.
. ochracea Tutt 73.
. renardii Bsd. 73.
. semiconfluens Lpk. 73.
. sordida Schiff. 72.
REGISTER. 205
Apamea sordida sublustris Esp.
61, 62.
. intermedia Tutt 62.
. pallida Tutt 62.
. sublustris Esp. 61, 62.
. versicolor Lpk. 62.
unanimis Hb. 69.
—— f. fasciata Warr. 70.
—— f. flavomaculata
[Lpk. 70.
—— f. juncta Lpk. 70.
—— f. nigrobrunnea
[Hoffm. 70.
—— f. secalina Hw. 70.
—— f. semiochrea Warr. 70.
—— f. unanimis Hb. 70.
ypsilon Schiff. 83.
. cinerea Heinr. 83.
. confluens Lpk. 84.
. conjuncta Warr. 84.
. corticea Esp. 83.
. juncta Lpk. 84.
. nigrescens Tutt
[83, 84.
. obscura Favre 83.
. obsolescens Lenz 84.
. orenburgensis
[Bartel 83.
. semiconfluens
[Lpk. 84.
f. ypsilon Schiff. 83.
Aplasta Hb. 150.
ononaria Fuessly 150.
Araschnia levana L. VII.
f. prorsa L. VIII.
Archiearinae 147.
Archiearis Hb. 147.
parthenias L. 147.
—— —— f. contrasta Lpk. 148.
—— ——- f. dilutior Heinr.
[148 noot 1.
—— —— f. fasciata Lpk. 148.
—— —— f. intermedia Lpk. 148.
ee
— f. luteata de Hennin 148.
—— f. muliercula
[Stephan 148.
—— —— f. unicolor Heinr. 148.
f. variegata Lpk. 148.
Argynnis niobe L. 25.
Argyresthia glaucinella Z. II.
Atremaea lonchoptera Stgr. III.
Bathypluta triphaenella Sn. XII.
Bena Billb. 99.
fagana F. 99.
—— —— f. bilineata Slevogt 100.
——— —— f. caerulescens
[Lpk. 100.
— gen. aest. fiorii
[Cost. 100.
— f. millieri Capronn. 100.
—— —— f. rubostrigata Reb. 100.
— f. sylvana F. 100.
—— hongarica Warr. 100.
Bena prasinana auct. nec L. 99.
Bombyx quercus L. 5.
Bomolocha Hb. 138.
crassalis F. 138.
f. achatalis Hb. 138.
—— f. crassalis F. 138.
—— f. fontis Thnbg. 138.
—— f. rufa Tutt. 138.
—— f. ¢ terriculalis
Hb. 138.
NANNA
fontis Thnbg. 138.
Borkhausenia formosella S.V. II.
Brephos O. 147 noot 2.
Hb. 137 noot 2.
—— (dubium) julia Hb.
[147 noot 2.
Brotolomia meticulosa L. XXII.
Bryophila raptricula Hb. II.
Bucculatrix nigricomella Z. II.
Bupalus piniarius L. 25.
Cabera pusaria L. 154.
Cactoblastis Rag. XVII, XVIII.
cactorum Berg XVII.
Callimorpha 4-punctaria Poda IX.
Calocampa exsoleta L. IX.
Calothysanis Hb. 193.
—— amata L. 193 noot 3.
—— amata auct. nec L. 193.
—— amataria L. 193.
—— —— ssp. brykaria
[Nordstr. 194.
—— —— f. crassestrigata
[Lpk. 195.
—— —— f. derufata Lpk. 195.
—— —— f. effusaria
[Klemens. 195.
. extrema Lpk. 195.
f. impuncta Lpk. 194.
. rufomarginata
[Lpk. 195.
Gatephia O. 126.
alchymista Schiff. 126.
Catocala Schrk. 101.
electa View. 103.
—— fraxini L. 104.
—— f. angustata
[Schultz 105.
. contigua Schultz 105.
. fraxini L. 105.
. moerens Fuchs 105.
. L. 103.
f. alterata Warr. 104.
f. brunnea Warr. 104.
f. caerulescens
[Ckll. 104.
f. concubina Bkh. 104.
f. dilutior Schultz 103.
f
f
f
. fida Schultz 104.
. flava Schultz 104.
. grisescens Hann. 103.
206 REGISTER.
Catocala nupta f. languescens
[Warr. 104.
it ee Iole 104
—— f. salmonea
f. sanguinea Lpk. 104.
f. variegata Lpk. 103.
promissa Schiff. 101.
f. contigua Lpk. 103.
—— f. grisescens Lpk. 102.
f. variegata Lpk. 102.
sponsa L. 101.
f. demaculata
—— f. rosea Lpk. 101.
f. variegata Lpk. 101.
Catocalinae 101.
Cerace WIk. XII, XII.
—— loxodes Meyr. XIII.
mesoclasta Meyr. XIII.
Eldee
Ceryx Wallgr. 57, 60.
albipuncta Hmps. 59.
—— aroa Beth.-Bak. 58.
—— burgeffi Obraz. 59.
—— javanica Obraz. 57.
—— semicincta Hmps. 60.
—— sumatrensis Obraz. 58.
Charanyca clavipalpis Scop. XIX.
4-punctata F. XIX.
selini Bsd. IX.
Chesias rufata F. 156.
Chilo cicatricellus Hb. I.
Chilodes maritima Tauscher IX.
Chlidanotidae XII.
Chloanta polyodonCl. VIII.
Chlorissa Stph. 154.
—— viridata L. 154.
f. approximata
[Lpk. 155.
f. subobsoleta Lpk. 155.
Chrysophanus dispar Hw. II.
Chrysoptera Latr. 121.
c-aureum Knoch 121.
Cirrhia ocellaris Bkh. VIII.
Coenonympha pamphilus L. 25.
Coleophora Hb. 24.
artemisicolella Bruand
[XLIV.
Colobochyla Hb. 131.
salicalis Hb. 131.
Comibaena Hb. 154.
pustulata Hufn. 154.
f. tangens Lpk. 154.
Conchylis aleella Schze. 24.
Cosmotriche potatoria a.
[extrema Tutt XIX.
Cosymbia Hb. 180, 186.
albipunctata Hufn. 180, 188.
f. albescens Lpk. 181.
[Cockayne 104.
[Heinr. 101.
— f. brunnearia Lbll. 181.
—— f. decoraria Newm. 182,
Cosymbia albipunctata f.
[depulsa Bastelb. 180.
—— f. foliata Lpk. 181.
—— f. griseata Lpk. 181.
—— f. hatertica
[V. Schultz 181.
—— f. linearia Lbll. 181.
—— f. magnocellata Lpk. 181.
—— f. mediofasciata
[Lpk. 181.
— f. obsoletaria Lbll. 181.
—— f. rufescens Lpk. 182.
—— f. striata Lpk. 181.
—— f. subroseata Woodf.
[181, 182.
annulata Schze. 182, 188.
—— gen. aest. aestiva
[Prout 183.
f. fasciata Lpk. 183.
linearia Hb. 192.
f. cingulata Lpk. 193.
—— f. demptaria Prout 193.
—— f. fasciata Prout 193.
—— f. hybridaria Sel. 192.
—— f. mesoorthia
[V. Schultz 193.
— f. ophthalmaria
[Obthr. 193.
—— f. rufescens Lpk. 193.
—— f. simplificaria Cul. 193.
f. strabonaria Z. 192.
orbicularia Hb. 183.
pendularia Cl. 183.
pendularia auct. nec Cl. 180.
f. namurcensis Lbll. 183.
porata L. 184, 188.
de depulsa Lpk. 188.
—— f. linearia Lbll. 188.
—— f. nigrosparsaria
[Lpk. 189.
—— f. punctularia Lbll. 189.
—— f. rubearia Lbll. 188.
—— f. uniformata Lpk. 188.
—— f. visperaria Fuchs 189.
punctaria L. 185—189, 191,
[193 noot 3.
—— f. cingulata Fuchs 190.
—— f. communifaciata
[Don. 190.
—— f. demptaria Fuchs 190.
dele sie tel
f. erythrescens
[Preiss. 190.
. f. foliata Fuchs
[190, 191.
. infuscata Reut. 190.
. naevata Bastelb.
[189, 191.
. ochreifusa Prout 190.
. pulcherrimata
[Fuchs 190.
. radiomarginata
[de Joann. 190, 191.
—— f. subangularia Hw. 190.
Fee
|
ULI
BE
REGISTER. 207
Cosymbia puppilaria Hb. 183.
f. badiaria Stgr. 184.
—— quercimontaria Bastelb.
[185—188.
—— —— f. communifasciata
[Lpk. 186.
—— —— f. nigrosparsaria
[Heyd. 186.
—— ——— f. privataria Heyd. 186.
f. uniformata Lpk. 186.
ruficiliaria H.S. 184,
[186—188, 193.
—— f. circumdataria
[Bastelb. 185.
—— —— f. mattiacata
[Bastelb. 185.
—— —— f. privataria
[Bastelb. 185, 189.
Crambus hortuellus Hb. 24.
Cucullia chamomillae Schiff. IX.
Dasychira fascelina L. 25.
—— pudibunda v. concolor
[Stgr. XLIII, XLIV.
Dendrolimus pini L. 25
Destaraxia splendens Hb. XLIII.
Dichrorampha alpinana Fr. 24.
Dicranura vinula L. XVII.
Donacaula mucronellus Schiff. III.
Drepana cultraria a. flava
[Lpk. XIX.
Drymonia chaonia Hb. XLIII.
Dryobota protea Bkh. XXII.
Dypterygia Stph. 84.
—— scabriuscula L. 84.
—— —— f. confluens Lpk. 84.
—— —— f. puncta Lpk. 84.
—— f. pinastri L. 84.
Earias Hb. 99.
clorana L. 99.
Ecliptopera silaceata Hk. IX.
Ectypa Bllb. 109.
glyphica L. 109.
—— —— f. angustelineata
[Lpk. 110.
costovata Foltin 110.
lata Strand 110.
. marginata Splr. 109.
. meridionalis
[Strand 110.
. obsoleta Strand 110.
. suffusa Splr. 109.
tristicula Schultz 109.
Elachista paludum Frey III.
poae Stt. XI, III.
Ellopia prosapiaria Li 29.
Ematurga atomaria L. 169.
Emmelia Hb. 92.
trabealis Scop. 92, 196.
f. confluens Stauder 92.
—— —— f. nigricostata
[Stauder 92.
Ephestia elutella Hb. 12.
—— kühniella Z. 10.
— —— f.
— —— f.
HER Ha Ha
Epiblema sordidana Hb. 24.
Epinephele janira L. 25.
caeruleocephala L. 123.
f. bipartita Strand 124.
f. clausa Lpk. 124.
f. coalita Meves 124.
f
fi
. obsoleta Lpk. 124.
. orbimaculata
[Strand 124.
f. protensa Lpk. 124.
Epizeuxis Hb. 132.
calvaria F. 132.
Ernarmonia funebrana Tr. LXV.
Euclidimera Hmps. 108.
mi Cl. 108.
f. illuminata Warr. 108.
—— f. mi CI. 108.
— f. obscura Lpk. 108.
f. ochracea Tutt 108.
f. suffusa Warr
[109 noot.
Eucosmia certata Hb. XLIII..
Eucosmidae XI.
Eupineuronia cespitis F. VIII.
Eurydoxa Fil. XII. -
—— advena Fil. XIII.
Eustrotia Hb. 90.
argentula Hb. 91.
olivana Schiff. 91.
f. edentata Lpk. 92.
signata Lpk. 92.
uncula Cl. 90.
f. clarivittata
[Nordstr. 91.
lineola Dann. 91.
obscurior Splr. 91.
pupillata Lpk. 91.
f. triangulata Lpk. 91.
Eustrotiinae 89, 196.
Euxoa obelisca Schiff.
[71 noot 2 sub 6.
—— temera Hb. 71 noot 2 sub 6.
tritici L. 76.
Evergestis limbata L. XLIII.
Gelechia velocella Dup. II.
Geometra aceraria Schiff.
[149 noot 3.
immaculata Thnbg.
[155 noot 2.
remutaria Hb. 177 noot 4.
remutata Schiff. 177 noot 4.
virgularia Hb. 163 noot.
—— virgulata Schiff. 163 noot.
Chaniss ssa XII.
Gracilaria betulicola Her.
[XLIII, XLIV.
elongella L. XLIII, XLIV.
Grapholitha funebrana Tr. LXV.
Graptolitha ornitopus Rott. IX.
Hadena monoglypha Hufn. 25.
Harpyia vinula L. 25.
Hemistola Warr. 155.
chrysoprasaria Esp. 155.
—— f.
—— f.
—— f.
— — fî
va
208
Hemistola immaculata Thnbg. 155.
vernaria Hb. nec L. 155.
Hemithea Dup. 154.
aestivaria Hb. 154.
glaucinalis L. XLV.
Herminia Latr. 137.
barbalis Cl. 137.
f. approximata
[Lpk. 137.
. cinerea Lpk. 137.
f
f
f. obsoleta Lpk. 137.
f. pectitalis Hb. 137.
f. signata Lpk. 137.
cribrumalis Hb. II.
Hipparchus Leach 153.
papilionaria L. 153.
—— f. deleta Burr. 153.
—— —— f. obsoleta Osth. 153.
cei subopsoleta
[Burr. 153.
Hydrusa Hb. 60.
Hypena Schrk. 139.
proboscidalis L. XXII, 139.
f. bilineata Lpk. 139.
. brunnea Tutt 139.
. brunnea-bilineata
. infuscata Splr. 140.
. obsoleta Lpk. 139
. parva Hann. 139.
. purpurascens
[Lpk. 139.
—— rostralis L. 140, 142.
—— —— f. 4 brunnea Lpk.
[141, 143.
—— f. 9 brunnea-
—— f. 4 ochrea Tutt
—— f. 9 ochrea-variegata
—— f. & palpalis F.
—— f. 4 radiatalis Hb.
—— f. 9 radiatalis-
f
lf: unicolor Tutt
li
9
& spectans Dann.
ê
® varia Lpk.
[141, 143.
strigata Müll nee Scop. 154.
. demaculata Lpk. 137.
[Lpk. 139.
. proboscidalis L. 139.
variegata Lpk. 141, 143.
[141, 143.
[Tutt 141, 143.
[141, 143.
[142, 143.
[variegata Lpk. 142, 143.
—— f. 2 rostralis L.
[141, 143.
nd rostralis Tutt
[nee L. 141.
[141, 143.
[141, 143.
REGISTER.
Hypena Schrk. rostralis f.
variegata Tutt 142.
—— —— f. 9 vittata-variegata
[Lpk. 141—143.
—— —— f ¢ vittatus Hw.
[141, 143.
Hypeninae 130.
Itame brunneata Thnbg. IX.
— fulvaria Vill. IX.
Jaspidia Hb. 89.
— deceptoria Scop. 89.
—— fasciana auct. nec L. 89.
pygarga Hufn. 89.
—— f. albilinea Hw. 89.
—— f. albomarginata
[Splr. 89.
—— f. brunnescens Lpk. 89.
—— f. ochrea Derenne 89.
Jodis Hb. 156.
—— lactearia L. 156.
—— —— f. approximata Lpk. 156.
—— putata L. 156.
Laconobia genistae Bkh. VIII, 76.
Laphygna exigua Hb. IX.
Larentia bilineata L. 25.
— blandiata Schiff. IX.
—— clavaria Hw. XIX.
firmata Hb. XXII.
fluviata Hb. IX.
obstipata F. IX.
silaceata Hb. IX.
— truncata Hufn. XXII.
—— variata Schiff. XXII.
Lasiocampa quercus L. 12.
trifolii Esp. 25.
Laspeyria Germ. 130.
—— flexula Schiff. 130.
— flexula Schiff. 130.
f. grisea Lpk. 131.
—— f. impuncta Lpk. 131.
—— f. obscura Lpk. 130.
f. signata Lpk. 131
Lepidoptera LXIV, LXXVI,
[LXXXI.
Leucania albipunctata F. VIII.
—— Lalbum L. IX, XIX.
Lithina chlorosata Scop. IX.
petraria Hb. IX.
Lithocolletis padella Glitz. XLIII.
sorbi Frey XLIII.
Lithosiidae XII.
Lycaena dispar Hw. II.
batavus Obthr. III.
icarus Rott. 25.
Lygephila Bllb. 126.
—— pastinum Tr. 126.
f. impuncta Lpk. 126.
a loog Jab, IAS
f. pallida Tutt 126.
Lythria purpuraria L. 25.
Macrolepidoptera 17, 24.
Macrothylasia rubi L. 12.
Malacosoma neustria L. 25, 29.
REGISTER. 209
Mamestra brassicae L. XXII.
genistae Bkh. VIII.
—— splendens Hb. XLIII.
Maniola jurtina L. XVIII.
Marasmarche plaeodactyla Hb. 1.
Meganephria oxyacanthae L. IX.
Melanalophidae XII.
Meliana flammea Curt. II, XIX.
Microlepidoptera 17, 24.
Miselia oxyacanthae L. IX.
Mormo Ochs. 85.
maura L. 85.
—— f. juncta Lpk. 85.
—— f. maura L. 85.
—— f. ocjoviensis
—— f. striata Tutt 85.
—— f. virgata Tutt 85.
Neshoo teres hostilis Stph. II.
Nepticula v. Heyd. II.
——- lusatica Schütze II.
samiatella H.S. II.
Noctua anceps Schiff.
| |
[71 noot 2 sub 6.
— lunulina Hw. 70 noot 2.
—— lythoxylaea Hb. 62 noot 1.
oblonga Hw. 70 noot 2.
sordida Schiff. 71 noot
[2 sub 1 en 6.
Nola strigula Schiff. VIII.
Nonagria dissoluta Tr. II, XIX.
Nymphalis antiopa L. 118.
Odezia Bsd. 150.
atrata L. 150.
Oenochrominae 149.
Olethreutes lacunana Dup. 24.
scriptana Hb. 24.
variegana Hb. 24.
Omphaloscelis lunosa Hw. VIII.
Ophiderinae 124.
Orrhodia Hb. XXII.
ligula Esp. XXII.
—— rubiginea F. XXII.
vaccinii L. XXII.
Ortholitha plumbaria L. 25.
Orthonama fluviata Hb. IX.
obstipata F. IX.
Orthosia circellaris Hufn. XII.
gracilis f. rosea-sparsus
[Tutt XX.
helvola L. XXII.
lota Cl. XXII.
— macilenta Hb. XXII.
Pachytelia unicolor Hufn. I.
Paltodora cytisella Curt. 43.
v. griseocapitella
[Bent. 43.
Pammene juliana Curt. 89 noot 1.
Panolis piniperda Pnz. 25.
Papilio memnon L. 7.
Paracolax Hb. 136.
derivalis Hb. 136.
f. delicata Dann. 136.
[Biezanko 85.
Paracolax derivalis f.
[delineata Lpk. 137.
. fangalis Dhl. 136.
. latelineata Lpk. 136.
. obsoleta Lpk. 137.
. Signata Lpk. 136.
. suffusa Lpk. 136.
unilineata Lpk. 137.
Parascotia Hb. 127.
fuliginaria L. 127.
f. variegata Lpk. 127.
Pelosia obtusa H.S. II.
Pentacitrotus Btl. XII.
quercivora Diak. XII.
Perizoma blandiata Schiff. IX.
Phalaena aceraria Hufn. 149 noot 3.
amata L. 193 noot 3.
—— amataria L. 193 noot 3.
— Geometra amata L.
[193 noot 3.
— —— atomaria L. 149 noot 3.
LITI
ae
remutata L. 177 noot 4.
Noctua sordida Bkh.
[71 noot 2 sub 3 en 6.
—— (CD
[71 noot 2 sub 2.
punctaria L. 193.
petraria Hb. IX.
Phoberia Hb. 106.
lunaris Schiff. 106.
f. bitincta Dann. 107.
—— f. brunnea Lpk. 107.
—— f. brunneogrisea
[Lpk. 107.
. cingulata Lpk. 108.
clara Lpk. 107.
. clausa Lpk. 108.
maura Obthr.
[107 noot 4.
f. meretrix F. 107.
f. obscura Favre 107.
f. ochrea Kromb. 107.
f. privata Dann. 108.
Phragmataecia castaneae Hb. II.
Phytometra Hb. 128.
—— confusa Stph. 119.
viridaria Cl. 128.
f. aenea Hb. 128.
—— f. fusca Tutt 128.
—— f. ljungdahli
[Nordstr. 128.
f. reducta Lpk. 128.
—— f. semipurpurea
[Kiefer 128.
f. viridaria Cl. 128.
—— napi L. XIX, 24.
a. flava ter H. XIX.
a. flavicans Müll. XIX.
210 REGISTER.
—— aurea Foltin 112.
— chrysitis L. 112.
— f. aurea Huene 113.
ei Gas 1, 113.
CZ CLOCSUS ME Ry keel.
eh decoratauDannz 114.
—— f. disjuncta Schultz 113.
—— f. disjuncta-
[scintillans Lpk. 113.
—— f. disjuncta-virescens
—— f. disjunctaurea
—— f. juncta Tutt 113.
—— f. scintillans
f. virescens Lpk. 113.
chryson Esp. 112.
f. chryson Esp. 112.
—— f. virescens Lpk. 112.
confusa Stph. 119.
festucae L. 111.
—— f. coalescens
—— f. festucella
— f. marisola Kroul. 111.
gamma L. IV, VI, 116.
—— f. bipartita
—— f. comma Ostrejkowka
—— f. gamma L, 118.
—— f. lilacina Lpk. 118.
—— f. minuscula Lbll. 119.
— f. nigricans Splr. 118.
—— f. pallida Tutt 118.
—— f. rufescens Tutt 118.
gutta Gn. 119.
interrogationis L. 110.
jota L. 114—116.
f. baltica Speyer 115.
—— f. incipiens Lpk. 115.
—— f. inscripta Esp. 115.
—— f. percontationis
juncta Greer 111.
ni Hb. 119.
pulchrina Hw. 114—116.
f. gammoides
—— f. juncta Tutt 114.
—— f. orbata Dahl 114.
—— f. percontatrix
TO a eee cepa SE
f. ypsilon Riesen 114.
Plusiinae 110.
[Lpk. 113.
[Splr. 113.
[Schultz 113.
[Schultz 111.
[Strand 111.
[Orstadius 119.
[119.
—— f. purpurissa Warr. 118.
—— f. tiltscheri Diószeghy
[119.
[Tr. 115.
[Speyer 114.
—— f. incipiens Schaw. 114.
[Auriv. 114.
Plutella maculipennis Curt. VI.
Plutellidae XII.
Polychrisia Hb. 120.
—— moneta F. 120.
—— —— f. aurea Lpk. 121.
—— —— f. maculata Lpk. 121.
—— —— f. pallescens Lpk. 120.
f. renitangens Lpk. 121.
Palende icarus Rott. XIX.
—— —— a. mariscolore
[Kane XIX.
Porthesia similis Fuessly 25.
Pseudoips Hb. 100.
—— bicolorana Fuessly 100.
—— coronillaria Hb. 152.
—— pruinata Hufn. 151.
—— -—— f. agrestaria Dup. 153.
—— —— f. albolineata
[Wagn. 152.
—— —— f. approximata
[Lpk. 152.
—— —— ssp. atropunctaria
[WIk. 151.
—— —— f. bilineata Lpk. 153.
—— —— f. extrema Lpk. 153.
—— —— f. fasciata Prout 152.
—— —— f. fuscomarginata
[Lpk. 152.
—— —— f. grisescens Reutti
[152, 153.
—— —— f. mixta Lpk. 152.
—— —— ssp. nigrolineata
[Schwing. 151.
—— —— ssp. pruinata Hufn. 151.
—— —— f. reducta Lpk. 153.
— —— f. tangens Lpk. 152.
—— —— f. unilinearia Prout 153.
f. unilineata Lpk. 153.
Pyralis glaucinalis L. XLV.
Rhinosia sordidella Hb. II.
Rhodometra Meyr. 195.
—— sacraria L. 195.
Rhodostrophia Hb. 179.
—— vibicaria Cl. 179.
—— f. adulterina
[Heydem. 180.
——. —— f. intermedia
[Kempny 180.
—— ssp. minuta
[Heydem. 180.
—— f. obsoleta Lpk. 180.
——. —— fi rectilinearia
[Meves 180.
—— —— f. rosans Prout 179, 180.
—— —— f. rubrifasciata
[Hufn. 180.
Sf) vibieatiane im mte 0:
Rivula Gn. 129.
—— sericealis Scop. 129.
f. albolividalis
[Schille 129.
REGISTER. 211
Rivula sericealis f. brunnea
[Lbll. 130.
—— f. expressa Lpk. 129.
—— f. laetior Splr. 129.
—— f. limbata Splr. 130.
—— f. lutea Lpk. 129.
—— f. oenipontana
—— f. sericealis Scop. 129.
f. signata Lpk. 130.
Roeselia strigula Schiff. VIII.
Rusina Stph. 85.
umbratica Gze. 85, 86 noot.
—— f. bellieri Cul. 86.
—— f. ferruginea Esp. 86.
— f. obscura Tutt 86.
—— f. phaeus Hw. 86.
Santa maritima Touch. II.
— v. bipunctata Hw. II.
—— —— y. wismeriensis
SIT TUT
| |
[Schmidt II.
Sarrothripinae 92.
Sarrothripus Curt. 92.
degenerana Hb. 95—99.
—— f. virescens Lpk. 96.
revayana Scop. XXII,
— f. adusta Sheldon 95.
— f. afzeliana
—— f. atrata Sheldon 93.
—— f. bifasciana Don. 94.
—— f. cladodes Sheldon 93.
. dilutana Hb. 94.
. fasciata Sheldon 95.
. feusteli Osth. 95.
. grisea ter H. 93.
. ilicana F. 94.
. lathamiana
. lichenodes
. melanosticta
(nld = lad. an
. higripunctata
. notata Sheldon 94
. obscura Warr. 99.
. obsoleta Sheldon 94.
punctana Hb. 94.
ramosana Hb. 93.
. stoninus Curt. 93.
. undulana Hb. 95.
. unicolor Osth. 95.
Eh
it
Hb HH HH
Schrankia Hb. 143.
—— costaestrigalis Stph. 144.
f. costaestrigalis
[Stph. 144.
[Hellw. 130.
[92, 96—99.
[Swederus 95.
—— it
a it
= À
— f. fusculana Schmid 94.
— À
——— À
= I
[Swederus 94.
[Sheldon 95.
[Sheldon 95.
. nigricans Sheldon 95.
[Sheldon 94.
plumbea Sheldon 95.
. variegata Sheldon 95.
Schoenobius gigantellus Schiff. II.
Schrankia costaestrigalis ssp.
[lugubralis Dann. 145 noot 1.
—— —— f. monotona Lpk. 144.
f. unicolor Lpk. 144.
—— taenialis Hb. 143.
f. obsoleta Lpk. 144.
Sciapteron tabaniformis v.
[Rottb. 4.
Scoliopteryx Germ. 124.
libatrix L. XXII, 124.
f. approximata
[Lpk. 126.
—— f. impuncta Lpk. 125.
—t— f. pallidior Splr. 125.
—— f. suffusa Tutt 125.
f. unilinea Lpk. 126.
Scopelosoma satellitia L. XXII.
Scopula Schrk. 169.
corrivalaria Kretschmar 170.
ssp. limburgensis
[Prout 170, 171.
—— f.pseudo-immutata
[Lpk. 171.
decorata Schiff. 173.
f.aequata Stgr. 173.
— f. decorata Schiff. 173.
emutaria Hb. 178.
floslactata Hw. 177.
fe anastomosaria
[Preiss. 178.
—— f. exstirpata Fuchs 178
—— f. flavescens Lpk. 178.
—— f. impuncta Lpk. 178.
f. 4-puncta Lpk. 178.
fumata Stph. 177.
imitaria Hb. 175.
immorata L. 169.
immutata L. 171, 176.
f. coarctata
_[V. Schultz 176.
— f. 4 flavescens
[Lpk. 177.
—— f. grisescens Lpk. 177.
—— f. juncta Lpk. 177.
f. myrtillata Dadd. 176.
lactata Hw. 177.
marginepunctata Gze. 175.
f. griseofasciata
[Turati 175.
nigropunctata Hufn. 172.
f. anastomosaria
[Preiss. 172.
— f. basinuda Lpk. 172.
—— f. crassestrigata
[Lpk. 172.
En
ornata Scop. 172.
f. obsoleta Lpk. 173.
remutaria Hb. 177.
rubiginata Hufn. 173.
f. brunneomarginata
[Schaw. 174.
—— f. clarirufa Lpk. 174.
—— f. fuliginosa Strand 174.
Den ee
212 REGISTER.
Scopula rubiginata f.
[ochraceata Stgr. 174.
—— f. pallifasciata Lpk. 174.
—— f. rubiginata Hufn. 174.
—— f. rubricata Schiff. 174.
f. rufolineata Lpk. 175.
strigilaria Hb. 172.
ternata Schrk. 177.
— umbelaria Hb. 171.
Scythris. disparella Tgstr. II, 24.
Spilosoma menthastri Esp. IX, 25.
a. godarti Obthr. IX.
Steganoptycha cruciana L. 24.
Sterrha Hb. 156.
australis Z. 164 noot.
aversata L. XLV, 166.
f. amoenata Fuchs 168.
f. aurata Fuchs 167.
f. aureo-spoliata
[Boldt 167.
f. auro-diluta
[Hann. 167.
. aversata L. 167.
. diluta Hann. 167.
. dilutata Preiss. 167.
. impuncta Lpk. 168.
. latefasciata
[Wehrli 168.
. lividata Cl. 167, 168.
. remutata L. 167.
. spoliata Stgr. 167.
. suffusa Lpk. 168.
. tenuifasciata
[Lpk. 168.
f. unilineata Lpk. 168.
biselata Hufn. 161.
f. biselata Hufn. 161.
—— f. extincta Stgr. 161.
— f. fimbriolata Stph. 161.
—— f. griseata Preiss. 162.
f. infuscata Prout 162.
dimidiata Hufn. 164.
f. delictata Prout 164.
—— f. fuscomarginata
[Lpk. 165.
—— f. lutescens Lpk. 164.
— f. mediofasciata
[Lpk. 165.
f. suffusa Lpk. 165.
emarginata L. 166.
f. brunnescens
[Lpk. 166.
—— f. mosquensis.
[Heyne 166.
— f. obsoleta Lpk. 166.
FR eur ER FR FR FR RR ER FR ER
Su
Sterrha emarginata f. pallida
— humiliata Hufn. 163.
—— f. impuncta Lpk. 163.
—— inornata Hw. 168.
—— f. agrostemmata
[Gn. 169.
—— f. impuncta Lpk. 169.
—— inquinata Scop. 162.
—— —— f. aestiva Fuchs 162.
interjectaria Brd. 163.
laevigata Scop. 160.
muricata Hufn. 158.
—— f. lutescens Prout 158.
——- —— f. totarubra Lbll. 158.
ochrata Scop. 156, 157.
ssp. cantiata Prout 157.
rusticata Schiff. 158.
f. albomarginata
[Lpk. 159.
—— seriata Schrk. 163.
f. calcearia Z. 164.
—— —— f. cubicularia
[Peyerimh. 164.
—— —— f. fuscomarginata
[Lpk. 164.
—— lf. grisescens de la
[Harpe 164.
—— f. lutescens Lpk. 164.
—— —— f. mediofasciata
[Lpk. 164.
—— f. obscura Millière 164.
serpentata Hufn. 157.
similata Thnbg. 157.
straminata Tr. 160.
subsericeata Hw. 165.
—— f. impuncta Lpk. 165.
sylvestraria Hb. 160.
—— f. circellata Gn. 160.
—— f. clausa Lpk. 161.
—— f. minuta Heydem. 161.
f. sylvestraria Hb. 160.
trigeminata Hw. 165.
virgularia Hb. 163, 164 noot.
vulpinaria H.S. 159.
Sterrhinae 156.
Tarache Hk. 196.
lucida Hufn. 196.
f. albicollis F. 196.
Thalera fimbrialis Scop. 155.
—— —— f. approximata Lpk. 155.
f. tangens Lpk. 155.
Thamnonoma brunneata
[Thnbg. IX.
—— fulvaria Vill. IX.
Tholera cespitis F. VIII.
Tholomiges turfosalis Wck. II, 145.
f. bicolor Lpk. 145.
—— —— f. obscura Lpk. 145.
—— f. turfosalis Wek. 145.
Tinea tapetzella L. 10.
MELLEL TTT
|
REGISTER. 213
Tineidae XII.
Tmetocera ocellana F. 24.
Tortricidae XII, LXIV.
Tortricoïdea XII.
Tortrix loeflingiana L. 24.
Triphaena pronuba L. 141, 143.
Trisateles Tams 132.
emortualis Schiff. 132.
Vanessa atalanta L. 25.
io L. 25.
urticae L. 25.
Westermanniinae 99.
Xanthia aurago F. XXII.
—— fulvago L. XXII.
—— lutea Strom XXII.
ocellaris Bkh. VIII, XXII.
Xylena exsoleta L. IX.
ornitopus Rott. IX.
semibrunnea Hw. XXI.
Xylina zie Xylena.
Xystophora Hein. 43.
divisella Dgl. III.
—— farinosae Stt. 43.
— lutulentella Z. II.
palustrella Dgl. III.
Zanclognatha Led. 131 noot 4, 132.
cribrumalis Hb. 135.
f. basilineata Lpk. 135.
—— f. cribrumalis Hb. 135.
—— f. grisescens Lpk. 136.
—— f. obsoleta Lpk. 135.
—— f. reducta Lpk. 135.
f. tangens Lpk. 135.
grisealis Schiff. 134.
f. clara Lpk. 135.
tarsicrinalis Knoch 133, 134.
f. diluta Lpk. 133.
tarsipennalis Tr. 133, 134.
—— f. delineata Lpk. 134.
f. obscura Lpk. 134.
tarsiplumalis Hb. 132.
eo
Zimmermannia heringiella
[Doets III.
Zophodia Hb. XVII.
—— bollii Zell. XVII.
Zygaena trifolii Esp. XX.
a. lutescens Ckl. XX.
MECOPTERA.
Panorpa L. 7.
NEUROPTERA.
Chrysopa Leach 23.
abbreviata Curt. 23.
— dorsalis Burm. 23.
— phyllochroma Wesm. 23.
Hemerobius L. 23.
— f. modestalis Boldt 136.
—— f. nigrostriata Urb. 135.
f. bidentatus Hein. 134.
f. brunnescens Lpk. 133.
Hemerobius humulinus L. 23.
—— nitidulus F. 22.
stigma Stph. 23.
Neuroptera 17, 22.
Psectra diptera Burm. 10.
Sialis Latr. 7.
ODONATA.
Agrion pulchellum v. d. L. 19.
Calopteryx Leach X.
splendens Harr. 19.
Cordulegaster annulatus
[Latr. XLIV.
boltonii Don. XLIV.
Dysphaea Sel. X, XI.
dimidiata Sel. IX.
dimidiata limbata Sel. XI.
Enallagma cyathigerum Charp. 19.
Euphaea Sel. XI.
Euphaeidae X.
Gomphus pulchellus Sel. XLIV.
Ischnura elegans v. d. L. 19.
Lestes sponsa Hansm. 19.
Libellula 4-maculata L. 20.
Odonata XLIV, 17, 19.
Onychogomphus cecilia
[Fourcr. XLIV.
—— forcipatus L. XLIV.
—— serpentinus Chap. XLIV.
Orthetrum cancellatum L. 20.
Sympetrum flaveolum L. 20.
striolatum Charp. 20.
—— vulgatum L. 20.
ORTHOPTERA.
Acrydium subulatum L. 18.
Blatta germanica L. 8.
Chorthippus albo-marginatus
[de G. 18.
bicolor Charp. 18.
Conocephalus dorsalis Latr. 18.
Gomphocerus maculatus
[Thnbg. 18.
Myrmotettix maculatus Thnbg. 18.
Orthoptera LXXXI, 17, 18.
Phasgonura viridissima L. 18.
Phasmidae LXXXI.
Xiphidium dorsale Latr. 5.
PSOCOPTERA.
Copeognatha LXXXI.
Elipsocus cyanops Rots. 19.
Hyperetes guestfalicus Klbe. 19.
Peripsocus parvulus Klbe. 19 noot.
phaeopterus Stph. 19.
Psocoptera 17, 19.
RHYNCHOTA.
Acanthia pallipes F. 21.
214 REGISTER.
Adelphocoris lineolatus v.
[implagiata Westh. 21.
Aelia klugi Hhn. 22.
Aleurodes Latr. 6.
Aleurodidae LXXX.
Anthocoridae 21.
Anthocoris nemoralis F. 21.
Aphidae 17, 22.
Aphididae LXXX, LXXXI.
Aphis rumicis L. LXXX, 10.
Aspidiotus zonatus Frauenf. 6.
Atheroides serrulatus Hal. 22.
Calocoris norvegicus Gmel. 21.
v. immaculata
[Strict. 21.
Capsidae 21.
Capsus ater L. 21.
Cerataphis betulae Mordw. 7.
Chorosoma schillingi Schill. 22.
Coccidae LXXX—LXXXII.
Coreidae 22.
Corixidae 20.
Dactylopius Costa XVII.
tomentosus Lam. XVII.
Dactynotus obscurus Koch 22.
Doralis fabae Scop. 22.
Eriopeltis lichtensteini Sign. 12.
Eulachnus bluncki Börn. 22.
Gerridae 22.
Gerris thoracicus Schumm. 22.
Hamamelistes betulae Mordw. 8.
Hemiptera heteroptera 17, 20.
Hemiptera homoptera 22.
Homoptera 17.
Hyalopterus pruni Geoffr. 22.
Icerya purchasi Mask. LXXXII,
[LXXXIV.
Lecanium hemisphaericum
[Targ. LXXXIV.
—— hesperidium L. LXXXIII,
[LXXXIV.
Lygaeidae 22.
Macrosiphoniella pulvera WIk. 22.
Microsynamma bohemani Fall. 22.
nigritula Zett. 22.
Miridae 21.
Miris ferrugatus Fall. 21.
Myrmus miriformis Fall. 9, 22.
Myzocallis alni de G. 22.
quercus Kltb. 22.
Notonecta glauca L. 21.
Notonectidae 21.
Notostira erratica L. 21.
Nysius thymi WIff. 22.
Orius majusculus Reut. 21.
Orthotylus flavinervis Kbm. 21.
marginalis Reut. 21.
Pentatomidae 22.
Philocerus ochraceus Mont. 8.
Piesma quadrata Fieb. VI.
Plagiognathus albipennis Fall. 22.
chrysanthemi WIff. 22.
Poeciloscytus vulneratus Pnz. 21.
Psallus ambiguus Fall. 21.
Rhopalosiphum padi L. 22.
Salda litoralis L. 21.
Saldidae 21.
Saldula pallipes F. 21.
Schizoneura lanigera Hausm.
[LXXX.
Sigara distincta Fieb. 20.
fabricii Fieb. 20.
—— fossarum Leach 20.
hieroglyphica Duf. 20.
—— lugubris Fieb. 20.
striata L. 20.
Staticobium limonii Cont. 22.
Stenodema calcaratum v.
grisescens Fieb. 21.
—— v. virescens Fieb. 21.
Strongylocoris luridus Fall. 21
Systellonotus triguttatus L. 21.
Trigonotylus psammaecolor
[Reut. 21.
SIPHONAPTERA.
Archaeopsylla erinacei Bché. 38.
erinacei erinacei Bche. 40.
Atyphloceras Jord. & Roths. 37.
Ceratophyllus Curt. 37, 38.
garei Roths. 36.
Coptopsylla Jord. & Roths. 37.
Ctenoparia Roths. 37.
Ctenophthalmus Klti. 39, 41.
—— agyrtes agyrtes Hell. 39.
celticus Jord. & Roths.
[39, 40.
— — — a. nobilis Roths.
[39, 40.
nobilis Roths. 39.
—— bisoctodentatus Klti. 42.
—— heselhausi Oudms. 41.
Euctenaphthalmus assimilis
[Taschb. 40, 41.
— congener Roths. 39.
Hystrichopsylla Taschb. 37.
—— talpae Curt. 38.
Leptopsylla fallax Roths. 40.
Macropsylla Roths. 37.
hercules Roths. 38.
Monopsyllus vison Bak. 36.
Neopsylla setosa Wagn. 36, 37.
Nosopsyllus fasciatus
Bose. d’ A. 36, 37.
Opisocrostis bruneri Bak. 36.
tuberculatus Bak. 36.
rn minor Dale 35.
cornubiensis Turk
[35, 36.
Rectofrontia isacanthus Roths. 40.
Siphonaptera 35.
Spalacopsylla heselhausi
[Oudms. 41, 42.
Typhloceras Wagn. 37.
—— poppei Wagn. 40.
REGISTER.
Xenopsylla cheopis Roths. 37.
STREPSIPTERA.
Elenchus tenuicornis Kby. 11.
Halictophagus jacobsoni
[de Meij. 8.
Parastylops flagellatus de Meij. 8.
THYSANOPTERA.
Aeolothrips fasciatus L. 20.
Aptinothrips rufus (Gmel.)
[Hal. 20.
Chirothrips manicatus Hal. 20.
f. brachyptera 20.
f. macroptera 20.
Haplothrips aculeatus F. 20.
Limothrips cerealium Hal. 20.
denticornis Hal. 20.
Thrips fuscipennis Hal. 20.
physopus L. 20.
Thysanoptera LXXX—LXXXII,
[17, 20.
215
TRICHOPTERA.
Caborius dubius Stph. XLII.
Chaetopteryx major Me. Lach.
[XLII.
Colpotaulius incisus Curt. 23.
Eenomus tenellus Ramb. 23.
Grammotaulius nitidus Müll. 23.
Halesus digitatus Schrk.
[XLII, XLIII.
Holocentropus insignis Mart.
[XLI.
Leptocerus aterrimus Stph. 23.
Limnophilus marmoratus Curt. 24.
vittatus F. 24.
Mystacides azurea L. 24.
| Oecetis ochracea Curt. 23.
lacustris Pict. 23.
Oxyethira costalis Curt. 24.
Triaenodes bicolor Curt. 23.
Trichoptera XLII, XLIII,
[LXXXI, 17, 23.
ALGEMENE ZAKEN
Bank Jr (G.). Lid. XXVII.
Barendrecht (Dr G.). Voor de
fauna nieuwe en zeldzame Do-
lerus-soorten. XX.
Parthenogenesis bij insecten.
LXXV.
— en Dr G. Kruseman Jr. In
memoriam Prof. Dr J. H. C. de
Meijere. 1.
Batten (R.). Lid. XXVII.
Bentinck (Ir G. A. Graaf). Nieu-
we en zeldzame Lepidoptera in
1946. XVIII.
Bijzondere vangsten van Le-
pidoptera. XLIII.
Paltodora cytisella Curt. v.
griseocapitella Bent. (nov. var.)
43
Bibliothecaris. Verslag 1946.
EON
Boer, S. de en J. Slot Jr. Zeld-
zame en afwijkende Macrolepi-
doptera uit het polderland be-
noorden het IJ. XVIII.
Bouwman-Buis (Mevrouw C. M.).
Lid bedankt. XXVI.
Broeder Gennardus (L. F. Bal-
vers). Lid. XXVII.
Brug (Prof. Dr S. L.). Lid over-
leden. XXVI.
Bruyning (C. P. A.). Lid. XXVII.
Coldewey (H.). Merkwaardige co-
|
pula bij Lepidoptera. XLV.
| Commissie v. h. nazien der rek.
en verantw. over 1946. XXXIV.
id. 1947. Benoemd. XXXIV.
Commissie voor de Nomenclatuur.
Verslag. XXIX.
Corporaal (J. B.). Vice-president
der N.E.V. XXXV.
| Dammerman (Dr K. W.). Presi-
dent der N.E.V. XXXV.
Diakonoff (Dr A.). Revisie van de
familie Ceracidae. XII.
Doeksen (Dr Ir J.). Zie bij Geys-
kes.
Eisner (C.). Lid. XXVII.
Erp (Dr J. P. van). Lid. XXVII.
Eyndhoven (G. L. van). Laat
rondgaan het boekje: Ce qu’il
faut savoir du monde micros-
copique par L. J. Laporte. VII.
Beveelt het gebruik van Es-
peranto in de wetenschap aan.
VADE
| Fischer (F. C. J.). Nieuwe Tricho-
ptera voor Nederland. XLII.
| Gennardus (Broeder). Lid.
XXVII.
Gerris (V.). Lid. XXVII.
Geyskes (Dr D. C.) en Dr Ir J.
Doeksen. Nieuwe gegevens over
de insectenfauna van Terschel-
ling. 16.
216 REGISTER.
Hardonk (Ir M.). Laat circulee-
ren het boek ,,Butterflies” door
E. B. Ford. XXIV.
Herwarth von Bittenfeld (H. W.).
Aromia moschata L. eet kruis-
spinnen. XXIV.
Hille Ris Lambers (D.). Het ma-
ken van vangtrechters door onze
Nederlandsche mierenleeuwen.
XXIII.
Kabos (Dr W. J.).
XXVI.
Kaijadoe I. A.). Lid. XXVII.
Klinkenberg (Mej. Dr C. H.). Lid.
XXVII.
Klynstra (B. H.). Lid bedankt.
XXVI.
Korringa (Dr P.). Lepidoptera
aangelokt door gistende bessen
van Prunus serotina. XXI.
Kruseman Jr (Dr G.). Zie Baren-
drecht en Kruseman.
Kuenen (Dr D. J.). Bestuurslid
zonder functie benoemd.
XXXV.
Leefmans (Dr S.). Mededeelingen
omtrent Plusia gamma L. IV.
Lempke (B. J.). Lid commissie
van redactie voor de publicaties
gekozen. XXXV.
—— Catalogus der Nederlandsche
Macrolepidoptera VIII. 61.
‘Lieftinck (M. A.). Over de levens-
wijze van Dysphaea dimidiata
Sel. IX.
—— Doet mededeelingen over de
N.LE.V. XXXIX.
—— Zeldzame Nederlandsche
Odonata. XLIV.
Loots (H. C.). Lid. XXVII.
Louwerens (C. J.). Some notes on
the Carabidae, collected by P.
H. van Doesburg in the Malay
Archipelago. 45.
Maan (Dr W. J.). Rectificatie op
het verslag van de 6e herfst-
vergadering. XXIV.
Mac Gillavry (Dr D.). Ptinus tec-
tus Boïeld. als darmparasiet. III.
—— Vespa crabro L. XLI.
Mac Gillavry-Matthes (Mevrouw
A. IJ. S.). Begunstigster over-
leden. LXIII.
Meulen (G. S. A. van der). Zeld-
zame aberraties van Macrolepi-
doptera.
Meijere (Prof. Dr J. C. H. de).
Eerelid overleden. LXIII.
Nieuwenhuizen (S.). Lid. XXVII.
Nieuwland (K. N.). Lid. XXVII.
Nomenclatuur-commissie. Verslag.
XXIX.
Obraztsov (N.). Three new spe-
cies of Ceryx Wallgr. from Java
Lid bedankt.
and Sumatra. 57.
Orchymont (A. d’). Corresponde-
rend lid overleden. XXVI.
Penningmeester. Verslag 1946.
Financieel verslag Vereeni-
ging tot het financieren der vie-
ring van het 100-jarig bestaan
der N.E.V. XXXIV.
—— Financieel verslag Dr J. Th.
Oudemans-stichting. XXXIV.
Prakke (H.). Lid. XXVII.
Roepke (Prof. Dr W.). Bestrijding
van onkruid met behulp van
insecten. XVII.
Rossem (G. van). Crossocerus imi-
tans Kohl in Nederland. XXIII.
—— Overzicht van de werkzaam-
heden op entomologisch gebied
van den Plantenziektenkundigen
dienst te Wageningen. LXIV.
Slot Jr (J.). Zie de Boer en Slot.
XVIII.
Smit (F. G. A. M.). Monstrosities
in Siphonaptera. 35.
Specht Grijp (W.). Lid. XXVII.
Stemerding (S.). Begunstiger.
XXVII.
Terpstra (P.). Lid. XXVII.
Tiel (N. van). Lid. XXVII.
Uhmann (Erich). Puppe und Lar-
ve von Callispa 12-maculata
Chap. 54.
| Uyttenboogaart-Eliasen (Mevrouw
E.). Begunstigster overleden.
XXVI.
Uyttenboogaart (Dr D. L.). Be-
stuurslid bedankt. XXXV.
—— Eerelid benoemd. XXVI.
—— Lid commissie van redactie
voor de publicaties benoemd.
XXXV.
Eerelid overleden. LXIII.
Vecht (Dr J. van der). Entomo-
logie in de U.S.A. XIII.
Vice-president. Jaarverslag 1946.
XXV.
Vinken (C.). Lid. XXVII.
Vreugde (Ir Th. L. J.). Van bui-
tenlands lid gewoon lid gewor-
den. XXVII.
Walhout (J.). Lid bedankt. XXVI.
Westen (Ph. H. van). Lid be-
dankt. XXVI.
Westhoff (C. J. W.). Lid bedankt.
XXVI.
Wetswijzigingen. XXXV.
Wiel (P. van der). Aanwinsten
der Nederl. Coleopteren-fauna.
XLV.
Wilde (Dr J. de). Diapause bij den
Coloradokever. LXXXIV.
Wintervergadering 1948. Amster-
dam. I.
REGISTER. 217
Wisselinsh (Ir T. H. van). Over sten in de duinen. VIII.
het kweken van Araschnia le- Zomervergadering 1948.
vana L. en over bijzondere vang- | XXXV.
Norg.
CORRIGENDUM.
pag. LXVI
De laatste alinea van Helophorus rugosus Ol. moet direct onder
Aleochara staan en aansluiten op: Wilde, J. de enz.
pa à
4 at
INHOUD VAN HET NEGENTIGSTE DEEL
(Los bijgevoegd is het Verslag der zesde Herfstvergadering, dat nog be-
hoort bij het vorige deel (LXXXIX), en in het register daarvan ook is
verwerkt, maar door eene vergissing niet mede gebrocheerd werd).
o Bladz.
_ Verslag van de negen-en-zeventigste Wintervergadering . . .I-XXIV
Verslag van de honderdtweede Zomervergadering . . . . .XXV-LXI
-. Verslag van de zevende Herfstvergadering . . . . . . …LXII-LXXXVI
Dr. G. Barendrecht en Dr. G. Kruseman Jr., In memoriam
Prof. Dr. J. C. H. de Meijere. 1-15
DEE Biche en J. Doeksen, Nieuwe gegevens over de
insectenfauna van Terschelling . | 16 — 34
F. G. A. M. Smit, Monstrosities in Siphonaptera . 35 — 42
G. À. GraafBentinck, Paltodora cytisella Curt. - griseocapitella,
nov. Var. . 43 — 44
C. J. Louwerens, Some notes on the Corbie collected by
Mr. P. H. van Doesburg in the Malay Archipelago with
descriptions of new species . 45 — 53
Erich Uhmann, Puppe und Larve von Callispa duodecimmaculata
Chapuis + 54-56
N. Obraztsov, Three new species of Ceryx Wallgr. from Java
and Sumatra . 57-60
B. J. Lempke, leus der Nederlandse Macrolepidoptera. 61-197
Register 5 198 — 217
Corrigendum 217
Avis
La Société Entomologique des Pays-Bas prie les Comites
d'adresser dorénavant les publications scientifiques, qui lui |
sont destinées, directement a: Bibliotheek der Nederlandsche ae
Entomologische i AMSTERDAM, Lee a
dijk 21. .
Toutes les autres ou. et la correspondance Lai
être adressées au Secrétaire.
Si lon n'a pas recu le numéro “précédent, on est prié d
adresser une réclamation sans aucun retard à la Bibliothèque |
susdite parce qu'il ne serait pas possible de faire droit à des
réclamations tardives. LR
ET VAN EYNDHOVEN,
Secrétaire de la. Sociëté
entomologique des Pays-Bas,
Eindenhoutstraat 36, Haarlem.
Avis pour le relieur
Nous ajoutons le „Verslag van de zesde Herfstvergadering”
| (Comptes-rendus de la sixième ‘Séance d'automne) qui doit
accompagner le volume LXXXIX de 1945 (1947), mais qui,
par un malentendu, n était pas broché dans ce volume, quoique -
son contenu a été extrait dans le ,,Register . Il faut donc être
relié, à sa propre place (p. LXVII—CXVI), avec le Vol.
ERI | a Le
sh ni
Ri RER
RON
HY ie
ie is Wide R IE Ra N
; igi ; : Manish Ja ii
\ 3
ERNST MAYR LIBRARY
u
eed bie
i a Rage
> wd